Motivering Rollepaal Oost
Tekst van het document
Concept
In het omgevingsplan worden de normerende en de richtinggevende uitspraken in acht genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over het plangebied. In paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt nader toegelicht hoe met de voorliggende ontwikkeling rekening wordt gehouden met de richtinggevende en normerende uitspraken over het 'open veenontginningslandschap'. Artikel 4.11 lid 1 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als: a. daarvoor sociaal-economische of maatschappelijke redenen voor zijn; b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en c. in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief 'Ondernemen met Natuur en Water' de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de 'Groene omgeving'. Zowel in de laddertoets in paragraaf 7.2, in hoofdstuk 8'Natuurbescherming' als in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat er sociaal-economische of maatschappelijke reden zijn voor de beoogde ontwikkeling.
Ook wordt aangegeven op welke wijze het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden wordt gecompenseerd. Artikel 4.12 lid 1 en 2 (cultureel erfgoed) In omgevingsplannen moet rekening worden gehouden met de cultuurhistorische en archeologische waarden die in het gebied aanwezig zijn. In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' wordt beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de aanwezige waarden. Artikel 4.13 lid 1 en 2 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Met ontwikkelingen in het landelijk gebied moet beschreven worden hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal waterperspectief. Het klimaatrobuust water,- en bodemsysteem wordt onderbouwd in hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen'. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voldoende rekening gehouden met de uitgangspunten van klimaatrobuuste inrichting. Artikelen 4.23 lid 1 en 4.24 lid 1 (afspraken bedrijventerrein, aanleg bedrijventerrein in afwijking van afspraken) Een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als het past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen die zijn gemaakt op regionaal of gemeentelijk niveau.
Als het niet past, dan moet de behoefte worden aangetoond met een actueel onderzoek dat voorzien wordt in maximaal 80% van de behoefte. In de laddertoets (zie paragraaf 7.2) wordt aangetoond dat de beoogde uitbreiding past binnen de gemeentelijke en regionale afspraken.
296
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Artikelen 4.43 lid 1 en 4.44 lid 1 (verbod glastuinbouw, instructieregel geitenhouderij) Het omgevingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van glastuinbouw en/of geitenhouderijen. Artikel 4.93 (instructieregel mobiliteit) Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, als rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen, geprojecteerd worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur bedoeld in artikel 4.93, lid 2.
Concept
In hoofdstuk 9 'Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.93, lid 2. Artikel 4.102 lid 1 (instructieregel provinciaal netwerk transport gevaarlijke stoffen) Gebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het 'effectgebied incidenten met brand' of het 'effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen', houden rekening met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. In hoofdstuk 4 Waarborgen van de veiligheid en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt nader aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Artikel 4.109 (verbod op installaties onconventioneel gas) Omgevingsplannen mogen niet voorzien in het oprichten en gebruik van installaties voor proefboringen naar en winning van fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond. De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de winning naar fossiele brandstoffen niet mogelijk.
Artikelen 4.110 en 4.111 (verbod opslag radioactief afval in de ondergrond en bovengrondse opslag hoogradioactief afval) Het omgevingsplan voorziet niet een nieuwe ondergrondse of bovengrondse opslagmogelijkheid voor radioactief afval. De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt geen ondergrondse en bovengrondse radioactief afval mogelijk.
3.5 Regionaal beleid 3.5.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 3.5.1.1 Beleidskader Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. Het Waterbeheerprogramma bindt alleen het waterschap zelf bij de uitoefening van bevoegdheden. In de Watervisie 2050 benoemt het waterschap de drie grote wateropgaven voor de komende decennia, te weten; a. Droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering;
297
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
b. c.
Waterkwaliteit onder druk; Duurzame ontwikkeling.
3.5.1.2 Toetsing aan beleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 volgt inhoudelijk de Watervisie 2050. De doorvertaling van de visie op plan/projectniveau vindt plaats via de Waterschapsverordening, die in de volgende paragraaf wordt behandeld.
3.5.2 Waterschapsverordening
Concept
3.5.2.1 Beleidskader Op grond van de Omgevingswet moet het waterschap een Waterschapsverordening vaststellen. De Waterschapsverordening heeft de Keur van het waterschap en landelijke regels over het lozen van stoffen vervangen. De waterschapsverordening is gebaseerd op zowel de Waterschapswet als de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving. De Waterschapsverordening - Waterschap Vechtstromen (in werking vanaf 01-11-2024) bevat regels over de fysieke leefomgeving in het beheergebied van het waterschap. Deze regels gaan over de watergangen, waterkeringen, grondwater en het lozen van stoffen op het water of een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Deze regels gelden voor iedereen. De regels bepalen welke activiteiten waar in het beheergebied mogen plaatsvinden, en onder welke voorwaarden. De regels in de Waterschapsverordening zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de Keur van het waterschap Vechtstromen of de landelijke regels over het lozen van stoffen. De regels over de onderhoudsplichten komen in een aparte verordening: de Onderhoudskeur. Deze mogen niet in de Waterschapsverordening worden opgenomen.
3.5.2.2 Toetsing aan beleid In de waterschapsverordening is het 'oppervlaktewaterlichaam' langs de Woudbloemweg aangemerkt als 'waterstaatswerk'. De overige watergangen binnen Rollepaal Oost zijn aangewezen als 'niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen'. In hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangegeven welke belangen in het voorliggende plangebied aanwezig zijn en op welke wijze deze worden geborgd in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
3.5.3 Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel 3.5.3.1 Beleidskader In de programmeringsafspraken worden de afspraken tussen de gemeenten in West Overijssel en de provincie vastgelegd over de programmering van de gemeentelijke plannen die voorzien in de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Ook worden afspraken vastgelegd over de kwaliteitsambities die de gemeenten in West Overijssel nastreven bij de ontwikkeling en uitgifte van de bedrijventerreinen. De programmeringsafspraken richten zich niet alleen op de hoeveelheid te ontwikkelen nieuwe bedrijventerrein maar ook op de kwalitatieve aspecten van het aanbod. Afspraken over adaptieve programmering De programmering is opgebouwd uit plannen die de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio en de gemeenten op een goede manier invullen. Ofwel, dat het gaat om ontwikkelingen die toekomstbestendig zijn en die bijdragen aan het realiseren van de regionale economische ambities. De programmering wordt ieder half jaar geactualiseerd en vastgesteld in het regionale bestuurlijke overleg. Op die manier ontstaat een doorlopend en actueel overzicht van plannen die in de pijplijn zitten. De gemeenten zijn hierbij gezamenlijk verantwoordelijk voor het op groen, geel en oranje zetten van nieuwe plannen.
