CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 bij toelichting - Quickscan Wet natuurbescherming

orienterende ronde sessie 1 10 januari 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Hardenberg, Stadsfront Gramsbergen’ (het aanleggen van een stadsfront met een halve meander en recreatieve voorzieningen langs de Vecht ten noorden van Gramsbergen)9.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen Gemeente Hardenberg

Opdrachtgever: Gemeente Hardenberg M. Spoolder Postbus 500 7770 BA Hardenberg

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

201949 29-10-2021

Definitief 2

© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 9

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................9

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................9

3

Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 14

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................14

3.2

Bescherming van soorten .....................................................................................................................14

3.3

Bescherming van gebieden...................................................................................................................14

3.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................15

3.5

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................16

4

Methode.................................................................................................................................................... 18

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................18

4.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................18

4.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................18

5 5.1 5.1.1 5.2

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 19 Planten..................................................................................................................................................19 Exoten ..........................................................................................................................................19 Zoogdieren ............................................................................................................................................21

5.2.1

Vleermuizen .................................................................................................................................21

5.2.2

Overige zoogdieren ......................................................................................................................22

5.3

Vogels ...................................................................................................................................................24

5.4

Reptielen...............................................................................................................................................27

5.5

Amfibieën .............................................................................................................................................27

5.6

Vissen....................................................................................................................................................28

5.7

Ongewervelden ....................................................................................................................................28

6

meekoppelkansen ..................................................................................................................................... 30

6.1

Ontwikkelen vegetatief aantrekkelijke oevers .....................................................................................30

6.2

Weidevogels .........................................................................................................................................30

6.3

Opstellen beheerplan ...........................................................................................................................30

7 7.1 7.1.1

Conclusie ................................................................................................................................................... 31 Beschermde soorten.............................................................................................................................31 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ....................................................................31

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 3

7.1.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt ..................................................................31

7.1.3

Algemene zorgplicht ....................................................................................................................32

7.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................32

7.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................32

7.4

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................32

7.5

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................33

8

Literatuur .................................................................................................................................................. 34

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 35

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Het waterschap Vechtstromen is voornemens in samenwerking met de gemeente Hardenberg een gedeelte van de uiterwaarden van de Overijsselse Vecht her in te richten, in het kader van Ruimte voor de Vecht (afbeelding 1). Het totale plangebied betreft een gebied ter grootte van 47 hectare welke zal worden opgesplitst in twee afzonderlijke plangebieden en rapportages (afbeelding 2). Het noordelijke gedeelte ter grootte van 36 hectare in opdracht van waterschap Vechtstromen en het zuidelijke gedeelte, ter hoogte van Gramsbergen ter grootte van circa 11 ha in opdracht van de gemeente Hardenberg (deze rapportage). In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Daarnaast wordt ook gekeken of er iets gedaan kan worden voor specifieke soortgroepen als weidevogels en andere meekoppelkansen met het oog op natuurontwikkeling. Ook worden rode lijstsoorten behandeld als beschermde soorten volgens de ’Leidraad Natuurwetgeving WRD 2012’ (waterschap Vechtstromen, 2012). Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek.

Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 5

Afbeelding 1: Ligging van het totale plangebied (zowel waterschap als gemeente) ten opzichte van Gramsbergen (ESRI, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 6

Afbeelding 2: Verdeling van de twee deelgebieden binnen het gehele plangebied (ESRI, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 7

Afbeelding 3: Luchtfoto van de locatie van de geplande nevengeul ten opzichte van beide plangebieden (ESRI, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 8

