Toelichting bestemmingsplan 'Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3'
Tekst van het document
Daarentegen is er sprake van een permanente afname van de stikstofdepositie, hetgeen een positief effect heeft ten aanzien van de Natura 2000-gebieden. Er wordt tevens verwezen naar bijlage 3 van het onderzoek, waarin een verschilberekening is opgenomen met de referentiesituatie en de beoogde gebruiksfase. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen ten noordwesten van het plangebied, langs de Vecht. De afstand bedraagt circa 1,7 kilometer. Gelet op deze afstand en de tussenliggende stedelijke functies zijn geen negatieve effecten op het NNN te verwachten. Geconcludeerd wordt dan ook geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie plangebied In het kader van voorliggende ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 10 bij deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 45
uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties omdat deze functie niet beschermd is voor dieren die het plangebied benutten als foerageergebied. 4.7.4
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN of beschermde soorten.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in dubbelbestemmingen. Ter plaatse van het plangebied geldt voor een groot deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Op gronden met deze bestemming geldt dat archeologisch nodig is bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter. Deze oppervlakte en diepte worden overschreden. In dit geval is door Laagland een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
Archeologisch bureauonderzoek Het onderzoek is uitgevoerd conform het protocol SIKB KNA 4002. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Geomorfologisch ligt het plangebied in een laagte tussen twee dekzandruggen. In het plangebied is bovendien een laagte zonder randwal (ven) aanwezig. Op basis van de bodemkaart kan worden aangenomen dat er sprake is van vochtige terreinomstandigheden. Binnen het plangebied is een hamerbijl uit het Neolithicum als vondst geregistreerd. Echter, de exacte vondstlocatie is niet bekend. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn diverse archeologische waarnemingen gedaan uit de periode Neolithicum – Bronstijd. Tevens bevindt zich op ca. 330 meter ten zuiden van het plangebied een AMK-terrein met bewoningsresten uit het Mesolithicum. Op basis van historisch kaartmateriaal kan worden geconcludeerd dat het plangebied zich in een veengebied bevond dat in de 20e eeuw is ontgonnen. Binnen het plangebied heeft rond 1930 één gebouw gestaan, maar deze is in 1950 alweer afgebroken. Het grootste deel van het plangebied is altijd onbebouwd geweest.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 46
Op basis van de bodemkundige en archeologische gegevens kan een middelhoge archeologische verwachting worden opgesteld voor de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Late Bronstijd. De verwachting richt zich op eventuele rituele deposities met name in het aanwezige ven en afvaldumps. Grondsporen worden binnen het plangebied niet verwacht. Geadviseerd wordt om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Dit onderzoek geeft inzicht in de mate van intactheid van de bodem en in de bodemomstandigheden, maar is ongeschikt voor het opsporen van een archeologische vindplaats. Waarschijnlijk kan een verkennend booronderzoek het plangebied geheel of gedeeltelijk uitsluiten van verder vervolgonderzoek. Archeologisch veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 12 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Conclusie Het booronderzoek heeft de aanwezigheid van een ven bevestigd. Deze ligt iets zuidoostelijker dan op de geomorfologische kaart is aangegeven. Het ven is grotendeels opgevuld met zandige klei/kleiig zand en veen. Het ven heeft een maximale diepte van ongeveer 280 cm -mv (4,40 m NAP).
Het gebied is gedurende lange tijd onderhevig geweest aan overstromingen en hier en daar zijn nog restanten van een veenpakket op de zandig/kleiige sedimenten aangetroffen. Het veen is vermoedelijk rond 1500 voor Chr. (Midden-Bronstijd) gevormd. Dit impliceert dat in de onderliggende kleiige lagen resten uit de periode Neolithicum – Midden-Bronstijd kunnen worden verwacht en in het veen resten uit de Midden-Bronstijd en wellicht later). Veen ligt hier op een diepte vanaf ongeveer 50 cm; kleiige sedimenten beginnen vanaf ongeveer 80 cm -mv Het onderliggende intacte dekzand lijkt enige morfologische dynamiek te tonen: in het zuidwestelijke deel van het plangebied is sprake van een welving en ook in het noordelijkste puntje lijkt sprake van een bescheiden opduiking. Echter, in diverse boringen is tevens een verstoorde dekzandtop aangetroffen, waardoor het beeld vertekend wordt. In één boring is een humus-B-podzolbodem aangetroffen. Dit ondersteunt het beeld van de zeer natte omstandigheden in het onderzoeksgebied. Hoewel de kleiige sedimenten in het bureauonderzoek niet voorzien werden, bevestigt het veldonderzoek de verwachting van het bureauonderzoek: voor bewoning is dit gebied aldoor ongeschikt geweest en de lage verwachting op resten van bewoning blijft gehandhaafd.
