Bijlage 9 bij toelichting - M.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Nevengeul
Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 avecodebondt.nl
project projectleider auteur onderwerp gecontroleerd
WVS Vechtrijk Gramsbergen Martijn Huisjes Juul Osinga, Michiel van der Meer Aanmeldnotitie vormvrije MER-beoordeling Martijn Huisjes
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P1
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Leeswijzer
3
2
Kenmerken project
4
2.1
Projectbeschrijving
4
2.2
Kenmerken omgeving
4
2.3
Huidige situatie
5
2.4
Beoogde situatie
6
3
Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling
7
3.1
Wet- en regelgeving
7
3.2
Toetsing aan de m.e.r.- verplichtingen
8
3.3
Procedure en betrokken partijen
10
4
De (vormvrije) m.e.r-beoordeling
11
4.1
De plaats en kenmerken van het project
11
4.2
Kenmerken van het potentiële effect
14
4.2.1 Archeologie en cultuurhistorie
15
4.2.2 Bodem
17
4.2.3 Niet-gesprongen explosieven
18
4.2.4 Flora en Fauna (incl. stikstofdepositie)
18
4.2.5 Water
21
4.2.6 Overige effecten
22
5
23
Beoordeling van de effecten en conclusies
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P2
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De Vecht bij Gramsbergen, tussen de Haandrik en Baalder, is nog vrijwel onveranderd sinds die in de vorige eeuw werd genormaliseerd. Alleen bij de Loozensche Linie is de rivier heringericht. De uiterwaarden zijn in gebruik als intensieve landbouwgrond (grasland met hier en daar een maisperceel). De oevers zijn nog grotendeels vastgelegd met steen en puin en er is over de gehele lengte een zandwerende kade aangebracht. Hierdoor wordt rivierdynamiek voorkomen en krijgen natuurlijke processen geen kans. Er zijn geen aanlegplaatsen voor boten. De bebouwing in Gramsbergen staat met de rug naar de rivier, het zicht vanuit het dorp wordt grotendeels weggenomen door schuurtjes en schuttingen. Samen met stakeholders, inwoners en gemeente is er een visie opgesteld over de toekomst van het gebied. Dit document is door veel buurtbijeenkomsten en overleggen tot stand gekomen en geeft weer wat de mensen in het gebied belangrijk vinden. Hierbij gaat het om het maken van recreatie punten langs de rivier en het aanleggen van wandel routes. Dit wordt allemaal waargemaakt met de visie ‘snoer en parels’. De vecht is het snoer en de ontwikkelingen zijn de parels aan het snoer. Gramsbergen wil een connectie ontwikkelen tussen de vecht en de stad.
Een van de parels is het realiseren van een meestromende nevengeul ten noorden van Gramsbergen, tussen de Vecht en de dijk waarop het spoor ligt. Daartoe is een bestemmingsplanwijziging nodig en zal ontgronding plaatsvinden. In het kader van deze procedures dient een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Onderhavig document voorziet daarin. Voor de naastgelegen ontwikkeling van het stadsfront wordt een separate procedure doorlopen en m.e.r.-beoordeling opgesteld. 1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de kenmerken van het project beschreven. In hoofdstuk 3 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 4 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 5 worden de conclusies van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P3
2
Kenmerken project
2.1 Projectbeschrijving Samen met stakeholders, inwoners en gemeente is er een visie opgesteld over de toekomst van de Vecht bij Gramsbergen. Deze visie voorziet in een zogenaamd ‘snoer en parels’. De vecht is het snoer en de ontwikkelingen zijn de parels aan het snoer. Een van de parels betreft de herinrichting van projectgebied Noord, welke voorziet in de realisatie van een meestromende nevengeul na stuw De Haandrik. 2.2 Kenmerken omgeving Het plangebied en de directe omgeving van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.
Figuur 1: Omgeving plangebied
De omgeving laat zich als volgt kenmerken: • Ten zuiden ligt de stad Gramsbergen; • Ten westen, noorden en oosten ligt vooral agrarisch gebied met enkele gehuchten/buurtschappen; • Ten noordwesten loopt een afwateringskanaal door het gebied met daarlangs de provinciale weg N34;
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P4
2.3 Huidige situatie In de onderstaande figuur is een recente luchtfoto van het plangebied weergegeven.
Figuur 2: Luchtfoto plangebied
Het Vechtdal rond Gramsbergen is een open landschap. Van dijk tot dijk is het een smal dal (in het plangebied op zijn smalst 110 meter, op zijn breedst 325 meter). Het plangebied heeft een lengte van circa 2 kilometer. Het dal is voor een groot deel in agrarisch gebruik. Onderstaand is een recente foto van het plangebied weergegeven.
