CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart"

gemeenteraad 7 februari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart" (bouwen van een woning)23.098 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime

4 4 4 5 5

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en gewenste situatie 2.1 Landschappelijke aspecten 2.2 Huidige situatie 2.3 Gewenste situatie 2.4 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

8 8 8 9 12

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 16 25

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid 4.5 Milieuzonering 4.6 Geur 4.7 Ecologie 4.8 Archeologie & cultuurhistorie 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Besluit milieueffectrapportage

36 36 37 38 39 42 48 49 51 52 53

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf

56 56 57

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding 6.2 Opzet van de regels 6.3 Verantwoording van de regels

58 58 58 59

Hoofdstuk 7

61

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 8 Vooroverleg 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 2

62 62 62 62

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het voormalige agrarische erf aan de Veenderij 18 te Dedemsvaart, gelegen in de gemeente Hardenberg. Op het perceel bevond zich in het verleden een pluimveehouderij met daarbij enkele verouderde kippenschuren. Tevens bevond zich een woonboerderij op dit perceel. Het geheel is echter verloren gegaan als gevolg van een brand en is daarom gesloopt in de periode 2006 tot 2010. Het plangebied was in het verleden voorzien van deels een woonbestemming en deels een agrarische bestemming, echter met het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, vastgesteld op 2 december 2014, is aan het gehele plangebied een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden toegekend. Initiatiefnemer is echter voornemens op dit voormalige agrarische woonerf weer een woning met bijgebouw realiseren, waarbij de woning zal worden gerealiseerd op de oorspronkelijke plaats van de afgebrande woning. De gemeente Hardenberg wil aan voorliggend planvoornemen meewerken mits de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt vergroot. Concreet houdt dit in dat de ruimtelijke kwaliteit geborgd moet worden en dat het erf landschappelijk goed ingepast wordt. Op het voornemen heeft de gemeente Hardenberg (d.d. 20 oktober 2020) onder voorwaarden een positief besluit heeft genomen.

Het voornemen is echter niet in overeenstemming met de geldende gebruiks- en bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan omdat de locatie een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden voor een reguliere woning heeft. Deze locatie dient daarom te worden voorzien van een passende woonbestemming. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om realisatie vanuit voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Aangetoond wordt dat de herziening van de bestemming in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is. 1.2

Ligging van het plangebied

Het plangebied omvat de locatie van het voormalig agrarische erf aan de Veenderij 18 te Dedemsvaart. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Avereest, sectie I, perceelnummer 2292 (gedeeltelijk). De ligging van het plangebied ten opzichte van Dedemsvaart en de directe omgeving wordt weergegeven in afbeelding 1.1, waarin het plangebied indicatief is aangegeven met de rode ster en de rode omlijning. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 4

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de (directe) omgeving en Dedemsvaart (Bron: PDOK)

1.3

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan ''Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000BP00380-OW01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4

Huidig planologisch regime

1.4.1

Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg". Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld op 2 december 2014 en het bestemmingsplan ''Facetherziening parkeren Hardenberg'' (vastgesteld op 17 juli 2018). Nadien heeft er nog een correctieve herziening (Buitengebied Hardenberg, herziening regels, vastgesteld 26 september 2016) plaatsgevonden ten aanzien van de regels. In afbeelding 1.2 is uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven. De rode lijn geeft indicatief het plangebied weer.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 5

Afbeelding 1.2: Uitsnede van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) 1.4.2

Bestemmingen

Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap'. Daarnaast zijn de gronden voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie 4' en 'Waarde-Archeologie 5'. Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' zijn hoofdzakelijk bedoeld voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw en de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap, welke per (deel)gebied zijn beschreven in de tabellen van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's). Agrarische bedrijfsbebouwing is uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak. Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4 respectievelijk 5' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. 1.4.3