Anderzijds kan de hoge verwachting op resten van off-site resten eveneens worden gehandhaafd, specifiek voor wat betreft het ven. Onder het verstoorde/opgebrachte deel kunnen resten van votiefdepots worden verwacht en eventueel structuren zoals veenbruggen en dergelijke. Elders in het plangebied is sprake van een deels tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel. Hier worden geen resten meer verwacht. Selectieadvies Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kan het grootste deel van het plangebied worden vrijgegeven van archeologisch vervolgonderzoek: de kans dat hier nog intacte resten aanwezig zijn is erg klein. De hoge verwachting op off-site resten in het ven (zie onderstaande afbeelding) blijft gehandhaafd. Aanbevolen wordt hier bodemwerkzaamheden dieper dan 30 cm7 te vermijden. Het opbrengen van een grondpakket vormt geen bezwaar: het verwachtte complextype is nauwelijks gevoelig voor zettingsverschijnselen. Het aanbrengen van heipalen gaat gepaard met een relatief geringe bodemverstoring. Voor het verwachte type vindplaats (votiefvondsten) vormt deze ingreep slechts een geringe bedreiging. Conform de principes van archeologievriendelijk bouwen dient op de locatie van het ven te worden gestreefd naar het gebruik van zo weinig mogelijk palen, waarbij de palen in rijen worden gezet en waarbij de palen minimaal 4 m van elkaar verwijderd zijn.
Volgens de meest actuele stand van zaken heeft het gebruik van heipalen de voorkeur boven
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 47
grondvervangende of geboorde palen. Op dit moment is er geen geschikte methode beschikbaar om votiefgaven op te sporen anders dan door intensief gravend onderzoek met gebruik van een grondzeefinstallatie. Met het oog op opbrengst (in archeologisch-wetenschappelijke zin) en kosten (tijd en geld) van dergelijk onderzoek wordt in de praktijk meestal afgezien van vervolgonderzoek. Soms vinden in soortgelijke omstandigheden civiele ontgravingen plaats onder archeologische begeleiding. Voor wat betreft votiefgaven is het resultaat van dergelijke begeleidingen meestal minimaal. Constructies (veenbruggen en dergelijk) kunnen echter succesvol worden opgespoord door middel van een archeologische begeleiding. Indien in het ven (= adviesgebied) ontgravingen dieper dan 50 cm -mv plaatsvinden, dan adviseren we deze ontgravingen onder archeologische begeleiding te doen plaatsvinden. Voor aanvang van een archeologische begeleiding dient een door het bevoegd gezag goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. we adviseren in het PvE te voorzien in een doorstart naar een opgraving indien tijdens de begeleiding daadwerkelijk relevante structuren worden aangetroffen. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Het plangebied zelf kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit plan geen sprake is van negatieve effecten op de archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.9
Besluit milieueffectrapportage
4.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 48
activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.9.2
Situatie plangebied
4.9.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van maximaal 170 woningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook 4.7.2.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgenomen in Bijlage 13 van deze toelichting. 4.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Er zijn eveneens geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.10
Trillingshinder
4.10.1 Algemeen Er bestaat in Nederland geen wettelijk kader voor de beoordeling van trillingshinder in gebouwen. Wel geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening kan worden verzocht om trillingen mee te nemen bij de wijziging van bestemmingsplannen waar trillingen een rol kunnen spelen. Op basis van jurisprudentie wordt al enkele decennia gebruik gemaakt van de SBR-richtlijn om trillingen in gebouwen te beoordelen. Trillingen ontstaan doordat een bewegend object (een trein, tram of vrachtwagen bijvoorbeeld) over een niet-effen ondergrond rijdt. Door de massa en beweging van het voertuig, variaties in de ondergrond (die per definitie niet perfect vlak is) en variaties in de rondheid van de wielen van het voertuig ontstaan spanningen in de bodem die zich door de bodem verplaatsen. Afhankelijk van de opbouw van de bodem en de aanwezigheid van obstakels (zoals sloten en damwanden) verplaatsen de trillingen zich diep of juist ondiep door de bodem. Gebouwen worden daardoor in trilling gebracht. Afhankelijk van hoe het gebouw is geconstrueerd, worden bepaalde trillingen meer of minder versterkt in het gebouw. Deze trillingen kunnen als hinderlijk worden ervaren door personen in gebouwen. In dit geval is er op minder dan 100 meter van het plangebied een spoorlijn gelegen.
