Bijlage 12 - Toelichting bijlagen
Tekst van het document
Buitengebied Hardenberg, Jachthuisweg 9 Collendoorn
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
4
Bijlage 2
Quickscan natuurwaardenonderzoek
24
Bijlage 3
AERIUS-berekening
55
Bijlage 4
M.e.r.-beoordelingsbesluit
84
Bijlage 5
Watertoetsresultaat
86
Bijlage 6
Zienswijzennota
97
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 2
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 3
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 4
ruimtelijk kwaliteitsplan Jachthuisweg 9 Collendoorn
colofon Door:
dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk
2
Telefoonnummer
06 24 88 38 28
herbert@erfontwikkelaar.nl
Internet
www.erfontwikkelaar.nl
Project
2208
Auteur
H. Oldehinkel
Datum laatst gewijzigd
30 april 2022, 12:07
Bestandsnaam
2208-RKP-002
Aantal pagina’s
17
3 Inhoudsopgave colofon
2
introductie
4
overzicht ontwikkeling
6
vigerend beleid
8
ontstaan van het landschap
10
het bestaande erf
12
landschappelijke inpassing
14
landschapsmaatregelen
16
introductie
dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld in het kader van een bedrijfsontwikkeling aan de Jachthuisweg 9 te Collendoorn. Het plan bestaat uit het herbestemmen van een voormalig agrarisch erf, dat momenteel een woonbestemming kent, naar agrarisch. Hiermee bestaat de mogelijkheid om het erf weer als akkerbouwbedrijf in gebruik te nemen. Middels een principebesluit heeft de gemeente aangegeven mee te willen werken aan dit initiatief. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor de LandschapsIdentiteitskaarten als beleidskader.
4
5
Jachthuisweg 9
locatie
overzicht ontwikkeling
6
Het erf aan de Jachthuisweg is altijd een agrarisch bedrijf geweest. Aangezien de vorige eigenaar het agrarische bedrijf had afgebouwd is de bestemming naar wonen gegaan. Het erf kent echter nog een sterke agrarische uitstraling en ook de opstallen zijn nog aanwezig. Nu de gronden en het erf gekocht zijn door een naastgelegen akkerbouwer bestaat de wens om dit erf weer te gebruiken als agrarisch. Concreet bestaat dan de mogelijkheid om op het erf weer een nieuwe schuur te bouwen en een oude schuur te slopen.
7
te slopen schuur bestaande schuur
bestaande woning
bestaande schuur
bestaande houtsingel
overzicht ontwikkeling
vigerend beleid
Uit het LIK (en het achtergronddocument) zijn die zaken aangehaald welke bruikbaar zijn voor het plan en de inrichting van het plangebied.
VISIENOTA BUITENGEBIED HARDENBERG DE VISIENOTA BUITENGEBIED HARDENBERG Het perceelJachthuisweg 9 valt in gebied Collendoorn. OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL Dekzandvlakte en jonge heide- en broekontginningslandschap De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
8
In de Visienota Buitengebied worden, op hoger niveau, gebiedskenmerken beschreven en ontwikkelingsrichtingen aangegeven. Dit is in LIK’s en de Ontwikkelingsvisie verder uitgewerkt.
GEBIEDSKENMERKEN Landschapstype: heideontginningslandschap Landschapsbeeld: kleinschalig Huidige functies: landbouw en wonen
FUNCTIE economische zone LANDSCHAPSIDENTITEITSKAARTEN: NOORDELIJKE STADSRANDZONE Het plangebied is beschreven in de LandschapIdentiteitsKaart (LIK): NOORDELIJKE STADSRANDZONE. In de LIK worden de specifieke kenmerken en kwaliteiten van het deelgebied vastgelegd, welke de basis vormen van zowel het bestemmingsplan als de structuurvisie en het landschapsontwikkelingsplan. Het plangebied ligt in het BESLOTEN HEIDEONTGINNINGSLANDSCHAP.