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied in deze rapportage behelst het zuidelijk gelegen gedeelte van het plangebied (11 ha) ten noorden en westen van de dorpskern van Gramsbergen (afbeelding 4). Het plangebied is hierbij ingesloten tussen de Vecht ten noorden en Gramsbergen ten zuiden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief beheerde graslanden in combinatie met één voetbalveldje, enkele door kwel beïnvloedde sloten en de ruige oevers van de Vecht (afbeelding 5a t/m 5b). Deze kwelsloten zijn ondiep en vrij dicht begroeid met soorten als moeraszegge, sterrenkroos, holpijp en valeriaan. De ruige oevers van de Vecht zijn veelal begroeid met soorten van ruigtes als harig wilgenroosje, grote brandnetel, rietgras en fluitenkruid. Opgaande beplanting in de vorm van bomen en struiken ontbreken geheel binnen het zuidelijke plangebied van de gemeente Hardenberg. De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerde landbouwgronden welke geregeld worden afgewisseld door kleine landschapselementen in de vorm van brede sloten, houtwallen en elzensingels.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling van het stadsfront (project Vechtrijk Gramsbergen) is gericht op het beleven, spelen, recreëren en aanleggen van een halve meander met aanlegvoorzieningen. Hierbij moet het een gebied worden om elkaar te ontmoeten en om verbonden te blijven met het centrum van Hardenberg. Hiervoor is de volgende inrichtingsschets opgesteld (afbeelding 6). Hieruit blijkt dat de gemeente Hardenberg voornemens is om de volgende zaken te realiseren binnen het plangebied: • Graven van een afgesloten meander, aangesloten op de Vecht; • Aanleg van struin- en wandelpaden; • Realiseren van natuurvriendelijke overs; • Aanleggen van een steiger met aanlegplaatsen in de nieuw te graven meander. Deze toetsing heeft enkel betrekking op het realiseren van de bovenstaande ontwikkeling. Eventuele veranderingen in deze ontwikkeling hebben mogelijk invloed op de conclusies van deze rapportage. Veranderingen moeten daarom altijd opnieuw worden getoetst aan de Wet natuurbescherming.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 9

Afbeelding 4: Ligging van de nevengeul ten opzichte van de projectgrens van de gemeente Hardenberg, mogelijk doorkruist deze nevengeul in de toekomst alleen het plangebied van het waterschap (ESRI, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 10

Afbeelding 5a: Binnen het plangebied aanwezige dunne en ondiepe waterelementen.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 11

Afbeelding 5b: Ruige oeverbegroeiing langs de Vecht zoals vrijwel langs het gehele plangebied aanwezig is.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 12

Afbeelding 6: Schetsontwerp Vechtrijk Gramsbergen (08-07-2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 13

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 14

Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 12,6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden- Reggegebied. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Tijdelijke projecten zoals de realisatiefase zijn momenteel vrijgesteld van de vergunningsplicht. Een significante stikstofdepositie in de nieuwe gebruiksfase wordt niet verwacht door de grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de kleine schaal van de geplande ontwikkeling.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bomen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 15

• • •

het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Naast het NNN-beleid bestaat binnen de provincie Overijssel ook de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ (ONW). Hier zijn natuur gebonden economische ontwikkelingen mogelijk zolang zij gericht zijn op het behouden en ontwikkelen van natuur- en landschapskwaliteiten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNNtoetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied grenst aan het NNN van de provincie Overijssel en valt geheel binnen de ONW. Doordat het plangebied niet valt onder het NNN is het uitvoeren van een toetsing niet noodzakelijk. Wel zijn er subsidiemogelijkheden voor het ondernemen met natuur en water.

Het is hierbij raadzaam tijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag, de provincie Overijssel (provincie Overijssel, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 16

Afbeelding 7: Ligging van het plangebied aan de rand van het NNN van de provincie Overijssel (effen groen en blauw) en de ligging binnen het ONW (gestippeld groen) (provincie Overijssel, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 17

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) (NDFF, 2021). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van het grootschalige onderzoek aangaande het Soortmanagement project Hardenberg in opdracht van de woningstichting.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Otten uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 12 mei 2021 uitgevoerd bij 10°C, bewolkt weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 18

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de zeldzaamheid van de vrijwel alle beschermde plantensoorten en de huidige inrichting van het plangebied (grotendeels agrarisch) was dit ook niet de verwachting. Binnen het plangebied zijn voornamelijk intensief beheerde weilanden aanwezig welke verkeren in een dominant stadium van ofwel zachte dravik, ofwel Engels raaigras. Rode lijst soorten zijn op basis van het veldbezoek en de bureaustudie niet aangetroffen binnen het plangebied van de gemeente Hardenberg. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht en kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.1.1 Exoten Omdat de gemeente graag op de hoogte is van het voorkomen van exoten binnen de gemeente zijn deze tijdens het veldbezoek genoteerd en op kaart weergegeven (afbeelding 8). Zoals hier is te zien zijn er geen waarnemingen van exotische plantensoorten waargenomen binnen het plangebied van de gemeente. Wel zijn er exoten aangetroffen binnen de gemeentegrens (plangebied waterschap). De waargenomen soorten betreffen: Sorbaria (Sorbaria sorbifolia), reuzenberenklauw, Lupine, watercrassula en late guldenroede.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 19

Afbeelding 8: Aanwezige exoten binnen het plangebied (ESRI, 2021).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 20

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Gebouwen & Bomen Binnen het plangebied is geen bebouwing en zijn geen bomen aanwezig, derhalve zijn er geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig binnen het plangebied. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Dit komt door de aanwezigheid van luwe en waterrijke zones langs de bebouwde kom van Gramsbergen en boven de Vecht. Vleermuizen foerageren graag in deze luwe zones en/of boven water. Daarnaast gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen als bosranden en houtwallen om zich langs te verplaatsen. De randen van de bebouwde kom en de Vecht worden waarschijnlijk als zodanig gebruikt. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes).

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 21

Vanwege het ontbreken van gebouwen en bomen binnen het plangebied kan worden gesteld dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied en dat negatieve effecten achterwege blijven. Mogelijk wordt het plangebied echter wel gebruikt als onderdeel van het foerageergebied en/of als vliegroute. Negatieve effecten op het foerageergedrag en/of vliegroutes van vleermuizen kunnen worden voorkomen door werkzaamheden alleen uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang en door geen permanente verlichting te plaatsen langs de Vecht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk. Wel dient men rekening te houden met verlichting. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur.

Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal mogelijk van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen en rondom het plangebied komen ook verschillende soorten zoogdieren voor zonder provinciale vrijstelling. Het gaat hierbij om bever, bunzing, egel, hermelijn, otter, steenmarter, veldspitsmuis, waterspitsmuis en wezel (NDFF, 2021). Geschikt leefgebied voor bever is niet binnen het plangebied aanwezig, dit komt omdat bomen langs de oever of waterelementen, verbonden met de Vecht ontbreken. Mogelijk vormt de Vecht wel een essentiële verbindingszone voor bever. Voor soorten als bunzing, hermelijn, otter, steenmarter, veldspitsmuis, waterspitsmuis en wezel zijn mogelijke verblijfplaatsmogelijkheden en essentieel leefgebied aanwezig in de ruige oevers langs de Vecht. Al deze soorten maken graag gebruik van een dergelijke dichte en ruige beplanting langs een waterelement.

Hier zijn voor deze soorten potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig en/of leefgebied aanwezig. Egel is sinds 2019 van de vrijstellingslijst afgehaald in de provincie Overijssel en komt vooral voor in tuinen en bosranden met een dichte bodembegroeiing van struiken met een dichte strooisel laag, bestaande uit takken en bladeren. Op de bodem, tussen deze dichte begroeiing worden onopvallende nesten gemaakt. Egel komt vermoedelijk voor binnen de bebouwde kom van Gramsbergen, waarbij verblijfplaatsen aanwezig zijn in de tuinen. Binnen het plangebied wordt egel alleen incidenteel verwacht vanwege het ontbreken van opgaande beplanting. Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 22

Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt tijdelijk verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten” tijdens de werkzaamheden. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Voor de bovenstaande soorten geldt dat het realiseren van natuurvriendelijke oevers mogelijk een negatief effect veroorzaakt op het essentiële leefgebied en verblijfplaatsen van bunzing, hermelijn, otter, steenmarter veldspitsmuis, waterspitsmuis en wezel. Bunzing, hermelijn, otter, steenmarter en wezel maken graag gebruik van holtes en structuur in de oever evenals oude gaten van muizen, muskusratten of bruine ratten in ruigtes en kleinschalige landschapselementen. Soorten als veldspitsmuis en waterspitsmuis komen voornamelijk voor in ruigtes waarbij waterspitsmuis zoals de naam al zegt, vaak voorkomt in de nabijheid van water. De veldspitsmuis is bekend van de omgeving van De Haandrik en heeft een voorkeur voor diverse open vegetaties, waarbij het zonlicht de bodem kan beschijnen, bijvoorbeeld in ruderale terreinen, akkerranden en bermen.