In dit geval is er door Weboost data in samenwerking met Alcedo een onderzoek uitgevoerd naar trilling als gevolg van deze spoorlijn. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 49
SBR-richtlijn. In de volgende subparagraaf wordt nader op de resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 14 van deze toelichting. 4.10.2 Resultaten De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat overschrijdingen van de streefwaarden voor trillingshinder niet zijn uit te sluiten in delen van het plangebied. De overschrijdingen zijn vooral het gevolg van zware goederentreinen die met hoge snelheid (80 – 90 km/h) passeren, in combinatie met de gelaagde bodemopbouw waardoor de trillingen slecht uitdempen en tot op relatief grote afstand voelbaar zijn. De hoogte van de trillingen is afhankelijk van de afstand tot het spoor, het type bebouwing en de verdere constructieve uitwerking van de plannen. Rond de spoorwegovergang bij de Schapenweg zijn de trillingen wat hoger. Ter illustratie is de beoordeling van de trillingen in het plangebied hierna in afbeelding 4.2 weergegeven, in grijze kaders zijn de bouwvlakken weergegeven.
Afbeelding 4.2: Beoordeling trillingshinder (Bron: WeBoost/Alcedo) Ten behoeve van de verdere uitwerking van de plannen is het plangebied opgedeeld in contourgebieden volgens 4 classificaties, zoals in afbeelding 4.2 is weergegeven. Algemeen wordt geadviseerd om de woningen in de twee bouwvlakken die het dichtst bij het spoor liggen zo ver mogelijk bij het spoor vandaan te positioneren. Hierbij wordt rekening gehouden met de spoorwegovergang Schapenweg, rond deze spoorwegovergang zijn de trillingen hoger. Per contourgebied wordt het volgende geadviseerd: Donkergroen In dit contourgebied voldoen de trillingen, er zijn geen maatregelen of constructieve randvoorwaarden nodig om te voldoen aan het beoordelingskader. Vermijd wel zeer slappe, lichte bouwconstructies. Globaal ligt dit gebied buiten de 85 meter van het spoor (bij de spoorwegovergang buiten de 100 meter van het spoor). Lichtgroen In dit contourgebied is het afhankelijk van de constructieve uitwerking van de plannen of de trillingen voldoen aan het beoordelingskader. Globaal ligt dit gebied tussen de 60 meter en 85 meter van het spoor. Voor dit gebied gelden de volgende adviezen: Vermijd houtskeletbouw en andere lichte bouwtechnieken (stalen constructies).
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 50
Maak waar mogelijk gebruik van breedplaatvloeren i.p.v. kanaalplaat- of ribbenvloeren. Breedplaatvloeren kennen een hogere demping en zorgen voor lagere trillingen. Plaats dichtbij het spoor grotere bouwvolumes en zwaardere bouw, deze bouwtypes zijn wat minder gevoelig voor trillingen. Zorg voor een eigenfrequentie van de vloeren van minimaal 16 Hz. Dit is te realiseren door gebruik te maken van dikkere vloeren, kortere vloeroverspanningen of vloeren ingeklemd op te leggen (bijv. doorgaande breedplaatvloeren bij rijwoningen). Met bovenstaande aanpassingen wordt in dit gebied voldaan aan het beoordelingskader. Bovenstaande maatregelen worden meegenomen in het constructieve ontwerp voor de woningen. Hiermee is er ten aanzien van het aspect 'trillingen' sprake van een aanvaardbare situatie en een overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast worden een aantal maatregelen genoemd die aan het spoor getroffen kunnen worden. Het gaat echter om zeer ingrijpende maatregelen. Argumenten om in deze zone geen maatregelen te treffen zijn de volgende: Er is sprake van een zeer beperkt aantal overschrijdingen (maximaal 1 per week, kan in de toekomst na intensivering goederenvervoer toenemen naar maximaal 2 per week), veroorzaakt door zware goederentreinen met een afwijkende trillingssterkte.
De trillingen van alle reizigerstreinen en de meeste goederentreinen voldoen wel aan het beoordelingskader. De trillingen voldoen weliswaar niet aan de strenge streefwaarden voor nieuwbouw uit de SBR B-richtlijn, maar wel ruimschoots aan de soepelere streefwaarden voor bestaande situaties uit de SBR B-richtlijn. In die soepelere streefwaarden voor bestaande situaties is een zekere mate van gewenning meegenomen. De woningen worden gerealiseerd in een zone dichtbij het spoor, waar nu ook al bebouwing is gerealiseerd in de naastgelegen woonwijk die dichter bij het spoor staat. Het gaat bovendien om oudere, meer trillingsgevoelige bebouwing, waar de trillingen hoger zullen zijn dan in de nieuwe woningen. Ook zonder maatregelen tegen trillingen ontstaat in de geplande bebouwing daarom geen onacceptabele situatie: de trillingen zijn daar immers lager dan in andere, al bestaande bebouwing rond deze locatie. Bovendien zullen de trillingen in de nieuwbouw door de zware constructie lager zijn dan in de bestaande woning. Met bovenstaande aanpak is een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van trillingen te garanderen in het gehele plangebied. Conclusie Samengevat geldt dat de trillingen in delen van het plangebied mogelijk niet voldoen aan het beoordelingskader, de SBR B-richtlijn.
Door bij de inrichting van het plangebied en verdere constructieve uitwerking rekening te houden met trillingen, zijn overschrijdingen van het beoordelingskader te voorkomen. In dit rapport worden handvatten gegeven voor het afwegen van constructieve optimalisaties en maatregelen. Of deze constructieve optimalisaties of maatregelen doelmatig zijn, hangt af van de verdere uitwerking van de plannen. In ieder geval bevat dit rapport de handvatten waarmee een constructeur of architect de plannen verder kan uitwerken, en waarmee de initiatiefnemer maatregelen of optimalisaties kan afwegen op doelmatigheid.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 51
Hoofdstuk 5
Wateraspecten
5.1
Vigerend beleid
5.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. 5.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 52
door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
5.2
Waterparagraaf
5.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'normale procedure' van toepassing is. Dit houdt in dat de RO adviseur van het waterschap is betrokken bij de planvorming. In dit geval is voor de ontwikkeling een waterhuishoudkundig plan opgesteld door Roelofs. Hierna wordt op de belangrijkste uitgangspunten ingegaan. Het volledige plan is opgenomen als Bijlage 15 bij deze toelichting. 5.2.3
Waterhuishoudkundig plan
5.2.3.1 Verhard oppervlak In de volgende tabel is het verwachte verhard oppervlak weergegeven. Omdat de verkaveling nog niet vastligt, maar de wegenstructuur en het uitgeefbaar terrein wel, wordt uitgegaan van 45% verharding van het uitgeefbaar terrein. Dat betekent dat 30% van de kavel als dakoppervlak wordt gerekend en 15% als bestrating (in-/oprit, terras e.d.). Daarnaast is de openbare verharding van wegen en paden apart berekend. Dit is gedaan voor zowel fase 3, als ook voor de reeds gerealiseerde fasen 1 en 2, waarbij het dak van de sporthal apart is vastgesteld. Ook dit komt ongeveer overeen met een verhardingspercentage van 45% van de kavels. In totaal is er dus naar schatting 8,52 ha aan verhard oppervlak in het gehele plan Möllincksvaart.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 53
5.2.3.2 Bergingsopgave en toetsing Voor nieuwe plannen in het beheergebied van waterschap Vechtstromen geldt een bergingseis van 55 mm, waarbij de eerste 3 mm voor infiltratie en verdamping mag worden afgetrokken. 52 mm over een verhard oppervlak van 8,52 ha geeft een benodigde 4.429 m³ aan retentie. De nu geplande vijver en het overige oppervlaktewater in fase 3 hebben een oppervlak van 6.287 m² (op waterpeil). Naast de bergingseis van 55 mm geldt dat het gehele watersysteem getoetst dient te worden met een extreme bui van 122 mm in 48 uur. Door de landelijke afvoer van 1,6 l/s/ha (over het bruto oppervlak) gedurende 48 uur blijft daar 91 mm van over, die niet tot inundatie mag leiden. 5.2.3.3 Oppervlaktewater Aan de westkant van het gebied dient een nieuwe stuw geplaatst te worden, vlak bij de Schapenweg. De duiker achter deze stuw komt uit in de Oude Vaart. Deze stuw krijgt een doorlaat ten behoeve van de landelijke afvoer op een hoogte van NAP + 6,60 m. De stuw zelf krijgt een stuwhoogte van NAP + 7,20 m, waardoor een waterschijf van 0,60 m geborgen kan worden in de vijver. Voor de vijver wordt uitgegaan van een gemiddeld talud van 1:2,5. In de reeds gerealiseerde delen heeft de ene oever een talud 1:2 en de ander 1:3. In de gestuwde delen van het plan kan dan in totaal 4.565 m³ geborgen worden tot een peil van NAP + 7,20 m (waterschijf van 0,60 m).
In het deel van de watergang met een peil op NAP + 7,50 m wordt geen water geborgen door het ontbreken van een doorlaat. In het deel van de watergang met een peil op NAP + 7,05 kan een waterschijf van 0,25 m worden geborgen over een oppervlak van 374 m². Een bui van 91 mm geeft een waterpeilstijging tot NAP + 7,60 m, dus 1,00 meter waterpeilstijging t.o.v. het normale waterpeil. De interne stuwen raken verdronken, ook daarachter gaat het waterpeil stijgen. Dit leidt niet tot inundatie. Wanneer de gehele waterpartij gevuld zou raken tot maaiveld, kan er 155 mm worden geborgen. Het uitvoeren van een stresstest op het nieuwe plangebied is niet mogelijk. Dan is een meer gedetailleerde ondergrond nodig en dat kan pas als het plan gerealiseerd is. Een extreme stresstestbui van 70 mm in een uur (T=100 jaar in 2050) kan door het rioolstelsel niet verwerkt worden. Water-op-straat zal via de bermen afstromen naar het oppervlaktewater, waarin deze bui wel geborgen kan worden. Doordat de vloerpeilen van de woningen 0,30 m boven straatpeil liggen, zal er geen water in de woningen kunnen komen. De doorlaatopening in de stuw ten behoeve van de landelijke afvoer van 1,6 l/s/ha over het bruto oppervlak dient een minimale diameter ø 215 mm te krijgen. In de praktijk zal het erop neer komen dat er een PVC ø 250 mm (binnendiameter ø 235 mm) wordt toegepast.
De berekening is weergegeven in afbeelding 8. In overleg met het waterschap Vechtstromen dient de stuw verder gedetailleerd te worden. Een andere vorm van de stuw is mogelijk. De landelijke afvoer bedraagt 1,6 l/s/ha over een bruto plangebied van 20 ha. Dit komt neer op een landelijke afvoer 32 l/s wat overeenkomt met 115,2 m³/uur. De waterschijf in het plangebied kan bij volledige benutting van de berging in circa 40 uur leegstromen. Het waterschap Vechtstromen moet het ontvangend oppervlaktewater (Oude Vaart langs Schapendijk) nog toetsen of dit geschikt is om het water uit het plangebied te ontvangen. Stuw Voor de tijdelijke situatie (fasering in aanleg van fase 3), wanneer nog niet de gehele vijver is ontgraven, kan worden volstaan met het graven van de afvoerwatergang en het plaatsen van de definitieve stuw naar de Oude Vaart. De doorlaat is dan tijdelijk te groot, maar doordat er ook minder verhard oppervlak op afvoert, is de afvoer naar het landelijk gebied beperkt. Beheer en onderhoud In overleg met het waterschap Vechtstromen en de gemeente Hardenberg dienen afspraken te worden gemaakt over het beheer en onderhoud van de watergangen, vijver,
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 54
stuwen en duikers. 5.2.3.4 Hemelwater Voorgesteld wordt om het principe van IT-riolen in combinatie met drainage los te laten en te kiezen voor een anders systeem. In overleg is gekozen voor een gescheiden rioolstelsel (gesloten HWAbuizen) met drainage. Gescheiden stelsel Uitgegaan wordt van een gescheiden rioolstelsel waarbij het hemelwater via gesloten buizen wordt afgevoerd naar de vijver. Op de putten kan de drainage worden aangesloten. Er kunnen op verschillende plekken hemelwateruitlaten worden gemaakt richting het oppervlaktewater binnen het plan. Maaiveldhoogtes en drooglegging In overeenstemming met de eerder gehanteerde uitgangspunten wordt een maaiveldniveau van NAP + 8,00 m aangehouden (as weg). De vloerpeilen van de woningen komen dan op NAP + 8,30 m. De drooglegging (verschil tussen oppervlaktewaterpeil en maaiveld) bedraagt dan 1,40 m onder de wegen en 1,70 m onder de kavels in fase 3. Afvoer hemelwater De HWA-riolen lozen het hemelwater op het oppervlaktewater in het plangebied. Wegen en percelen grenzend aan oppervlaktewater lozen het hemelwater rechtstreeks of via de berm (bijvoorbeeld de wegen in de banden, met hier en daar een verlaagde band of een onderbreking). Het HWA-riool krijgt op diverse plekken een uitlaat naar oppervlaktewater.
Het hemelwater wordt in de vijver geborgen en wordt door de stuwconstructie vertraagd afgevoerd naar het landelijk gebied (Oude Vaart). Bestaande woning De bestaande woning aan de De Jongstraat 8 wordt in het plan opgenomen. Volgens de AHN3 ligt het terrein rondom deze woning op ongeveer NAP + 8,10 tot 8,20 m. Het vloerpeil van de woning zal dan waarschijnlijk op ongeveer NAP + 8,20 tot 8,30 m liggen. Bij het toepassen van een HWAriool binnen het plan, met straatpeilen NAP + 8,00 m en vloerpeilen NAP +8,30 m zijn nieuwe watergangen rondom dit perceel niet nodig. In dit geval sluit te realiseren bebouwing op de bestaande bebouwing. 5.2.3.5 Grondwater Om te hoge grondwaterstanden te voorkomen dient in de wegen aan weerszijden van de weg een cunetdrain te worden toegepast. Bij grote bouwblokken/kavels die verder dan ca. 18,7 m vanaf deze drain liggen, dient ook een drain vanaf de kavels te worden mee gelegd. De drains liggen op een diepte van 1,00 m beneden de as van de weg (b.o.b. NAP + 7,00 m) en lozen op oppervlaktewater of op het HWA-riool. In afbeelding 9 is de berekening van de opbolling van de drains weergegeven. Hierbij wordt opgemerkt dat de berekening van de drainafstand en de opbolling sterk afhankelijk is van de doorlatendheid van de bovenste laag. Deze wordt nog opnieuw bepaald, eind 2021 als de mais van het land is.
5.2.3.6 Afvalwater In fase 2 zijn twee uitleggers aanwezig in het DWA-riool waarop de rest van het plan kan worden aangesloten. Hierdoor kan het gehele plan onder vrijverval aansluiten en hoeven er geen kruisingen van het DWA-riool met watergangen gemaakt te worden. E.e.a. is echter wel afhankelijk van de fasering. In het verleden is al onderzocht of het hele plan op deze manier onder vrijverval kan aansluiten. Dat is destijds ruim ontworpen. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de aanleg van het DWA-riool: Hoogte as weg fase 3 is NAP + 8,00 m; Minimale diameter DWA-riool is Ø 250 mm; Buisverhang DWA-riool eerste 100 meter 1:250 en vervolgens 1:400; Minimale dekking op de buizen is 1,20 m; Bij kruisingen tussen HWA-riolen en DWA-riolen wordt minimaal 10 cm vrije ruimte
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 55
aangehouden; Bij kruising van HWA- en DWA-riolen op gelijke hoogte gaat DWA door en kruist HWA onderen/of bovenlangs (kruisingsput); Er is sprake van ca. 170 te realiseren woningen in fase 3; Het rioolgemaal heeft een capaciteit van ca. 16,6 m³/uur wat ruim voldoende is voor het geheleplan (300 woningen * 2,5 inwoner/woning * 12 l/inw/uur = 9 m³/uur).
