Perspectiefnota 2026 - PPN versie raad
Tekst van het document
voorgesteld het omvangcriterium (drempel waar boven we gaan activeren, voorheen € 10.000) te verhogen.
21
Resultaat actualisatie en gevolgen reserve
Door goed naar de planning te kijken, projecten waar mogelijk met incidentele middelen te dekken, en onderzoeks- of voorbereidingskredieten op te nemen voor projecten die qua uitvoering worden
doorgeschoven, worden de totale kapitaallasten van de kansen- en investeringsagenda voor het jaar
2029 verlaagd van € 6,5 miljoen naar € 2,4 miljoen. Een voordeel dus van € 4,1 miljoen. Dit vraagt wel voor de jaren tot en met 2029 een onttrekking uit de algemene reserve van € 18 miljoen. Hiermee
nemen we de tijd die nodig is om de projecten die buiten de scope van de meerjarenraming vallen goed voor te bereiden zodat we weten welke opties we hebben en wat die gaan kosten, en om
afgewogen beslissingen over de financiering te nemen. Wel is het belangrijk om gezamenlijk een richtlijn te bepalen voor de minimale stand van de algemene reserve. Immers, reserves zijn niet oneindig. Bij de begroting 2026 komen wij hierop terug. Actualisatie Kansen- en investeringenagenda Bedragen x €1.000 *(-/- = nadeel) 1
Nr. Omschrijving
Kansen en Investeringsagenda correctie
Taakveld
Programma
2
Kansen en Investeringsagenda jaarschijf 2029
Diverse taakvelden
3
Kansen en Investeringsagenda actualisatie
Diverse taakvelden
Diverse taakvelden
2026
2027
2028
2029
Financiën
0
0
0
-3.187
Financiën
418
1.322
1.961
4.090
-418
-1.322
-1.961
-3.500
70
70
Financiën
stelpost reëel begroten invullen Saldo
70
70
70
70
70 -2.527
1. Kansen en Investeringsagenda, correctie
In de begroting 2025 is de kansen en investeringsagenda vertaald naar kapitaallasten. Voor een tweetal investeringen heeft er een correctie plaatsgevonden. 2. Kansen en investeringsagenda, jaarschijf 2029
In de begroting 2026 wordt de jaarschijf 2029 toegevoegd. In deze jaarschijf nemen de kapitaallasten van de investeringen toe met € 3.187.000 ten opzichte van het jaar 2028. 3. Kansen en Investeringsagenda, actualisatie
De Kansen en investeringsagenda is geactualiseerd en op basis van nieuwe inzichten herrekend. Dit
leidt tot een structureel voordeel en eenmalige aanwending van de algemene reserve. Deze structurele voordelen verrekenen we met de opgenomen stelpost reëel begroten. De stelpost heeft een omvang van €3,5 miljoen, dat betekent dat wij €3,5 miljoen aan structurele middelen moeten vinden om een deel van de K&I te kunnen uitvoeren. Bedragen x € 1.000
2026
2027
2028
2029
Kapitaallasten oud
774
2.323
3.341
6.528
Kapitaallasten nieuw
356
1.001
1.380
2.438
Besparing op kapitaallasten
418
1.322
1.961
4.090
Kansen
Naast de actualisatie van de kansen en investeringsagenda, die uiteindelijk bij de begroting 2026 geëffectueerd moet worden, zijn er nog een aantal mogelijkheden om de structurele lasten van investeringen te verlagen.
22
1. Verder temporiseren van investeringen
Voor veel infrastructurele projecten is uitstellen lastig. Sommige projecten hebben hun oorsprong in het vastgestelde GVVP, zijn gebaseerd op bestuurlijke afspraken of haken in op projecten die
bijvoorbeeld door provincie of Rijk worden uitgevoerd. Dat betekent niet dat er in de uitvoering geen keuzes zijn te maken, zoals bij de herinrichting van de N377 of bij de stationsomgeving. Ook bij de
nieuwbouw van de scholen zijn vooral de schoolbesturen aan zet, waardoor de invloed die wij hebben op het tijdpad maar beperkt is. De mogelijkheden om door temporiseren in de komende jaren
kapitaallasten te besparen zitten dan ook vooral in projecten waar we in theorie een keuze hebben om wel of niet te investeren, zoals bij projecten met het thema sport of bij maatschappelijk vastgoed waar geen sprake is van een wettelijke plicht tot instandhouding of herinvestering.