Het is aan het regionaal bestuurlijk overleg om daar, aan de hand van deze afspraken, een gedeeld oordeel over te vormen. In de programmeringsafspraken wordt ingezet op het zoveel mogelijk faseren van ontwikkelingen, zodat er ruimte blijft in de programmering en er flexibel ingespeeld kan worden op veranderende marktomstan-
298
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
digheden, acute principeverzoeken en nieuwe initiatieven. Op die manier wordt zorgvuldig omgegaan met de kostbare ruimte in de regio en wordt voorkomen dat Ladder voor duurzame verstedelijking een obstakel gaat vormen. Als richtlijn voor fasering wordt uitgegaan van een maximale omvang van 10 hectare netto per ontwikkelfase, maar hier kan per plan gemotiveerd van worden afgeweken. Afspraken over kwaliteitsambities
Concept
Er wordt gestreefd naar toekomstbestendige bedrijventerreinen, met een kwaliteitsniveau dat aansluit bij de landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid en daaruit volgende wet- en regelgeving. Daarmee wordt bijgedragen aan een goed vestigingsklimaat voor de bedrijven in onze regio. In de programmeringsafspraak is een overzicht opgenomen van ambities voor nieuwe bedrijventerreinenontwikkeling.
Tabel 3.1 - kwaliteitsambities voor alle nieuwe plannen Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel
Voor plannen met een totale netto omvang groter of gelijk aan 3 hectare waar meer dan één bedrijf wordt gehuisvest, is een aanvullende kwaliteitsambitie geformuleerd.
Tabel 3.2 - aanvullende kwaliteitsambities voor alle plannen met een totale netto omvang groter of gelijk aan 3 hectare waar meer dan een bedrijf wordt gehuisvest Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel
Voor plannen die deels of geheel moeten voorzien in de ruimtevraag van grootschalige bedrijven - hier gedefinieerd als bedrijven met een individuele kavelomvang van gelijk af meer dan 3 hectare netto - zijn nog twee aanvullende kwaliteitsambities geformuleerd.
299
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Tabel 3.3 - aanvullende kwaliteitsambities voor alle plannen deels of geheel moet voorzien in de ruimtevraag van grootschalige bedrijven
Concept
Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel
Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op 'groen' gezet te worden, wordt voorzien van een toelichting op hoofdlijnen over hoe op deze ambities zal worden gestuurd. Wanneer een ambitie om welke reden dan ook niet geheel haalbaar is voor het betreffende plan, motiveert de betreffende gemeente waarom dat het geval is. Het bodem- en watersysteem is sturend voor de locatie en ruimtelijke invulling van plannen. Hierbij staan in de programmeringsafspraken vijf principes centraal. De toepassing van deze principes vraagt om maatwerk per plan en de afweging hiervoor wordt op zijn minst gemaakt op het schaalniveau van de gemeente die het plan opstelt: a. problemen omtrent het bodem- en watersysteem worden bij ontwikkelingen niet afgewenteld in ruimte, tijd en geld, maar opgelost in de gebiedsontwikkeling zelf; b. functies volgen het bodem- en watersysteem, zodat wordt voorkomen dat situaties op lange termijn niet houdbaar of aanpasbaar zijn; c. er wordt gekozen voor een aanpasbare inrichting, waarin rekening wordt gehouden met de lange termijn (klimaat)omstandigheden in het gebied; d. kansen voor herstel van de natuurlijke situatie worden benut, zodat bodemdaling, uitputting van ecosystemen en kwaliteitsverslechtering van de natuur wordt tegengegaan; e. verstoor de bodem zo min mogelijk en verwerk grond zoveel mogelijk lokaal en hoogwaardig.
In het verlengde van voorgaande afspraak, vermijden we voor nieuwe plannen zoveel als mogelijk locaties die buitendijks, in het laagste punt van een polder en in de beekdalen liggen. Afspraken over uitgifte Er wordt uitgegeven op basis van marktconforme prijzen. Met de ondernemers met een nieuwbouwvraag wordt nagegaan actief in hoeverre de beoogde plannen ook gerealiseerd kunnen worden door middel van het toekomstbestendig maken en/of beter benutten van de bestaande kavel van het betreffende bedrijf, en faciliteren hen hier zoveel als mogelijk in. Daarmee wordt de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinen op peil gehouden. Op grond van het Didam-arrest voor de verkoop van nieuwe kavels wordt een transparant proces ingericht waarbij in het geval er meerdere geïnteresseerden zijn voor dezelfde kavel, aan de voorkant op basis van heldere toetsingscriteria duidelijk wordt gemaakt hoe gekozen wordt welke potentiële koper de eerste optie tot koop (of huur of erfpacht) krijgt. Afspraken over kwantiteit Plannen moeten voorzien van een goede van de Ladder voor duurzame verstedelijking, met inachtneming van de nadere invulling die aan de Ladder wordt gegeven in de provinciale Omgevingsverordening. Daarbij is vastgelegd dat de cijfers uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen in beginsel de kaders vormen voor de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Regionale afstemming De programmeringsafspraken bevatten de afspraken over de regionale programmering bedrijventerrein als bedoeld in de provinciale Omgevingsverordening Overijssel. Op grond van de Omgevingsverordening wordt de behoefte aan nieuw bedrijventerrein geacht te zijn aangetoond als de ontwikkeling daarvan past binnen de programmeringsafspraken. In dat geval wordt ook voldaan aan de verplichting op grond van de Omgevingsverordening om regionaal af te stemmen. Voor de overige relevante instructieregels van de Omgevingsverordening zal nog wel onderbouwd moeten worden hoe daarmee rekening wordt gehouden.