STERK: Verspreide bebouwing langs wegen Strak, rechtlijnig wegenpatroon en wegbeplanting rechthoekige blokverkaveling wegbeplanting verspreide erven Rechthoekige erven met kopgevel naar de weg open landschap Collendoornerbroek Agrarisch-bos-recreatie
ZWAK: smalle wegen
KANSEN: ruimte voor nieuwe kleinschalige functies in voormalige agrarische bebouwing (VAB's)
9
dekzand
natuurlijke laag
besloten heideontginningslandschap
heide- en broekontginningslandschap
laag van het agrarisch cultuurlandschap
landschapsidentiteitskaart
ontstaan van het landschap
Het plangebied is een releatief jong erf dat na de Tweede Wereldoorlog is gerealiseerd aan de Jachthuisweg. De gronden waren toen allang ontgonen maar er was relatief weinig bebouwing aanwezig. Het overgrote deel verder van de Jachthuisweg was veen en nog niet ontgonnen. Door de jaren heen is het landschap verder ontgonnen en in gebruik genomen. Tweede helft 21e eeuw is een zandontginning aan de Allemansweg gerealieerd. Dit heeft het gebied kleinschaliger gemaakt door de groeen houtsingel langs de afgraving. Langs de Jachthuisweg zijn verschillende agrarische erven ontstaan. Veelal bestaan deze uit een boerderij met enkele opstallen. De erven worden ontsloten door een parallelweg aan de zuidzijde van de Jachthuisweg. Langs deze weg staan veel bomen die de erven visueel met elkaar verbinden.
10
situatie 2021
11
situatie 1950
situatie 190o
het bestaande erf
Het erf bestaat uit een boerderij met daarachter en naast verschillende schuren. Het gehele erf kent een landelijke en passende uitstraling.
de bestaande agrarische opstallen
Het erf kent gebiedseigen groen in de vorm van bomen in de tuin voor de boerderij en struweel langs de zijkant van het erf. De bomen zijn volwassen en bestaan uit streekeigen soorten als zomereiken, lindes en paardenkastanjes. Het erf is functioneel ingericht waarbij de gebouwen uitgelijnd aan elkaar staan. Er is een duidelijke scheiding tussen het voorerf met als afscherming een eenvoudig houten hekwerk en het achtererf dat veel functioneler is ingericht. Het erf wordt ontsloten op de Jachthuisweg middels één inrit.
12
de bestaande boerderij
13
uis th ch Ja achtererf
het erf in het landschap
landschappelijke inpassing
Het erf wordt weer in gebruik genomen als agrarisch bedrijf. Daarbij is een voorwaarde dat het landschappelijk goed wordt ingepast in het besloten heideontginningslandschap. Kenmerken van dit landschap zijn: rechtlijnig en ordelijk landschap beplanting langs de randen van het erf onderscheid in het voor- en achtererf sobere ingetogen bebouwing deels zicht op het erf.
Groenstructuur en inrichting erf: De erven langs de Jachthuisweg zijn over het algemeen half open en al dan niet voorzien van enkele grote bomen en houtsingels. Richting de weg zijn de tuinen open en er is zicht op de bebouwing. Veel erven zijn niet meer in gebruik als agrarisch en worden daarmee kleiner met grote tuinen rondom. De agrarische erven kenmerken zich door een veel robuustere inpassing. Het bestaande erf kent waardevolle beplanting waar bij een nieuwe ontwikkeling op aangesloten moet worden. Concreet is dit de aanwezige singelbeplanting aan de zuid- en noordzijde van het erf. Ook de bestaande vitale bomen op het voorerf moeten behouden blijven. Deze geven het erf karakter en maken het een eenheid in het landschap.
wagenberging aan de noordzijde op het erf gerealiseerd. Een oude landschapsontsierende opstal wordt gesloopt. De nieuwe wagenberging zal in een gedekte kleurstelling worden uitgevoerd. Het moet aansluiten op de bestaande schuren in de omgeving. Opvallende elementen als witte deuren/ wandbekleding of glimmende dakbedekking moet voorkomen worden. Hiernaast zijn twee sfeerbeelden opgenomen. De keuze voor de verharding moet in afstemming gemaakt worden met de materialisering van de architectuur. Verharding moet in een gedekte kleurstelling sober toegepast worden aansluitend op de bestaande verharding. Op het erf is straks voldoende ruimte omt te keren en te parkeren (ook met een vrachtwagen). Schuttingen en hoge opgaande exoten moeten in het buitengebied voorkomen worden. Aan de west- en noorzijde wordt een nieuwe houtsingel aangeplant die het erf afschermen. Het agrarische erf sluit aan op de gebiedskenmerken. De bestaande houtsingel aan de zuidzijde blijft behouden en moet door goed beheer gesloten blijven.
referentie voor de nieuwe schuur
De houtsingels vormen een groene rand langs de zijkant en van het erf. Het is niet wenselijk de achterzijde af te schermen aangezien er efficient gewerkt moet worden. Vanaf de achterzijde van het erf is het land goed bereikbaar. Beplanting is hier onwenselijk.