Strijdigheid

Ter plaatse van het plangebied geldt een agrarische bestemming op basis waarvan het bouwen en gebruiken van een reguliere woning niet is toegestaan. Het realiseren van een woning en het gebruik ervan is, vanwege het ontbreken van passende gebruik- en bouwmogelijkheden, niet in overeenstemming met de geldende bestemming. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders om het voornemen te kunnen realiseren. In dit geval wordt het plangebied gedeeltelijk voorzien van een reguliere woonbestemming, de overige gronden behouden de agrarische bestemming. Tot slot wordt de landschappelijke inpassing geborgd.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 6

1.4.4

Leeswijzer

Na deze inleiding worden in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste situatie weergeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Hardenberg beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieuthema's de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg en de inspraak.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 7

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie en gewenste situatie

Landschappelijke aspecten

Het plangebied ligt in een veenkoloniaal landschap. Het Overijssels veenkoloniaal landschap is deel van een groter geheel dat zich uitstrekt over Groningen en Drenthe. Het is mede gevormd door de vestiging van ontginners en boeren uit andere regio’s. In de boerderijbouw is dit herkenbaar: typisch Groningse boerderijen staan naast Overijsselse. Het veenontginningslandschap is ontstaan door vervening (het afgraven van veen) en ontginning (het in cultuur brengen ten behoeve van de landbouw). De vervening heeft plaatsgevonden in de 19e eeuw. Het hoogveen werd vanuit nieuwe linten en kanaaldorpen ontgonnen. Het vergraven landschap werd vervolgens als akkerbouwgebied in gebruik genomen. Rond 1950 zijn de nattere gebieden (eerst nog bos) alsnog ontgonnen. Het veenontginningslandschap wordt gekarakteriseerd als vlak, grootschalig en "rechtlijnig" gebied met halftransparante linten van bebouwing en boombeplantingen. De bebouwing en beplanting is geconcentreerd aan de ontginningsbases. Ten behoeve van de turfwinning zijn vaarten en kanalen gegraven, die nu deels zijn gedempt. De geschiedenis van de veenontginningen is tegenwoordig nog steeds sterk herkenbaar in de omgeving van het plangebied. De rechtlijnige structuur van het veenontginningslandschap is één van de kenmerken die het landschap identiteit geeft. Het gebied bestaat overwegend uit rechthoekige kavelpatronen en rechte wegen.

2.2

Huidige situatie

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Dedemsvaart en nabij het Ommerkanaal. In de directe omgeving van het plangebied is overwegend sprake van agrarische cultuurgronden met daarbij verspreid liggende woonpercelen. Agrarische bedrijven komen er (weliswaar in ondergeschikte mate) eveneens voor. De erven en boerderijen liggen geclusterd langs de weg. Het plangebied zelf wordt begrensd door agrarische cultuurgronden aan de noord- en zuidzijde van het plangebied. Aan de oostzijde ligt de infrastructuur van de Veenderijen en aan de westzijde ligt het water van het Ommerkanaal. Ter plaatse van het plangebied is het landschap open. Het erf kent van oorsprong een sterke relatie met de Veenderij. De woning met opstallen stonden tot enkele jaren geleden als bebouwing tussen het Ommerkanaal en de Veenderij en kende as oriëntatie de Veenderij. Het erf bestond uit veel groen in de vorm van bomen/hagen en struweel. Rondom is het landschap open waarin het Ommerkanaal een groen lint vormt. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied opgenomen. In afbeelding 2.2 is een straatbeeld opgenomen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 8

Afbeelding 2.1: Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (Bron: Maps Google)

Afbeelding 2.2: Straatfoto van de huidige situatie van het plangebied (Bron: Maps Google)

2.3

Gewenste situatie

2.3.1

Gewenste situatie

Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van het plangebied een nieuwe woning met bijgebouw op het oorspronkelijke erf te bouwen. De bestaande bomen geven de grenzen van het erf weer, zie hiervoor ook afbeelding 2.1. Deze bomenrij vormt de basis voor de landschappelijke inpassing. De kwaliteit van de plek zit met name in het contrast van groen en beslotenheid op de erven en het open landschap met prachtige vergezichten. Eenvoud soberheid en een functioneel erf zijn de kenmerken van erven in dit landschap. Na realisatie van de woning