Figuur 3: Huidige situatie
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P5
2.4 Beoogde situatie Het voorlopig ontwerp van de nevengeul is weergegeven in de onderstaande figuur.
Figuur 4: Definitief ontwerp (juni 2022)
De nevengeul ligt ruim tussen de Vecht en de dijk waarop het spoor ligt. Het is een geul die zal worden voorzien van een kunstwerk ten behoeve van een goede waterverdeling. De nevengeul wordt een watergang met een bochtige vormgeving met steile oevers in de buitenbochten en zeer flauwe oevers in de binnenbochten. De nevengeul vangt het hoogteverschil van twee meter op, gelijk aan het verval bij de stuw. Er ontstaat variatie in de nevengeul door de verplaatsing van zand. De stroomsnelheid wordt bepaald door het verval bij de stuw en de uiteindelijke lengte van de nevengeul. Door de diverse bochten ontstaat er morfologische activiteit en variatie in snelheid. Het gebied om de nevengeul wordt ingericht als natuur/extensieve landbouw en biedt kansen voor onder meer stroomdalgrasland en het ontwikkelen van begroeide natuurvriendelijke oevers. De ontgronding heeft betrekking op het ontgraven van de nevengeul, zoals aangeduid in figuur 4 met een gele stippellijn. De nevengeul heeft een bodembreedte van ca. 10,50m en een diepte van ca. 1,10m met taluds van 1:3. Bij het ontgraven van de nevengeul komt circa 63.050m3 grond vrij.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P6
3
Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling
3.1 Wet- en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Figuur 5 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van: • • •
een directe m.e.r.-plicht of; een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of; een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.
Figuur 5: Schema m.e.r.-toets
Onderstaand zijn deze drie vormen nader toegelicht: •
•
•
m.e.r-plicht: voor activiteiten die zijn opgenomen op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde daarvan overschrijden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. m.e.r.-beoordelingsplicht of plan-m.e.r.: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde overschrijden geldt de (formele) m.e.r. beoordelingsplicht. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de plan-m.e.r. vormvrije m.e.r.-beoordeling: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. maar niet de drempelwaarde overschrijden geldt de (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht. De procedure en
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P7
inhoud van de ‘vormvrije’ versie is nagenoeg gelijk aan de (formele) m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’. 3.2
Toetsing aan de m.e.r.- verplichtingen
Is er sprake van een plan of een besluit? Onderhavig project voorziet in een besluit, namelijk een bestemmingsplan of een besluit bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Om te beoordelen of dit m.e.r.(beoordeling)plichtig is volgt eerst een korte omschrijving van het project. Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis daarvan is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Op basis van het onderzoek naar flora en fauna (soortenbescherming en gebiedsbescherming) blijkt dat het opstellen van een Passende Beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming niet benodigd is (zie hoofdstuk 4.2) Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht. Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Overijssel heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt derhalve niet tot m.e.r.-plicht.
Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader. Relevante activiteiten zijn opgenomen in een tabel op de volgende pagina.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P8
Toetsing aan D-lijst De beoogde ontwikkeling komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie tabel 3.1). Onderstreept zijn de relevante passages. tabel 3.1: D-lijst, bijlage, besluit Milieueffectrapportage
D9
D16.1
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
Een
In gevallen waarin de
De structuurvisie, bedoeld
De vaststelling van het
landinrichtingsproject
activiteit betrekking heeft
in de artikelen 2.1, 2.2 en
inrichtingsplan, bedoeld in
dan wel een wijziging of
op:
2.3 van de Wet ruimtelijke
artikel 17 van de Wet
uitbreiding daarvan.
1°. een functiewijziging
ordening, en de plannen,
inrichting landelijk gebied
met een oppervlakte van
bedoeld in de artikelen 3.1,
dan wel een plan bedoeld in
125 hectare of meer van
eerste lid, 3.6, eerste lid,
artikel 18 van de
water, natuur, recreatie
onderdelen a en b, van die
Reconstructiewet
of landbouw of
wet, de vaststelling van het
concentratiegebieden dan
2°. vestiging van een
inrichtingsplan, bedoeld in
wel bij het ontbreken
glastuinbouwgebied of
artikel 17 van de Wet
daarvan het plan bedoeld in
bloembollenteeltgebied
inrichting landelijk gebied,
artikel 3.6, eerste lid,
van 50 hectare of meer.
het plan, bedoeld in artikel
onderdelen a en b, van de
11 van de Reconstructiewet
Wet ruimtelijke ordening
concentratiegebieden en
dan wel bij het ontbreken
het plan bedoeld in artikel
daarvan van het plan,
18 van de Reconstructiewet
bedoeld in artikel 3.1,
concentratiegebieden.
eerste lid, van die wet.