Daarnaast is de uitvoering van een aantal majeure projecten zoals het theater of de MFA's naar
achteren geschoven, terwijl wel met de voorbereiding is of wordt begonnen. Uitvoering van die
projecten zal alsnog in de jaren na 2029 tot extra lasten leiden (zie onderdeel 2.1). Om ervoor te
zorgen dat niet al die lasten direct vanaf 2030 drukken op de begroting, kan worden overwogen om deze projecten nog verder naar achteren te schuiven. 2. Subsidies
Voor een aantal projecten is nog geen rekening gehouden met subsidies of andere bijdragen van derden. De recente informatie dat er rijksmiddelen beschikbaar komen voor de Nedersaksenlijn.
betekent beslist iets voor de gemeentelijke investeringen in de stationsomgeving. Maar er zijn ook mogelijkheden voor subsidies in relatie tot verduurzaming en voor verkeersprojecten. Wanneer
dergelijke mogelijkheden zich voordoen, moet bij de afweging tussen méér kunnen doen of het
verlagen van onze eigen bijdrage altijd het financieel meerjarenperspectief in ogenschouw worden genomen.
3. Oude activa dekken met incidentele middelen
Het uitgangspunt om bepaalde investeringen te dekken met incidentele middelen kan ook worden
toegepast op investeringen die in eerdere jaren zijn gedaan. Zo staan op onze gemeentelijke balans bijdragen in activa van derden met een boekwaarde van ca. € 11 miljoen. Door dit bedrag uit de
algemene reserve te halen kunnen die activa - in lijn met de nieuwe uitgangspunten - ineens worden afgeboekt. Hiermee wordt een besparing op de jaarlijkse afschrijvingslasten van € 450.000
gerealiseerd. Dit geldt ook voor een aantal andere investeringen, zoals reconstructies en initiële aanleg van civieltechnische werken. Voor die activa levert een eenmalige onttrekking uit de algemene reserve van ca. € 15 miljoen een besparing op van € 615.000 op de jaarlijkse afschrijvingslasten. Ook dit soort keuzes moeten vanzelfsprekend worden afgewogen tegen het gewenste niveau van het weerstandsvermogen.
23
1.5 Financiële soliditeit
In het coalitieakkoord is opgenomen dat Hardenberg haar solide financiële positie wil behouden en
verstevigen. De risico’s zijn afgedekt met een adequaat weerstandsvermogen (norm tussen 1 en 1,4) om de som van de risico’s af te dekken. Financiële soliditeit is een onderdeel van een structureel
sluitende meerjaren begroting. Hierbij wordt er gekeken of er voldoende middelen beschikbaar zijn om op korte termijn risico’s en nadelen te kunnen dekken. Weerstandsvermogen
Om vast te stellen of wij voldoende in staat zijn om risico’s op te vangen, maken wij een inschatting van het benodigde weerstandsvermogen. De stand van het benodigde weerstandsvermogen is €22
miljoen Dit is de geactualiseerde stand per 1-1-2026 na verwerking meibrief 2025. Beschikbaar is €88
miljoen
weerstandsratio
Wanneer wij de benodigde weerstandscapaciteit afzetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit (per 1-1-2026), dit €87.030.000 + 1.000.000 beschikbare belastingcapaciteit resulteert dit in een weerstandsratio. De ratio is: Ratio weerstandsvermogen =
Beschikbare weerstandscapaciteit = Benodigde weerstandscapaciteit
€ 88.030.000
€ 16.500.000
= 5,3
De gemeente Hardenberg hanteert een norm voor de ratio van 1,0-1,4. De huidige ratio is zeer ruim
boven de vastgestelde norm. Stelposten
Onderdeel van onze weerstandspositie is een aantal structurele stelposten. Deze stelposten zijn
opgenomen voor de opvang van eenmalige en structurele nadelen. Bijvoorbeeld voor het opvangen
van de loon- en prijscompensatie. Bij de meicirculaire 2025 (verwacht juni 2025) ontvangen wij van het Rijk de definitieve indexen voor de loon- en prijscompensatie. Dan zal blijken of deze stelposten
voldoende zijn om loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen.
Daarnaast hebben wij een aantal “stelposten” opgenomen in de begroting 2025 die in feite een taakstelling zijn. Deze vormen een risico wanneer ze niet worden ingevuld.
24
• Stelposten voor lonen en prijzen De algemene uitkering van het gemeentefonds is de belangrijkste bron van inkomsten voor
gemeenten. De jaarlijkse toe- en afname van het gemeentefonds wordt het accres genoemd. Het
accres is gesplitst in een volume- en een loon- en prijsdeel. Bij de meicirculaire kunnen wij berekenen hoeveel accres wij krijgen van het Rijk en of dat voldoende is om de loon - en prijsstijging te compenseren.
4922000000 6700000000 •
stelpost algemene lasten (prijzen)
2026
2027
2028
2029
1.045
1.045
1.045
1.045
3.634
stelpost lonen
3.699
3.927
3.927
Stelposten zijnde een taakstelling c.q. risico
In de begroting 2025 zijn een aantal stelposten opgenomen die een risico vormen. 1a
1b 1c
risico's
2026
stelpost reëel begroten
3.500
stelpost reëel begroting
3.082
Actualisatie K&I zie 1.4
-418
2027
3.500
-1.322
2.178
2028
3.500
-1.961
1.539
2029
3.500
-4.090
gerealiseerd
1) Stelpost reëel begroten Deze stelpost is een nog nader te onderbouwen taakstelling. Deze taakstelling is als dekking
opgenomen voor o.a. de kapitaallasten die voortvloeien uit de kansen- en investeringsagenda. Omdat deze taakstelling onvoldoende is onderbouwd heeft de provincie Overijssel deze niet geaccepteerd. Daarom wordt dit bedrag door de provincie in mindering gebracht op het
structurele saldo van onze begroting. Bij de begroting 2026 moet deze stelpost voldoende
worden onderbouwd. Door het actualiseren van de kansen en investeringsagenda wordt een deel van deze stelpost ingevuld in de eerste jaren en deze stelpost in 2029 gerealiseerd.
2
risico's
stelpost dekking AR
2026 0
2027 900
2028
1.540
2029
1.540
2) Stelpost dekking AR In de begroting maken wij gebruik van de mogelijkheid om het “surplus van de Algemene
Reserve” in te zetten als structureel dekkingsmiddel. De BBV-regelgeving biedt de ruimte om de Algemene Reserve in te zetten om de begroting structureel te laten sluiten. Dit is echter
een tijdelijke maatregel om weer toe te groeien naar structureel en reëel evenwicht en dient zo snel mogelijk weer te worden opgelost.
25
3
risico's
BCF compensatiefonds
2026
1.250
2027
1.250
2028
1.250
2029
1.250
3) BCF compensatiefonds Gemeenten kunnen de betaalde btw op de inkoop overheidstaken terugvorderen op het BTW
compensatiefonds (BCF). Dit fonds heeft een plafond. Wanneer er collectief een groter beroep gedaan wordt op het BCF fonds dan dat er in het fonds zit kan het betekenen dat gemeenten minder uitgekeerd krijgen.
Algemene reserve
Deze reserve dient als dekkingsmiddel voor het opvangen van nadelen die op verschillende terreinen kunnen ontstaan, zoals: opvangen verliesvoorzieningen / afwaarderingen grondexploitaties, mutaties
in de algemene uitkering, faseringsverschillen taakstellingen, frictiekosten, rente mutaties en afdekken eenmalige begrotingstekorten. Voor het opvangen van deze, niet of heel moeilijk te kwantificeren risico’s is het van belang om een algemene reserve aan te houden.
De weerstandsratio is per 1-1-2029 2,2 bij gelijkblijvende risico's.