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 9

moet deze kwaliteit behouden blijven. Naast de woning wordt er ook een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Hier is binnen het erfinrichtingsplan rekening gehouden. Het erf zal ontsloten worden middels één bestaande inrit op de Veenderij. 2.3.2

Gemeentelijke randvoorwaarden aan het initiatief

De gemeente heeft in haar positieve principebesluit (zie 1.1. aanleiding) aangegeven dat het plangebied momenteel is voorzien van een agrarische bestemming zonder bouwvlak en daarmee is aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied. Daarmee is het (wederom) toekennen van een woonbestemming niet vanzelfsprekend, echter zijn er in dt specifieke geval een aantal redenen die een uitzondering vormen, waarmee gerechtvaardigd wordt dat aan het perceel een woonbestemming voor de bouw van een woning met bijgebouw wordt toegekend. De redenen zijn: 1. In voorgaande bestemmingsplannen had het perceel een woonbestemming en er heeft tot 2010 daadwerkelijk een woning gestaan, die tot op dat laatste moment ook als zodanig in gebruik was. 2. Er is nog een gedeelte van de oorspronkelijke erfbeplanting aanwezig, waarbij bij de huidige landschappelijke inpassing gebruik van kan worden gemaakt. 3. In de directe omgeving van het plangebied staan meerdere woningen, ook aan de overzijde van het Ommerkanaal. 4. Er wordt door initiatiefnemer een tegenprestatie middels een passende kwaliteitsimpuls aan het plangebied (en elders) geleverd. 5. Tijdens ambtelijk vooroverleg met de provincie Overijssel is gebleken dat het opnieuw toekennen van een woonbestemming niet in strijd is met het provinciale beleid. Bovenstaande bezien concludeert gemeente dat zij medewerking wil verlenen aan het initiatief.

Zij doet dit onder de volgende voorwaarden: 1. De woning moet gebouwd worden op de locatie van de oorspronkelijke woning en hiermee op het destijds bestaande erf. 2. Er moet worden aangetoond in het bestemmingsplan dat het opnieuw toekennen van een woonbestemming geen nadelige gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. 3. Er moet een ruimtelijk kwaliteitsplan worden opgesteld waarbij inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze de woning landschappelijk wordt ingepast (basisinspanning) en op welke wijze wordt geinvesteerd in de kwaliteit van het gebied (kwaliteitsimpuls groene omgeving). 2.3.3

Ruimtelijke inpassing en landschapsmaatregelen

Door De Erfontwikkelaar is ten behoeve van de ontwikkeling een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld met daarbij een erfinrichtingstekening. De tekening is opgenomen in afbeelding 2.3. Voor het volledige plan wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting. Initiatiefnemer is voornemens het oorspronkelijke erf te ontwikkelen. Enkele jaren geleden is hier de bestemming gewijzigd naar agrarisch. De contouren van het oorspronkelijke erf zijn fysiek nog aanwezig in de vorm van bomen en enige opgaande beplanting. Dit contour vormt logischerwijs weer de nieuwe grens van het erf. Daarbij stond de woning aan de zuidzijde van de beplanting en de schuren tussen de bestaande beplanting. Er is gekozen om de woning weer op de zelfde plek te realiseren aangezien dit het meest logisch is. De woning wordt getoetst aan de Welstandsnota. Hiermee zal het een landelijke woning worden met een eigen entiteit.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 10

