Bijlage 2 TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 1
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 132 Schuinesloot
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Het omgevingsplan 1.4 De bij het besluit horende stukken
6 6 6 7 8
Hoofdstuk 2 Wijziging van de fysieke leefomgeving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie
9 9 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Gemeentelijk beleid
12 12
Hoofdstuk 4 Bescherming van gezondheid en milieu 4.1 Geluid 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Geur 4.5 Trillingen 4.6 Licht
16 16 17 19 19 20 20
Hoofdstuk 5 Bescherming van de waterbelangen 5.1 Algemeen 5.2 Watertoets 5.3 Conclusie
22 22 22 23
Hoofdstuk 6 Waarborgen van de veiligheid 6.1 Wettelijk kader 6.2 Situatie plangebied 6.3 Conclusie
24 24 24 25
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1 Cultureel erfgoed 7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 7.3 Ruimtelijke kwaliteit en welstand
26 26 27 27
Hoofdstuk 8 Natuurbescherming 8.1 Algemeen 8.2 Gebiedsbescherming 8.3 Soortenbescherming 8.4 Conclusie natuurbescherming
28 28 28 29 29
Hoofdstuk 9 Milieueffectrapportage 9.1 Wettelijk kader 9.2 Situatie plangebied 9.3 Conclusie
30 30 30 30
Hoofdstuk 10 Uitvoerbaarheid 10.1 Economische uitvoerbaarheid 10.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
31 31 31
Hoofdstuk 11
32
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 2
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 4
Toelichting
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het buitengebied van de gemeente Hardenberg in Schuinesloot aan de Schuineslootweg 132 ligt een agrarisch perceel. Op het perceel staan enkele agrarische bedrijfsgebouwen, een bedrijfswoning en bij de woning behorende bouwwerken. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn enkele jaren geleden gestopt. In twee van de drie aanwezige schuren worden sinds 2014 caravans van derden gestald. Initiatiefnemer is voornemens om in de (bedrijfs)woning te gaan wonen en de caravanstalling te behouden en uit te breiden naar de derde schuur. Bovenstaande ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. Op basis van de huidige regels is het niet toegestaan om de bedrijfswoning als reguliere woning te gebruiken. Het stallen van caravans binnen de agrarische bedrijfsbebouwing is tevens niet toegestaan. Hiervoor dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggende motivering voorziet in een passend juridisch-planologisch kader en toont aan dat de ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van Schuinesloot. In de omgeving komen verspreid liggende woonerven en agrarische percelen voor. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Hardenberg, sectie W, perceelnummers 1339, 2185 en 2333. In afbeelding 1.1 wordt het plangebied ten opzichte van Schuinesloot en de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Schuinesloot (Bron: Plattekaart.nl)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 6
1.3
Het omgevingsplan
Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een niet-tijdelijk deel. De bestemmingsplannen vallen onder het tijdelijke deel. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderdelen van het omgevingsplan die relevant zijn. Naam Vaststellingsdatum Omgevingsplan gemeente Hardenberg 1 januari 2024 Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels 26 september 2016 Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg 2 december 2014 Bestemmingsplan Facetherziening parkeren Hardenberg 17 juli 2018 Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kleine 21 juni 2022 Windturbines Bij Agrarische Bedrijven Om de planologische situatie ter plaatse te duiden is vooral het 'Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg' van toepassing. Binnen de planologische duiding wordt ook rekening gehouden met 'Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels'. Het plangebied heeft binnen het geldende bestemmingsplan de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginngingslandschap'. Hierbinnen ligt tevens een bouwvlak. In onderstaande afbeeldingen zijn uitsnedes opgenomen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg'. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn.
Afbeelding 1.3: Uitsnede van "Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg" (Bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart) Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' zijn met name bedoeld voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw. Daarnaast zijn deze gronden bedoeld voor de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap. Hierbij zijn het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan en mogen de bedrijfsgebouwen gebruikt worden voor niet-agrarische nevenactiviteiten tot een maximum van 100 m² brutovloeroppervlak. Opgemerkt wordt dat een van de schuren in de huidige situatie buiten het bouwvlak ligt. Op 26 juli 2005 is deze schuur gebouwd met een bouwvergunning door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan. Bij de herzieningen van het bestemmingsplan Buitengebied in 2014 had het bouwvlak aangepast moeten worden, maar dit is niet
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 7
gebeurd. Strijdigheid Het bewonen van de bedrijfswoning als reguliere woning en het behouden en gebruiken van de agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van het stallen van caravans is niet mogelijk binnen het geldende omgevingsplan.
1.4
De bij het besluit horende stukken
Het plan ''TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 132 Schuinesloot” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000TAM0019-VG01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen); deze motivering (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 8
Hoofdstuk 2 2.1
Wijziging van de fysieke leefomgeving
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het buitengebied van Schuinesloot. In de omgeving komen verspreid liggend woonerven en agrarische percelen voor. Het plangebied zelf betreft het agrarische bouwvlak van een voormalig pluimveehouderij. Op het erf zijn drie schuren aanwezig. Twee van deze schuren worden sinds 2014 gebruikt als caravanstalling. De schuren zijn van goede kwaliteit en niet landschapsontsierend. De schuren bevatten geen asbest en hebben een gebruiksfunctie. De bedrijfswoning staat vooraan op het erf. De voormalige kippenschuren staan achter op het erf. Bij de woning zijn twee bijgebouwen aanwezig, één aangebouwd bijgebouw en één klein vrijstaand bijgebouw. Het vrijstaande bijgebouw is gebouwd in 2005 voor de voor opslag van machines en materialen voor onderhoud en beheer van het erf. In de huidige situatie wordt deze schuur nog voor deze reden gebruikt. De meest oostelijk gelegen schuur heeft een oppervlakte van 1.292 m². De middelste schuur heeft een oppervlakte van 930 m² en de meest westelijke schuur heeft een oppervlakte van 457 m². Op het erf is reeds erfbeplanting aanwezig. Aan de oost- en zuidzijde van het projectgebied staat erfrandbeplanting, het gaat om eikenbomen. Hierna is middels een luchtfoto en het straatbeeld de huidige situatie weergegeven. Daarnaast zijn enkele foto's van de schuren opgenomen waarin de huidige situatie goed zichtbaar is.
Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied (Bron: Plattekaart.nl)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 9
Afbeelding 2.2: Straatbeeld plangebied (Bron: Google maps, september 2023)
Afbeelding 2.3: Binnenzijde lange schuur (Bron: Initiatiefnemer)
Afbeelding 2.4: Binnenzijde korte schuur (Bron: Initiatiefnemer)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 10
Afbeelding 2.5: Binnenzijde loods, westzijde perceel (Bron: Initiatiefnemer)
2.2
Gewenste situatie
Het beoogde plan voorziet in het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonfunctie, waarbij in de schuren de bedrijfsactiviteiten, in de vorm van caravanstalling, planologisch vastgelegd worden. Dit wordt gedaan door ter plaatse de aanduiding 'caravanstalling' op te nemen. De schuren hebben een totale oppervlakte van 2.679 m², wat zal worden gebruikt voor caravanstalling.Er is geen sprake van fysieke wijzigingen op het erf. Een bestaande vergunde schuur buiten het bouwvlak zal opgenomen moeten worden binnen de nieuwe begrenzing van de woonfunctie.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 11
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Voor de beoogde ontwikkeling is, in het kader van de beleidstoetsing, met name de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardengebied' relevant. Hierna wordt het voornemen getoetst aan dit bestemmingsplan. 3.1
Gemeentelijk beleid
3.1.1
Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg
3.1.1.1 Algemeen In het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" is wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische bestemming te wijzigen naar een woonbestemming. Onder de Omgevingswet gelden wijzigingsbevoegdheden in feite niet meer, aangezien er geen sprake meer kan zijn van een wijzigingsplan voor een individueel perceel, maar van een wijziging/herziening van een deel van het omgevingsplan. Het begrip wijzigingsplan is niet meer actueel. Inhoudelijk gelden de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid uiteraard, waarmee aan de toetsing aan de voorwaarden kan worden bepaald of het wenselijk is om het omgevingsplan voor deze locatie te herzien. Met verscheidene afwijkingsbevoegdheden kent het bestemmingsplan (onder voorwaarden) een zekere mate van flexibiliteit. In artikel 8.5.6 van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg" (bestemming Agrarisch met waarden – Open veenontginningslandschap) is een wijzigingsbevoegdheid met voorwaarden opgenomen waaraan kan worden getoetst. Hierna wordt getoetst aan de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid.