Op gelijke rooilijn met een bestaande schuur ten zuid-oosten van de boerderij wordt een nieuwe
14
ingetogen kleurstelling
bestand
1. Bestaande woning
2208
project
Legenda
2208-eip-1.vwx
15
herbert
door
datum
3. Te slopen schuur
30 april 2022
2. Bestaande schuur
gre
4. Nieuw te bouwen schuur
a3
schaal versie
1.0
Erfinrichtingsplan Jachthuisweg 9 Collendoorn
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
formaat
vla
1 (3)
uw
bo
6
k
6. Nieuw houtsingel van min. 5 (m breed
tekeningno
ns
5. Bestaande houtsingel behouden
7. Bestaande inrit behouden 4 8. Bestaande zomereiken behouden 9. Bestaande linden behouden 10. Bestaande paardenkastanje behouden
3
2
8
7
2
1
9
10 2
5
laat je erf groeien! het erfinrichtingsplan
2208
bestand door
project formaat
a3
schaal
1 (3)
versie
k vla
tekeningno
uw
bo
3. Bestaande zomereiken behouden 4. Bestaande linden behouden
2
4
5
1
laat je erf groeien! landschapsmaatregelen
Erfinrichtingsplan Jachthuisweg 9 Collendoorn
5. Bestaande paardenkastanje behouden
3
16
30 april 2022
2. Aanplant houtsingel bestaande uit: Alnus glutinosa - Zwarte Els 10% Fraxinus excelsior - Gewone Es 10% Betula pubescens - Zachte berk 10% Crateagus mongyna - Meidoorn 15% Prunus spinosa - Sleedoorn 20% Acer campester - Veldesdoorn 15% Viburnum opulus - Geldersche roos 15% Rosa canina - Wilde roos 5% (langs rand) Aanplanten met 10 st/m1 in groepen van 5 Eindbeeld is een houtsingel van min. 5 (m) breed
datum
1. Bestaande houtsingel behouden
ns gre
landschapsmaatregelen
Legenda
laat je erf groeien
2208-eip-1.vwx
bestand
1. Bestaande woning
2208
project
Legenda
herbert
schaal
1.0
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
a3
4
8. Bestaande zomereiken behouden
versie
7. Bestaande inrit behouden
1 (3)
6. Nieuw houtsingel van min. 5 (m breed
Erfinrichtingsplan Jachthuisweg 9 Collendoorn
k vla uw
6
formaat
bo
5. Bestaande houtsingel behouden
tekeningno
ns
gre
4. Nieuw te bouwen schuur
door
datum
3. Te slopen schuur
30 april 2022
2. Bestaande schuur
9. Bestaande linden behouden 10. Bestaande paardenkastanje behouden
3 2
8
7
2
1
9
10 2 5
laat je erf groeien!
2208-eip-1.vwx herbert
bestand
2208 30 april 2022
ns
gre
2. Aanplant houtsingel bestaande uit: Alnus glutinosa - Zwarte Els 10% Fraxinus excelsior - Gewone Es 10% Betula pubescens - Zachte berk 10% Crateagus mongyna - Meidoorn 15% Prunus spinosa - Sleedoorn 20% Acer campester - Veldesdoorn 15% Viburnum opulus - Geldersche roos 15% Rosa canina - Wilde roos 5% (langs rand) Aanplanten met 10 st/m1 in groepen van 5 Eindbeeld is een houtsingel van min. 5 (m) breed
datum
1. Bestaande houtsingel behouden
door
project
Legenda
schaal versie
1.0
www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28
1 : 500
a3 1 (3)
Erfinrichtingsplan Jachthuisweg 9 Collendoorn
formaat tekeningno
k vla uw
bo
3. Bestaande zomereiken behouden 4. Bestaande linden behouden
2
5. Bestaande paardenkastanje behouden
3
4
5
1
laat je erf groeien!