Het landschap kenmerkt zich als een open en rationeel ingericht landschap met rechte kavels en rechtlijnige structuurdragers zoals kanalen, vaarten en wijken. Voor de vervening van het gebied werden vaarten en wijken gegraven om het veen te ontwateren en het turf af te voeren. Het open veenontginningslandschap komt voor verder van bebouwingslinten dan. het besloten veenontginningslandschap. Het is een open landschap waarin de erven als groene eilanden liggen. Daarbij is het niet wenselijk om het gehele erf af te schermen met een houtsingel (dat wel past in het besloten veenontginningslandschap). Wel wordt er beplanting aangebracht in de vorm van bomen en hagen. De functionele scheiding tussen ‘voor’ en ‘achter’, tussen wonen en werken, is terug te vinden in de architectuur en de situering van de gebouwen en de erfaankleding. De erven zijn langs de ontginningsassen gesitueerd en kennen een rationele opbouw (rechthoekig of vierkant). De bebouwing bevindt zich op de kop van de kavel en oriënteert zich op de weg. De erven in het open veenontginningslandschap zijn groter dan in het besloten veenontginningslandschap. Het erf aan de Veenderij 18 sluit aan op de karakteristiek van het gebied. Er is gekozen om de beplanting aan de noord- en westzijde te versterken met een houtsingel. Dit vormt een passende groene zoom om het erf.

De zuidelijke bomenrij wordt aangevuld met Zwarte Els en vormt een passende afscherming richting het zuiden. Op het erf wordt een Hollandse linde en een Walnoot aangeplant als vergroening van het erf. Middels een haag wordt de tuin op een passende wijze afgeschermd. Op het erf wordt tevens een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Hier is rekening mee gehouden met het inrichtingsplan. De inrit zal weer op de oorspronkelijke plek aan de noordzijde komen. Hierdoor ontstaat een logische erfindeling. De keuze voor de verharding moet in afstemming gemaakt worden met de materialisering van de architectuur. Verharding moet in een gedekte kleurstelling sober toegepast worden. Dit in afstemming met de kleurstelling van de gevels en overige materialisering van de gebouwen.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 11

Afbeelding 2.3: Erfinrichting nieuwe situatie (Bron: De Erfontwikkelaar) Wat betreft de KGO-investeringen (extra inspanningen bovenop de basisinspanningen) wordt gesteld dat de KGO wordt ingevuld door de sloop van 425 m² asbesthoudende landschapsontsierende gebouwen elders. Hiervoor wordt een sloopbewijs ingezet. De sloopmeters zijn afkomstig van de locatie Stobbeplasweg 4 in Slagharen. Bij het bepalen van de sloopoppervlakte is er rekening mee gehouden dat er in het verleden al ongeveer 1.350 m² aan landschapsontsierende gebouwen is afgebroken.

2.4

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Met de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving biedt de provincie Overijssel beleidsruimte aan gemeenten voor ontwikkelingen in de groene ruimte. Nieuwe ontwikkelingen moeten mogelijk zijn onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. In het buitengebied is ruimte voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen mits die gelijk opgaan met verbeteringen van de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd. De methodiek voor het bepalen van de balans tussen ontwikkelingsruimte en de gevraagde investering in de groene omgeving, is gericht op het volgende: hoe meer de ontwikkeling als gebiedsvreemd te beschouwen is en /of hoe groter de schaal en impact op de ruimtelijke kwaliteit is, des te zwaarder weegt dat aan de ontwikkelingskant van de balans en hoe hoger de aanvullende kwaliteitsprestaties dan dienen te zijn. Als het gaat om een gebiedsvreemde ontwikkeling van een grote schaal en met een grote impact op de omgeving, dan zal een forse investering in het landschap nodig zijn. Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend aan het verzoek, wordt het volgende model gevolgd:

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 12

Gebiedseigen ontwikkeling Het ontwikkelingsperspectief van het plangebied voorziet primair in het bieden van ruimte aan (verbrede) agrarische bedrijven en landbouw. Door de ligging van het plangebied dichtbij de kern Dedemsvaart zijn die ontwikkelingsmogelijkheden echter beperkt, bovendien had het plangebied in het verleden eveneens gedeeltelijk een woonbestemming. In voorliggend geval is dan ook sprake van een binnen het gebied passende functie. (zie ook de redenen voor medewerking en de bijhorende voorwaarden vanuit het principebesluit). Tevens draagt het initiatief bij aan het sociaal en economisch vitaal houden van het buitengebied. Schaal en impact op de omgeving De activiteiten zullen plaatsvinden op een plek waar in het verleden reeds bebouwing stond. De impact van het voornemen op de omgeving is hiermee beperkt. Eigen belang en maatschappelijk belang Er is sprake van een eigen belang. Ook is er een maatschappelijk belang. Middels het ruimtelijk kwaliteitsplan en de aanvullende KGO-investeringen zal de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied en de wijdere omgeving verbeteren en worden gezondheidsrisico's beperkt. Dit is goed voor de leefomgeving en het landschap.