300
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
3.5.3.2 Toetsing aan beleid
Concept
In de programmeringsafspraken van 1 april 2023 wordt Rollepaal Oost als een nieuw plan aangemerkt. Dat betekent dat het plan 'in de pijplijn' zit: a. Rollepaal Oost I, met een oppervlakte van 10 hectare, wordt met een groene status aangemerkt. Dit betekent dat het plan kwantitatief en kwalitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken. b. Rollepaal Oost II, met een oppervlakte van 11 hectare, wordt met een gele status aangemerkt. Hiervoor geldt dat het plan kwantitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken. De invulling van de kwalitatieve afspraken moet echter nog bestuurlijk regionaal afgestemd worden. Zodra voor Rollepaal Oost sprake is van een vastgestelde wijziging van het omgevingsplan is sprake van harde plancapaciteit. In de navolgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe voor in het stedenbouwkundig plan en in het omgevingsplan voor Rollepaal Oost invulling is gegeven aan de kwaliteitseisen en -ambities uit de programmeringsafspraken. In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat sprake is van voldoende behoefte voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost met een omvang van 25 hectare.
Aangegeven wordt dat het vanuit een goede ruimtelijke ordening (en sinds 1 januari 2024 een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang dat deze ontwikkeling ook een plek krijgt in de actualisatie van de regionale programmering en dat, mede op die manier, de afstemming met buurgemeenten plaatsvindt.
3.5.4 Regionale Energiestrategie 3.5.4.1 Beleidskader De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van West-Overijssel is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie en waterschappen de bijdrage aan de energietransitie hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbedrijven Enexis, Coteq/Cogas en RENDO. De RES 1.0 heeft een karakter van een beleidsdocument dat richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In de kern bestaat de RES 1.0 uit zes doelstellingen: a. Het bod van de RES West-Overijssel voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 bedraagt 1,826TWh waarbij gestreefd wordt naar een verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon. b. Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden hebben zijn vastgelegd of worden uiterlijk bestuurlijk vastgelegd bij de RES 2.0 zodat een goede verdeling naar HSMS-stations gecreëerd kan worden. c. Op lokaal en subregionaal niveau wordt de ruimtelijke potentie in de regio verder uitgewerkt op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt. d. De maatschappelijke kosten van het netwerk gaan beperkt worden door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten. e.
Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken wordt gestreefd naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak. f. Er wordt ten doel gesteld om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren. Om deze doelen te bereiken zijn in het kader van het RES een zestal afspraken gemaakt: a. de subregionale samenwerking van gemeenten in de regio wordt verstrekt; b. de regionale participatie met maatschappelijke organisaties naar de RES 2.0 wordt gecontinueerd; c. de partijen gaan aan de slag met groen gas, geothermie, lokale waterstof, aquathermie en de duurzaamheidsladder in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Hierbij monitoren de gemeenten de stappen die zij zetten op energiebesparing; d. er wordt een gezamenlijke onderzoeksagenda geformuleerd die op de schaal van de regio inzicht biedt in (cumulatieve) milieu- en gezondheidsaspecten. Op basis van de resultaten wordt een besluit genomen over een MER (er is al een NRD); e. de samenwerking wordt verder vormgeven op basis van het ?opgavegericht werken?; f. er wordt gezamenlijk ingezet voor een lobby op betaalbaarheid en governance op basis van het organisatiemodel opgavegericht werken. De RES 1.0 is in de zomer van 2021 vastgesteld door de elf gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen.
Om de energie met windmolens en zonneparken op te kunnen wekken in 2030 moeten uiterlijk begin 2025 de vergunningen hiervoor zijn afgegeven. Dat betekent dat duidelijk
301
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
moet zijn waar de wind- en zonneparken gerealiseerd kunnen worden en hoe de energie-infrastructuur daarop afgestemd moet worden In de RES 2.0 wordt vooral gewerkt aan de uitvoering van de RES 1.0. Er wordt gekeken naar wat in 2030 gerealiseerd moet zijn en op basis hiervan wordt bepaald wat gereed moet zijn op 1 juli 2023. Dit is het moment dat de RES 2.0 wordt ingediend bij de NPRES. De RES 2.0 dient op hoofdlijnen twee doelen: monitoring van de voortgang van de ambities enerzijds, anderzijds het verder uitwerken van vraagstukken en opgaven.
3.5.4.2 Toetsing aan beleid
Concept
De gemeente Hardenberg heeft al wel zoekgebieden tot 2030 voor wind vastgesteld. Binnen het plangebied zijn in de RES geen zoekgebieden voor wind en zonne-energie aangewezen. Uit de RES ontstaat de noodzaak om bestaande transformatorstations uit te breiden zodat het elektrisch netwerk geschikt kan worden gemaakt voor de op te wekken wind- en zonne-energie in de regio. In de voorliggende plannen wordt rekening gehouden met de uitbreiding van het bestaande transformatiestation van TenneT/Enexis. Op het bedrijventerrein is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. Zij hebben aangegeven dat zij circa 3,4 hectare terrein nodig hebben voor de uitbreiding van het verdeelstation en de bijbehorende kabels. In de toekomst is nog meer ruimte nodig om aanpassingen aan het hoogspanningsnetwerk te kunnen doorvoeren, om leveringszekerheid van stroom te garanderen.
3.6 Gemeentelijk beleid 3.6.1 Omgevingsvisie Landstad Hardenberg 3.6.1.1 Beleidskader Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen Omgevingsvisie, waarin zij haar visie voor de komende twintig jaren heeft uitgewerkt. Deze Omgevingsvisie is samengesteld in samenwerking met vele stakeholders uit diverse sectoren en heet 'Landstad Hardenberg'. In de visie wordt de functie van de hele regio verder uitgebouwd. a. De gemeente en samenleving zijn verbonden. De Hardenbergers hebben de blik naar buiten en zien voortdurend kansen. Door een goede samenwerking tussen inwoners, overheid en bedrijfsleven benutten we de kansen die zich voordoen. De gemeente speelt in op toekomstige veranderingen, veert mee, verbindt en investeert waar nodig. b. De kernen zijn onderling sterk verbonden. Platteland en stad raken steeds meer verweven. De gemeente combineert de kracht van het platteland met een compleet stedelijk voorzieningenniveau. Voor een grensgemeente is dat een unieke prestatie. c. De gemeente zoekt de regionale verbinding. Hardenberg is onderdeel van de regio Zwolle. Daarnaast zijn er sterke verbindingen met Twente en Drenthe. Ambitie De gemeente Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel, dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen.
De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dit vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. 'Of-of-denken' maakt plaats voor 'en-endenken'. De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart. De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio's, omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt hier op in. Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat 'spelen met schalen'. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken, zijn in de Omgevingsvisie vier uitgangspunten benoemd: a. groei vasthouden en doortrekken;
302
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
b. c. d.
toevoegen van kwaliteiten wordt belangrijker; ruimte als troefkaart; bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.
Deze visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling: a. Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied; b. Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen; c. Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid; d. Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.
Concept
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval zijn met name het thema 'Hardenberg knooppunt' en 'Hardenberg Duurzaam' relevant. Hardenberg Knooppunt Om in de toekomst een vitale gemeente te blijven en de inwoners een brede welvaart te kunnen bieden is een concurrerende economie en een goede bereikbaarheid noodzakelijk. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat in de bedrijfssectoren agro-food, innovatieve maakindustrie en toerisme en recreatie de gemeente Hardenberg (boven)regionaal het verschil maakt. Dat wordt onder andere bereikt door ruimte vrij te maken voor nieuwe bedrijven. De gemeente beschikt over ruimte zodat bedrijven met een grote ruimtevraag binnen de gemeente terecht kunnen. Daarbij wordt aangegeven dat het niet alleen maar gaat om hectares; een goed vestigingsklimaat is minstens zo belangrijk. Ook een goede bereikbaarheid is een belangrijke voorwaarde. Het thema 'Hardenberg knooppunt' is in de Omgevingsvisie verder uitgewerkt in vier verschillende paragrafen: a. een vitale economie, nu en in de toekomst; b. onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal; c. naar een nieuwe economie; d. mobiliteit.
Een vitale economie Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot; een scharnier- en zwaartepunt voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De gemeente participeert in de Euroterminal EmmenCoevorden-Hardenberg, een schakel in het vervoer van containers uit Duitsland per spoor naar Rotterdam. De sterk ontwikkelde agribusiness en de industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie. Mede door het grote aantal familiebedrijven heeft de gemeente een vrij stabiele economie. Deze zijn vooral gericht op de langere termijn en sterk geworteld in de regio. De bedrijvendynamiek is naar verhouding beperkt. Zowel het aantal faillissementen als het aantal startende ondernemers is lager dan gemiddeld. Het huidige midden- en kleinbedrijf is belangrijk voor een vitale economie, zowel nu als voor de toekomst. Ook het aantrekken van nieuwe ondernemingen is van belang. Hardenberg is vooral een gemeente van agrarische productieruimte en bedrijventerreinen, minder van kantoorlocaties. Groeiende bedrijven hebben daardoor vaak een grote ruimtebehoefte. De afgelopen jaren zijn er veel hectares aan bedrijventerrein bij gekomen. In de afgelopen twintig jaar gaf de gemeente jaarlijks gemiddeld zes hectare bedrijventerrein uit; in een paar piekjaren was dit veel meer.
Gelet op de economische structuur, de bedrijvendynamiek en de gemeentelijke ambitie zal dit de komende jaren zo blijven. De Nederlandse economie verandert. Trends als de circulaire economie en smart-industry zorgen voor een toenemende ruimtevraag. Externe investeerders overwegen een vestiging in Hardenberg. Hun ruimtevraag is vaak aanzienlijk. Daarom moet ook in de toekomst voldoende uitgeefbaar bedrijventerrein en voldoende zachte plancapaciteit zijn. De gemeente wil daarom tijdig inspelen op de actuele, kwalitatieve vraag vanuit de markt. De gemeente wil een krachtige en concurrerende economie stimuleren. Deze wordt beïnvloed door allerlei factoren zoals aantrekkelijke woonomgevingen, sterke recreatie, investeringen in cultuur, versnelling van energietransitie en investeringen in verkeer en vervoer. De gemeente heeft de ambitie om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen. Zo kan de gemeente uitgroeien tot een van de werkgelegenheidsmo-
303
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
toren binnen Oost-Nederland. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio. De gemeente wil ondernemers aantrekken, vasthouden en ruimte geven om te groeien. Dit vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Een van opgaven zoals opgenomen in de omgevingsvisie luidt als volgt: 'We moeten voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties'.
Concept
De bestaande voorraad moet aan de eisen van de tijd blijven voldoen. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Daarbij wordt ook gekeken naar uitbreiding van bedrijventerrein in Dedemsvaart Onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal Om economische groei een bijdrage te laten leveren aan een brede welvaart wordt in de Omgevingsvisie aangegeven dat de werkgelegenheid moet groeien. Dat vraagt zowel om kwantitatieve groei (omvang van de activiteiten) als kwalitatieve groei (aard van de activiteiten). Naar een nieuwe economie Vanuit economisch oogpunt is klimaatadaptatie en energietransitie zowel een opgave als een kans voor het bedrijfsleven. De gemeente streeft ernaar om samen met de bedrijven invulling te geven aan de opgaven rondom vermindering van de CO2-uitstoot. Een andere belangrijke voorwaarde voor een toekomstbestendige, krachtige en concurrerende economie is om deze zo snel mogelijk circulair te maken. Een van de opgaven is dan ook om op werklocaties ruimte te bieden voor circulaire activiteiten. Mobiliteit Vanwege de ligging van de gemeente aan de grens wordt de rol in het goederenvervoer per spoor van (noord-)Duitsland naar Rotterdam steeds groter. De gemeente participeert in de Euroterminal EmmenCoevorden-Hardenberg. De gemeente heeft een scharnierfunctie voor vervoersstromen in het noordoosten van het land.