De ‘’Brochure Soortenbescherming in Overijssel’’, opgesteld in opdracht van de provincie Overijssel is onlangs aangepast, ondermeer voor kleine marterachtigen. Hierin ligt nu meer de nadruk op een biotopen onderzoek dan op veldonderzoek met behulp van cameravallen, sporenbuizen, etc. Voor de marterachtigen hanteert de provincie Overijssel geen onderzoeksprotocol en dient een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Dit komt omdat kleine marterachtigen lastig zijn vast te stellen of uit te sluiten binnen een gebied. Hierom dient deze ontheffingaanvraag te worden ondersteund door een leefgebieden benadering waarbij de volgende effecten moeten worden getoetst: • verlies aan oppervlakte van leefgebied (volledig of deels); • verlies aan kwaliteit van een leefgebied (door geluid, vervuiling, verdroging, menselijke aanwezigheid, licht enzovoort); • verlies aan ecologische verbindingswegen in van het tussenliggende landschap (door barrières door infrastructuur of nieuwe gebruiksvormen, het verdwijnen van de landschappelijke dooradering, versnippering); • te grote afstand tussen leefgebieden (isolatie) (provincie Overijssel, 2021).

Wij adviseren om voor genoemde soorten bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel een ontheffing aan te vragen middels een leefgebieden benadering. Deze leefgebieden benadering is beschreven in de ‘’Brochure Soortenbescherming in Overijssel’’. Voor overige soorten als otter, veldspitsmuis en waterspitsmuis blijkt uit een korte reactie van de provincie dat nader onderzoek noodzakelijk is. Het wordt geadviseerd om een overleg in te plannen waarin een plan van aanpak wordt besproken met de provincie Overijssel. Voor egel geldt dat een negatief effect kan worden uitgesloten doordat verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied niet binnen het plangebied aanwezig is. Voor bever geldt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief veroorzaakt op het essentiële leefgebied en verblijfplaatsen van deze soorten. Daarnaast blijft de verbindingszone onveranderd aanwezig. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk voor deze drie soorten grondgebonden zoogdieren. Conclusie: het is noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen voor een groot aantal soorten grondgebonden zoogdieren welke kunnen voorkomen in de ruige oeverzone van de Vecht. Dit betreffen bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Voor andere soorten, waaronder otter, veldspitsmuis en waterspitsmuis wordt Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 23

geadviseerd en overleg in te plannen om de noodzaak van nader onderzoek en de bijbehorende intensiteit te bespreken.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied zelf. Tijdens het veldbezoek is expliciet gelet op de aanwezigheid van nestkasten voor bijvoorbeeld torenvalk en steenuil of horsten van roofvogels. Dergelijke nesten (ook oude kraaiennesten) zijn niet waargenomen binnen het plangebied zelf.

Wel is er binnen het plangebied een ooievaarspaal aanwezig, deze is echter niet bezet. Ten noorden van De Anerdijk, aan de overkant van de Vecht is wel een horst van een buizerd waargenomen (afbeelding 9). Het is onbekend of deze momenteel in gebruik is, wel is het nest in goede staat en derhalve functioneel. Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten wel van het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, in de omgeving zijn waarnemingen bekend van steenuil, kerkuil, ransuil, torenvalk, sperwer en buizerd. Soorten als kerkuil, torenvalk en buizerd foerageren voornamelijk in intensief beheerde agrarische gronden waarin zich grote aantallen muizen bevinden. Dergelijke biotoop is veelvuldig en in alle windrichtingen aanwezig. Steen- en ransuil jagen doorgaans in een kleinschaliger landschap, dit is tevens ook voldoende aanwezig in de omgeving. Met name ten zuiden van het plangebied (rondom Holtheme) is dit biotoop aanwezig. Hier bevinden zich ook verschillende broedparen van met name steenuil. Sperwer jaagt in allerlei biotopen van bossen, tuinen tot het agrarisch gebied, deze stelt weinig eisen aan het foerageergebied en zal geen hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 24

Afbeelding 9: Relatie van het plangebied tot de buizerdhorst, waargenomen ten noorden van het plangebied (ESRI, 2021).

Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 25

glanskop, ringmus, ijsvogel, groene specht, gekraagde roodstaart, boomkruiper en spreeuw. Een gedeelte van deze soorten broedt (mogelijk) ook binnen of aan de randen van het plangebied. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van struwelen, bossen en het agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten zijn waargenomen tijdens het veldbezoek: meerkoet, wilde eend, kuifeend, merel, tjiftjaf, fitis, houtduif, Turkse tortel, kievit en graspieper. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Van buizerd is een horst waargenomen op 124 meter en meer van de grens van het plangebied, ten noorden van de Vecht. Het uitvoeren van werkzaamheden heeft geen invloed op de functionaliteit van het nest. In het kennisdocument buizerd wordt een verstoringsafstand van 50-75 meter aangehouden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het graven van een meander en natuurvriendelijke oevers geen negatief effect heeft op de functionaliteit van het nest. Hiernaast veroorzaken de geplande werkzaamheden geen negatief effect op het essentiële leefgebied van bovengenoemde, in de omgeving voorkomende soorten.