26
2 Reëel begroten van Kansen en Investeringen agenda 2.1 Kansen en Investeringsoverzicht
Met het toevoegen van de projecten uit de kansen- en investeringsagenda aan de begroting is vorig jaar het financieel meerjarenperspectief geactualiseerd. In dat financieel meerjarenperspectief is
onderscheid gemaakt tussen bedragen met een structureel karakter en bedragen met een incidenteel effect. Investeringsprojecten zijn vertaald in kapitaallasten en hebben daarmee een effect op de
structurele begrotingsruimte. Omdat die begrotingsruimte onvoldoende bleek om het reguliere beleid inclusief alle ambities te kunnen realiseren, is vanaf 2026 als bate een stelpost reëel begroten
ingeboekt ten bedrage van € 3,5 miljoen per jaar. Om deze stelpost in te kunnen vullen is nu een
nadere verdieping gedaan op de projecten uit de kansen- en investeringsagenda. Afhankelijk van de financiële ruimte op het jaarlijkse ijkmoment, kunnen de onderwerpen onder or boven de streep
uitkomen. Wij bieden de perspectiefnota jaarlijks aan de Raad aan voor de algemene beschouwingen, met als bijlage het kansen- en investeringsoverzicht.
Alle projecten die zijn aangemerkt als investering, en daarmee in de Perspectiefnota 2025 waren vertaald in structurele kapitaallasten, zijn opnieuw beschouwd op vier aspecten: 1. 2. 3. 4.
is de planning realistisch
klopt de totale investeringsraming nog
zijn er mogelijkheden om het project (deels) te dekken met incidentele middelen wat betekent het project voor de ambtelijke capaciteit
De resultaten van deze verdieping zijn voor zover mogelijk vertaald in een vernieuwde tabel van de
kansen- en investeringsagenda, die in bijlage 1 is weergegeven. De belangrijkste wijzigingen zijn onder de tabel toegelicht. Deze tabel bevat geen nieuwe projecten; enkel de in de Begroting 2025 geaccordeerde investeringen.
In relatie tot bovenstaande punten kunnen wij het volgende melden. 1.
In de tabel is de meest recente planning, vertaald in benodigde financiële middelen per jaar,
2.
Voor enkele projecten is op dit moment de verwachting dat de middelen niet afdoende zijn.
opgenomen onder "investering".
Dit geldt bijvoorbeeld voor het theater, de zwembaden en de nieuwe fietsverbindingen.
Omdat nog niet alle subsidiemogelijkheden duidelijk zijn, niet alle kaders zijn vastgesteld (bijv. IHP's) en we - bijvoorbeeld in relatie tot maatschappelijk vastgoed - nog moeten bepalen
"waar we wel en niet van zijn", is vooralsnog besloten de projecten in financiële zin niet bij te stellen.
3.
De mogelijkheden voor incidentele dekking zijn toegelicht in onderdeel 1.4 en doorvertaald in
4.
Hierover meer in onderdeel 2.2.
de geschatte kapitaallasten voor de begrotingsjaren 2026 tot en met 2029.
Doorgeschoven investeringen
Volgens de Nota waarderen en afschrijven start de afschrijving van een investering in het jaar na ingebruikname. Dit betekent dat van investeringen die worden afgerond in of na 2029, de
kapitaallasten bij de begroting 2026 niet in de meerjarenraming (2027-2029) worden verwerkt. Deze
lasten zullen echter wel in de jaren daarna alsnog een beslag op de begroting leggen. Het is belangrijk dat we ons daarvan bewust zijn. Met name voor majeure projecten wordt pas na onderzoek,
afstemming en voorbereiding duidelijk wat we gaan doen en welke middelen daarmee gemoeid zijn. 27
Zodra daarover meer duidelijk is, moet er afhankelijk van de aard van de investering (is deze geschikt
voor dekking met incidentele middelen) en de omvang van het weerstandsvermogen (hebben we nog ruimte in de reserves) worden besloten hoe de investering wordt gefinancierd.