Tegenprestatie Al met al worden er boven op de basisinspanning aanvullende kwaliteitspretaties gevraagd, die bijdragen aan de versterking van de gebiedskenmerken uit het landschapsontwikkelingsplan en de ontwikkelingsrichting uit de ontwikkelingsvisie. Deze tegenprestatie zal ondermeer bestaan uit de basisinspanning en aanvullende KGO-investeringen. De basisinspanning betreft het realiseren van een nieuw woonperceel met bebouwing die past in het landschap en een adequate landschappelijk inpassing, wat zal leiden tot een kwalitatief, hoogwaardige, ruimtelijke situatie. Wat betreft de KGO-investeringen (extra inspanningen bovenop de basisinspanningen) wordt gesteld dat de KGO wordt ingevuld door de sloop van 425 m² asbesthoudende landschapsontsierende gebouwen elders. Hiervoor wordt een sloopbewijs ingezet. De sloopmeters zijn afkomstig van de locatie Stobbeplasweg 4 in Slagharen. Bij het bepalen van de sloopoppervlakte is er rekening mee gehouden dat er in het verleden al ongeveer 1.350 m² aan landschapsontsierende gebouwen is afgebroken.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 13

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 14

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties 3.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Ten tijde van de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 15

3.1.2

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de omgevingsvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van respectievelijk 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien er sprake is van een toevoeging van slechts één woning. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei 2017 zijn de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. Op 13 november 2019 zijn de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening gewijzigd vastgesteld. Deze Actualisatie is op 1 december 2019 in werking getreden. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema's voor de Omgevingsvisie zijn: Duurzaamheid; Ruimtelijke kwaliteit. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 16

3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend.

Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Hieronder worden de generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken nader toegelicht. 3.2.3.1 Of- generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen van de provincie. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 17

3.2.3.2 Waar- ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 3.2.3.3 Hoe- gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap.

De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld: 3.2.4.1 Of - generiek e beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit), artikel 2.1.6 lid 1 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) en artikel 2.2.2 (Realisatie nieuwe woningen) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 18

optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel De gemeente Hardenberg heeft in haar positieve principebesluit (zie paragraaf 1.1. 'aanleiding') aangegeven dat het plangebied momenteel is voorzien van een agrarische bestemming zonder bouwvlak en daarmee is aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied. Daarmee is het (wederom) toekennen van een woonbestemming niet vanzelfsprekend, echter zijn er in dt specifieke geval een aantal redenen welke een uitzondering vormen, waarmee gerechtvaardigd wordt dat aan het perceel een woonbestemming voor de bouw van een woning met bijgebouw wordt toegekend. Het plangebied was in het verleden bebouwd ten behoeve van een pluimveebedrijf. Tevens was er een woning bij aanwezig.

De bebouwing is echter gesloopt in het verleden en het plangebied is daarbij voorzien van een agrarische bestemming (abusievelijke wegbestemming woonfunctie). Er is voor het plangebied een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld waarbij inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de woning landschappelijk wordt ingepast (basisinspanning) en op welke wijze wordt geinvesteerd in de kwaliteit van het gebied (kwaliteitsimpuls groene omgeving). Per saldo is er daarom geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden van de groene omgeving. Samenvatting wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening gehouden is met het gestelde in artikel 2.1.3, en kan eveneens worden gesteld dat het voornemen in dit bestemmingsplan een vorm is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (leden 1,2,3 en 5) Lid 1: in de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2: in het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (Of-, Waar- en Hoe-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.