Bijlage 2
Quickscan natuurwaardenonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Jachthuisw eg 9 Collendoorn | PAGINA 24
Quickscan natuurwaardenonderzoek Jachthuisweg 9 - Collendoorn
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Jachthuisweg 9 te Collendoorn
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Opdrachtgever:
Projectnummer en versie: 3614 versie 1.0 Ligging plangebied: Jachthuisweg 9 te Collendoorn Auteur: B. Wagener
BJZ.NU
Status: definitief Rapportdatum: 6-10-2021 Veldwerk uitgevoerd door: Ing. P. Leemreise 1
Inhoudsopgave
Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 7
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9
4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 10
Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 12 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 15
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 15 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 15 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 16 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 21 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 22
2
SAMENVATTING Er zijn plannen voor de sloop van een kapschuur en de bouw van een werktuigenberging aan de Jachthuisweg 9 te Collendoorn. Het plangebied heeft op dit moment de functie woonbestemming maar de wens bestaat van de eigenaar om het perceel in de toekomst te gebruiken ten behoeve van agrarische doeleinden. Hiervoor dient het bestemmingsplan aangepast te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 17 augustus 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t.
gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek of stikstofberekening uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Sommige beschermde vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoort, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. De kapschuur dient bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels gesloopt te worden. Indien de kapschuur tijdens de voortplantingsperiode gesloopt dient te worden, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd worden of kan de bouwplaats ongeschikt gemaakt worden, zodat de dieren zelfstandig vertrekken. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste beschermde dieren niet af.
De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. 3
Wettelijke consequenties samengevat: • Geen beschermde dieren (opzettelijk) doden; • Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode van vogels;
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn plannen voor de sloop van een kapschuur en de bouw van een werktuigenberging aan de Jachthuisweg 9 te Collendoorn. Het plangebied heeft op dit moment de functie woonbestemming maar de wens bestaat van de eigenaar om het perceel in de toekomst te gebruiken ten behoeve van agrarische doeleinden. Hiervoor dient het bestemmingsplan aangepast te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Jachthuisweg 9 te Collendoorn. Het ligt in het buitengebied, circa 1,2 kilometer ten noordwesten van de woonkern Hardenberg. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: kadaster.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, grasland en enkele solitaire bomen. In het plangebied staat een kapschuur met bakstenen gevels, houten topgevels en golfplaten dakbedekking. In de kapschuur staan diverse agrarische werktuigen en ligt hooi opgeslagen. Het grasland rond de kapschuur bestaat uit een soortenarme vegetatie van raaigras. Het plangebied grenst aan de noordzijde agrarisch cultuurland, aan de westzijde aan openbare weg en aan de ander zijden aan erf. Op onderstaande luchtfoto is de begrenzing van het plangebied aangegeven. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid. Met de rode lijn wordt de te slopen kapschuur aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Zoals aangegeven in de inleiding, zijn er plannen om een bestaande kapschuur te slopen en een nieuwe werktuigenberging terug te bouwen. De rest van de bestaande bebouwing blijft behouden. De bestaande woning zal in gebruik worden genomen als bedrijfswoning. Tevens wordt er geen beplanting gerooid of bomen gekapt. Op onderstaande afbeelding wordt een verbeelding van het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Gewenste situatie projectgebied (Bron: PDOK).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen kapschuur; • Bouwen werktuigenberging;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop-, en bouwwerkzaamheden.
7
Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarisch cultuurland, openbare weg en erf. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
9
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel
10
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 1,8 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
11
Ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties Uitvoering van de voorgenomen plannen leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming);
12
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 7 kilometer afstand van Natura 2000-gebied.
Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Vecht- en Beneden-Reggegebied. Er liggen nog andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied, maar die liggen op grotere afstand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
7 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
Stikstofgevoelige habitattypen Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied bestaat voor een deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
13
Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000, kan een negatief effect op kwalificerende soorten en habitats, zoals optische verstoring, geluid, trillingen e.d. uitgesloten worden. Beoordeling Stikstof • Ontwikkelfase Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Dat houdt in dat stikstofemissie welke ontstaat tijdens de ontwikkelfase, niet beoordeeld hoeft te worden op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Wel dient de gebruiksfase beoordeeld te worden. • Gebruiksfase Er is geen sprake van toename van stikstofemissie gedurende de gebruiksfase. Nader onderzoek, zoals het uitvoeren van een stikstofberekening is niet nodig. Wettelijke consequenties Voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebied en leidt daarom niet tot wettelijke consequenties.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek of voortoets uitgevoerd te worden.