De ontginning dan wel
In gevallen waarin de
De structuurvisie, bedoeld
Het besluit, bedoeld in
wijziging of uitbreiding
activiteit betrekking heeft
in de artikelen 2.1, 2.2 en
artikel 3 van de
van de ontginning van
op een
2.3 van de Wet ruimtelijke
Ontgrondingenwet
steengroeven of
terreinoppervlakte van
ordening, en het plan,
dagbouwmijnen, met het
12,5 hectare of meer
bedoeld in artikel 3.1,
inbegrip van de winning
eerste lid, van die wet
van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D 16.2
De oppervlakte van het plangebied, zoals weergegeven in figuur 1, bedraagt circa 32 hectare en is daarmee veel kleiner dan de oppervlakte van 125 hectare die de drempelwaarde vormt in kolom 2 van categorie D9. Het oppervlak van de nevengeul zelf, waarop de activiteit (ontgronden) betrekking heeft, bedraagt circa 6,5 hectare. De activiteit heeft dan ook betrekking op een terreinoppervlakte kleiner dan 12,5 hectare. De drempelwaarden in kolom 2 wordt dus niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P9
Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit komt voor in kolom 4. Er dient immers een besluit te worden genomen zoals bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet (Ontgrondingsvergunning) en een besluit zoals bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening (Bestemmingsplan). Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r. beoordeling wordt aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. 3.3
Procedure en betrokken partijen
Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. Waterschap Vechtstromen is initiatiefnemer van het plan voor de realisatie van de nevengeul. De Provincie Overijssel treedt op als bevoegd gezag. De provincie moet immers het besluit nemen zoals bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Voor een bestemmingsplanprocedure is de Gemeente Hardenberg het bevoegd gezag. Procedure indien initiatiefnemer niet bevoegd gezag is De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.-beoordeling plichtige activiteit te realiseren. Dit doet de initiatiefnemer in deze aanmeldingsnotitie waarin zij de benodigde informatie opneemt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Het (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: de vergunning Ontgrondingenwet. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van de te verlenen vergunning.
Procedure indien initiatiefnemer ook bevoegd gezag is Als het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is, dan neemt deze de beslissing of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld in een zo vroeg mogelijk stadium (vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit). Bevoegd gezag hoeft hiervoor géén aanmeldnotitie op te stellen, maar kan hier in het kader van zorgvuldige en transparante besluitvorming wel verstandig aan doen. Het (vormvrije) m.e.r.- beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: de vaststelling van het bestemmingsplan. Er staat bij een m.e.r.beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het bestemmingsplan.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 10
4
De (vormvrije) m.e.r-beoordeling
De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. 4.1 De plaats en kenmerken van het project Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. B. C. D. E. F. G.
de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: H. I. J.
het bestaande grondgebruik; relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen; − kustgebieden; − berg- en bosgebieden; − natuurreservaten en -parken; − gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; − gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 11
Ad A. de omvang van het project De oppervlakte van het plangebied, zoals weergegeven in figuur 1, bedraagt circa 32 hectare. Het oppervlak van de nevengeul zelf, waar de ontgronding plaatsvindt, bedraagt circa 6,5 hectare. Ad B. de cumulatie met andere projecten Er is mogelijk sprake van cumulatie met de uitvoering van andere projecten uit de visie voor dit gebied, zoals de naastgelegen aanleg van het Stadsfront ten zuidwesten van het plangebied voor de nevengeul. De ontgronding die nodig is voor de realisatie van de bijbehorende insteekhaven heeft een oppervlak van circa 1,5 hectare. De projecten blijven daarmee ook gezamenlijk nog onder de drempelwaarde van 12,5 hectare van categorie 16.1. Ook het gezamenlijk oppervlak blijft ruim onder de drempelwaarde van 125 hectare van categorie D9. Voor de aanleg van het Stadsfront wordt een separate procedure doorlopen waardoor op voorhand niet duidelijk is of uitvoering gelijktijdig is. Indien uitvoering van deze projecten gelijktijdig plaatsvindt dan zal sprake zijn van cumulatie. Uit de vormvrije m.e.r-beoordeling voor de aanleg van het Stadsfront blijkt dat geen belangrijke negatieve effecten zijn te verwachten.
Gelet op de aard en omvang van beide projecten (nevengeul en Stadsfront) zal eventuele cumulatie niet tot dusdanige effecten leiden dat deze leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu en een MER daarvoor dient te worden uitgevoerd. Ad C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft hoofdzakelijk grondstromen. Naar verwachting komt circa 63.050m3 grond vrij. De bestemming daarvan is nog niet bekend, dit materiaal kan naar verwachting wel nuttig hergebruikt worden. Onder natuurlijke hulpbronnen kunnen ook andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen worden verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Naast de reguliere materialen en hulpbronnen worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in onderhavig plan. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. Ad D. de productie van afvalstoffen Er is geen sprake van productie van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ad E. verontreiniging en hinder Voor verontreiniging en hinder kunnen diverse aspecten relevant zijn.