Lid 3: in het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 5: in het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Artikel 2.1.6: Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (KGO) (lid 1) Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 19

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 en 2.1.6 lid 1 van de Omgevingsverordening Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hardenberg. Deze meerwaarde vertaalt zich in: Realisatie van één woning met bijbehorend bouwwerk; Het landschappelijk inpassen van het betrokken erf (basisinspanningen); Wat betreft de KGO-investeringen (extra inspanningen bovenop de basisinspanningen) wordt gesteld dat de KGO wordt ingevuld door de sloop van 425 m² asbesthoudende landschapsontsierende gebouwen elders. Hiervoor wordt een sloopbewijs ingezet. De sloopmeters zijn afkomstig van de locatie Stobbeplasweg 4 in Slagharen. Bij het bepalen van de sloopoppervlakte is er rekening mee gehouden dat er in het verleden al ongeveer 1.350 m² aan landschapsontsierende gebouwen is afgebroken ter plaatse van het onderhavige plangebied De Veenderij 18 te Dedemsvaart.

De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding tot de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van de Provincie Overijssel met betrekking tot de impuls in de groene omgeving. Voor een nadere uitwerking wordt verwezen naar paragraaf 2.4, waar eveneens op de landschappelijke inpassing en de KGO is ingegaan. In paragraaf 3.2.3.2 wordt beschreven dat het project past binnen de ontwikkelingsperspectieven. Artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsvisie Overijssel De voorliggende ontwikkeling betreft het bouwen van één woning. De woning voldoet aan de kwalitatieve behoefte in de markt en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming te achten met artikel 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel.

Geconcludeerd wordt dat het voorliggende bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het hoofdzakelijk om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven: de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW); agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap; wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief 'Agrarische ondernemen in het grootschalig landschap'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen waarbij het plangebied zich rondom de rode ster bevindt.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 20

Afbeelding 3.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) "Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap" Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel; continu en beleefbaar watersysteem. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief' Het karakter van het de omgeving van het plangebied nabij Dedemsvaart, in het buitengebied van de gemeente Hardenberg, met een menging van meerdere functies, waarbij de functie 'agrarisch' niet de hoofdfunctie (meer) is, maakt dat een nuancering ter zake van de begrenzing van het ontwikkelingsperspectief noodzakelijk is. De ontwikkelingsperspectieven zijn dan ook niet normstellend maar richtinggevend. Afwijkingen van de ontwikkelingsperspectieven zijn mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken wordt versterkt en er voor de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r-plicht. In voorliggend geval is sprake van de bouw van één woning op dezelfde plaats als de oorspronkelijke boerderij op het voormalige erf (reeds gesloopt en in het verleden afgebrand). Deze nieuwe woning vormt geen belemmering voor omliggende (agrarische)

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 21

bedrijfsvoering. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.5 en paragraaf 4.6. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. 3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap en de stedelijke laag gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende situatie wordt de stedelijke laag alsmede de laag van beleving buiten beschouwing omdat er ter plaatse van het plangebied geen gebiedskenmerken aanwezig zijn. 1. De “Natuurlijke laag” De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen.

Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied (rondom de rode ster) is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)', zoals in afbeelding 3.3 is te zien.

Afbeelding 3.3 De 'Natuurlijke laag' (Bron: Provincie Overijssel)

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 22

“Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)” Op waterhuishoudkundig geïsoleerde plekken (waar het regenwater wordt vastgehouden) ontwikkelde zich in het zandgebied op kleine en grote schaal hoogveen; onder invloed van regenwater ontstonden veenmoerassen. Deze groeiden als een dikke spons van veenmossen steeds verder omhoog, los van het grondwater. De extreme zure en voedselarme omstandigheden leidden tot natte, slecht toegankelijke moerasgebieden, waar vrijwel geen boom kon groeien. De hoogveenrestanten worden gekenmerkt door een hoge waterkwaliteit, een hoge waterstand en een hoge natuurkwaliteit. Lokaal is sprake van “levend hoogveen” (veenaangroei). De ambitie is de hoogveenrestanten in stand te houden en op een aantal plekken het hoogveen opnieuw tot groei te brengen. Het open natte karakter is hierbij een belangrijke kwaliteit. De inzet is op de randen tussen de hoogveenrestanten en de hoogveenontginningsgebieden landschappelijk leesbaar te maken als ontgonnen deel van het oorspronkelijk veenlandschap. Zo ontstaat een samenhangend en leesbaar landschap in de hoogveengebieden en een overgang naar heide en schaalgraslanden eromheen. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie.

Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag” Bij het opstellen van het erfinrichtingsplan zijn de landschappelijke kenmerken behorend bij het hoogveenontginningslandschap als uitgangspunt genomen. De bebouwing wordt in dezelfde strekkingsrichting als het landschap gerealiseerd. In paragraaf 2.3 is reeds ingegaan op de voorliggende ontwikkeling waarbij rekening is gehouden met de voorkomende landschappelijke kenmerken. Hierna wordt nader ingegaan op het agrarisch cultuurlandschap. Hier wordt geconcludeerd dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

2. De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' aangeduid met het gebiedstype 'Veenkoloniaal landschap'. In afbeelding 3.4 wordt dit weergegeven.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 23

Afbeelding 3.4

De Laag van het agrarisch cultuurlandschap” (Bron: Provincie Overijssel)

“Veenkoloniaal landschap” Kenmerkend voor het veenkoloniaal landschap zijn de grootschalige open landschappen met een lineaire bebouwings-, verkavelings- en ontwateringsstructuur die zijn ontstaan door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden. Het Overijssels veenkoloniaal landschap is deel van een groter geheel dat zich uitstrekt over Groningen en Drenthe. Het is gevormd door ontginners en boeren uit met name het noorden. Typische Groningse boerderijen staan hier doorgaans naast de Overijsselse boerderijen. De ambitie is gericht op de versterking van de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en de kwaliteit van dit landschap. Het gaat dan met name om de grote maat en de vergezichten. De norm is een beschermende bestemmingsregeling gericht op instandhouding van de grote open ruimtes, de vergezichten en het contrast tussen deze ruimtes en bestaande verdichte zones. Als ontwikkelingen plaatsvinden in het veenkoloniaal landschap dan dragen deze bij aan het behoud en de versterking van bijzondere architectuur, de linten in het landschap en de open ruimtes. Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” Om de locatie op een zorgvuldige wijze in te passen in het cultuurlandschap is door 'De Erfontwikkelaar' een erfinrichtingsplan opgesteld, zie Bijlage 1. In Hoofdstuk 2 is hier al nader op ingegaan.

Bij het bepalen van de landschapsmaatregelen is onder meer aandacht besteed aan het landschappelijk inpassen van de nieuwe woonpercelen en bijbehorende bebouwing in overeenstemming met ter plaatse geldende gebiedskenmerken. Het voornemen gaat daarmee gepaard met een kwaliteitsimpuls en draagt bij aan de gebiedskenmerken van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'. 3.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 24

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Beleidsnotitie Erven met kwaliteit

3.3.1.1 Inleiding De gemeente Hardenberg heeft in februari 2020 de beleidsnotitie 'Erven met kwaliteit' vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van deze notitie is de onlangs gehouden evaluatie van het rood voor rood beleid van de gemeente Hardenberg. Dit beleid dateert uit 2006 en is, na een eerste evaluatie in 2010, in het voorjaar van 2019 opnieuw geëvalueerd. Uitkomst van deze evaluatie is, dat het beleid niet meer goed aansluit bij de huidige praktijk. Daarom is besloten om het beleid te vervangen door nieuw beleid, met ruimere toepassingsmogelijkheden. De doelstelling van het beleid blijft echter onveranderd, namelijk de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen. 3.3.1.2 Gebiedsgerichte benadering Het bestemmingsplan Buitengebied (2014) kent een gebiedsgerichte benadering. De basis hiervoor is gelegd in de visienota Buitengebied. De gebiedsgerichte benadering houdt in, dat in het ruimtelijk beleid rekening wordt gehouden met de zes verschillende landschapstypen in de gemeente, te weten de open en besloten veenontginningen, de open en besloten heideontginningen, de essen en hoevenlandschappen en de beekdalen van de Vecht en de Reest. Per landschapstype verschillen de bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden.