Hierbij blijft het plangebied grotendeels toegankelijk en zijn voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Voor de bovengenoemde soorten met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving geldt dat er slechts beperkte tot geen broed- en foerageermogelijkheden aanwezig zijn binnen het plangebied zelf. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1.

Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn alleen mogelijk onder begeleiding van een ecologisch ter zaken kundige. Het wordt geadviseerd om werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden omdat met name grond broedende soorten als kievit en graspieper op het perceel niet zijn uitgesloten. Dergelijke nesten zouden van grote invloed kunnen zijn op werkzaamheden zoals het graven van de meander. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Dit kan door te werken buiten het broedseizoen en onder begeleiding van een ter zaken kundige.

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 26

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2021). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop al is dit matig geschikt door het ontbreken van dood hout of een strooisel laag. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen het plangebied zijn mogelijk ook twee soorten aanwezig welke niet beschikken over een provinciale vrijstelling, dit betreft de poelkikker en de zeer zeldzame knoflookpad (NDFF, 2021). Poelkikker is waargenomen iets ten noorden van het gehele plangebied en plant zich mogelijk voort in één van poelen rondom de sluis De Haandrik. Binnen het kleine plangebied wat enkel betrekking heeft tot de gemeente Hardenberg ontbreekt geschikt voortplantingsbiotoop evenals potentieel geschikt landbiotoop. Hiervoor ontbreken voedselarme poelen en een goed ontwikkelde strooisel laag of andere geschikte wegkruipmogelijkheden. Knoflookpad is voor het laatst waargenomen in het voorjaar van 2021 (eDNA onderzoek door RAVON) in een kleine poel in het uiterste noorden van het plangebied van het waterschap. In het verleden is deze soort ook in de andere, grotere poel waargenomen, eveneens in het uiterste noorden van het plangebied van het waterschap, dit betroffen een tweetal waarnemingen in 2000 (NDFF, 2021).

Sinds 2018 is deze soort niet meer via reguliere methoden in de poelen vastgesteld ondanks jaarlijkse monitoring door vrijwilligers (o.a. de auteur van deze rapportage: N. Otten). In totaal zijn drie monitoring rondes uitgevoerd in de afgelopen drie jaar (1 x 2019; 3 x 2020; 1 x 2021). In 2018 betrof de gehele voortplantingspopulatie nog slechts tussen de 1-10 dieren. Op basis van het onderzoek door middel van eDNA kan worden geconcludeerd dat de populatie nog aanwezig is en zich lijkt voor te planten in een kleine poel. Als landbiotoop gebruiken knoflookpadden plaatsen met goed vergraafbare grond in graslanden, akkers en moestuinen. Derhalve kan vrijwel het gehele plangebied door deze soort worden gebruikt als onderdeel van het landbiotoop. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 27

De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Een negatief effect op knoflookpad is niet op voorhand uit te sluiten. Dit komt omdat geschikt landbiotoop aanwezig is binnen het plangebied. Knoflookpad is lastig vast te stellen of uit te sluiten, voor landbiotoop is dit vrijwel onmogelijk. Hierom wordt geadviseerd een ontheffing aan te vragen voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad tijdens het graven van de meander. Conclusie: het wordt geadviseerd om een ontheffing aan te vragen voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn enkel waterelementen aanwezig welke slechts beperkt watervoerend zijn (afbeelding 5a). Hierin ontbreekt geschikt biotoop voor (beschermde) vissoorten. Dit biotoop ontbreekt ook voor een soort als grote modderkruiper welke zich welke ook voorkomt in ondiep water. Hiervoor geldt dat deze soort kan worden uitgesloten binnen het plangebied. Dit komt omdat diepe plekken in de aanwezige ondiepe sloten ontbreken. Grote modderkruiper is afhankelijk van deze diepe plekken om in te verblijven gedurende hele koude of droge omstandigheden. Ook ontbreekt een diepe sliblaag waarin zij graag verblijven. Daarnaast ontbreken verspreidingsgegevens van grote modderkruiper in het plangebied en de omgeving (NDFF, 2021). Effecten en ontheffing Beschermde vissoorten zijn niet binnen het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen negatieve effecten verwacht op beschermde vissoorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is op voorhand uitgesloten. Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht, door bij het werken in sloten en poelen altijd te werken richting het open water onder begeleiding van een ecoloog. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Langs de Vecht zijn verschillende waarnemingen bekend van beekrombout (ESRI, 2021). Beekrombout is een soort van voornamelijk traag stromende laaglandbeken en rivieren. Belangrijk is een zandig bodem substraat met een goede waterkwaliteit (Vlinderstichting, 2021). Dit biotoop is vrijwel langs de gehele Vechtoever binnen het plangebied aanwezig. Mogelijk wordt bij het realiseren van de natuurvriendelijke oever (ontstenen en uitvoeren graafwerkzaamheden) larvenbiotoop van deze soort tijdelijk vernietigd.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 28