De afstand tot het landelijk netwerk van autosnelwegen is groot, maar de gemeente is via N-wegen met de omliggende regio's verbonden. Voor een goed vestigingsklimaat is een vlotte en veilige bereikbaarheid voor alle soorten vervoer een belangrijke voorwaarde. Er zal ruimte gecreëerd moeten worden op de bestaande infrastructuur door in te zetten op verbetering van het openbaar vervoer, de fiets en verbetering van de ketenmobiliteit. Hardenberg Duurzaam Binnen de Omgevingsvisie is duurzaamheid en dan met name energietransitie en klimaatadaptatie een groot thema waar de gemeente Hardenberg het aankomende jaar op inzet. Energietransitie In de omgevingsvisie staan meerdere ambities en opgaven beschreven. Hiermee wil gemeente Hardenberg in 2030 voldoen aan de landelijke opgave om de CO2-uitstoot met 49% terug te brengen. Het Klimaatakkoord gaat voor 2050 uit van een afname van de CO2-uitstoot van 95%. Dit betekent dat Hardenberg in 2050 een duurzame en fossielvrije energievoorziening heeft. Klimaatadaptatie Bij maatregelen om effecten van klimaatverandering tegen te gaan heeft elke partij zijn eigen rol. Dit verschilt per soort maatregel: a. Droogte heeft vooral veel invloed op landbouw en natuur. Het waterschap is hierbij aan zet. Indien de benodigde maatregelen om extra ruimtebeslag vragen, speelt de gemeente een rol bij de afwegingen hierover; b.
Hittestress wordt vooral op lokaal niveau aangepakt. De gemeente betrekt inwoners bij keuzes rondom de inrichting van de buitenruimte. Inwoners worden aangemoedigd zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door het vergroenen van de tuin (operatie Steenbreek); NB: In het geval van Rollepaal Oost zal hierbij gekeken worden naar de betreffende bedrijven op het bedrijventerrein.
304
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
c. d.
Bij het tegengaan van wateroverlast binnen de bebouwde kom onderneemt de gemeente zelf actie, zo nodig samen met het waterschap. In het landelijk gebied neemt het waterschap initiatief; Bij hoge waterstanden in de Vecht nemen overstromingsrisico's toe. De dijken langs de Vecht zijn nu zo hoog en sterk dat het minder dan eens per 200 jaar tot een overstroming zou mogen leiden. Vanuit het Deltaprogramma (hoogwaterbeschermingsprogramma) houdt het waterschap de sterkte en hoogte van de dijken in de gaten. Elke 12 jaar worden de dijken getoetst en als het nodig is verbeterd. Zo 'groeien' de dijken mee met de klimaatontwikkeling.
3.6.1.2 Toetsing aan beleid
Concept
Onderhavige ontwikkeling past bij de ambitie om tijdig in te spelen op de actuele, kwalitatieve vraag van de markt naar meer bedrijventerreinen. In het kader van duurzaamheid is besloten het nieuwe bedrijventerrein niet aan te sluiten op gas. Tevens wordt binnen de planregels ruimte geboden voor duurzame energieopwekking en voor de opslag hiervan. Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee naadloos aansluit op de ambities zoals verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
3.6.2 Economische koers gemeente Hardenberg, Agenda 2023 - 2026 3.6.2.1 Beleidskader In de economische koers wordt onderstreept dat bedrijventerreinen in belangrijke mate bij aan de brede welvaart van Hardenberg. Voor de uitbreidingswensen van de bestaande bedrijven en de nieuwvestiging van bedrijven die waarde toevoegen aan het gemeentelijk economisch ecosysteem moet er voldoende planvoorraad beschikbaar worden gemaakt, met name voor bedrijven in de sterke sectoren. Om voldoende plancapaciteit te houden wordt gestuurd op de programmeringsafspraken met provincie en regio (zie paragraaf 3.5.3). Voor wat betreft werklocaties worden de volgende doelstellingen geformuleerd: a. voldoende, kwalitatief, aanbod van bedrijventerreinen; b. een hogere mate van duurzaamheid en toekomstbestendigdheid in overeenkomst met landelijke en lokale doelstellingen; c. door innovatie en samenwerking met water- en energiebedrijven wordt het gebruik van beide geoptimaliseerd.
3.6.2.2 Toetsing aan beleid Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en programmeringsafspraken West Overijssel ten aanzien van werklocaties voldaan (zie ook paragraaf 3.5.3).
3.6.3 Strategiebrief bedrijventerreinen 2023 3.6.3.1 Beleid Met de Strategiebrief 'Bedrijventerreinen in ontwikkeling' beoogt het college invulling te geven aan een adaptief bedrijventerreinenbeleid . De basis hiervoor is gelegd in Omgevingsvisie Landstad Hardenberg en de Nieuwe economische koers. Aangegeven wordt dat bedrijventerreinen van groot belang zijn voor de Hardenbergse economie. Een aanzienlijk deel (circa 35%) van de gemeentelijke werkgelegenheid is er te vinden. Voldoende toekomstbestendige bedrijfslocaties in de gemeente Hardenberg zijn ook belangrijk voor de economische (streek)functie in Noordoost-Overijssel en de omliggende regio. De ligging van Hardenberg op het knooppunt van de economische centra Zwolle, Drenthe-Groningen en Twente biedt steeds meer kansen voor de regio overstijgende ontwikkeling van kennis en innovatie. Met name in de hoogwaardige maakindustrie. Voor de gemeentelijke bedrijvenstrategie zijn in de strategiebrief een aantal uitgangspunten geformuleerd: a. bedrijventerreinen zijn essentieel voor de brede welvaart van Hardenberg; b. verschillende, veelal onvoorspelbare ontwikkelingen in het ruimtelijk en economisch domein vereisen een effectieve en wendbare aanpak van ontwikkeling en beheer van bedrijventerreinen; c.
de huidige uitgeefbare planvoorraad is onvoldoende om op langere termijn aan de grote vraag naar bedrijfskavels in het bijzonder bij de eigen ondernemers, te kunnen voldoen; d. om de economische doelen ook op middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken moet ook aandacht worden besteed aan de toekomstbestendigheid van de bestaande terreinen.
305
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Aan de hand van deze uitgangspunten zijn vier hoofdopgaven geformuleerd: a. evenwicht brengen in vraag en aanbod (kwantitatief en kwalitatief) van werklocaties op bedrijventerreinen; b. versterken van de toekomstbestendigheid en efficiënt ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen; c. ontwikkelen van een selectief uitgiftebeleid (en transparant verkoopproces; d. stimuleren en faciliteren van de energietransitie op bedrijventerreinen.