Zo zijn de grootschalige, open heideen veenontginningslandschappen aangewezen als agrarische ontwikkelingsgebieden, omdat landbouw de functie is die het best bij de gebiedskenmerken past. In de kleinschaliger gebieden wordt daarnaast ook veel ruimte geboden voor andere functies, zoals wonen, natuur en recreatie. Het beleid kent een functionele gebiedsgerichte benadering. Dat wil zeggen dat in de gebieden die primair zijn aangewezen voor de landbouw zeer terughoudend wordt omgegaan met de toepassing van rood voor rood. Daar wordt de “nee, tenzij” benadering toegepast. Het gaat dan om de gebieden die in de visienota Buitengebied zijn aangewezen als agrarisch ontwikkelingsgebied, te weten: Bergentheim-Zuid, Dedemsvaart-Zuid, Slagharen-De Krim en Westerhuizingerveld. In de overige gebieden wordt de “ja, mits” benadering toegepast. Deze benadering houdt in dat in agrarische ontwikkelingsgebieden wel schuren als landschapsontsierend kunnen worden aangemerkt maar dat in deze gebieden geen nieuwe woningen worden toegestaan, vanwege de mogelijke belemmering voor de landbouwontwikkeling. 3.3.1.3 Landschapsontsierend Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap.

De eenheid tussen het erf en zijn omgeving komt tot uiting in stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur van het gebied. (hoe gaat het erf op in zijn omgeving). Per landschapstype verschilt de stedenbouwkundige opzet en de landschappelijk structuur. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden bezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten: het volume; de vorm van het gebouw; het materiaalgebruik;

bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, De Veenderij 18 Dedemsvaart | PAGINA 25

het kleurgebruik; de uitstraling; de situering op het erf; de passendheid bij de overige bebouwing op het erf. Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw waarvan aannemelijk is gemaakt dat het niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is heeft namelijk geen gebruikswaarde, komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend. 3.3.1.4 Sloop en aantal woningen Voor de toepassing van het beleid Erven met kwaliteit geldt het uitgangspunt dat per locatie alle landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt en alle bijbehorende erfverhardingen, mestplaten, kuilvoersilo’s e.d. worden opgeruimd. Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing, omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd en daarom niet blijvend wordt gesaneerd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. Dat houdt in dat de mogelijkheid tot herbouw wordt wegbestemd. Dat kan bijvoorbeeld door de agrarische bestemming, met bijbehorend bouwvlak om te zetten in een woonbestemming. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt.

Het aantal woningen dat mag worden gebouwd is afhankelijk van de te slopen oppervlakte aan landschapsontsierende bebouwing. Hierbij gelden de volgende maatvoeringen:

3.3.1.5 Locatie nieuwbouw Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. Dit uitgangspunt komt voort uit de gebiedsgerichte benadering: de slooplocatie en de ontwikkellocatie moeten zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. De bouw van de compensatiewoning moet daarom bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Deze benadering is ook opgenomen in de structuurvisie Kwaliteitsimpuls landschap. Er zijn echter slooplocaties waar de inpassing van een nieuwe woningbouwkavel ter plekke niet mogelijk of gewenst is. Bijvoorbeeld door de ligging in een agrarisch ontwikkelingsgebied, de aanwezigheid van een agrarisch bedrijf in de directe omgeving of omdat het erf er zich, door zijn opbouw, niet voor leent. Daarnaast kan de eigenaar er zelf voor kiezen om af te zien van herbouw op de eigen locatie. In die gevallen kan elders in de gemeente een bouwlocatie worden toegekend, al dan niet via de uitgifte van een sloopbewijs. De gemeente wil voorkomen dat het buitengebied “dichtslibt” met woningen. Dat zou ten koste gaan van het groene karakter van het buitengebied. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe bouwkavels moeten aansluiten op bestaande bebouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12347488/2