Hierna volgt een indicatie van de impact op de begroting na 2029 van de projecten die in de kansenen investeringsagenda staan, voor het deel van de lasten die nu buiten de meerjarenraming vallen. Bedragen x €1.000 *(-/- = nadeel)
Onttrekking uit de reserve
Onttrekking reserve als alternatief voor structurele last
Structurele last
A: Projecten die al redelijk kunnen worden ingeschat Infrastructurele projecten, financiering uit een dekkingsreserve
5.700
114
0
Infrastructurele projecten, ineens uit de reserve
8.280
0
0
IHP's sport
0
551
0
Overige
0
41
0
13.980
706
0
Totaal onderdeel A
B: Projecten waarbij nog veel onzekerheid is over uitvoering en financiering Ontwikkeling stationsgebied, infrastructuur + parkeergarage in eigendom
0
475
0
Ontwikkeling stationsgebied, bijdragen aan investeringen door derden
7.500
0
0
Realisatie MFA's
0
417
8.600
Verplaatsing sportpark de Boekweit
0
300
6.800
Theater de Voorveghter
0
764
14.410
Totaal onderdeel B
7.500
1.956
29.810
Totaal A + B
21.480
2.662
29.810
Toelichting op de tabel
In de herziene kansen- en investeringsagenda zijn enkele majeure projecten naar achteren geschoven,
waardoor de lasten van die projecten buiten de meerjarenraming vallen. In de begroting ná 2029 moet er rekening mee worden gehouden dat er nog € 21 miljoen uit de reserve moet worden gehaald en
begrotingsruimte voor € 2,7 miljoen aan kapitaallasten moet worden gereserveerd. Een deel van die begrotingsruimte kan mogelijk worden opgevangen door aanvullend enkele majeure projecten te financieren met incidentele middelen. In hoeverre dat mogelijk is moet worden bepaald zodra we weten hoe we het project gaan uitvoeren, wat dat gaat kosten en of het weerstandsvermogen
voldoende ruimte biedt voor dekking van projecten met incidentele middelen. Het is dus zaak dat we de komende jaren gaan sparen om deze grote investeringen te kunnen bekostigen.
2.2 Planning in relatie tot capaciteit
Het aantal projecten in de kansen- en investeringsagenda is talrijk. Veel projecten leggen in dezelfde periode beslag op de formatie van één of meer domeinen. Daarnaast zijn er voor die domeinen ook veel projecten waarvoor al eerder middelen beschikbaar zijn gesteld, maar die nog in voorbereiding zijn of “on hold” zijn gezet, waardoor deze projecten mogelijk ook in de komende jaren pas tot
28
uitvoering komen. Dit alles samen leidt tot een aanzienlijke, niet altijd goed te voorspellen, druk op onze ambtelijke organisatie. Planning in beweging
Wanneer een krediet beschikbaar wordt gesteld, of wanneer bestuurlijk wordt ingestemd met een project die in de kansen- en investeringsagenda is opgenomen, dan wordt een project in
voorbereiding genomen. Bij veel projecten wordt die voorbereidingsfase nog voorafgegaan door een aanzienlijke periode van onderzoek en ontwikkeling. In veel gevallen worden obstakels die
belemmerend kunnen werken voor de planning van een project pas tijdens de onderzoeksfase of voorbereidingsfase duidelijk.
Voor het voortvarend doorlopen van een project zijn we vaak afhankelijk van afstemming en onderzoeken: overleg met andere partijen, locatieonderzoek, grondaankopen, flora- en
faunaonderzoeken en bestemmingsplanprocedures. De uitkomsten daarvan zijn vooraf niet altijd goed in te schatten maar kunnen van grote invloed zijn op de planning. En als dan “de kogel door de kerk is”, moet de planning voor de volgende fase worden afgezet tegen de andere projecten die op dat
moment onderhanden zijn. Er moet telkens opnieuw worden geprioriteerd en daar moet vervolgens de benodigde capaciteit op worden afgestemd. Dit maakt dat de planning van een project continu in beweging is.
Planning van mensen
Om de capaciteit flexibel af te kunnen stemmen op de vraag, wordt er veel ingehuurd. Dit geldt bij uitstek voor projectleiding. De arbeidsmarkt is krap, maar projectleiders zijn nog wel te vinden. De
ambities van onze organisatie zijn hoog, er liggen veel projecten op de plank. De organisatie volgt die ambitie, dus er wordt nog meer ingehuurd. Echter inhuur maakt projecten relatief duur en we moeten
ervoor waken dat de grote flexibele schil maakt dat de organisatie “uit haar jas groeit”. De samenhang
in een team kan uit balans raken, van de ondersteunende clusters wordt ook steeds meer gevraagd en er moet voldoende aandacht zijn voor grip op en aansturing van die ingehuurde medewerkers.