3.6.3.2 Toetsing aan beleid
Concept
Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en opgaven voldaan. Voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost zijn met name opgaven 1 en 4 relevant. In de strategienota wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van in totaal 21 hectare netto bedrijventerrein verdeeld over twee fasen. Daarbij wordt gericht op bedrijven in de zwaardere categorie en met grote kavels (meer dan 3 hectare). Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het streven om de grotere bedrijventerreinen binnen de gemeente te concentreren in de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. De definitieve programmering van de 2e fase vindt in het kader van de actualisatie van de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) plaats. Bij ontwikkeling van nieuwe bedrijventerrein worden de kwalitatieve ambities uit de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) Ten aanzien van het stimuleren en faciliteren van de energietransitie wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van een gasloos bedrijventerrein. Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal wordt samen met de aanwezige ondernemers volop gekeken naar de energiehuishouding van de aanwezige bedrijven en naar de mogelijkheden om deze toekomstbestendiger te maken.
3.6.4 Waterplan Hardenberg 3.6.4.1 Beleidskader Het water in Hardenberg staat niet op zichzelf. Het water (zowel aan het oppervlak als in de grond) is onderdeel van grotere watersystemen, beginnend in Duitsland en eindigend in het Zwarte Water. Het is daarom van belang te weten welke knelpunten en kansen op dit stroomgebiedniveau spelen en welke consequenties dit voor het watersysteem in Hardenberg heeft. De belangrijkste uitgangspunten van het beleid bij deze uitvoering zijn het niet afwentelen op benedenstroomse gebieden (bijvoorbeeld dat het overtollige water in buurgemeenten niet tot extra problemen mag leiden) en het principe van water 'vasthouden - bergen - afvoeren'. Bij water gaat het niet alleen om de hoeveelheid water, maar ook om schoon water. Ook hiervoor geldt dat gemeente Hardenberg niet alleen in staat is om het water (weer) schoon te krijgen. Veel van de vervuiling in het water komt vanuit Duitsland en vanuit Drenthe naar Hardenberg toe. Dit vraagt om internationale oplossingen. De gemeente Hardenberg draagt ook bij aan de watervervuiling en zal moeten bijdragen aan het verminderen ervan.
3.6.4.2 Toetsing aan beleid In hoofdstuk 6 'Bescherming van de waterbelangen' wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze omgegaan wordt met de waterbelangen in en rond het plangebied.
3.6.5 Beleidsplan archeologie 3.6.5.1 Beleidskader Met de per 1 september 2007 van kracht geworden Wet op de archeologische monumentenzorg wordt een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten ten aanzien van archeologie verwacht. De gemeente Hardenberg wil de besluitvorming zoveel mogelijk zelf ter hand nemen, om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van mogelijke interventies van het Rijk of de provincie. Het gaat de gemeente Hardenberg om een zeer zorgvuldige omgang met het bodemarchief. Die omvang vindt echter niet meer plaats in een isolement van besluitvorming door alleen archeologen, maar in een arena waarbij ook gekeken wordt naar de realisatie van de planvorming, het voorkomen van mogelijke
306
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
vertraging, de kosten van een opgraving, benuttingsmogelijkheden en andere aspecten. Kortom: besluitvorming over de omgang met het Hardenbergse bodemarchief in maatschappelijke context met een duidelijke bestuurlijke, en dus ook politieke verantwoordelijkheid. Vanaf 30 juni 2009 geldt het 'Beleidsplan Archeologie' van de gemeente Hardenberg samen met de bijbehorende 'Archeologische Beleidskaart'. Hierin is aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst.
Concept
3.6.5.2 Toetsing aan beleid
307
In paragraaf 7.1 wordt nader ingegaan op deze archeologische waarden met betrekking tot het plangebied en de bescherming daarvan. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid.
3.6.6 Welstandsnota 3.6.6.1 Beleidskader In een welstandsnota staan beleidsregels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ook kunnen bepaalde gebieden worden aangewezen die welstandsvrij zijn. Binnen de gemeente is het welstandsbeleid vastgelegd in een tweetal welstandsnota's, te weten voor stads-en dorpskernen binnen de gemeente en voor het buitengebied.
3.6.6.2 Toetsing aan beleid Stads- en dorpskernen Voor de stads- en dorpskernen geldt de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'. Deze nota is vastgesteld op 29 november 2011. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor de stads- en dorpskernen opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
figuur 3.2 - uitsnede ligging welstandniveaus Dedemsvaart welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'
Uit de kaart blijkt dat voor grote delen van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal een welstandniveau 0 (geel = laag) geldt. Het is het beleid gericht op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. De gebieden zijn welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats. Voor het gebied aan weerszijden van Rollepaal geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten. Ter hoogte van de Moerheimstraat is sprake van welstandsniveau 2 (rood = hoog). Het betreft een gebied dat van grote betekenis is voor de totaalbeeld van Dedemsvaart. Het gebied heeft een bijzondere cultuurhistorische betekenis vanwege de route langs de hoofdvaart. Nieuwe ingrepen zullen daarom met extra aandacht en zorg worden beoordeeld. Het beleid is erop gericht om dit beeld te handhaven en te versterken. Voor de genummerde deelgebieden (11, 12 en 13) is destijds een beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld. Buitengebied Voor het buitengebied van Hardenberg geldt de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor het Buitengebied opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.
308
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
figuur 3.3 - uitsnede ligging welstandniveaus Buitengebied Welstandsnota Buitengebied
Ter plaatse van de uitbreiding van het bedrijventerrein vallen de gronden binnen de open Veenontginning. Voor buitengebied geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten. In de Welstandsnota Buitengebied wordt voor het welstandsniveau uitgegaan van agrarisch gebruik van de gronden. Op grond van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen verwacht. Voor het bestaande bedrijventerrein wordt in de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit' in voldoende mate toegezien op welstand langs de Rollepaal en Moerheimstraat. Conclusie De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt in beide welstandsnota's niet voorzien. Voor de gewenste ontwikkeling is een nieuw specifiek welstandskader wenselijk. Voor het gebied is in aanvulling op het stedenbouwkundig plan een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 2 in de motivering opgenomen en wordt in paragraaf 7.4 verder toegelicht. De relevante welstandsregels (uit het beeldkwaliteitsplan) voor het uiterlijk van bouwwerken worden in de planregels van de wijziging van het omgevingsplan verwerkt.