Effecten en ontheffing Langs de oevers van de Vecht is mogelijk geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig van de beekrombout. Nader onderzoek naar larvenhuidjes op de oevers van de Vecht is noodzakelijk om vast te stellen of deze soort zich ook voortplant in dit gedeelte van de rivier de Vecht. De aanwezigheid van imago’s is minder relevant omdat hiermee geen voortplanting wordt aangetoond. Conclusie: nader onderzoek naar voortplantingsbiotoop van beekrombout is noodzakelijk om te bepalen of het graven van een natuurvriendelijke oever een negatief effect veroorzaakt op deze soort.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 29

6 meekoppelkansen Door het waterschap is gevraagd om meekoppelkansen te implementeren in deze rapportage voor kansen voor natuur. Hierbij is het waterschap vooral benieuwd naar kansen voor het verhogen van biodiversiteit en weidevogels.

6.1 Ontwikkelen vegetatief aantrekkelijke oevers Het is belangrijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het ontwikkelen van een natuurvriendelijke oever rekening te houden met biodiversiteit. Hierbij kan soms uitgegaan worden van algemene grondbeginselen maar is vrijwel altijd maatwerk noodzakelijk. Voor het leveren van maatwerk is het essentieel dat er rekening wordt gehouden met de lokale bodem- en vegetatietypes en dat de te nemen maatregelen en landschappelijke inpassing hierbij aansluiten. Belangrijk is hierbij dat dergelijke oevers niet of niet zomaar worden ingezaaid/geënt met een zaadmengsel/maaisel. Indien ervoor wordt gekozen om de oever in te zaaien wordt met klem geadviseerd om gebruik te maken van een lokaal donor- of kruidenmengsel. Om een goede bijdrage aan biodiversiteit te leveren is dit essentieel. Veel plantensoorten zijn waardplanten voor specifieke soorten insecten als bijen, dag- en nachtvlinders. Indien de ingezaaide plantensoort niet in de omgeving voorkomen zullen deze veel moeilijker of niet worden gebruikt door de beoogde insecten. Door het opbrengen van maaisel van een andere goed ontwikkelde vechtoever kan de bodem worden geënt met streekeigen plantensoorten uit het Vechtdal zelf. Hierdoor wordt het leefgebied van veel soort specifieke insectensoorten vergroot en brengt de ontwikkeling een plus ten opzichte van biodiversiteit met zich mee.

6.2 Weidevogels Voor weidevogels is het plangebied niet heel geschikt, dit komt door het ontbreken van veel openheid. De verstorende randwerking van beplantingen zorgen voor een vrijwel weidevogel vrije zone van 50-150 meter. Desondanks is wel drie broedpaar kievit aanwezig evenals mogelijk enkele graspiepers. Mocht het waterschap iets willen doen ten opzichte van weidevogels dan kan dit het beste worden gezocht in het aanpassen van het beheer. Dit kan gaan om het extensiever gaan boeren en het aanpassen van het maaibeleid of akkerbeheer. Het wordt geadviseerd om hier met boeren het gesprek over aan te gaan omdat hier de grootste mogelijkheid ligt om echt iets te doen ten gunste van weidevogels.

6.3 Opstellen beheerplan Net zo belangrijk als het graven van een natuurvriendelijke oever ten behoeve van biodiversiteit is het beheer. Het juist beheren van het plangebied zorgt ervoor dat de gerealiseerde natuur blijft bestaan en niet verdwijnt door te intensief of te extensief beheer uit te voeren. Het huidige, te extensieve beheer heeft ertoe geleid dat er vrijwel geen structuur variatie in vegetatie en variatie in soortenrijkdom voorkomt langs de oever van de Vecht. Indien dit beheer niet wordt aangepast zal deze vegetatie weer snel terugkeren. Het wordt geadviseerd om een beheerplan op te stellen waarbij de oever van de Vecht op een zo ecologisch mogelijke wijze wordt beheerd of aan te haken op bestaande beheerplannen. Daarnaast liggen er mogelijkheden om dit beheer te borgen door in gesprek te blijven met lokale natuurcollectieven, werkgroepen en stichtingen. Deze groepen zijn voortdurend in en om het plangebied betrokken bij natuur en kunnen aangeven waar kan worden bijgestuurd en welke kansen er liggen.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 30

7 Conclusie 7.1 Beschermde soorten 7.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

7.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Vanwege het ontbreken van gebouwen en bomen binnen het plangebied kan worden gesteld dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied. Mogelijk wordt het plangebied echter wel gebruikt als onderdeel van het foerageergebied en/of als vliegroute. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door werkzaamheden alleen uit te voeren na zonsopkomst en voor zonsondergang en door geen permanente verlichting te plaatsen langs de Vecht. Grondgebonden zoogdieren Het is noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen voor een groot aantal soorten grondgebonden zoogdieren welke kunnen voorkomen in de ruige oeverzone van de Vecht. Dit betreffen bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Voor andere soorten, waaronder otter, veldspitsmuis en waterspitsmuis wordt geadviseerd en overleg in te plannen om de noodzaak van nader onderzoek en de bijbehorende intensiteit te bespreken. Een negatief effect op egel kan wel op voorhand worden uitgesloten indien de meander zo wordt aangelegd dat hierbij geen bosschages worden doorkruist.

Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn alleen mogelijk onder begeleiding van een ecologisch ter zake kundige. Geadviseerd wordt om werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden omdat met name op de grond broedende soorten als kievit en graspieper op het perceel niet zijn uit te sluiten. Aanwezigheid van nesten zou van grote invloed kunnen zijn op werkzaamheden, zoals het graven van de meander. Amfibieën Een negatief effect op knoflookpad is niet op voorhand uit te sluiten. Dit komt omdat geschikt landbiotoop aanwezig is binnen het plangebied. Knoflookpad is lastig vast te stellen of uit te sluiten, voor landbiotoop is dit 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 31

vrijwel onmogelijk. Hierom wordt geadviseerd een ontheffing aan te vragen voor het mogelijk aantasten van landbiotoop van knoflookpad tijdens het graven van de meander. Ongewervelden Nader onderzoek naar voortplantingsbiotoop van beekrombout is noodzakelijk om te bepalen of het graven van een natuurvriendelijke oever een negatief effect veroorzaakt op deze soort. Uit dit nader onderzoek zal blijken of de geplande ontwikkelingen een negatief effect veroorzaken op deze soort en of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

7.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Vissen Voor vissen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht door bij het dempen van waterelementen te werken in de richting van open water. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een ecologisch ter zaken kundige.

7.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Tijdelijke projecten zoals de realisatiefase zijn momenteel vrijgesteld van de vergunningsplicht. Een significante stikstofdepositie in de nieuwe gebruiksfase wordt niet verwacht door de grote afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de kleine schaal van de geplande ontwikkeling.

7.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

7.4 Natuurnetwerk Nederland Doordat het plangebied niet valt onder het NNN is het uitvoeren van een toetsing niet noodzakelijk. Wel zijn er subsidiemogelijkheden voor het ondernemen met natuur en water. Het is hierbij raadzaam tijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag, de provincie Overijssel.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 32

7.5 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Ontwikkelingsproject Vechtrijk Gramsbergen | Eelerwoude | 33

8 Literatuur • • • • •

• •

AERIUS. (2020). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl ESRI. (2021). ESRI Nederland. Opgehaald van esri.nl. NDFF. (2021). uitvoerportaal. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul provincie Overijssel. (2021). Brochure Soortenbeschreming in Overijssel. Zwolle: Provincie Overijssel. Provincie Overijssel. (2021). Natuurnetwerk Nederland. Opgehaald van geodataoverijssel.nl: https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46_natuur_en_landschap/B46_Natuurnetwerk_Nederl and Vlinderstichting. (2021). Beekrombout. Opgehaald van vlinderstichting.nl: https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/beekrombout waterschap Vechtstromen. (2012). Leidraad Natuurwetgeving WRD 2012. Almelo: waterschap Vechtstromen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12229723/1