Bijkomend vraagstuk is dat van ieder uitgevoerd project veel wordt geleerd. Met het vertrek van tijdelijke projectleiders gaat ook veel kennis verloren.
Dit complexe speelveld vraagt balans. Het is niet vanzelfsprekend dat we opgaven en plannen realiseren door er simpelweg middelen aan te koppelen. Al eerder werd gesproken over
uitvoeringskracht: een gezonde balans tussen inzet van mens en organisatie om de complexe (bestuurlijke) ambities te realiseren. Planning van geld
Middelen voor projecten in de kansen- en investeringsagenda zijn al in een vroeg stadium gealloceerd aan de projecten. Daarmee zijn verwachtingen gewekt, zowel in de ambtelijke organisatie als bij onze inwoners. Het geld is er, dus dan zal het gewenste project er ook wel snel komen. Echter vaak zijn de plannen nog niet veel verder dan “wensen” en moeten er nog veel fases worden doorlopen voordat
zo’n project vorm gaat krijgen. Wensen en mogelijkheden zijn nog niet op elkaar afgestemd en vaak
speelt afstemming met derden een grote rol. Tijdens die verkennende en voorbereidende fases wordt pas echt duidelijk wat er mogelijk is, hoe de planning eruit zou kunnen zien, hoeveel capaciteit er
wordt gevraagd en wat dit alles gaat kosten. Het vroegtijdig alloceren van middelen aan zo’n project
brengt risico’s met zich mee. Zo moeten kredieten regelmatig worden bijgesteld, omdat de benodigde middelen in een heel vroeg stadium nu eenmaal lastig zijn in te schatten. Of er wordt erg ruim
29
begroot, om "zeker te weten dat het genoeg is", met als risico dat een budget leidend wordt in plaats
van de ambitie. Of uitvoerende en samenwerkende partijen weten wat we voor zo’n project over hebben, wat iets kan betekenen voor de onderhandelingen. Faseren van projecten en kredieten
Elk project, hoe klein ook, bestaat vaak uit een onderzoeksfase, een voorbereidende fase en een
uitvoeringsfase. Bij kleine projecten is de onderzoeksfase niet altijd heel zichtbaar, maar bij grote
projecten kan deze wel een aantal jaren in beslag nemen. Pas na het doorlopen van een fase wordt duidelijk wat er in de volgende fase moet gebeuren. Dan kan er pas een goede inschatting worden
gemaakt van de planning en de benodigde middelen voor die fase. Dit pleit ervoor om de planning na elke fase opnieuw af te stemmen op de planning van het team als geheel, en waar mogelijk de
middelen per fase beschikbaar te stellen. Op deze manier kunnen majeure projecten (zoals theater en sportpark) in delen worden geknipt.
2.3 Circulariteit
Bouwmaterialen worden bij sloop van een gebouw vaak afgevoerd en waardeloos geacht. In het licht van de huidige duurzaamheidsdiscussies wordt echter steeds meer gekeken naar de mogelijkheden
voor circulariteit. Overheidsorganisaties kunnen hier een voorbeeldfunctie vervullen. Al bij het maken van een ontwerp voor een gebouw kan rekening worden gehouden met latere demontage en
hoogwaardig hergebruik van bouwdelen en materialen. Deze hebben bij sloop naast een circulaire ook
een financiële waarde. Door deze waarde als restwaarde van een gebouw te beschouwen, wordt hierop niet afgeschreven en kun je óf extra budget creëren voor duurzame maatregelen, óf met lagere structurele lasten hetzelfde bouwproject realiseren. Er zijn gemeenten die deze systematiek al toepassen.
Overigens is het ook interessant om te onderzoeken wat circulariteit kan betekenen bij infrastructurele projecten. Bijvoorbeeld stenen worden vaak niet hergebruikt maar afgevoerd, waarbij soms een bijna
verwaarloosbare verkoopopbrengst wordt ontvangen. Ook hier kan hergebruik besparingen realiseren, maar de winst in het bredere duurzaamheidsvraagstuk is vele malen groter. Ook kunnen secundaire (i.p.v. nieuwe) grondstoffen worden ingekocht voor onze eigen projecten. Wij stellen voor om de mogelijkheden van circulariteit bij de uitvoering van projecten nader te onderzoeken.
30