Ze vervangen daarmee voor het plangebied de regels uit de bestaande welstandsnota’s. De welstandsnota wordt voor het gebied Rollepaal Oost ingetrokken.
309
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
3.6.7 Programma Duurzaamheid / Strategiebrief Energietransitie 3.6.7.1 Beleidskader
Concept
Hardenberg is al jaren hard aan de slag met het verduurzamen van de gemeente. Een omvangrijke opgave die voortvarend is en wordt opgepakt. Dit geldt zowel voor de eigen gemeentelijke gebouwen en activiteiten als de inrichting van de leef- en werkomgeving. Elke vier jaar staat in een meerjarenplan (MJP) aan hoe de gemeente deze duurzaamheidsopgave wil aanpakken. In totaal zijn er drie relevante kernopgaven: a. energietransitie:
b.
terugbrengen van het energieverbruik (energie besparen) en het realiseren van een duurzame energievoorziening voor stroom en warmte. Dit vanuit de ambitie om vier jaar lang minimaal 2% per jaar te besparen op het energieverbruik en daarna 1,5% per jaar tot 2030 en 30% van de energiebehoefte van de gemeente Hardenberg in 2030 duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrens; klimaatadaptatie:
c.
omgaan met effecten van hittestress, droogte en wateroverlast in combinatie met waterveiligheid, gericht op het voorkomen en tegengaan van deze effecten. Dat doet de gemeente samen met diverse partners en doelgroepen; circulariteit: faciliteren van een circulaire economie en kringlooplandbouw waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde behouden (hergebruik) en afval niet (of nauwelijks) meer ontstaat. Dit betreft een relatief nieuwe opgave voor de gemeente.
3.6.7.2 Toetsing aan beleid In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' en in het MER (hoofdstuk 10) wordt uitgewerkt op welke wijze op Rollepaal Oost hier invulling aan wordt gegeven.
3.6.8 Groene en Gezonde Maatlat 3.6.8.1 Beleidskader De Groene en Gezonde Maatlat (GGM) is een beleidsinstrument dat is ontwikkeld door de gemeenteraad van Hardenberg om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen richting een groenere, gezondere en klimaatbestendige leefomgeving. De maatlat als beleid is formeel vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2024. Het is geen zelfstandig beleidsdocument, maar vormt een inhoudelijke aanvulling op bestaande kaders zoals de omgevingsvisie "Landstad Hardenberg". De maatlat wordt in de toekomst juridisch verankerd via actualisaties van de omgevingsvisie en mogelijk het omgevingsplan. Voor bedrijventerreinen zoals Rollepaal zijn, in navolging van de Programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) in de maatlat specifieke ambities opgenomen: a. Water- en bodemsysteem als sturend principe: functies moeten zich aanpassen aan het natuurlijke systeem. b. Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen: maatregelen zoals waterberging, vergroening, en hittestressreductie zijn gewenst. c. Gezonde en aantrekkelijke werkomgeving: aandacht voor biodiversiteit, schaduw, en verblijfsplekken. Voor bedrijventerreinen >3 ha geldt dat de maatlat toegepast gaat worden in alle fasen van het planproces, van locatiekeuze tot ontwerp en realisatie.
3.6.8.2 Toetsing aan beleid Hoewel de Groene en Gezonde Maatlat (GGM) nog in ontwikkeling was tijdens de eerste fase van de planvorming voor Rollepaal Oost, sluit de uitbreiding van het bedrijventerrein goed aan bij de beleidsdoelen van dit gemeentelijke kader. Bij het opstellen van het plan is rekening gehouden met het bodem- en watersysteem als leidend uitgangspunt. Daarnaast wordt ingezet op klimaatadaptieve maatregelen, zoals het aanleggen van waterberging en het toevoegen van groen. Ook is er aandacht voor het creëren van een gezonde werkomgeving, waarbij biodiversiteit wordt versterkt en hittestress zoveel mogelijk wordt beperkt, zie paragraaf 7.5.
310
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
3.6.9 Motie gemeenteraad: voorzieningen Rollepaal Op 7 december 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de aankoop van gronden ten behoeve van de uitbreiding van Rollepaal Oost. Daarbij is in een motie aangenomen dat de uitbreiding van Rollepaal wenselijk wordt bevonden, maar dat overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk moet worden voorkomen (zie bijlage 1). Daarbij wordt gedacht aan voorzieningen zoals een 'geluidwal met beplanting', met als doel de bedrijven aan het zicht te onttrekken en zoveel mogelijk geluid- en lichthinder te voorkomen. Het zicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving dient te worden voorkomen door landschappelijke inpassing.
Concept
Het college wordt opgedragen te onderzoeken welke landschappelijk inpasbare voorzieningen getroffen kunnen worden, waardoor de gehele uitbreiding aan het zicht onttrokken kan worden, en de raad over dit onderzoek te informeren. In de voorliggende plannen wordt voorzien in de realisatie van een grondwal met opgaande beplanting (zie paragraaf 2.2.1).
4 Waarborgen van de veiligheid 4.1 Toetsingskader Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema's die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan gemeente Hardenberg moet worden bijgedragen aan de doelen van de Omgevingswet en moet het omgevingsplan dus ook voldoende waarborgen voor de veiligheid bieden. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor het subthema externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden rond dergelijke bronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.
Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich, bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. De aandachtsgebieden zijn onder te verdelen in: a. Brandaandachtsgebieden (BAG)
b.
Het BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. Explosie-aandachtsgebied (EAG)
c.
Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG) In een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
Voorschriftengebieden
311
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Concept
Om te beginnen moet in de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan worden betoogd waarom het beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouw of de beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie binnen het aandachtsgebied moet worden geprojecteerd. Het projecteren van kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen binnen het gebied waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar is niet toegestaan.