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 56
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 6.2
Opzet van de regels
6.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels. 6.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 57
Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (onderdeel van de archeologische dubbelbestemming); In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor de desbetreffende bestemming is gekozen. 6.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Hierin zijn bepalingen omtrent geluidsgevoelige objecten opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 10 Overige regels In dit artikel worden de overige regels beschreven, waaronder de afstemming met de welstand en APV, uitsluiting van seksinrichtingen en de verplichting om voldoende parkeerplaatsen aan te leggen. 6.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 6.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes onderbouwd. Artikel 3 Groen In het noordwesten van het plangebied is een strook bestemd met de bestemming Groen.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 58
De strook in het noordwesten betreft een strook waar het fietspad de Spoordijk ligt, met omliggend gebied. Het is wenselijk om hier een groene buffer te realiseren tussen het woongebied en de spoorlijn met achterliggen een agrarisch bedrijf. Gronden met de bestemming 'Groen' zijn met bestemd voor groenvoorzieningen, water, openbare nutsvoorzieningen, verkeer- en verblijfsvoorzieningen, parkeer- en speelvoorzieningen. Specifiek is in dit geval tevens een jongerenontmoetingsplek toegestaan. Dit sluit aan bij de wens van de gemeente om ergens in de groenstrook nabij de Spoordijk een dergelijke voorziening te realiseren. Voor gebouwen (voor nutsvoorzieningen en jongerenontmoetingsplaats) zijn bouwregels opgesteld. Tot slot zijn regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opgenomen. Artikel 4 Water Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de bestaande watergang aan de westzijde van het plangebied. Gronden met deze bestemming zijn met name bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Specifiek is in dit geval ook bepaald dat verkeerskundige voorzieningen toegestaan zijn. Deze bestemming is meegenomen omdat het wenselijk is om op een nader te bepalen locatie een verbinding te realiseren tussen het woongebied en de Schapenweg. Middels dit bestemmingsplan is deze verkeerskundige voorziening binnen de bestemming 'Water' mogelijk gemaakt.
Artikel 5 Woongebied Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het gehele woongebied. Zoals al aangegeven is de regeling flexibel. Binnen het woongebied worden naast de woningen namelijk ook groenvoorzieningen, watervoorzieningen en verkeersvoorzieningen aangelegd. Dit is mogelijk op basis van de bestemmingsregels. Middels een aanduiding op de verbeelding is bepaald dat het maximum aantal woningen 170 mag bedragen. Dit mogen zowel vrijstaande, geschakelde, tweekappers als aaneengebouwde woningen zijn. Verder is bepaald dat voorgevels minimaal 5 m uit de voorste bouwgrens worden gebouwd en dat de voorgevel naar de naar de weg gekeerde zijde gericht dient te zijn. Ook zijn regels ten aanzien van de inhoud van de woningen en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen opgenomen. Voor bijgebouwen geldt dat deze minimaal 1 m achter de voorgevel van hoofdgebouwen worden gebouwd. Tot slot zijn in een maatvoeringsschema bepalingen opgenomen omtrent de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van de verschillende bouwwerken en gebouwen. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten afgeweken worden. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Tevens zijn bepalingen voor de vestiging van een bedrijf aan huis opgenomen.
Ten aanzien van trillingshinder is specifiek bepaald dat het bouwen van de woningen uitsluitend is toegestaan wanneer op basis van het ontwerp van de woningen is aangetoond dat er ten aanzien van het aspect trillingshinder sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, conform de daarvoor opgenomen richtlijnen. Voor het deel van het woongebied waarvoor dit geldt, is op de verbeelding een aanduiding opgenomen. Van de gebruiksregels kan afgeweken worden voor het toestaan van zorgfuncties bij wonen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten. Artikel 6 Waarde - Archeologie 5 Deze bestemming is conform het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' opgenomen ter plaatse van de te verwachten archeologische waarden. Gronden met deze bestemming zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 59
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Tevens zijn in de gemeentelijke kosten opgenomen in de overeenkomst, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd is. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 60
Hoofdstuk 8 8.1
Vooroverleg, inspraak en zienswijzen
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 8.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2
Provincie Overijssel
Het bestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg naar de provincie toegezonden. 8.1.3
Waterschap Vechtstromen
Het bestemmingsplan is in het kader van vooroverleg naar het waterschap Vechtstromen toegezonden. Voor het plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het waterschap heeft hierop positief geadviseerd. Verwezen wordt naar paragraaf 5.2.2 en 5.2.3. 8.2
Inspraak
Het planvoornemen is in de voorfase uitvoerig besproken met onder ander het Plaatselijk Belang Bergentheim. Er wordt een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In deze inzagetermijn kan een ieder een zienswijze indienen. 8.3
Zienswijzen
Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen hebben geleid tot enkele wijzigingen in het plan. In de zienswijzennota, die als bijlage bij het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is bijgevoegd, is hier uitgebreid op ingegaan. Het vooroverleg is hiermee positief afgerond.
bestemmingsplan Bergentheim, woongebied Möllincksvaart fase 3 | PAGINA 61