Bijlage I Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Hardenberg 2026
Tekst van het document
Bijlage I Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2026 ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld
betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads-
en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of
krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nadere regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling
decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die bij of
krachtens de wet (lees Gemeentewet, Rechtspositiebesluit of Regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn niet opgenomen in deze verordening. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
raadsleden en leden van gemeentelijke commissies (waar onder ook bedoeld de
plaatsvervangende leden, ook wel schaduwfractieleden, in de zgn. oriënterende rondes zoals bedoeld in de Regeling Oriënterende rondes Hardenberg) voor zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de
Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en
harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtspositiebesluiten
voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in
hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en
regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het
Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers
te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als
zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
1
De raad is bevoegd een aantal zaken nog nader bij verordening te bepalen, zoals het
vaststellen van een toelage voor raadsleden, die zitting nemen in een onderzoekscommissie of bijzondere commissie (art. 3.1.3. en 3.1.4. Rechtspositiebesluit) of het vaststellen van hogere vergoedingen voor commissieleden (niet raadsleden) voor het bijwonen van
commissievergaderingen in verband met bijzondere deskundigheid of zwaarte van hun taak
(art. 3.4.2. Rechtspositiebesluit). Er is voor gekozen dit nader te bepalen in de verordening op de inrichting van desbetreffende commissies en niet op te nemen in deze verordening. Het betreft maatwerk en vraagt om een nadere (politieke) afweging. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De
gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads-
en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren
voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap,
dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte
inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente
dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als
fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de
Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er
hoeft dan ook geen VAR-verklaring/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads-
en commissieleden.
Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden De hoogte van de raadsvergoeding is verplichtend bepaald in het Rechtspositiebesluit
decentrale politieke ambtsdragers op een vast bedrag per inwonersklasse. Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun
functie. Deze bepaling heeft rechtstreeks werking en is daarom niet opgenomen in deze verordening.
2
De vergoeding is geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit. De
gemeenteraad kan op grond van het vierde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat
een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 20% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag geen
onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden benut bij spookleden.
Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. In deze verordening is daar niet voor gekozen.
Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de
raadsvergoeding aan het raadslid over te maken op zijn of haar bankrekeningnummer. Het
raadslid mag zelf (een deel) van de raadsvergoeding afdragen aan de politieke partij, maar is in beginsel juridisch niet verplicht mee te werken aan een overdracht van (een deel) van zijn of haar raadsvergoeding. Een akte van cessie waarbij de raadsvergoeding direct aan een
politieke groepering wordt overgemaakt is juridisch niet toegestaan. De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering.
Toelage lid vertrouwenscommissie, onderzoekscommissie en bijzondere commissie van raadsleden
Artikel 3.1.2., 3.1.3. en 3.1.4. van het Rechtspositiebesluit betreffen de toelagen voor de
raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissies, zoals deze in de Gemeentewet
specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd
worden dat het lidmaatschap van deze commissie duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de
eerdergenoemde zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen deze verschillende commissies.
Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie geldt een vast (belast) bedrag van maximaal € 153,33 per maand. Dit artikel heeft
rechtstreekse werking en is daarom niet opgenomen in deze verordening. Voor de hoogte
van de toelage voor het lidmaatschap van een bijzondere commissie geldt een bedrag van
maximaal € 153,33 per maand en moet door de raad bij verordening nader wordt bepaald.
Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten. Leden van een
onderzoekscommissie ontvangen voor de duur van de activiteiten van de commissie ten
hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Ook dit
bedrag moet de raad nader bij verordening vaststellen. De burgemeester stelt de duur van 3
de activiteiten vast. Er is voor gekozen eventuele toelages nader te bepalen in de verordening op de inrichting van desbetreffende commissies en niet op te nemen in deze verordening. Het betreft maatwerk en vraagt om een nadere (politieke) afweging.
Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van
commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak
De hoogte van de vergoeding voor leden van de gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op grond van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet zijn imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie. In
bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de
commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit. Het kan bijvoorbeeld gaan om een
raadscommissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere commissieleden. Door het verordeningsvereiste kan op lokaal niveau een
algemene en politieke afweging worden gemaakt. Er is voor gekozen dat te doen bij het vaststellen van de desbetreffende commissies en niet te regelen in deze verordening. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden In deze bepaling is bij verordening geregeld dat raads- en commissieleden een vergoeding
van de reis- en verblijfkosten kunnen krijgen voor zowel binnen als buiten de gemeente voor de uitoefening van de functie. Daaronder kunnen ook de buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De naar redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de gemeente zijn georganiseerd komen ook voor
vergoeding in aanmerking. De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
verblijfkosten is niet nader ingevuld en is een lokale aangelegenheid per gemeente. Omdat in het Rechtspositiebesluit geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders.
Artikel 3. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Raadsleden zijn vaak een significant deel van de werkweek voor de gemeenteraad bezig en
kunnen daardoor vaak in hun hoofdfunctie minder pensioen opbouwen. Raadsleden hebben bovendien niet allemaal een hoofdfunctie in loondienst. In artikel 3.1.9 van het
Rechtspositiebesluit is daarom de grondslag gecreëerd om bij verordening te bepalen dat de raadsleden een bedrag per jaar ontvangen ter hoogte van één maandbedrag van hun
vergoeding voor de werkzaamheden, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. De gemeente Hardenberg heeft hiervoor een voorziening getroffen middels een collectieve verzekering. De raadsleden ontvangen derhalve geen bedrag om zelf maatregelen te treffen.
4
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads-
en commissieleden
Voor raads- en commissieleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek
georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor
vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd
worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te
houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.
Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente.
Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid kan de raad nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de
tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. Recent is als extra toetsingsgrond opgenomen dat de
prijs/kwaliteitverhouding van de scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit andere hoofde voor vergoeding in aanmerking komen.
Het beoordelen van en/of fiatteren van scholingsaanvragen wordt gemandateerd aan de griffier.
Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een
raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.
Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 van
het Rechtspositiebesluit. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt verstaan
een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de
politieke ambtsdrager omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de
politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit
geeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICT-middel te schonen. Als het middel is 5
geschoond, dan is het aan de gemeente of het dit desbetreffende ICT-middel wil hergebruiken.
Als dat niet zo is, dan kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten.
Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of
namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline
Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).* Verder dient de politieke ambtsdrager voor het
overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het
economisch verkeer. Vooralsnog is deze mogelijkheid niet in de verordening opgenomen. Momenteel geldt dat maximaal eens per raadsperiode een geschikte tablet van gemeentewege wordt verstrekt.
Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke
ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente
draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de
Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële
administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte (percentage fiscale loonsom) onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien deze grens wordt overschreden, dan moet de gemeente 80% eindheffing betalen.
Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen & artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en
commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen
uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads-
en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads-
en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om
bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
6