312
Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente. Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen In paragraaf 5.1.2.3 van het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan geen kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen mogen worden toegelaten binnen het belemmeringen gebied rond buisleidingen. Daarnaast moet de veiligheid van de buisleiding niet worden geschaad door de activiteiten die met het omgevingsplan worden toegelaten. Overige veiligheidsthema's Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelgebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen: a. bluswater en bereikbaarheid; b. externe veiligheid; c. natuurbranden; d. windturbines; e. overstroming en klimaatadaptatie; f. evenementen; g. het gebruik van gebouwen; h. rookoverlast. Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan.
4.2 Toetsing In het kader van het MER is aandacht besteed aan omgevingsveiligheid. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over het water of het spoor met een externe werking, zie figuur 4.1. Wel is sprake van risicovolle inrichtingen, diverse buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377, zie figuur 4.2.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept 313
figuur 4.1 - route transport gevaarlijke stoffen incl. aandachtgebieden Omgevingsverordening Overijssel
Vervoer gevaarlijke stoffen N377 De N377 maakt deel uit van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Het industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding daarvan met Rollepaal Oost ligt niet binnen de invloedssfeer van dit vervoer van gevaarlijke stoffen over deze provinciale weg. Bovendien zijn er in de provinciale omgevingsverordening hierover geen instructieregels opgenomen die in deze wijziging van het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. Daarom is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377 bij deze wijziging van het omgevingsplan buiten beschouwing gelaten.
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Concept
figuur 4.2 - externe Veiligheid in Atlas Leefomgeving (plangebied geel omkaderd) Atlas Leefomgeving
Risicovolle inrichtingen a. Aan de Rheezerend 54 bevindt zich een risicovolle inrichting, namelijk een tankstation waarbij er sprake is van de verkoop van LPG. Ter plaatse van een LPG-tankstation zijn drie bronnen relevant voor de risicobeoordeling: het vulpunt, de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir. Voor deze bronnen gelden drie verschillende contouren ten aanzien het plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontouren liggen niet over het plangebied heen. Het brandaandachtsgebied van het tankstation is 60 meter, het explosieaandachtsgebied is 150 meter. Het plangebied bevindt zich net buiten het explosieaandachtsgebied. b. De Pluimveeslachterij Plukon b.v. is gelegen aan de Langewijk 135, ten noordwesten van het plangebied op het bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 500 meter van het plangebied. Hier bevindt zich een ammoniak-koelinstallatie van 5.000 liter. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting ligt buiten de begrenzing van het plangebied. Aardgasleidingen Ten zuiden en oosten van het plangebied is een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen gelegen. Een overzicht hiervan is in tabel 4.1 gegeven. De PR-contouren liggen op de leidingen zelf en reiken niet tot het plangebied. Het plangebied bevindt zich op circa 253 meter van de buisleidingenstrook.
De brandaandachtsgebieden zijn berekend door de Gasunie en weergegeven op de kaart Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat het zuidelijk deel van het industrieterrein Rollepaal en deelgebied Rollepaal Oost in de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen is gelegen, zie figuur 4.2. Er is geen sprake van explosie- of gifwolkaandachtsgebieden bij een buisleiding die aardgas transporteert.
314
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
tabel 4.1: overzicht hoge druk aardgasleidingen
Concept
Gevolgen voor de wijziging van het omgevingsplan Bluswater en bereikbaarheid Voor hulpdiensten is het belangrijk om zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn om hulp te kunnen bieden bij incidenten, rampen en crises. Adequate bluswatervoorziening en goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorziening als de incidentlocatie zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer. Op grond van artikel 22.13 van de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bruidsschat, bedraagt de afstand tussen een bluswatervoorziening en brandweeringangen in de panden op Noord IV niet meer dan 40 meter. Het beeldkwaliteitsplan dat aan deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg ten grondslag ligt, borgt de aanleg van verschillende watergangen binnen het deelgebied Rollepaal Oost. Voor alle kavels op Rollepaal Oost geldt dat de bedrijfsbebouwing binnen 40 meter van een watergang kan worden gerealiseerd, zoals weergegeven in figuur 4.3.
figuur 4.3 - veiligheid: bluswater
De gemeente Hardenberg draagt zorg voor de aanleg van de wegenstructuur binnen Rollepaal Oost. Zij zal er daarbij voor zorgen dat wordt voldaan aan artikel 22.14 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan over de bereikbaarheid van de kavels voor hulpdiensten. Externe veiligheid
315
Concept
(van 15-6-2026 17:20)
Het zuidelijke deel van het industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied rond de ten zuiden daarvan gelegen hogedruk aardgasleidingen. Binnen dit brandaandachtsgebied liggen op het industrieterrein Rollepaal verschillende kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. Met de wijziging van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, wordt het bouwen van beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied mogelijk gemaakt.
Concept
Op grond van artikel 5.14 van het Bkl kan de gemeente in dat geval (voor zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding) een brandvoorschriftengebied aanwijzen. Door het aanwijzen van dit brandvoorschriftengebied, moet bij de bouw van nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen op grond van de artikelen 4.91 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving worden voldaan aan specifieke eisen voor de brandwerendheid van gevels, kozijnen en daken. Daarnaast mogen er zich aan de zuidzijde van deze beperkt kwetsbare gebouwen geen vluchtdeuren bevinden. Door het vaststellen van een brandvoorschriftengebied en daarmee borgen dat deze beschermende maatregelen worden genomen bij de bouw van deze (beperkt) kwetsbare gebouwen, wordt invulling gegeven aan artikel 5.15, lid 2, onder b sub 1 van het Bkl. Daarnaast zullen er gelet op het weinig personeelsintensieve gebruik van deze gronden relatief weinig personen tegelijkertijd binnen het brandaandachtsgebied aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom afgezien van het uitvoeren van een onderzoek naar het groepsrisico dat met de wijziging van het omgevingsplan samenhangt. Natuurbranden In de omgeving van industrieterrein Rollepaal zijn geen natuurgebieden die in verband met het brandgevaar daarvan aanleiding kunnen geven tot een risico voor de veiligheid van de gebruikers van het industrieterrein.