In paragraaf 4.2., kenmerken van het mogelijke effect, wordt beschreven welke verontreiniging en hinder kunnen voorkomen en wat de effecten daarvan zijn. Ad F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering Het project voorziet niet in de realisatie van risicovolle inrichtingen of gevoelige functies. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Gelet op de aard en omvang van de activiteit zijn risico’s van zware ongevallen en/of rampen beperkt en vormen deze geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 12
Ad G. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling) Er is geen sprake van een vergunningplichtige (milieukundige) inrichting. De voorgenomen activiteit heeft geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Ad H. het bestaande grondgebruik Het bestaande grondgebruik in het plangebied betreft nagenoeg volledig agrarische gebruik. Ad I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied De aanwezige rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen is onderzocht en nader omschreven in paragraaf 4.2. Ad J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: Het plangebied is deels gelegen in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In de onderstaande figuur is de ligging van NNN-gronden in transparant grijs weergegeven.
Figuur 6: Ligging NNN-gronden
Op grotere afstand zijn ook Natura 2000 gebieden aanwezig, het dichtstbijzijnde betreft ‘Vecht- en BenedenReggegebied’ op 12,5km afstand ten zuidwesten. Andere gebieden zoals benoemd in het Besluit MER liggen niet in nabijheid van het plangebied. Eventuele effecten op deze gebieden worden in paragraaf 4.2 nader omschreven.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 13
4.2 Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn onder paragraaf 4.1 (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • • • • • • • •
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de intensiteit en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
De mogelijke milieueffecten van de beoogde activiteit worden, voor zover relevant, nader omschreven. Gelet op de aard van de beoogde activiteit (ontgronden) worden de volgende thema’s relevant beschouwd: • • • • • •
Archeologie en cultuurhistorie; Bodem; Niet-gesprongen explosieven; Flora en fauna; Water; Overige thema’s (geluid, luchtkwaliteit, verkeershinder)
Bovengenoemde aspecten worden achtereenvolgens toegelicht. De bronvermelding van eventueel geraadpleegde informatie is vermeld. De betreffende bronnen worden derhalve niet als bijlage in deze aanmeldnotitie toegevoegd.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 14
4.2.1 Archeologie en cultuurhistorie Potentiële effecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn met name gerelateerd aan verstoring van eventueel aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het projectgebied. Geraadpleegde informatie/onderzoeken • Bureauonderzoek en cultuurhistorisch onderzoek Project Vechtrijk te Gramsbergen, Synthegra B.V., 18 augustus 2021; • Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek, Synthegra B.V., 21 maart 2022; Huidige situatie Synthegra B.V. heeft een archeologisch bureauonderzoek in combinatie met een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. Vervolgens is ook nog een inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek uitgevoerd. Archeologie Voor het plangebied geldt voor de oeverwallen van de (fossiele) meanderbochten van de Vecht, een hoge archeologische verwachting. Het gaat hierbij om hogere delen in het landschap die zeer geschikt waren voor bewoning. Voor deze gebieden geldt dan ook een middelhoge archeologische verwachting. De lagere komgebieden en riviervlakten van de Vecht waren juist natter en minder geschikt voor bewoning. Echter zijn er in de omgeving van het plangebied in deze lagere gebieden wel vondsten gedaan uit de Late Middeleeuwen die mogelijk samenhangen met de Slag bij Ane.
Verder zijn er in het plangebied vondsten te verwachten die samenhangen met een voorde die gerelateerd kunnen worden aan de bewoning van de twee nabij gelegen essen, de Holthemer es ten zuiden van het plangebied en de es ten noorden van het plangebied nabij De Meene. De voorde maakte onderdeel uit van mogelijk millennia oude verbindingsroute die deze essen met elkaar verbonden, welke later onderdeel werd van het padennetwerk van de Hessenwegen. Daarnaast zijn de fundamenten van het Huis van Gramsbergen aanwezig binnen de komgebieden en rivierlaagten van de Vecht. Verder kunnen er deposities in de Vecht en de aangrenzende afzettingen worden aangetroffen aangezien het gebied langs een van de smalste lopen van de Vecht ligt sinds het begin van het Holoceen en er sinds er activiteit was rondom het plangebied, op de naastgelegen dekzandruggen er resten kunnen worden aangetroffen. Voor het plangebied geldt er een archeologische verwachting voor alle perioden, van het Laat-Paleolithicum tot aan de Nieuwe Tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum gaat het vooral om vuursteenvindplaatsen, waarbij het kleine kampementen betreft. Voor de latere perioden kunnen er nederzettingssporen verwacht worden, evenals sporen van agrarisch landgebruik, percelering, cultuurlagen en losse vondsten. De ligging van deze archeologische waarden worden vooral verwacht op de oeverwallen.
Cultuurhistorie Binnen en nabij het plangebied zijn verschillende cultuurhistorische waarden aanwezig. Het gaat hierbij vooral om historische elementen die behoren tot het Gramsbergen uit de Late Middeleeuwen, welke samenhangen met het kasteel het Huis van Gramsbergen en historische elementen uit het eind van de 19e en begin van de 20e eeuw net voor de kanalisatie van de Vecht.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 15
Effecten ontwikkeling Archeologie Binnen het plangebied zijn graafwerkzaamheden voorzien. Aanwezige archeologische resten worden hierdoor bedreigd bij het realiseren van deze plannen op de plaatsen waar graafwerkzaamheden plaatsvinden, gezien deze vanaf het maaiveld kunnen voorkomen. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied nader archeologisch onderzoek geadviseerd in de vorm van archeologische begeleiding. De zone voor vervolgonderzoek is hieronder op kaart weergegeven. Voor de realisatie van de overige werkzaamheden is geen vervolgonderzoek benodigd aangezien er geen of zeer oppervlakkig sprake is van graafwerkzaamheden die niet tot verstoring van archeologische waarden leidt.
Figuur 7: Archeologische onderzoeken Cultuurhistorie De plannen leiden niet tot directe aantasting van aanwezige cultuurhistorische waarden, maar bieden wel mogelijkheden om de historie van het landschap in de plannen te incorporeren. In het rapport van Synthegra zijn hiertoe aanbevelingen gedaan.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 16
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied voorkomen. Plaatselijk is nader onderzoek benodigd, in de vorm archeologische begeleiding, om in de uitvoering verstoring te voorkomen. Door middel van archeologische begeleiding wordt verstoring van archeologische waarden zoveel mogelijk voorkomen. Gelet hierop leidt de beoogde activiteit niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het projectgebied en de directe omgeving daarvan. 4.2.2 Bodem Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn vooral gerelateerd aan de bodemkwaliteit. Geraadpleegde informatie/onderzoeken • Historisch vooronderzoek, Aveco de Bondt, 16 november 2021; • Verkennend (water)bodemonderzoek, Aveco de Bondt, juni 2022; Huidige situatie Door Aveco de Bondt is een vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de locatie grotendeels onverdacht is voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging.
Locaties die verdacht zijn voor de aanwezigheid van bodemverontreiniging zijn: • Voormalige meander: het is onbekend of de meander op een natuurlijke manier is dichtgeslibd of dat er mogelijk sprake is van (bodemvreemd) dempingsmateriaal; • Oude Bisschopsdijk: het is onbekend of er bodemvreemd materiaal in de voormalige dijk aanwezig was. Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkelingen in het plangebied vormen geen risico voor de bodemkwaliteit. Er is immers geen sprake van activiteiten die mogelijk verontreiniging kunnen veroorzaken. Vanuit dat perspectief zijn belangrijke nadelige gevolgen voor de bodemkwaliteit op voorhand dus niet te verwachten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden om de ontwikkeling te realiseren dient wel rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is op basis van het uitgevoerde vooronderzoek grotendeels onverdacht voor de aanwezigheid van (sterke) verontreinigingen. Het uitgevoerde bodemonderzoek bevestigt dat vrijkomende grond herbruikbaar is onder de voorwaarden van het Besluit Bodemkwaliteit en de lokaal aanwezige nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart.
Conclusie Gelet op de verwachte (water)bodemkwaliteit binnen het plangebied en de regels omtrent grondverzet leidt de beoogde activiteit niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor de bodemkwaliteit in het gebied en de directe omgeving daarvan.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 17
4.2.3 Niet-gesprongen explosieven Potentiële effecten ten aanzien van niet-gesprongen explosieven betreft vooral de risico’s bij het aantreffen daarvan en de bijkomende hinder die ontstaat als gevolg van de aanwezigheid en ruiming daarvan. Geraadpleegde informatie/onderzoeken Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Baalder Uiterwaard en Vechtrijk Gramsbergen’, Explosive Clearance Group, 29 januari 2020. Huidige situatie Door Explosive Clearance Group (ECG) is een vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Uit dit onderzoek blijkt dat indicaties achterhaald zijn die tot de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn te herleiden. Tevens zijn er in de omgeving van het onderzoeksgebied contraindicaties achterhaald waardoor het mogelijke risico op het aantreffen van conventionele explosieven wordt verminderd. Zo werden in en direct bij het onderzoeksgebied in de meidagen van 1940 bruggen vernield. Vanwege de succesvolle vernielingen en het gegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat explosieven mogelijk in het onderzoeksgebied achterbleven, wordt geen verdacht gebied afgebakend. Uiteindelijke conclusie is dat er geen sprake is van een feitelijk verdacht gebied.