14
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied vormt het terrein een voormalig agrarisch bedrijf (akkerbouw) en bestaat uit bebouwing, akkerland, opgeslagen goederen, gazon en opgaande beplanting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen.
Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 17 augustus 2021 tijdens de daglichtperiode bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels. Slechts weinig vogels vertonen nog territorium-indicerend gedrag en slechts enkele soorten hebben nog een bezet nest in deze tijd van het jaar. Sommige trekvogels hebben de broedplaats reeds verlaten. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren 15
(roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties omdat veel, in 2021 geboren jongen, de nestplaats rees verlaten hebben. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de zomerverblijfplaatsen in deze tijd van het jaar. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute.
De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelt er jaarlijks een houtduif in de te slopen kapschuur. Er nestelen geen huismussen, boerenzwaluwen of huiszwaluwen in de kapschuur. Ook zijn geen oude of potentiële nesten van roofvogels n in of rondom het plangebied waargenomen. In de kapschuur zijn geen aanwijzingen gevonden dat uilen de kapschuur benutten als rust- of nestplaats. Rust- of nestplaatsen van uilen in gebouwen zijn doorgans gemakkelijk te vinden aan de hand van schijtsporen, ruiveren en braakballen. Door het slopen van de kapschuur tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een vogel gedood en wordt mogelijk een vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet aangetast.
16
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Kapschuur slopen tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als haas, vos, egel, bosmuis, gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als bosmuis en huisspitsmuis er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Voorgenoemde soorten kunnen een vaste rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen goederen, bouwmaterialen en rommel, zowel in de buitenruimte als in de kapschuur. Een geschikte plek voor egels of steenmarters, om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Door het slopen van de kapschuur en het bouwrijp maken van de bouwplaats, wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling wordt het foerageergebied van grondgebonden zoogdieren niet aangetast.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen kapschuur en verwijderen opgeslagen goederen; - Uitvoeren grondverzet tijdens bouwrijp maken; Vleermuizen •
Verblijfplaatsen
Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De kapschuur beschikt niet over gemetselde buitengevels met luchtspouw en er zijn verder geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering. Vleermuizen kunnen de kapschuur eenvoudig binnen vliegen, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat vleermuizen een rust- of verblijfplaats in de binnenzijde van de kapschuur bezetten. Rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen aan de binnenzijde zijn eenvoudig vast te stellen aan de hand van uitwerpselen op de grond onder de hangplek. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de opgaande beplanting en bebouwing.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
17
• Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied, en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Potentieel voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen goederen, bouwmaterialen en rommel. Zowel in de buitenruimte als in de te slopen kapschuur.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen kapschuur en verwijderen opgeslagen goederen; - Bouwrijp maken bouwplaats; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het slopen van de kapschuur tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soort is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. De functie van het plangebied als foerageergebied, is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd.
18
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Kapschuur slopen buiten de voortplantingsperiode; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het slopen van de kapschuur en het bouwrijp maken van de bouwplaats wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die mogelijk gedood worden en waarvan mogelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield wordt, geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, maar er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dienen ze verjaagd te worden of dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat de dieren zelfstandig verkassen.
1
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 19
Mits geen beschermde dieren gedood worden, leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, dient een ontheffing aangevraagd te worden. De functie van het plangebied als foerageergebied, is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden; Amfibieën Door het slopen van de kapschuur en het bouwrijp maken van de bouwplaats wordt mogelijk een beschermd amfibie gedood en een (winter)rustplaats van een beschermd amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde amfibieën die mogelijk gedood worden en waarvan mogelijk de (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield wordt, geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, maar er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dienen ze verjaagd te worden of dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat de dieren zelfstandig verkassen. Mits geen beschermde dieren gedood worden, leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen beschermde amfibieën doden; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
20
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren