Toelichting bestemmingsplan 'Balkbrug, Molenweg 4'
Tekst van het document
Balkbrug, Molenweg 4
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime
4 4 4 4 5
Hoofdstuk2 De huidige en gewenste situatie 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste ontwikkeling 2.3 Verkeer en parkeren
8 8 9 11
Hoofdstuk3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
13 13 15 20
Hoofdstuk4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Geluid 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Externe veiligheid 4.5 Milieuzonering 4.6 Ecologie 4.7 Archeologie & cultuurhistorie 4.8 Besluit milieueffectrapportage
25 25 25 26 27 29 31 33 34
Hoofdstuk5 Wateraspecten 5.1 Vigerend beleid 5.2 Waterparagraaf
36 36 37
Hoofdstuk6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding 6.2 Opzet van de regels 6.3 Verantwoording van de regels
39 39 39 40
Hoofdstuk7
42
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 8.1 Vooroverleg 8.2 Inspraak 8.3 Zienswijzen
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 2
43 43 43 43
Toelichting
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Molenweg 4 te Balkbrug is een supermarkt gevestigd. Ten oosten van de supermarkt ligt een braakliggend perceel. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande supermarkt te slopen en op het naastgelegen braakliggende perceel een nieuwe supermarkt te realiseren. Ter plaatse van de bestaande supermarkt zal het parkeerterrein behorend bij de nieuwe supermarkt worden gerealiseerd. Ter plaatse van de nieuw te bouwen supermarkt geldt al een passende bestemming, echter is de beoogde supermarkt deels buiten het bouwvlak gesitueerd. Daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Hierbij wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Molenweg 4, in het centrumgebied van Balkbrug. De indicatieve begrenzing van het plangebied wordt met de rode omlijning weergegeven in afbeelding 1.1. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK Viewer) 1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan ''Balkbrug, Molenweg 4” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000BP00175-VG01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 4
gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 1.4
Huidig planologisch regime
1.4.1
Algemeen
Ter plaatse van de bestaande supermarkt geldt het bestemmingsplan "Balkbrug". Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld op 12 maart 2013. Ter plaatse van de locatie van de beoogde supermarkt geldt de bestemming 'Balkbrug Zuidoost'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 19 juni 1997. Tot slot geldt ter plaatse van het gehele plangebied het bestemmingsplan "Facetherziening parkeren Hardenberg". Dit bestemmingsplan is op 17 juli 2018 vastgesteld. In afbeelding 1.2 en afbeelding 1.3 zijn uitsneden van de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen weergegeven. Het rode kader geeft de gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied weer. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding bij dit bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Balkbrug" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 5
Afbeelding 1.3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Balkbrug-Zuidoost" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) 1.4.2
Bestemmingen
Bestemminsgplan "Balkbrug" Op basis van het bestemmingsplan "Balkbrug" kent het plangebied de bestemming 'Centrum'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, detailhandel, kantoren, bedrijven in categorie 1 en 2 van de bij de regels opgenomen staat van bedrijven, educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport, recreatievoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. Daarbij zijn tevens verkeers- en verblijfsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan. Er is geen bouwvlak opgenomen, zodat het gehele plangebied in feite bebouwd mag worden. Tevens geldt in een zeer klein deel van het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. Bestemmingsplan"Balkbrug-Oost" Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Centrumvoorzieningen'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor detailhandel, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water. Er is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de gebouwen dienen te worden gesitueerd.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 6
1.4.3
Strijdigheid
De bouw van de supermarkt en de realisatie van bijbehorend parkeerterrein is planologisch in overeenstemming met de gebruiksregels van beide bestemmingsplannen. Ter plaatse van de beoogde supermarkt is echter een bouwvlak gelegen, waarbinnen de beoogde supermarkt niet passend is. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient ter plaatse van het gehele plangebied een actuele centrumbestemming opgenomen te worden, waarbinnen de bouwmogelijkheden voor de supermarkt passend zijn. 1.4.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige situatie en de gewenste situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Hardenberg beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieuthema's de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg en de inspraak.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 7
Hoofdstuk 2 2.1
De huidige en gewenste situatie
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het centrumgebied van de kern Balkbrug. De functionele structuur van de omgeving kenmerkt zich met name door centrumfuncties en woonfuncties. Het plangebied ligt op de hoek van het kruispunt van de N377 met de Ommerweg. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de N377, aan de oostzijde door een centrumfunctie (de Welkoop), aan de zuidzijde door de Molenweg met daarachter woongebied en aan de westzijde door de Ommerweg. Het plangebied zelf betreft het perceel van de bestaande supermarkt met een naastgelegen braakliggend perceel. Op het perceel van de supermarkt staat de supermarkt zelf. Aan de west- en zuidzijde ligt het bijbehorend parkeerterrein. Het terrein ten oosten van de supermarkt is braakliggend en overwegend begroeid met gras. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is met rode lijn aangeduid. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. In afbeelding 2.2 en 2.3 zijn straatbeelden opgenomen.
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK Viewer)
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 8
Afbeelding 2.2: Straatbeeld huidige situatie plangebied gezien vanaf de N377 (Bron: Google streetview)
Afbeelding 2.3: Straatbeeld huidige situatie gezien van de Molenstraat (Bron: Google Streetview) 2.2
Gewenste ontwikkeling
De gewenste ontwikkeling gaat uit van het slopen van de bestaande supermarkt en het bouwen van een nieuwe supermarkt op het naastgelegen braakliggende perceel. De nieuw te bouwen supermarkt krijgt een oppervlakte van circa 1.700 m2 en bestaat uit twee verdiepingen. De eerste verdieping krijgt een hoogte van circa 4,5 meter. Daar waar er twee verdiepingen komen, bedraagt de bouwhoogte 8,6 m. Op de begane grond komt de supermarkt, deze heeft een vvo van circa 1.400 m2. Daarnaast komt er een magazijn en een slijterij, met een gezamenlijke oppervlakte van circa 300 m2. Op de verdieping wordt 150 m2 gerealiseerd voor een kantine, een terras, kantoor, spreekkamer en overige facilitaire ruimten (ict-ruimte, bergruimte, sanitair). Op de plaats van de huidige supermarkt wordt een parkeerterrein aangelegd. In totaal worden er rondom de supermarkt 92 parkeerplaatsen aangelegd. Het terrein wordt op meerdere plaatsen ontsloten. De ontsluiting voor het laden- en lossen is aan de zuidzijde, langs het magazijn en aansluitend op de Molenweg gesitueerd. Voor het parkeerterrein komen drie ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer. Twee aan de zuidzijde op de Molenweg en één ontsluitend op de Ommerweg. Ook komt er een aparte fietsontsluiting,
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 9
aansluitend op het fietspad langs de N377. Tot slot komt er vlakbij de westelijke ingang van het parkeerterrein een opstelplaats voor een foodtruck/paviljoen. Het gaat om een gebouw van maximaal 100 m2 en een hoogte van maximaal 3 m. Belangrijk om te vermelden is dat op het moment van schrijven de N377 ter plaatse van de kruising wordt geherstructureerd. De N377 wordt ter plaatse van de kruisig ondertunneld en er komen aparte uitvoegstroken. Met de plannen voor de supermarkt is hiermee reeds rekening gehouden. In afbeelding 2.4 en 2.5 zijn uitsneden van de gewenste situatie weergegeven.
Afbeelding 2.4: Impressie gewenste ontwikkeling (Bron: Korfker architecten)
Afbeelding 2.5: Impressie gewenste ontwikkeling (Bron: Korfker architecten)
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 10
2.3
Verkeer en parkeren
2.3.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hardenberg beschikt over een eigen parkeernota. Hierin is aansluiting gezocht bij de landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De parkeernormen in CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. In de gemeente Hardenberg is vanuit de duurzaamheidsgedachte de minimale parkeernorm voor auto's voldoende. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen is in de Parkeernormennota uitgegaan van één stedelijkheidsgraad, te weten: "weinig stedelijk gebied" voor de gehele gemeente. De verschillen in inrichting en bebouwing in de gemeente zijn redelijk groot, waardoor het zinvol is om onderscheid te maken naar gebiedskenmerken, te weten: centrum, schil/overloopgebied, rest bebouwde kom en buitengebied. In de Parkeernormennota is de gebiedsindeling opgenomen. De gehele kern Balkbrug wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom'. Ten aanzien van overige functies, zoals supermarkten, wordt aangesloten bij de CROW-publicatie.
Voor deze functies wordt de bijbehorende minimale CROW norm gehanteerd voor het gebied weinig stedelijk en het betreffende gebiedskenmerk. Naast de supermarkt wordt er tevens een kleinschalige horecavoorziening gerealiseerd. Het gaat om een voorziening met een maximum oppervlakte van 100 m2. Een dergelijke voorziening kan het beste vergeleken worden met de functie 'café/bar/cafetaria'. Samenvattend wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Functie: fullservice-supermarkt en café/bar/cafetaria; Ligging: rest bebouwde kom; Stedelijkheidsgraad: weinig stedelijk; Parkeernorm: minimale parkeernorm op basis van de bandbreedte. 2.3.2
Parkeren
2.3.2.1 Autoparkeren In dit geval gaat het om een supermarkt van circa 1850 m2 bvo (1700 m2 op de begane grond en 150 m2 bvo op de verdieping). Op basis van de voorgenoemde uitgangspunten geldt voor een fullservice-supermarkt een parkeernorm van 3,1 parkeerplaatsen per 100 m2. Dit maakt in totaal (18,5*3,1 = 57,35 (afgerond 58) parkeerplaatsen. Voor de horecavoorziening van 100 m2 geldt een parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen. De totale behoefte bedraagt hiermee 65 parkeerplaatsen. In dit geval worden en in zijn totaliteit 92 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee is er ruim voldoende parkeermogelijkheid en wordt voldaan aan de parkeernota. 2.3.2.2 Fietsparkeren In de gemeentelijke parkeernota zijn cijfers opgenomen voor fietsparkeren. Voor een supermarkt geldt binnen de bebouwde kom een kencijfers van 2,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit maakt in totaal (18,5*2,1) = afgerond 39 parkeerplaatsen voor fietsen. In dit geval worden er 44 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de norm ten aanzien van fietsparkeren.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 11
2.3.3
Verkeersgeneratie
In dit geval gaat het om de herbouw van een supermarkt. De nieuwe supermarkt is qua bvo niet groter dan de huidige supermarkt. Bovendien is het planologisch mogelijk om op het braakliggend perceel een nieuwe functie te realiseren en de bestaande supermarkt te behouden. Dit zou een hogere verkeersgeneratie opleveren dan in de huidige plannen beoogd is. Planologisch gezien is er dan ook in het geheel geen sprake van een extra verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling. De ontsluiting van de supermarkt en de locatie voor het laden- en lossen is in nauw overleg met de gemeente afgestemd. Zo worden er meerdere ontsluitingen gerealiseerd, zodat het verkeer wordt verspreid. De omliggende verkeersstructuur is van voldoende capaciteit om deze verkeersgeneratie te verwerken. Ook komt er een aparte ontsluiting voor zowel het laden- en lossen als voor voetgangers en fietsen. Opgemerkt wordt dat door de herontwikkeling van het kruispunt Ommerweg/N377 de verkeersveiligheid aanzienlijk wordt verbeterd. Tot slot wordt opgemerkt dat alle ontsluitingen op een veilige wijze ingericht worden. Het aspect verkeersgeneratie vormt dan ook geen belemmering voor deze ontwikkeling.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 13
duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 5. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 6. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 7. Afwentelen wordt voorkomen.
Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid
De Nationale Omgevingsvisie laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 14
meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is er planologisch gezien in zijn geheel geen sprake van een extra ruimtebeslag. De bestaande supermarkt wordt gesloopt en herbouwd, waarbij de oppervlakte nagenoeg gelijk blijft. Op basis van het huidige planologische regime is het mogelijk ter plaatse van de huidige supermarkt de bebouwing te behouden én ter plaatse van het braakliggend perceel op basis van het bestemmingsplan "Balkbrug-Zuidoost' binnen het bouwvlak een centrumfunctie (o.a. detailhandel) te realiseren. Planologisch gezien is er daarmee in zijn geheel geen sprake van extra ruimtebeslag op de omgeving. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3.1.4
Conclusie toetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 15
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: Of - generieke beleidskeuzes; Waar - ontwikkelingsperspectieven; Hoe - gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 3.2.3.1 Of- generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 3.2.3.2 Waar- ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 3.2.3.3 Hoe- gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 16
Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - generieke beleidskeuzes Bij de afweging in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name artikel 2.1.2 en artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op de artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.2: Principe van concentratie (lid 1) Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.2 van de Omgevingsverordening Overijssel In dit geval gaat het om de herbouw van een bestaande supermarkt. De supermarkt bediend met name de lokale bevolking van de kern Balkbrug. Het gaat daarmee om een stedelijke voorziening die voldoet aan de lokake behoefte. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met het principe van concentratie.
Artikel 2.4.2 Kernwinkelgebieden Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in nieuwe detailhandelsvestigingen binnen of direct aansluitend aan bestaande kernwinkelgebieden. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.4.2 van de Omgevingsvisie Overijssel In voorliggend plan wordt geen nieuwe detailhandel gerealiseerd. De bestaande detailhandel ter plaatse wordt gecontinueerd in een nieuw pand. Door de herbouw wordt voor de supermarkt een nieuwe toekomstbestendig gebouw gerealiseerd. Tevens wordt een
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 17
passende functie gevonden voor het nu nog braakliggende terrein, nu het gehele terrein voor de supermarkt wordt aangewend. De supermarkt ligt in het centrum, en daarmee het kernwinkelgebied van Balkbrug. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met het artikel 2.4.2: kernwinkelgebieden. 3.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen waarbij het plangebied indicatief met rode omlijning is aangegeven.
Afbeelding 3.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) “Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken” De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief' Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerk' is ruimte voor een mix aan voorzieningen bedoeld voor de lokale behoefte. In dit geval is er sprake van een voorziening voor de lokale behoefte. Door de herstructurering wordt het gebied vitaal en aantrekkelijk gehouden. Tevens wordt het nieuwe pand duurzamer gebouwd dan het oude pand. Hiermee wordt bijgedragen aan de energietransitie. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het ter
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 18
plaatse geldende ontwikkelingsperspectief. 3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Natuurlijke laag”, "Laag van het agrarisch cultuurlandschap" en "Laag van beleving" wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er op het plangebied geen kenmerken vanuit deze specifieke lagen van toepassing zijn. 1. De “Stedelijke Laag” De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ruimtelijke kwaliteitsambities in de stedelijke laag zijn: Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur Contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken door het infrastructuurnetwerk Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' aangeduid met drie gebiedstypen: 'Historische centra binnensteden', 'Bebouwingsschil 1900-1955' en 'Woonwijken 1955-nu'. In dit geval ligt het plangebied slechts voor een zeer klein deel binnen 'Bebouwingsschil 1900-1955'.
Deze laag is daarom buiten beschouwing gelaten. In afbeelding 3.3 is dit weergegeven. Het plangebied is met rode omlijning indicatief weergegeven.
Afbeelding 3.3 De 'Stedelijke laag' (Bron: Provincie Overijssel) Historischecentra, binnensteden De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra, binnensteden en landstadjes herbergen bijzondere condities zoals een waterfront of stationsgebied en staan symbool voor de identiteit en eigenheid van de steden en stadjes. Functioneel worden deze
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 19
gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt. Als ontwikkelingen plaats vinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren. Woonwijken 1955-nu De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a.
wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Toetsing van het initiatief aan de Stedelijke laag” De gewenste ontwikkeling draagt bij aan het vitaal houden van het centrum van Balkbrug en sluit aan bij de herstructurering van nabijgelegen kruispunt. De ontwikkeling is in overeenstemming met het gestelde in de 'Stedelijke laag'. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023
3.3.1.1 Algemeen De toekomstvisie voor de gemeente Hardenberg is vastgesteld door de gemeenteraad van Hardenberg op 23 april 2013. Dit plan kent drie doelstellingen: samenhang in diverse gemeentelijke beleidsvelden ondersteunen; een helder profiel naar buiten toe creëren; strategische politieke keuzes maken. Het resultaat is een visie met strategische keuzes die een duidelijke ontwikkelingsrichting geeft. De toekomstvisie is een levend document dat de gemeente geregeld zal bijstellen om in te kunnen spelen op nieuwe kansen en mogelijkheden. Het biedt houvast voor de langetermijnkoers van de gemeente. In de toekomstvisie worden drie programmalijnen gehanteerd: wonen, werken en welzijn. In dit geval is de programmalijn 'wonen' van toepassing. Wat betreft de programmalijn 'wonen' dient te worden vermeld dat er in deze programmalijn niet uitsluitend wordt ingegaan op het wonen zelf, maar ook op de zaken die een omgeving tot een goede woonomgeving maken: de voorzieningen. Hierna wordt op de programmalijn ingegaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de visie van de gemeente op 'wonen' en op 'voorzieningen'. 3.3.1.2 Programmalijn 1: Wonen Voorzieningen
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 20
In de toekomstvisie geeft de gemeente aan dat voorzieningen in de kernen belangrijk zijn. Voorzieningen leveren een bijdrage aan het met plezier wonen, werken en recreëren. De behoefte aan voorzieningen in de eigen kern is groot. Zeker in tijden van vergrijzing zijn zorg en onderlinge hulp van groot belang voor de leefbaarheid van de kernen. Ten aanzien van de kleine kernen geeft de gemeente aan dat de inwoners zelf bepalen welke voorzieningen er in hun kern aanwezig moeten zijn. Kwaliteit is belangrijk, maar wordt voornamelijk door niet-gemeentelijke regelgeving bepaald. De gemeente zal geen extra eisen stellen en zo ruimhartig mogelijk omgaan met bestaande regelgeving. Particulier initiatief en private verantwoordelijkheid zijn hierbij de leidraad. De inspanning vanuit de eigen bevolking zal juist in kleine kernen extra groot moeten zijn, omdat getalsmatig het draagvlak klein is. Actieve inwoners en een stimulerend Plaatselijk Belang worden door de gemeente als van onschatbare waarde beschouwd. De liefde en betrokkenheid bij de eigen kern en eigen ontmoetingsplek is de beste drager om deze voorzieningen in stand te houden. De gemeente zal waar mogelijk een beperkte financiële bijdrage leveren aan de oprichting van een voorziening en planologische medewerking verlenen, als de gemeenschap zelf voor de exploitatie en beheer zorgdraagt.
Tot slot worden in de toekomstvisie concreet ten aanzien van het programma 'wonen' de volgende doelstellingen geformuleerd: bouwen op basis van behoefte; bieden van een ontmoetingsplek op basis van draagvlak en versterken sociale cohesie; verbeteren kwaliteit van onderwijs en zorg, voor zover dat een wettelijke taak is; verbeteren woon en ondernemersklimaat; bevorderen van een veilige en leefbare woonomgeving. 3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Toekomstvisie gemeente Hardenberg 2013-2023' Met dit initiatief wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de gemeente dat particulier initiatief de leidraad moet zijn. Door de nieuwbouw van de supermarkt wordt de leefbaarheid van Balkbrug versterkt. Met het initiatief wordt ook aangesloten bij de doelstelling om het ondernemersklimaat te verbeteren. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de toekomstvisie. 3.3.2
DetailhandelsstructuurvisieHardenberg
3.3.2.1 Algemeen De detailhandel verandert snel en structureel. Deze dynamiek in het winkellandschap is ook merkbaar in de gemeente Hardenberg. Omzetten en bezoekersaantallen lopen terug en de leegstand is toegenomen. Maar Hardenberg staat niet stil, integendeel, er wordt volop gewerkt aan compacte en aantrekkelijke winkelvoorzieningen, zowel in de grote als in de kleinere kernen. Eind november 2015 tekende Hardenberg de ’retaildeal’ met het ministerie van Economische Zaken, in september 2015 werd het actieplan centrum Hardenberg gepresenteerd en momenteel wordt het actieplan centrum Dedemsvaart afgerond. Een van de benoemde acties in de actieplannen is het opstellen van een detailhandelsstructuurvisie (vastgesteld op 4 juli 2017). De vorige detailhandelsstructuurvisie dateerde uit 2002 en was sterk achterhaald gezien de ontwikkelingen in de branche. De nieuwe visie moet het antwoord zijn op het realiseren van compacte centrumgebieden. De verschillende winkelgebieden in de gemeente Hardenberg hebben elk een eigen profiel en functie. De afstanden tussen de diverse kernen zijn soms vrij groot. Naast een economische functie, hebben de (centrum)winkelgebieden ook een belangrijke maatschappelijke functie (leefbaarheid).
De belangrijkste uitdaging voor de gemeente Hardenberg is inzicht te krijgen in een toekomstbestendige detailhandelsstructuur en acties en maatregelen niet alleen voor de overheid, maar ook voor ondernemers en eigenaren, om die structuur gezamenlijk te realiseren. De kansrijke (delen van) winkelgebieden moeten elkaar aanvullen en een optimale spreiding over de gemeente hebben. Centrumgebieden moeten worden gecompactiseerd en kansarme locaties/delen zullen moeten worden getransformeerd naar andersoortige functies. Het onderscheidend
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 21
vermogen (branding) vormt hierbij een belangrijk aspect. 3.3.2.2 Uitwerking kleine kernen Algemeen De kleine kernen vragen om nadere aandacht in de detailhandelsstructuurvisie. Dat zijn Balkbrug, Bergentheim, de Krim, Gramsbergen en Slagharen. Primair is het de ambitie om in deze kernen de boodschappenfunctie vast te houden gericht op het eigen draagvlak. Hiermee wordt voorzien in een goede spreiding van de boodschappenfunctie over de gemeente. In de dorpen kan ook worden ingespeeld op andere doelgroepen zoals toeristen en passanten, maar de focus voor het detailhandelsbeleid ligt op het behoud van een supermarkt en de concentratie met complementaire functies. De opgave is echter groter als er sprake is van een ruimere bewinkeling en het eigenlijk de ambitie is om te beschikken over een aantrekkelijk dorpshart met een concentratie van allerlei (basis)voorzieningen. Dat verdient een brede aandacht met voorzieningen als het basisonderwijs, zorg en een sociaal-maatschappelijke functie. Dat geldt natuurlijk ook voor de horeca en de diensten. De aanpak van de leegstand, het voorkomen ervan en de bedrijfsopvolging bij het lokale MKB zijn belangrijke items die in ieder dorp spelen. Transformatie naar andere functies dan detailhandel is net als in Hardenberg en Dedemsvaart ook in de kleine kernen een aandachtspunt.
Het beperkte draagvlak en de afhankelijkheid van ondernemers die hier al jaren en soms al generaties gevestigd zijn, liggen hieraan ten grondslag. Samenwerking is dan belangrijk om een antwoord te hebben op mogelijke kansen en op onvoorziene ontwikkelingen om het voorzieningenniveau op peil te houden. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 4) is daarom het invoeren van een periodiek overleg tussen vertegenwoordigers van de verschillende winkelgebieden en de gemeente als instrument opgenomen gericht op de kleine kernen. Balkbrug Balkbrug beschikt over ruim 40 verkooppunten en 20 detailhandelszaken. In Balkbrug is het meeste detailhandelsaanbod in het centrumgebied gevestigd. Het aanbod ligt verspreid langs de verkeersassen Ommerweg / Molenweg, Zwolseweg, Coevorderweg en Meppelerweg. Het aanbod is daardoor goed zichtbaar en bereikbaar maar er is geen sprake van een aantrekkelijk winkelgebied. De winkels, de horeca en de diensten moeten het met name hebben van de eigen aantrekkingskracht en de eigen (vaste) klantenkring. Voor doelgerichte functies als In/om het Huis dat goed vertegenwoordigd is, is dat geen probleem. Voor kleinere dagelijkse en niet-dagelijkse winkel verdient concentratie de duidelijke voorkeur. De leegstand is met vijf panden het grootst van alle vijf de dorpen. Dat mag geen negatieve effecten hebben op de overige bewinkeling.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 22
3.3.2.3 Toetsing initiatief aan de detailhandelsstructuurvisie Hardenberg Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij het streven naar een concentratie van complementaire functies in de kleine kerken. De focus in de kleine kernen ligt op het behoud van de supermarkten. Door het realiseren van een nieuw pand voor de supermarkt wordt hierop aangesloten, aangezien de toekomstbestendigheid van de supermarkt wordt vergroot. Ook wordt door deze ontwikkeling aan een braakliggend perceel een passende functie gegeven, wat zorgt voor een forse impuls van de ruimtelijke kwaliteit. 3.3.3
Welstandsnota
3.3.3.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 29 november 2011 de Welstandsnota Hardenberg Visie op beeldkwaliteit vastgesteld. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. De Welstandsnota maakt onderscheid naar de volgende niveaus: Niveau 0 (laag): Geen eisen ten aanzien van welstand. Beeldkwaliteit wordt geregeld in het bestemmingsplan (of de beheersverordening).
Niveau 1 (midden): Specifieke ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, gericht op behoud van belangrijkste gebiedskenmerken van architectonische of stedenbouwkundige aard. Inzet van een globale vorm van welstand met planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 2 (hoog): Hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde. Inzet van welstand met een intensieve vorm van planbegeleiding naast het bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt welstandsniveau 2. Criteria ter plaatse van welstandsniveau 2 zijn onder meer: De verschijningsvorm dient de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing in de directe omgeving te versterken; De hoofdmassa is helder vormgegeven en passend (qua maat en schaal) bij de bebouwing in de omgeving; Iedere gevel heeft zijn eigen identiteit, maar is passend in het straatbeeld; Er is eenheid in de architectuur van de gehele gevel; De gevelcompositie en de plaats, afmetingen en verhoudingen van gevelelementen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd; Uitgangspunt is het kleur- en materiaalgebruik uit de omgeving of vergelijkbare materialen waarbij het gebruik van (bak)steen overheerst; In het centrum is het gebruik van goedkoop uitziende materialen zoals volkern platen, kunststoffen en dergelijke niet toegestaan;
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 23
3.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan 'Welstandsnota' Toetsing van de definitieve bouwplannen aan de Welstandsnota vindt plaats bij de beoordeling van de omgevingsvergunning. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van welstand. 3.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente Hardenberg.
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 24
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r. 4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval zijn de aspecten rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang aangezien er geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Opgemerkt wordt dat in paragraaf 4.5 wordt getoetst aan de effecten (waaronder het aspect geluid) van de supermarkt op het woon- en leefklimaat van omliggende functies. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan, mits de hogere waarden worden verleend en de vereiste gevelmaatregelen worden uitgevoerd. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. 4.2.2
Situatie plangebied
In dit geval is door Kruse ter plaatse van het plangebied een bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 1 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 4.2.3
Conclusie
Verkennend bodemonderzoek De bovengrond BG I is licht verontreinigd met lood; De bovengrond BG II is licht verontreinigd met lood en PAK; De bovengrond BG III is licht verontreinigd met PAK;
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 25
De bovengrond BG IV is licht verontreinigd met minerale olie en PAK; Boring 28 (0.4-0.9) is licht verontreinigd met kobalt, kwik, molybdeen, nikkel, minerale olie en PCB en sterk verontreinigd met koper, lood, zink en PAK; MM FF (mengmonster fijne fractie( - 01 is niet asbesthoudend; MM FF - 02 is niet asbesthoudend; MM FF - 03 is niet asbesthoudend; De ondergrond OG I is niet verontreinigd; De ondergrond OG II is niet verontreinigd; Het grondwater in peilbuis 21 is licht verontreinigd met barium, kwik en zink. Nader bodemonderzoek Boring 28 (0.9-1.3) is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; Boring 101 (0.4-0.65) is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; Boring 102 (0.4-0.9) is licht verontreinigd met lood, zink en PAK; Boring 103 (0.5-1.0) is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Conclusie en aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek De bovengrond BG I, BG II, BG III, BG IV en het grondwater in peilbuis 1 zijn (zeer) licht verontreinigd. De licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. De ondergrond (OG I en OG II) is niet verontreinigd. Boring 28 (0.4-0.9) is licht tot sterk verontreinigd. De sterk verhoogde gehalten gaven aanleiding voor een nader bodemonderzoek. De mengmonsters MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF - 03 zijn niet asbesthoudend.
Nader bodemonderzoek Uit de analyseresultaten blijkt dat de afperking van de sterke verontreiniging met barium, koper, lood, zink en PAK in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De monsters ten behoeve van de verticale afperking en de horizontale afperking zijn niet of licht verontreinigd met één of meer van de onderzochte metalen en PAK. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de sterke verontreiniging geschat op circa 15 m3 (circa 30 m2 x 0.5 meter). Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, aangezien het omvangscriterium van 25 m3 sterk verontreinigde grond niet wordt overschreden. Er zijn bij het huidig gebruik geen blootstellingsrisico’s, omdat de sterke verontreiniging zich onder een aaneengesloten verhardingslaag bevindt (met daaronder zintuiglijk schoon ophoogzand en een puinfundatie). Sanering van de sterk verontreinigde grond is noodzakelijk met het oogpunt op de toekomstige herontwikkeling. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of worden verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan een sanering dient een plan van aanpak te worden te worden opgesteld, dat aan het bevoegd gezag (gemeente Hardenberg) dient te worden voorgelegd. Het verrichten van bodemsaneringen mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 26
artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 4.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 27
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden). Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de zwarte omlijning indicatief aangegeven.
Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat in de nabijheid van het plangebied enkele risicobronnen
bestemmingsplan Balkbrug, Molenweg 4 | PAGINA 28
aanwezig zijn. Allereerst wordt gesteld dat er met dit bestemmingsplan geen sprake is van een verhoging van de personendichtheid. Op basis van het nu geldende planologische regime is immers reeds een supermarkt mogelijk. Dit bestemmingsplan is puur noodzakelijk omdat de beoogde supermarkt niet past in het bouwvlak. Er is daarom planologisch gezien geen sprake van een verhoging van het groepsrisico en ook geen verhoging van het plaatsgebonden danwel groepsrisico. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel samengevat op nabijgelegen risicobronnen: Tankstation (LPG) 200 meter ten oosten van het plangebied ligt een tankstation en een garagebedrijf waar tevens LPG wordt doorgezet. Voor de functie geldt een pr-contour van 25 meter en een zone van 150 meter waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico benodigd is. Het plangebied ligt buiten deze zone. Ammoniakopslag Op 200 meter te noordoosten van het plangebied ligt een bedrijf waar ammoniak wordt opgeslagen. Voor het bedrijf geldt geen contour voor het plaatsgebonden risico en geen zone waarbinnen verantwoording van het groepsrisico nodig is. 4.4.3