Effecten ontwikkeling Gezien de afwezigheid van verdachte gebieden binnen het projectgebied zijn negatieve effecten die samenhangen met de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven niet te verwachten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van niet-gesprongen explosieven geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. 4.2.4 Flora en Fauna (incl. stikstofdepositie) Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Geraadpleegde informatie/onderzoeken • Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen, Eelerwoude, 28 mei 2021; • Nader onderzoek en Projectplan Wnb, Eelerwoude, 28 maart 2021; Huidige situatie Door Eelerwoude is een toetsing van de plannen uitgevoerd aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid. Het plangebied is ingesloten tussen de Vecht ten noorden en Gramsbergen ten zuiden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden in combinatie met één voetbalveldje, enkele door kwel beïnvloedde sloten en de ruige oevers van de Vecht. Deze kwelsloten zijn ondiep en vrij dicht begroeid met soorten als moeraszegge, sterrenkroos, holpijp en valeriaan.
De ruige oevers van de Vecht zijn veelal begroeid met soorten van ruigtes als harig wilgenroosje, grote brandnetel, rietgras en fluitenkruid. Opgaande beplanting in de vorm van bomen en struiken ontbreken geheel binnen het zuidelijke plangebied van de gemeente Hardenberg. De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerde landbouwgronden welke geregeld worden afgewisseld door kleine landschapselementen in de vorm van brede sloten, houtwallen en elzensingels.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 18
Soortenbescherming Uit de natuurtoets blijkt ten aanzien van het voorkomen van beschermde soorten het volgende: • Planten: In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht en kunnen worden uitgesloten. • Vleermuizen: Vanwege het ontbreken van gebouwen en bomen binnen het plangebied kan worden gesteld dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied. Mogelijk wordt het plangebied echter wel gebruikt als onderdeel van het foerageergebied en/of als vliegroute. • Overige zoogdieren: Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn diverse algemeen voorkomende zoogdieren (denk aan ree, haas, vos, steenmarter, etc.) te verwachten waarvoor soms een provinciale vrijstelling geldt. Geschikt leefgebied voor bever is niet binnen het plangebied aanwezig. • Vogels: Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied zelf. Wel is er binnen het plangebied een ooievaarspaal aanwezig, deze is echter niet bezet.
Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten wel van het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, in de omgeving zijn waarnemingen bekend van steenuil, kerkuil, ransuil, torenvalk, sperwer en buizerd. Soorten als kerkuil, torenvalk en buizerd foerageren voornamelijk in intensief beheerde agrarische gronden waarin zich grote aantallen muizen bevinden. Dergelijke biotoop is veelvuldig en in alle windrichtingen aanwezig. • Reptielen: Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. • Amfibieën: Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop al is dit matig geschikt door het ontbreken van dood hout of een strooisel laag. Binnen het plangebied zijn mogelijk ook twee soorten aanwezig welke niet beschikken over een provinciale vrijstelling, dit betreft de poelkikker en de zeer zeldzame knoflookpad. • Vissen: Binnen het plangebied zijn enkel waterelementen aanwezig welke slechts beperkt watervoerend zijn. Hierin ontbreekt geschikt biotoop voor (beschermde) vissoorten.
Dit biotoop ontbreekt ook voor een soort als grote modderkruiper welke zich welke ook voorkomt in ondiep water. Hiervoor geldt dat deze soort kan worden uitgesloten binnen het plangebied. • Ongewervelden: Langs de Vecht zijn verschillende waarnemingen bekend van beekrombout. Dit biotoop is vrijwel langs de gehele Vechtoever binnen het plangebied aanwezig. Gebiedsbescherming In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 12,6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden- Reggegebied. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en verder binnen de ‘Zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ (ONW) van de provincie Overijssel en valt geheel binnen de ONW. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Naast het NNN-beleid bestaat binnen de provincie Overijssel ook de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ (ONW). Hier zijn natuur gebonden economische ontwikkelingen mogelijk zolang zij gericht zijn op het behouden en ontwikkelen van natuur- en landschapskwaliteiten.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 19
Effecten ontwikkeling Soortenbescherming De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor een aantal soorten die voorkomen in het gebied is nader onderzoek en/of effectenbeoordeling verricht om potentiële effecten te beoordelen: • Vleermuizen: Negatieve effecten op eventueel aanwezige foerageergebieden en/of vliegroutes kunnen worden voorkomen door werkzaamheden alleen uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang en door geen permanente verlichting te plaatsen langs de Vecht. • Grondgebonden zoogdieren: Zowel veld- als waterspitsmuis zijn gedurende een intensief veldonderzoek niet vastgesteld binnen het plangebied. Potentieel geschikt leefgebied wordt niet door één of meerdere soorten gebruikt. Een negatief effect is uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Gedurende het nader onderzoek naar otter en steenmarter zijn beide soorten niet vastgesteld.
Voor steenmarter is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Voor otter wordt mogelijk, tijdelijk de functionaliteit van de dagrustplaatsen aangetast, dit is ontheffingplichtig. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Kortom, tijdelijk zullen de werkzaamheden een negatief effect veroorzaken op het leefgebied en verbindingszones van één of meer soorten kleine marterachtigen. Dit is ontheffingsplichtig. Op de lange termijn heeft de geplande ontwikkeling een positief effect doordat meer structuur aanwezig is. • Broedvogels: Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. • Amfibieën: Een negatief effect op knoflookpad is niet op voorhand uit te sluiten. Knoflookpad is lastig vast te stellen of uit te sluiten, voor landbiotoop is dit onmogelijk.
Hierom wordt een ontheffing aangevraagd voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad tijdens het graven van de nevengeul. In dat kader worden diverse mitigerende maatregelen getroffen. • Ongewervelden: Voortplantingsbiotoop van beekrombout is gedurende het nader onderzoek niet aangetroffen binnen het plangebied. Negatieve effecten zijn derhalve op voorhand uitgesloten. • De poelkikker is niet binnen het plangebied vastgesteld, een negatief effect is hierom op voorhand uitgesloten. Het project heeft mogelijk een positief effect op poelkikker en amfibieën in het algemeen omdat nieuwe, geschiktere waterelementen worden gegraven binnen het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Gebiedsbescherming De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof zijn de effecten tijdens de aanlegfase van tijdelijke aard.
Voor deze effecten, die gerelateerd zijn aan de aanlegfase, geldt bovendien een vrijstelling. In de
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 20
gebruiksfase is zeer beperkt sprake van emissies van stikstof, waardoor gelet op de afstand tot dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, geen depositie van stikstof te verwachten is. Voor zover het project effect heeft op NNN-gronden worden deze verplaatst zodat per saldo evenveel oppervlak aan NNN-gronden aanwezig is. Het inrichtingsplan biedt bovendien meerwaarde omdat er sprake is van meer aaneengesloten natuur in plaats van losse snippers. Het inrichtingsplan wat nu voorligt draagt bij aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en daarmee ook aan een robuuster NNN. Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat in het plangebied diverse beschermde soorten voorkomen waarop het project effect heeft. Voor diverse soorten is het effect beperkt tot verlies van leefgebied, maar is geen invloed op de gunstige staat van instandhouding omdat het effect tijdelijk is en er voldoende leefgebied aanwezig blijft. Voor andere, meer beschermde soorten, zijn negatieve effecten soms te voorkomen door hiermee rekening te houden in de uitvoering van de werkzaamheden. Voor deze soorten zijn belangrijke nadelige effecten door de activiteit dus niet aan de orde of relatief eenvoudig te voorkomen. Tot slot is voor een aantal soorten (Otter, kleine marterachtigen en knoflookpad) een ontheffing Wet natuurbescherming nodig.
Hiertoe is een projectplan opgesteld en wordt gecoördineerd met de bestemmingsplanprocedure en procedure voor het verkrijgen van een ontgrondingsvergunning een ontheffing Wnb aangevraagd. In dat kader worden diverse mitigerende maatregelen getroffen. Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat belangrijke negatieve effecten niet te verwachten zijn of voorkomen worden door het toepassing geven aan geldende natuurwetgeving en diverse mitigerende maatregelen. Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn belangrijke negatieve effecten uitgesloten. 4.2.5 Water Potentiële effecten ten aanzien van water zijn met name gerelateerd aan de invloed op de waterhuishouding, kwantiteit en -kwaliteit. Huidige situatie Binnen het plangebied is de huidige situatie beperkt oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden en enkele door kwel beïnvloedde ondiepe sloten en de oevers van de Vecht. Effecten ontwikkeling De werkzaamheden voorzien niet in activiteiten die een bedreiging vormen voor de waterkwaliteit in het gebied. Het agrarisch gebruik wijzigt bovendien waardoor geen sprake meer is van bemesting, dit draagt positief bij aan de (grond)waterkwaliteit in het plangebied en de omgeving. De effecten van het plan op de waterhuishouding zijn nader onderzocht. De invloed op de waterhuishouding is beperkt.
Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en de omgeving zijn niet aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en de omgeving.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 21
4.2.6 Overige effecten Potentiële effecten van de activiteit (ontgronden) ten aanzien van geluid, luchtkwaliteit, verkeershinder en dergelijke vinden vooral plaats tijdens de aanlegfase van het project en zijn dan ook van tijdelijke aard. Geluid en verkeershinder Gedurende de aanlegwerkzaamheden kan tijdelijk geluidhinder optreden in verband met extra wegverkeer en het opzetten en gebruiken van installaties. Het streven is om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Dit betekend concreet geen vervoersbewegingen door de woonkern Gramsbergen en een zeer beperkt aantal bewegingen ter plaatse van de Haandrik. De werkzaamheden vinden plaatst in de maanden maart t/m september en worden overdag uitgevoerd (tussen 7.00 uur en 17.00 uur). Daarnaast is er een gering geluidseffect buiten het plangebied door aan-afvoer van machines en aan en afvoer van grond. In totaal komt er ca. 63.050m3 bodemmateriaal vrij. Grofweg wordt ca. 2.000m3 in het gebied verwerkt door oevers, poelen of kolken deels te verondiepen. Dit gebeurt middels transport in het gebied. Het effect op de woningen nabij de Haandrik zal daarmee nihil zijn. Tot slot is het uitgangspunt dat de overige 46.500 m3 grond naar nog nader te bepalen locatie vervoerd wordt. Deze locaties bevinden zich buiten het project gebied. Er loopt nu een onderzoek waar de verschillende typen grond het beste kunnen worden afgezet.
Op het moment van schrijven is er nog geen aannemer aangesloten bij het project dus de exacte werkwijze voor het transporten van de grond is nog niet bekend. De verwachting is dat een groot deel over het water het project gebied zal gaan verlaten. Voor een klein deel zal dit over de weg zijn. De effecten leiden qua aard en omvang niet tot belangrijke nadelig effecten op het milieu en/of de omgeving. In de uitvoering kunnen maatregelen getroffen worden om de eventuele tijdelijke hinder zoveel mogelijk te beperken. Luchtkwaliteit De tijdelijke inzet van machines kunnen op lokaal niveau de luchtkwaliteit beïnvloeden. Door zoveel mogelijk met modern materieel te werken wordt de impact zoveel mogelijk beperkt. Naar aard en omvang zijn de effecten op de luchtkwaliteit niet zodanig dat te spreken is over belangrijke nadelige effecten op het milieu en/of de omgeving. Externe veiligheid Potentiële effecten ten aanzien van externe veiligheid zijn niet te verwachten omdat de plannen niet voorzien in de realisatie van risicobronnen en ook geen kwetsbare functies mogelijk maken. Kabels en leidingen Binnen het plangebied ligt het tracé van een hoge druk aardgasleiding op 20 meter diepte. De nevengeul kruist dit tracé. Gesprekken hierover met de leidingbeheerder hebben plaatsgevonden en geven geen aanleiding om bezwaren te verwachten.
De leiding is bovendien voorzien van een planologisch beschermingskader, waarmee belangrijke nadelige gevolgen voorkomen worden. Verder zijn er geen planologisch beschermde kabels en leidingen binnen het plangebied. Van belangrijke nadelige gevolgen voor kabels en leidingen is dus geen sprake, eventuele effecten op de gasleiding worden ondervangen middels het planologisch kader. Landschap De geul wordt zoveel mogelijk landschappelijk ingepast zodat sprake is van versterking van het aanwezige landschap. Van belangrijke nadelige gevolgen voor het landschap is dus geen sprake.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 22
5
Beoordeling van de effecten en conclusies
Samenvatting milieueffecten In tabel 5.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. tabel 5.1: Samenvatting milieueffecten (milieu)thema
Conclusie beoordeling potentiële effecten
Doorlopen m.e.r.-procedure noodzakelijk?
Archeologie en
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie
Nee
cultuurhistorie
en cultuurhistorie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Bodem
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen
Nee
belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Niet-gesprongen
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van niet-
explosieven
gesprongen explosieven geen belangrijke nadelige
Nee
gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Flora en fauna
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna Nee geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Water
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen
Nee
belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Overige effecten
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van de overige
Nee
aspecten geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.
Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Het voornemen voor de realisatie van de nevengeul langs De Vecht bij Gramsbergen leidt mogelijk tot effecten op het milieu en de omgeving. Veel effecten zijn van tijdelijke aard en worden niet als belangrijke negatieve effecten beschouwd. Effecten ten aanzien van archeologie en flora en fauna zijn uitgebreid onderzocht en worden beheerst, onder andere middels de te verkrijgen ontheffing Wnb en door middel van archeologische begeleiding tijdens de uitvoering. Belangrijke nadelige gevolgen zijn dus niet te verwachten. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen.
datum referentie
7 juni 2022 210481_AdB_RAP_0002_v8
P 23