3.1.1.2 Wijzigingsbevoegdheid wonen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, indien is komen vast te staan dat een binnen een bouwvlak geen agrarisch bedrijf meer is gevestigd, de bestemming binnen dat bouwvlak te wijzigen in de bestemming als bedoeld in artikel 44 "Wonen – Open veenontginningslandschap", met inachtneming van de volgende bepalingen. Onder iedere bepaling is de toets hieraan beschreven. a. het bouwvlak wordt verwijderd; Het bouwvlak wordt verwijderd en vervangen door de functie 'Wonen in landelijk gebied'. Dit wordt op de verbeelding vastgelegd. De woonfunctie is rondom de woning en de schuren geprojecteerd. De overig gronden worden voorzien van een agrarische gebiedsfunctie. b. bestaande niet-agrarische nevenactiviteiten en bestaande kleinschalige kampeerterreinen als bedoeld in artikel 8.1 en bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 8.5.1 zijn toelaatbaar; kleinschalige kampeerterreinen dienen in principe te worden aangeduid als minicamping; Er is geen sprake van een bestaande niet-agrarische nevenactiviteit en/of kampeerterrein. c. alle bestaande gebouwen binnen het voormalige bouwvlak, met het bijbehorende erf, worden begrepen in één bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen - Open veenontginningslandschap';
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 12
De bestaande bebouwing en het erf krijgen de functie 'Wonen in landelijk gebied', hetgeen vergelijkbaar is. De bestaande schuur die in de huidige situatie buiten het bouwvlak staat komt ook binnen de woonfunctie te liggen. d. de overige gronden binnen het voormalig bouwvlak houden de betreffende agrarische bestemming; De overige gronden krijgen een agrarische functie. e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing mogen door de wijziging niet onevenredig worden aangetast; De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende functies worden niet aangetast. Dit wordt onder hoofdstuk 4 tot en met 10 nader uitgewerkt. Tevens heeft er participatie met de direct omwonenden plaatsgevonden, de uitwerking hiervan wordt weergegeven in Bijlage 3. f. de wijziging moet vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn; De wijziging is van uit milieuoogpunt toelaatbaar. Hiervoor wordt verwezen naar de behandeling van de milieu- en omgevingaspecten in hoofdstuk 4 tot en met 10. g. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal bedrijfswoningen; Het aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, in dit geval één.
3.1.1.3 Afwijking gebruiksregels: kleinschalige bedrijfsactiviteit Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 44.1 en artikel 44.4 voor het gebruik van bestaande gebouwen voor een kleinschalige (bedrijfs)activiteit, met inachtneming van de volgende bepalingen. Onder iedere bepaling wordt de toets hieraan gegeven: a. Toegestaan zijn: 1. bedrijfsactiviteiten die voorkomen in, of gelijk te stellen zijn met categorie 1 van bijlage 8 Staat van bedrijfsactiviteiten; 2. een koffie- en theeschenkerij; 3. eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen; 4. een museum of galerie, of daarmee gelijk te stellen voorziening; 5. internetwinkels, al dan niet in combinatie met de opslag van goederen; 6. zorgfuncties zoals een zorgboerderij. Het gaat hier om opslag van caravans in de drie grote voormalige bedrijfsgebouwen. Opslag is geen categorie 1, maar 2. In dit geval is echter een nuancering mogelijk. De opslag betreft een met name statische opslag in de winterperiode en zorgt daarmee nauwelijks voor milieubelasting. Ook worden de richtafstanden tot omliggende gevoelige functies gehaald. Gezien de grote oppervlakte van de gebouwen is een opslagfunctie voor caravans een logische functie, passend op het erf en in de gebouwen. Bovendien vind de opslag plaats in bestaande gebouwen waaremee er feitelijk voor de omgeving niets veranderd. b.
maximaal 30% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen mag worden gebruikt voor de onder a genoemde activiteiten; Zie onder c. c. in afwijking van het bepaalde onder b kan een groter percentage van het gezamenlijke vloeroppervlak van de gebouwen worden gebruikt voor de onder a genoemde activiteiten, mits passend binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; De opslagfunctie voor caravans is qua milieutechnische randvoorwaarden passend in de omgeving. De functie vindt volledig plaats binnen bestaande bebouwing, wat maakt dat het past binnen de bestaande schaal en beeld van het perceel en zijn omgeving.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 13
d. degene die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die de bedrijfsactiviteit uitoefent; Hier is in de nieuwe situatie sprake van. e. er mag geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvinden; Er is geen sprake van opslag in de openlucht van goederen. f.
er mag geen detailhandel plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop in het klein in direct verband met de (bedrijfs)activiteit; Er is geen sprake van detailhandel. g. het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; Het parkeren zal plaats vinden op eigen erf. h. in vergelijking met de bij recht toegestane functies mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden; Hier is geen sprake van. Het gaat puur om opslag. Verkeersbewegingen vinden gemiddeld twee keer per jaar plaats bij het brengen en halen van de caravans. Vergeleken met de huidige (planologisch toegestane) agrarisch gerelateerde verkeersbewegingen is er naar verwachting geen sprake van een toename van verkeersbewegingen. Om zeker te weten dat er geen toename van verkeersbewegingen plaatsvindt is hieronder getoetst aan de uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' van het CROW. De gemeente Hardenberg is 'weinig stedelijk' en gezien de ligging van het plangebied valt het onder 'buitengebied'. Voor de verkeersgeneratie van de reeds gestaakte agrarische bedrijfsactiviteiten is gek ozen om aan te sluiten bij de functie 'Bedrijf arbeidsintensief/bezoekers extensief'. Aangezien het in het verleden ging om een pluimveehouderij waren er altijd een aantal medewerkers op het terrein en kwamen er leveranciers en veetransport op het erf.
In de gewenste situatie veranderd de functie naar 'arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Het gaat in deze situatie om statische opslag waarbij gemiddeld twee keer per jaar verkeersbewegingen optreden voor het halen en brengen van de caravans. In onderstaande tabel wordt de verkeersgeneratie weergegeven. Huidige situatie Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief Gewenste situatie Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief
Verkeersgeneratie Aantal (per 100 m² bvo) 10 2.679 m²
Totaal
Verkeersgeneratie Aantal (per 100 m² bvo) 4,8 2.679
Totaal
267,9
128,6
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er een aanzienlijke vermindering is in het aantal verkeersbewegingen uitgaande van de functiewijziging van de agararische bedrijfsbebouwing. In de praktijk zal de verkeersgeneratie iets hoger liggen dan hierboven aangegeven aangezien er in totaal ruimte is voor 100 caravans. Deze zullen gemiddeld twee keer per jaar gebracht worden dus zal het aantal verkeersbewegingen rond de 200 bewegingen zijn. Dit is in vergelijking met de agrarische bedrijfsactivtiteiten alsnog een vermindering van het aantal verkeersbewegingen. Gezien de (geringe) afname wordt gesteld dat er geen grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen of paden plaats vindt. i. de (bedrijfs)activiteiten moeten vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn; Hier is sprake van, zie onder 'milieu- en omgevingsaspecten'. j.
het gebruik dient qua aard en schaal te passen bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 14
Het initiatief voorziet in het stallen van maximaal 100 caravans binnen bestaande agrarische bedrijfsbebouwing die niet langer in gebruik is voor agrarische doeleinden. Omdat er geen nieuwe gebouwen worden opgericht, geen reclame-uitingen worden aangebracht en geen technische installaties worden toegevoegd, verandert het aanzicht van het terrein niet. De caravans worden volledig binnen de bestaande bebouwing geplaatst en zijn van buitenaf niet zichtbaar, waardoor het landschappelijke beeld en de openheid van de omgeving behouden blijven. Dit maakt dat het gebruik visueel niet opvalt en geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Daarmee sluit de aard en schaal van het initiatief goed aan bij de karakteristieke kwaliteiten en het kleinschalige agrarische landschap waarin het is gesitueerd. 3.1.2
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg voor het wijzigen van agrarisch naar wonen. Voor het stallen van caravans op grotere schaal is er geen specifiek beleid, er is gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 15
Hoofdstuk 4
Bescherming van gezondheid en milieu
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet. 4.1
Geluid
4.1.1
Wettelijk kader
In het Bkl staan regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ze staan in paragraaf 5.2.4.2. Bkl. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. 4.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt enkel de bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als reguliere woning. In dit geval is de bestaande woning een bestaand geluidgevoelig gebouw. 4.1.2.1 Wegen Aangezien het gaat om een bestaande woning, gaat het tevens om een bestaand geluidgevoelig gebouw. Er wordt geen nieuw geluidgevoelige functie toegevoegd. Een akoestisch onderzoek naar het geluid door wegen wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.1.2.2 Spoorwegen Er is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelig gebouw, daarnaast valt de woning niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoorweg. Geluidhinder is niet te verwachten. 4.1.2.3 Industrieterreinen Er zijn rondom het plangebied geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig met een geluidsaandachtsgebied, waardoor er geen sprake is van hinder. 4.1.2.4 Individuele bedrijven De gewenste ontwikkeling ziet toe op een wijziging van de huidige agrarische bestemming naar een woonfunctie. Daarnaast wordt vastgelegd dat de aanwezige schuren worden gebruikt als caravanstalling. Deze functie komt het meest overeen met de functie 'Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)', dit betreft een milieucategorie 2 functie. Deze functie kent een maximale richtafstand van 30 meter voor geluid. Ten opzichte van de omliggende woningen wordt deze richtafstand gehaald.
Omliggende milieubelastende functies vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien er geen nieuwe geluidgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt. 4.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 16
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 4.2.2
Situatie plangebied
Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste resultaten benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek NEN5740, NEN5707 "asbest in de bodem" & NEN5897 "asbest in puin" Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters over de gehele locatie zijn geen verhogingen aangetroffen boven de intentiewaarde. In het mengmonster BM2 is een matige verhoging PCB's aangetroffen. Naar aanleiding van deze verhoging zijn de separate deelmonsters van BM2 geanalyseerd op PCB's. In de separaat geanalyseerde deelmonsters is een verhoging ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen ter plaatse meetpunt 11. In het deelmonster van meetpunt 10 is een lichte verhoging PCB's aangetroffen. Formeel geeft de verhoging bij meetpunt 11 aanleiding tot nader onderzoek. In de grondwatermonsters zijn lichte verhogingen zware metalen aangetroffen. Met betrekking tot de Vml dieseltank zijn in het bovengrondmengmonster BM1 geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging naftaleen aangetroffen.
Tijdens het verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem" & NEN5897 "asbest in puin" zijn tijdens de maaiveld- inspectie ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Over de gehele locatie zijn ter plaatse meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. De gewogen asbestgehalten in de mengmonsters MM1, MM2, MM3 en MM6 geven formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Ter plaatse van inspectiegaten 12 en 13 is sprake van een puinlaag. Als een laag meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, is geen sprake meer van bodem volgens het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat voor het ontgraven van een dergelijke puinlaag geen saneringsplan hoeft worden opgesteld. Een asbestweg moet direct worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Ter plaatse van de druppelzones zijn twee inspectiesleuven gegraven. Het gewogen asbestgehalte in het mengmonster van DZ1 is hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Het mengmonster van DZ2 is licht asbesthoudend, echter zijn hier asbestverdachte vezels aangetroffen in de fractie <0,5mm. Formeel geven deze druppelzones aanleiding tot nader onderzoek. Bepaling van spoedeisendheid kan achterwege blijven indien de verontreiniging van de druppelzones op korte termijn wordt gesaneerd.
Aanvullend bodemonderzoek & nader onderzoek asbest in de bodem Er is aanvullend bodemonderzoek gedaan naar gedempte watergangen volgens NEN 5740. In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen boven de interventiewaarde, met uitzondering van OM11 en OM13. In het ondergrondmengmonster OM11 is een sterke verhoging zink aangetroffen en in het
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 17
ondergrondmengmonster OM13 een matige verhoging zink. Naar aanleiding van deze verhogingen zijn de separate deelmonsters geanalyseerd op zink. In de separaat geanalyseerde deelmonsters zijn geen verhogingen zink aangetroffen ten opzichte van de interventiewaarde. Het verschil in gehaltes tussen het mengmonster en de deelmonsters wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de heterogeniteit van de monsters. Er is tevens aanvullend bodemonderzoek gedaan naar vml bebouwing volgens NEN 5740 en NEN5707. In de bovengrondmengmonsters en in de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In de mengmonsters is analytisch geen asbest aangetoond of de gewogen asbestgehalten zijn ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Verder is nader onderzoek gedaan naar asbest. De omvang van de asbestverontreiniging is binnen de onderzoekslocatie horizontaal en verticaal in voldoende mate afgeperkt. In de inspectiesleuven ter plaatse van de gedempte watergangen tot naast de 'asbestweg' zijn meerdere asbestverdachte materialen aangetroffen en zijn lichte tot sterke asbestconcentraties aangetoond. Het is niet bekend wat de exacte oorzaak is van de verontreiniging. Een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn dat tijdens sloop, bouw of verbouw asbestverdachte materialen vermengd zijn met de aanwezige geroerde grond.
Op basis van het uitgevoerde historisch onderzoek en de resultaten uit onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat de verontreiniging met asbest waarschijnlijk voor 1993 is ontstaan. Er dient rekening te worden gehouden dat op het erf mogelijk (meerdere) asbestnesten aanwezig kunnen zijn. De schuur die in 2011 is gesloopt bevatte geen asbesthoudende dakbedekking en kan derhalve niet worden gezien als 'oorzaak' van de verontreiniging. Van de inspectiesleuven ter plaatse van de gedempte watergangen zijn tevens separate monsters genomen en analyses uitgevoerd op PCB's. Er zijn enkel lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond met PCB's. Algemeen Op onderhavige locatie vinden vooralsnog geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Bij het voortzetten van het huidige gebruik zijn er geen gezondheidsrisico's te verwachten. Sanering zal bij huidig gebruik niet urgent zijn aangezien de plaats van de verontreinigingen niet tot nauwelijks betreden worden. De verontreiniging met asbest en PCB bevinden zich tevens onder een verharding, met uitzondering van de druppelzones. De druppelzones zijn dicht begroeid met gras. Bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen kan een nader onderzoek en/of sanering noodzakelijk worden geacht. De verontreinigingen mogen niet geroerd worden als gevolg van sloop- en/of grondwerkzaamheden.
Geadviseerd wordt om onderhavig onderzoek ter beoordeling voor te leggen aan het bevoegd gezag. De bovengrond valt in de bodemkwaliteitsklasses Landbouw/natuur, Industrie en Matig verontreinigd. De ondergrond valt in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Aangezien geen partijkeuring conform het Regeling Bodemkwaliteit is uitgevoerd, dienen de resultaten in het kader van de Rbk als indicatief beschouwd te worden. Er heeft geen onderzoek naar de parameters PFAS plaats gevonden. Bij afvoer van grond zal dit wellicht alsnog in een later stadium moeten worden uitgevoerd. Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het 'Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)'. Het bodemonderzoek is voldoende uitgevoerd en is ontvankelijk. Op het achtererf van het perceel blijkt sprake te zijn van een asbesthoudende weg en van met asbest verontreinigde grond. De verontreiniging reikt ook tot buiten de onderzoekslocatie en is daar niet volledig afgeperkt. De verontreiniging zorgt bij het huidig gebruik (woonhuis met stalling van caravans in schuren) geen onacceptabel risico. Bij eventuele ruimtelijke ontwikkelingen kan een nader onderzoek en/of sanering noodzakelijk worden geacht en is contact met bevoegd gezag noodzakelijk.
Er mag ter plaatse van de sterke grondverontreinigingen en ter hoogte van de asbestweg niet in de grond geroerd worden. Dit kan alleen na een
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 18
melding aan het bevoegd gezag. Om bovenstaande te borgen is in de regels een bepaling opgenomen die ter plaatse van de verontreiniging het uitvoeren van graafwerkzaamheden verbiedt. 4.2.3
Conclusie
Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat de bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg. 4.3.2
Situatie plangebied
Het voornemen is om de agrarische functie te wijzigen naar een woonfunctie. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfsbebouwing in gebruik genomen als caravanstalling. In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Daarnaast zal per saldo sprake zijn van een verbetering van de luchtkwaliteit gezien de opheffing van de agrarische bedrijfsbestemming. Verder worden er geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd, hierdoor vormen de omliggende functies geen probleem. Er worden tevens geen functies toegevoegd die de luchtkwaliteit ter plaatse nadelig kunnen beïnvloeden, waardoor omliggende gevoelige functies geen prbleem ondervinden. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
4.4
Geur
4.4.1
Wettelijk kader
De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Geurnormen voor het houden van dieren bestaan voor sommige diersoorten uit afstanden en voor sommige diersoorten uit geurwaarden. Deze normen staan in het Omgevingsplan (paragraaf 22.3.6). De geurnormen beogen mede een omgekeerde werking te hebben. De
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 19
normen dienen niet alleen als toetsingskader voor milieuvergunningen, maar geven ook aan welke geurbelasting de gemeente aanvaardbaar vindt op het platteland. 4.4.2
Situatie plangebied
Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen toegevoegd. Het gaat om een functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar reguliere woning. Deze woning betreft reeds een beschermd geurgevoelig object ten aanzien van andere omliggende veehouderijen. Aangezien het gaat om een reeds beschermd geurgevoelig gebouw is een geuronderzoek niet noodzakelijk. Er wordt gesteld dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Trillingen
4.5.1
Wettelijk kader
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van het omgevingsplan en 5.87a van het Bkl. 4.5.2
Situatie plangebied
Op basis van de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen is het onderzoeksgebied in beginsel 100 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 9 km van een spoorlijn. Hiermee is aannemelijk dat het trillingsniveau niet boven de streefwaarde uitkomt. 4.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6
Licht
4.6.1
Wettelijk kader
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte. Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald. 4.6.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval vinden geen bouwwerkzaamheden plaats. Het voornemen zorgt daarom niet tot een toename van lichthinder in het landelijk gebied. Daarnaast wordt gesteld dat er voldoende daglicht toe treedt in de bestaande woning.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 20
4.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 21
Hoofdstuk 5 5.1
Bescherming van de waterbelangen
Algemeen
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven moeten worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen gaan over zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Watertoets
Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'geen belang procedure'. De uitkomst van de watertoets is opgenomen in Bijlage 2. Op basis van de gegeven antwoorden blijkt dat er geen sprake is van het raken van waterschapsbelangen. Hieronder volgt aanvullend een beknopte toelichting van de relevante waterhuishoudkundige aspecten. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hardenberg. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterberschermings-, intrek- of waterwingebied. Binnen het projectgebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. In de huidige situatie is geen oppervlaktewater aanwezig en het plan voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. Het huishuidelijk afvalwater wordt net als in de huidige situatie afgevoerd naar de riolering. Ten aanzien van het huishoudelijk afvalwater wordt niet voorzien in een toename. Er wordt daarom vanuit gegaan dat het bestaande rioolstelsel dit kan verwerken. Verder gaat het om een functiewijziging die niet gepaard gaat met een toename van het verharde oppervlak.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 22
5.3
Conclusie
Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 23
Hoofdstuk 6 6.1
Waarborgen van de veiligheid
Wettelijk kader
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.
6.2
Situatie plangebied
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met een rode ster.
Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: ev-signaleringskaart.nl) Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen of andere risicobronnen aanwezig. Op circa 180 meter ten westen en 690 meter ten noorden liggen de brandaandachtsgebied van
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 24
aardgasleidingen. En op circa 730 meter ten noordoosten is een opslagtank voor propaan aanwezig. Het plangebied ligt het niet in een aandachtsgebied of veiligheidszone van deze bronnen. Daarnaast wordt niet voorzien in nieuwe risicobronnen of in een verhoging van de personendichtheid.
6.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 25
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1
Cultureel erfgoed
7.1.1
Wettelijk kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over: beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; in stand houden van archeologische monumenten. De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt. 7.1.2
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. 7.1.2.1 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. 7.1.2.2 Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan. 7.1.3
Archeologie
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. 7.1.3.1 Situatie plangebied Op basis van het gemeentelijke beleid geldt er ter plaatse van het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Daarnaast vinden er in de gewenste situatie geen bodemingrepen plaats. Van enige aantasting van mogelijke archeologische resten is dan ook geenszins sprake. 7.1.3.2 Conclusie Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 26
7.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
7.2.1
Wettelijk kader
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist. Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de volgende begrippen: 'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder.
De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. 7.2.2
Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
Uit de overzichtsuitspraak (ABRvS 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201608869/1/R3) blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. In het plan is sprake van een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een reguliere woonfunctie waarbij caravanstalling wordt toegestaan. Gezien de kleinschaligheid van de functiewijziging, het feit dat de nieuwe functie minder milieubelastend is en er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd wordt geconcludeerd dat der geen sprake is van zodanige aard en omvang en wordt de ontwikkeling niet gezien als stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.
7.3
Ruimtelijke kwaliteit en welstand
Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom is deze van toepassing. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van nieuwe bebouwing. Verdere toetsing aan de welstandsnota wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 27
Hoofdstuk 8 8.1
Natuurbescherming
Algemeen
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
8.2
Gebiedsbescherming
8.2.1
Natura 2000-gebieden
8.2.1.1 Wettelijk kader Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig. 8.2.1.2 Situatie plangebied Het projectgebied ligt niet in of nabij een Natura 2000 gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het 'Mantingerzand', op circa 11,5 kilometer ten noorden van het projectgebied. Gelet op de afstand en het feit dat in de huidige situatie reeds sprake is van een woonsituatie is directe hinder in de vorm van geluid, verstrooiing van licht etc. uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Gelet op het feit dat er uitsluitend sprake is van een functiewijziging en in de huidige situatie de woning ook al wordt bewoond kunnen significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie worden uitgesloten. Het voornemen gaat dan ook niet gepaard met negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 8.2.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
8.2.2.1 Wettelijk kader Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. 8.2.2.2 Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde deel van het NNN ligt op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in het NNN. Het plan gaat niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 8.2.3
Conclusie
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 28
8.3
Soortenbescherming
8.3.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dit zijn flora- en fauna-activiteiten. Bij een activiteit is het nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit zijn. Er zijn maar weinig activiteiten waarbij vooraf al is uit te sluiten dat ze een flora- en fauna-activiteit tot gevolg hebben. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepaalt wanneer een vergunning nodig is. 8.3.2
Situatie plangebied
Het voornemen gaat niet gepaard met sloop, bouw- en/of kapwerkzaamheden die negatieve effecten op het leef- en/of foerageergebied van beschermde soorten met zich mee kunnen brengen. 8.3.3
Conclusie
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten.
8.4
Conclusie natuurbescherming
Het plan leidt niet tot negatieve effecten op de natuur.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 29
Hoofdstuk 9 9.1
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
9.2
Situatie plangebied
Voorgenomen ontwikkeling voorziet uitsluitend in een functiewijziging van agrarisch naar wonen en de planologische borging van de bestaande caravanstalling. Er is daarmee logischerwijs geen sprake van een stedelijke ontwikkeling met mogelijk negatieve effecten op het milieu. Dit is, voor zover relevant, in deze ruimtelijke onderbouwing ook reeds aangetoond. Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
9.3
Conclusie
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 30
Hoofdstuk 10 10.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
10.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
10.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit geval zijn de directe buren geïnformeerd door initiatiefnemer. Dit is gebeurd door hen de plannen te laten zien. Hiervan is een kort verslag gemaakt dat als Bijlage 3 bij deze motivering is bijgevoegd. De omliggende buren hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het voornemen. 10.2.2 Afstemming met andere bestuursorganen In deze paragraaf zal verslag worden gedaan van de reacties van de betreffende instanties. Het waterschap is reeds geïnformeerd, door het gebruiken van de watertoets. 10.2.3 Zienswijzen Dit plan heeft voor 6 weken als ontwerp ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 31
Hoofdstuk 11
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; het behoud van ruimte voor toekomstige functies; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 32
TAM-omgevingsplan Schuineslootweg 132 Schuinesloot
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
3
Bijlage 1
Bodemonderzoek
4
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
226
Bijlage 3
Participatieverslag
230
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 2
Bijlagen toelichting
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 3
Bijlage 1
Bodemonderzoek
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Schuineslootw eg 132 Schuinesloot | PAGINA 4
Verkennend- en Nader Bodemonderzoek
Project:
2024-020
Locatie:
Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
Verkennend- en Nader Bodemonderzoek
Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
Opdrachtgever:
Erfontwikkelaar Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
Adviesbureau:
Dumea Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld
Status:
Definitief
Versie:
2
Datum versie:
24 april 2025
Projectnummer:
2024-020
Auteur:
Joost Stevelink*
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Niek Hesselink*
Paraaf:
Veldwerkers:
Joost Stevelink, Mark Morsink, Ruud Steggink*
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2024-020
24-04-2025
Pagina 2 van 35
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
Inhoudsopgave
Pagina
1
Inleiding
4
2
Vooronderzoek
5
3
4
5
6
2.1 Locatie gegevens
5
2.2 Algemene informatie locatie
5
2.3 Eerder uitgevoerd (bodem)onderzoek
6
2.4 Directe omgeving locatie
6
2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie
7
2.6 Vooronderzoek PFAS
7
2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest
8
2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest
8
Onderzoeksprogramma
9
3.1 Hypothesestelling
9
3.2 Onderzoeksopzet
10
3.3 Analysestrategie
11
Onderzoeksresultaten
13
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
13
4.2 Analyseresultaten
15
4.3 Toetsing van de hypothese
18
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
18
Aanvullend bodemonderzoek en Nader bodemonderzoek asbest in grond
19
5.1 Historisch onderzoek
19
5.2 Onderzoeksopzet
20
5.3 Analysestrategie
21
5.4 Zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten
23
5.6 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
26
Samenvatting en conclusie
27
Bijlage I:
Situering van de locatie
Bijlage II:
Situering van de locatie
Bijlage III:
Overzichtstekening boorpunten
Bijlage IV:
Boorstaten
Bijlage V:
Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen
Bijlage VI:
Foto's
2024-020
24-04-2025
Pagina 3 van 35
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
1
Inleiding
In opdracht van Erfontwikkelaar heeft Dumea een verkennend- en nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Schuineslootweg 132 te Schuinesloot. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. In onderhavig onderzoek is het verkennend bodemonderzoek uitgebreid met een asbest in grondonderzoek. Aanleiding van het onderzoek is in het kader van de voorgenomen omgevingsplanwijziging. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het doel van het nader onderzoek is om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de aangetroffen verontreinigingen uit het verkennend onderzoek. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: •
NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2023);
•
NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2023);
•
NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN
•
5707+C2:2017) NEN 5897 Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat (NEN5897+C2:2017)
•
BRL SIKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”
•
BRL SIKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters”
•
BRL SIKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"
Dumea is een handelsnaam van Terra Agribusiness. Het procescertificaat van Terra Agribusiness en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: •
vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid;
•
opstellen van een hypothese;
•
opstellen van een onderzoeksstrategie;
•
resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek;
•
conclusies, aanbevelingen en samenvatting.
In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Dumea en zo nodig tot de certificerendeinstelling (Normec). 2024-020
24-04-2025
Pagina 4 van 35
Verkennend- en Nader bodemonderzoek Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
2
Vooronderzoek
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit: Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron
Omschrijving
www.ahn.nl
AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland)
www.bodemloket.nl
Bodemloket van Nederland
www.topotijdreis.nl
Historische kaarten
www.dinoloket.nl
Ondergrond gegevens van Nederland
BAG viewer
Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
Gemeente Hardenberg
Historische informatie van de gemeente
Omgevingsdienst IJsselland
Historische informatie van de omgevingsdienst
Bodematlas Provincie Overijssel
Bodem gerelateerde informatie van de Provincie Overijssel
Informatie Opdrachtgever
Erfontwikkelaar
Inspectie onderzoekslocatie
Visueel inspectie van de locatie
2.1
Locatie gegevens
Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel Tabel 2 Locatiegegevens Adres onderzoekslocatie
Schuineslootweg 132 te Schuinesloot
Kadastrale gemeente
Ambt-Hardenberg
Sectie
W
Percelen
1339, 2185, 2333
Oppervlakte van de onderzoekslocatie
<11500 m2
Eigenaar/ gebruiker
-
Korte beschrijving van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie bestaat uit een voormalig agrarisch erf
Bebouwing
Op de onderzoekslocatie staat een woning met meerdere schuren
Verharding
De onderzoekslocatie is deels verhard met klinkers
2.2
Algemene informatie locatie
De locatie betreft een voormalig agrarisch bedrijf. Op de locatie is een woning met een aantal schuren aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens om de bestemming te wijzigen van agrarisch naar wonen. Op historische kaarten is vanaf 1931 bebouwing op de locatie te zien. Volgens het BAG-register is de woning gebouwd in 1954. De schuren zijn volgens het register eveneens gebouwd in 1954. In 1982 is een Hinderwetvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveebedrijf. In 2000 is een milieuvergunning verleend voor een akkerbouwbedrijf/kwekerij en het houden van paarden en legkippen. In 2004 is een aanvraag Wet milieubeheer ingediend voor het veranderen van de inrichting, het verplaatsen van een loods met paardenstallen. Uit de verkregen informatie blijkt dat er een bovengrondse dieseltank aanwezig is geweest. Op historische kaarten zijn kenmerken te zien van een boomgaard.