CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Gewijzigde versie Omgevingsplan gemeente Hardenberg (integrale tekstvervanging) voor Rollepaal Oost

gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente HardenbergBij agendapunt: Besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost50.828 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

2.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en, b. de grond of baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied Rollepaal.

Artikel 4.6 Aanwijzing en algemene regels toegestane PFOA en PFOS 1.

Ter plaatse van de bodembeheergebieden is het - in aanvulling op artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Handelingskader PFAS (december 2021) - toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor PFOA een kwaliteitseis geldt van 30 µg/kg d.s. en voor PFOS 29 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).

2.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de hoogste waarden van de volgende twee kwaliteitseisen: 1. bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en, 2. zoals geformuleerd in de Nota Bodembeheer (Regio IJsselland), die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. b. gebruikmakend van de risicogrenswaarde voor de functie Wonen is de risico-index voor PFAS lager dan 1; c. de grond of baggerspecie is afkomstig uit (een van) de bodembeheergebieden; en, d. de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie als bedoeld in Artikel 4.3, waar de bodem al voor het toepassen aantoonbaar en vergelijkbaar diffuus met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.7 Aanwijzing en algemene regels grootschalige bodemtoepassingen 1.

Het is - in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving - toegestaan om grootschalig grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor som drins een kwaliteitseis geldt van 500 µg/kg d.s., voor PFOA 29 µg/kg d.s. en voor PFOS 30 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).

2.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing: a. voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. gebruikmakend van de INEV is de risico-index voor PFAS lager dan 1; en, c. de grond of baggerspecie is afkomstig uit de gemeente Hardenberg.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden voor het toepassen van baggerspecie In aanvulling op artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het toepassen van grond of baggerspecie de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bewijs waaruit blijkt dat PFAS voldoet aan de eisen ten aanzien van de risico-index volgens Artikel 4.6 lid 2 sub b en Artikel 4.7 lid 2 sub b.

Afdeling 4.6 Externe veiligheidsgebieden

20

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Paragraaf 4.6.1 Algemene bepalingen SubParagraaf 4.6.1.1 Algemene bepalingen Artikel 4.9 Begrenzing brandvoorschriftengebieden Het brandvoorschriftengebied is een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 4.7 Gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Paragraaf 4.7.1 Algemene bepalingen

Concept

Artikel 4.11 Oogmerk gebieden met archeologische (verwachtings)waarde De regels over gebieden met archeologische (verwachtings)waarde zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten; b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden.

Paragraaf 4.7.2 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.7.2.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 4.12 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten 1.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld: a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas en oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oost zoals aangegeven op de kaart; en b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplas en diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oost zoals aangegeven op de kaart.

2.

Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

Artikel 4.13 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften Indien uit het in Artikel 4.12 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 4.7.3 Overige activiteiten SubParagraaf 4.7.3.1 Vergunningplichtige overige activiteiten Artikel 4.14 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden 1.

21

Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas of oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oost en de diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplas of diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oost zoals aangegeven op de kaart: a. het ophogen van de bodem;

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

b. c. d. e.

f.

Concept

g. h. i.

het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verlagen of het verhogen van het waterpeil; het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt; het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft; het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van bos of boomgaard; en het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.

2.

Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen; a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd; b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

3.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.

4.

De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.

Afdeling 4.8 Geluidsgebieden door (spoor)wegen en industrieterreinen [Gereserveerd]

Afdeling 4.9 Hoofdroute (spoor)wegverkeer Paragraaf 4.9.1 Algemene bepalingen SubParagraaf 4.9.1.1 Algemene bepalingen Artikel 4.15 Oogmerk functie hoofdroute (spoor)wegverkeer De regels over de hoofdroute (spoor)wegverkeer in deze afdeling zijn gesteld met het oog op a. een goede bereikbaarheid in zijn algemeenheid en van voorzieningen in het bijzonder; en, b. een veilig en een comfortabel ingerichte openbare ruimte.

Paragraaf 4.9.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 4.9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 4.16 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten a. het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg; b. zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en, c. het gebruiken van het openbaar gebied.

SubParagraaf 4.9.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 4.17 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden:

22

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

a.

de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen.

Paragraaf 4.9.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.9.3.1 Toegestane bouwactiviteiten [Gereserveerd]

Afdeling 4.10 Hoofdwaterstructuur Paragraaf 4.10.1 Algemene bepalingen

Concept

SubParagraaf 4.10.1.1 Algemene bepalingen Artikel 4.18 Oogmerk functie hoofdwaterstructuur 1.

De regels over de hoofdwaterstructuur in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goede waterkwaliteit; b. waterberging; c. een klimaatbestendige waterstructuur; d. waterveiligheid; e. waterbeleving en recreatieve waarde; en, f. de cultuurhistorie.

2.

Binnen de hoofdwaterstructuur wordt onderscheid gemaakt in: a. de functie water.

Paragraaf 4.10.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 4.10.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 4.19 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten 1.

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen de functie water: a. het ontwikkelen en beheren van de waterstructuur; b. varen, vervoeren en aanmeren; c. het gebruiken van het openbaar gebied; en d. recreatief extensief verblijven.

Paragraaf 4.10.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.10.3.1 Toegestane bouwactiviteiten Artikel 4.20 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.19, mits deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1.

Afdeling 4.11 Laagvliegroutes Paragraaf 4.11.1 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.11.1.1 Verboden bouwactiviteiten Artikel 4.21 Hoogtebeperking laagvliegroutes Het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter vanaf het maaiveld binnen laagvliegroutes is niet toegestaan.

Afdeling 4.12 Landgoed [Gereserveerd]

Afdeling 4.13 Leidingnetwerk

23

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Paragraaf 4.13.1 Algemene bepalingen SubParagraaf 4.13.1.1 Algemene bepalingen Artikel 4.22 Oogmerk functie leidingnetwerk

Concept

De regels over het leidingnetwerk in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het leidingnetwerk tegen nadelige gevolgen van activiteiten; b. het behouden en creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het leidingsnetwerk voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder; c. het creëren van ruimte voor de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; en, d. het benutten van duurzaam gas en waterstof.

Paragraaf 4.13.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 4.13.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 4.23 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten Ter plaatse van de locatie ondergrondse hoogspanningsverbinding uitsluitend het ontwikkelen, in werking hebben en beheren van ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een maximale spanning van 110 kV en bijbehorende voorzieningen toegestaan.

SubParagraaf 4.13.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 4.24 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten in beperkingengebied leidingnetwerk Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten te verrichten als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving ter plaatse van hetbeperkingengebied van het leidingnetwerk.

Artikel 4.25 Beoordelingsregels vergunningplichtige gebruiksactiviteiten De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het leidingnetwerk, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding/verbinding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; en, b. de gebruiksactiviteiten geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.

SubParagraaf 4.13.2.3 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 4.26 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden: a. kleinschalig kamperen binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk.

Paragraaf 4.13.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.13.3.1 Toegestane bouwactiviteiten Artikel 4.27 Algemene regels toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden, mits: a. het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken ten dienste van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in Artikel 4.23, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

SubParagraaf 4.13.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

24

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept

Artikel 4.28 Aanwijzing en vaste beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten ten dienste van het leidingnetwerk 1.

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.23, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.23.

2.

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m2 per gebouw; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 6 meter; c. de bouwhoogte van hoogspanningsmasten mag niet meer dan 45 meter bedragen; en, d. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 4.29 Aanwijzing en vaste beoordelingsregels bouwactiviteiten binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk 1.

Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.27.

2.

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, en wordt voldaan aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.

Artikel 4.30 Extra beoordelingsregels In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 4.29 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken voldoen aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; b. het bouwen heeft geen onevenredig negatieve gevolgen voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; c. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.

Paragraaf 4.13.4 Overige activiteiten SubParagraaf 4.13.4.1 Toegestane overige activiteiten Artikel 4.31 Aanwijzing toegestane werken en werkzaamheden De volgende werken en werkzaamheden zijn toegestaan: a. het aanleggen en wijzigen van het leidingnetwerk (met inbegrip van bijbehorende voorzieningen).

SubParagraaf 4.13.4.2 Vergunningplichtige overige activiteiten Artikel 4.32 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden 1.

25

Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken: a. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; b. het indrijven van voorwerpen in de bodem; c. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage; d. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen; e. het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

f. g. h. i.

Concept

2.

het aanbrengen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; en, het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten die zijn toegestaan in Artikel 4.31.

De vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van deze regels; c. activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van de distributieleiding worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in Artikel 4.22; en d. activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.

Artikel 4.33 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. de werken en werkzaamheden geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; b. de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.22.

Afdeling 4.14 Monumenten en karakteristieke bebouwing [Gereserveerd]

Afdeling 4.15 Volkstuinen [Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Algemene regels voor activiteiten Afdeling 5.1 Bouwwerk bouwen Paragraaf 5.1.1 Bouwactiviteiten SubParagraaf 5.1.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het bouwen van bouwwerken.

Artikel 5.2 Bestaande maatvoering toegestaan 1.

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze afdeling danwel Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.

2.

In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden behouden en in stand gehouden.

Artikel 5.3 Anti-dubbeltelregel 1.

26

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

2.

Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

SubParagraaf 5.1.1.2 Toegestane activiteiten

Concept

Artikel 5.4 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten 1.

In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van: a. nutsvoorzieningen; b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en extensieve openluchtrecreatie; c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en, d. waterhuishoudkundige voorzieningen.

2.

In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.

3.

Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.

SubParagraaf 5.1.1.3 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten 1.

In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken op en in gronden: a. binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegverkeer’ als bedoeld in Afdeling 4.9, loodrecht gemeten uit de as van de (spoor)weg in verband met de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid, uitgezonderd andere bouwwerken; en, b. binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in Afdeling 4.10 loodrecht gemeten op de functiegrens van die gronden in verband met de waterstaatkundige aanvaardbaarheid.

2.

In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aanlegsteiger te plaatsen.

Artikel 5.6 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen 1.

De omgevingsvergunning wordt verleend indien de bouwactiviteit: a. in overeenstemming is met de toegedeelde functie en daarbij al dan niet met omgevingsvergunning toegestane gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk Hoofdstuk 4; b. voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; c. voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf.

Artikel 5.7 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen 1.

27

De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

2.

Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

3.

Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.

Concept

Artikel 5.8 Beoordelingsregels plaatsen aanlegsteiger De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanlegsteiger: a. de steiger behoort bij de toegedeelde functie als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 en wordt geplaatst volgens de vaste beoordelingsregels voor bouwwerken die binnen die functie op die locatie van toepassing zijn; b. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud en de ontwikkeling van de waterveiligheid van de regionale waterkeringen zoals opgenomen in de omgevingsverordening van provincie of waterschap; c. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; en d. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals bepaald in de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.9 Beoordelingsregels bedrijfs- of dienstwoning [Gereserveerd]

Artikel 5.10 Beoordelingsregels woningsplitsing voormalige boerderij De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die verband houden met het toestaan van extra woningen per bouwperceel: a. er is één woning extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; b. er zijn twee woningen extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; c. de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven; e. de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden of functie van aangrenzende gronden; h.

op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden; i. de inpassing op het gebouwerf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 5.11 Specifieke beoordelingsregels over de beeldkwaliteit 1.

28

Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen verleend als het bouwplan past binnen de gestelde voorwaarden in het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in deze regel.

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept

Beeldkwaliteitsplan 4.1

29

Beeldkwaliteitsplan 4.1.1

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept

Beeldkwaliteitsplan 4.1.2

30

2.

De volgende beoordelingsregels zijn op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost van toepassing op de omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een gebouw: a. de gevels van gebouwen die op ontsluitingswegen zijn gericht, worden als representatieve gevel vormgegeven; b. gebouwen worden in onderlinge samenhang uitgevoerd; c. de gevels van gebouwen worden uitgevoerd in baksteen, hout, staal, beton, glas of aluminium; d. de kleurstelling van gebouwen bestaat uit grijs- of aardetinten; e. de kleur van kozijnen, ramen en deuren is terughoudend en past bij de materialen en kleuren van de gevel.

Artikel 5.12 Extra beoordelingsregels voor bouwactiviteiten 1.

Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt; e. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en f. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor: 1. ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten; 2.

eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept 31

2.

De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: a. er ontstaat geen strijd met de regels in afdeling Artikel 22.3 van de bruidsschat; en b. er ontstaat geen onevenredige aantasting van: 1. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken; 2. de verkeersveiligheid; 3. de parkeervoorzieningen; 4. het bebouwingsbeeld; 5. het landschap.

3.

Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het gebouwerf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.

4.

In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen; b. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst; c. de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen; d. de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden; e. de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten; f. de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij: 1. blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen; 2. de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd; 3.

bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie; 4. restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en g. bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).

5.

In aanvulling op Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators; b. een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en c. het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.

6.

In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties; b. de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf; c. de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen; d. indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn; e. de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel; f. er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht; g. de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht;

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

h. i.

Concept

7.

de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.

In aanvulling op Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. diploma radiozendamateur; b. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en c. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt.

SubParagraaf 5.1.1.4 Verboden activiteiten Artikel 5.13 Verboden bouwactiviteiten Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken: a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4; b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in SubParagraaf 5.1.1.2 t/m SubParagraaf 5.1.1.3; c. bedoeld als overdekte stalling voor pleziervaartuigen.

Afdeling 5.2 Gronden of bouwwerk gebruiken Paragraaf 5.2.1 Gebruiksactiviteiten: algemeen SubParagraaf 5.2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.14 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden of bouwwerken.

SubParagraaf 5.2.1.2 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 5.15 Mantelzorg / extra huishouden 1.

Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.

2.

Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van Artikel 22.36 en Artikel 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning.

Artikel 5.16 Evenementen 1.

Het omgevingsplan verzet zich niet tegen het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen en andere meerdaagse of regelmatig terugkerende activiteiten met een maximum van drie evenementen per jaar met een duur van ten hoogste 15 dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verleend.

SubParagraaf 5.2.1.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 5.17 Kleinschalige duurzame energiewinning

32

1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonneenergie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.

2.

De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is.

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

Concept

Artikel 5.18 (Pre)mantelzorg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van Artikel 22.36 en Artikel 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning; b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.

2.

De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.

3.

De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).

SubParagraaf 5.2.1.4 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 5.19 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten 1.

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.

2.

Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie ‘mer-activiteiten toegestaan’ is opgenomen.

3.

Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.

4.

Het gebruik als seksinrichting is verboden.

5.

Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.

6.

Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden.

Artikel 5.20 Bebouwingscontour jacht De begrenzing van de bebouwingscontour jacht voor de toepassing van de artikelen 11.71, vierde lid, en 11.76, derde lid, aanhef en onder a het Besluit activiteiten leefomgeving geldt zoals aangegeven op de kaart.

Paragraaf 5.2.2 Voertuig parkeren Artikel 5.21 Parkeergelegenheid

33

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.

2.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

a.

Concept

b.

een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en een parkeerbalans en toelichting hierop.

3.

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b: 1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en 2.

als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.

4.

Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.

Artikel 5.22 Laden en lossen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.

2.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.

3.

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a: 1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en 2. als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.

4.

Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.

Afdeling 5.3 Milieubelastende activiteiten verrichten Paragraaf 5.3.1 Milieubelastende activiteiten verrichten - algemeen SubParagraaf 5.3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.23 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van milieubelastende activiteiten

Artikel 5.24 Milieubelastende activiteiten - onderlinge samenhang Bij de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving door milieubelastende activiteiten, wordt de totale invloed beoordeeld van alle activiteiten die op dezelfde locatie worden uitgevoerd én: a. rechtstreeks met elkaar samenhangen; óf b. elkaar functioneel ondersteunen.

34

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

SubParagraaf 5.3.1.2 Toegestane milieubelastende activiteiten

Concept

Artikel 5.25 Algemene regels buitenopslag met brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen 1.

Deze regel is van toepassing op de buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen met een grondoppervlak van afvalstoffen van meer dan 100 m2 en minder dan 625 m2.

2.

Voor de afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen gelden de volgende regels: a. de afstand van een buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen van minder dan 625 m2 tot naastgelegen percelen of objecten (waaronder gebouwen, en andere opslagen) is zo groot dat de stralingswarmte ter hoogte van deze naastgelegen percelen of objecten ten hoogste 15 kW/m2 bedraagt; b. de afstand tot een primaire bluswatervoorziening is ten hoogste 100 meter; c. de activiteit is tot op 10 meter te bereiken door een brandweerwagen. Daarvoor gelden de volgende eisen: 1. rijstrookbreedte van 3,25 meter verhard en 3,50 meter vrije doorgang 2. vrije doorgangshoogte van 4,20 meter 3. geschikt voor voertuigen met een draaicirkel met een binnenstraal van 5,5 meter en een buitenstraal van 10 meter; en 4. geschikt voor een totale belasting van 16 ton en een as-last van 11,5 ton.

3.

Het college kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat gegevens en bescheiden worden verstrekt, die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over het bedrijfsmatig opslaan van stoffen.

Artikel 5.26 Algemene regels lozingsroute bedrijfsafvalwater 1.

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt bedrijfsafvalwater dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater: a. zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, zo veel mogelijk hergebruikt; b. zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in de bodem gebracht; of c. als hergebruik of in de bodem brengen redelijkerwijs niet mogelijk is: geloosd op het vuilwaterriool.

2.

Met het oog op de bescherming van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk wordt bedrijfsafvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, in stedelijk gebied alleen geloosd op dat vuilwaterriool: a. tussen 06.00 en 22.00 uur: met een maximaal debiet van 10 m3 per uur; en b. tussen 22.00 en 06.00 uur: met een maximaal debiet van 55 m3 per uur.

3.

Met het oog op het beschermen van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het tweede lid, bepalen dat minder of geen bedrijfsafvalwater in het vuilwaterriool wordt geloosd.

Afdeling 5.4 Werk of werkzaamheid verrichten Paragraaf 5.4.1 Werken en werkzaamheden SubParagraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.27 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werken en werkzaamheden.

SubParagraaf 5.4.1.2 Toegestane werken en werkzaamheden Artikel 5.28 Aanwijzing toegestane werken en werkzaamheden Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze niet in strijd zijn met de toegedeelde functie: a. nutsvoorzieningen; b. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen);

35

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

c. d. e.

verblijfsvoorzieningen; groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

SubParagraaf 5.4.1.3 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Concept

Artikel 5.29 Dempen waterlopen 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning waterlopen te dempen.

2.

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de demping geen negatieve invloed heeft op het watersysteem; b. de demping niet leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; c. het (deels) dempen noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen; en d. de te dempen waterloop voor aanvang van demping grondig wordt geschoond van aanwezige beplanting en bagger.

Afdeling 5.5 Overige activiteit verrichten Paragraaf 5.5.1 Overige activiteiten: algemeen SubParagraaf 5.5.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.30 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van andere activiteiten als opgenomen in de afdelingen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4.

Artikel 5.31 Bebouwingscontour houtkap Rollepaal Oost De bebouwingscontour houtkap voor de toepassing van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt zoals aangegeven op de kaart

Hoofdstuk 6 Procesregels Afdeling 6.1 Algemene bepalingen Artikel 6.1 Rangorde 1.

Indien op basis van Hoofdstuk 4 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in Artikel 1.3.

2.

Indien in Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.

3.

Indien in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.

4.

De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan, met uitzondering van de artikelen 1.1 en 1.2 waarbij het tijdelijke omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing blijft.

Artikel 6.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend; b. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde; c. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding;

36

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

d.

e.

een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven; en gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan.

Concept

Artikel 6.3 Advies 1.

Het bevoegd gezag vraagt schriftelijk advies aan: a. de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten; en, b. de gemeentelijke adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg in het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor monumentenactiviteiten; c. de beheerder van de molen omtrent het aanvaardbaar kunnen functioneren van de molen in relatie tot de veranderende windtoetreding als bedoeld in afdeling 4.2; d. het Nederlands Instituut voor Radioastronomie (Astron) omtrent de elektrische storing die kan optreden als gevolg van kleine windmolens, windturbines en zonneparken binnen de daarvoor aangewezen beschermingszone voor de radiotelescopen van Astron als bedoeld in afdeling 4.4; e. de Veiligheidsregio over de aanvaardbaarheid van de veiligheidsrisico’s van een vraag om een omgevingsvergunning om een (beperkt) kwetsbare object toe te staan binnen een brand- of explosieaandachtsgebied als bedoeld in afdeling 4.6; f. de beheerder van die (spoor)weg omtrent de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten voor het bouwen binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegeverkeer’ als bedoeld in afdeling 4.9; g.

de beheerder van die watergang omtrent de waterstaatkundige aanvaardbaarheid van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten voor het bouwen binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in afdeling 4.10; h. het ter plaatse bevoegde waterstaatsgezag omtrent de toelaatbaarheid van een activiteit in verband met de invloed op het waterbergend vermogen van een waterbergingsgebied, op de waterveiligheid en op de waterkwaliteit en de aantasting van het bergingsvermogen van extreem hoog oppervlaktewater als bedoeld in afdeling 4.10; i. de beheerder van de distributieleiding omtrent het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de distributieverbinding ingeval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten binnen (het beperkingengebied van) het leidingnetwerk als bedoeld in afdeling 4.13; j. Gedeputeerde Staten over het voldoen aan de voorwaarden die in bijlage XI van de provinciale verordening zijn gesteld aan het verrichten van milieubelastende activiteiten binnen een ‘grondwaterbeschermingszone’.

2.

De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits: a. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en b. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.

3.

Totdat de beleidsregels als bedoeld in lid 2 zijn vastgesteld, baseert de stadsbouwmeester zijn/haar welstandsadvies op de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning 1.

37

Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

b.

2.

het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.

Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.

Concept

Artikel 6.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en d. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 1.3.

Artikel 6.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften 1.

Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken tenzij anders is bepaald.

3.

Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.

4.

Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

5.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.

6.

Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.

Artikel 6.7 Gelijkwaardigheid 1.

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel Artikel 6.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.

2.

Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd.

Artikel 6.8 Normadressaat 1.

Aan Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.

2.

Aan Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 die gaan over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.

3.

Aan Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.9 Administratieve bepaling Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NENnormen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit omgevingsplan - of in

38

Concept

(van 15-6-2026 17:20)

de bij dit omgevingsplan behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift is herzien of vervangen en die herziening of vervanging is gepubliceerd.

Concept

Artikel 6.10 Participatie bij omgevingsplanactiviteiten 1.

Indien participatie van en overleg met derden verplicht is, verstrekt de aanvrager bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op basis van artikel 16.55 lid 4 van de Omgevingswet de volgende gegevens en bescheiden: a. een overzicht van het gevolgde participatieproces; b. een weergave van de inbreng van degenen die hebben deelgenomen aan de participatie; c. een reactie van de aanvrager op de inbreng als bedoeld onder b, waarbij wordt aangegeven welke inbreng op welke wijze is verwerkt in de aangevraagde omgevingsplanactiviteit; en d. een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt.

2.

Het bevoegd gezag kan over de aanvraag om een omgevingsvergunning een participatieproces organiseren met burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen, indien de verstrekte gegevens daar aanleiding toe geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17100054/1