Bijlage 11 - Passende beoordeling Stikstof (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
PASSENDE BEOORDELING ROLLEPAAL OMGEVINGSPLAN Uitbreiding Rollepaal oost 19 november 2025
1/21
DATUM KENMERK
19 november 2025 20220661/236485/IrDe
PROJECT PROJECTLEIDER
bedrijventerrein Rollepaal Oost, Dedemsvaart, omgevingsplan ing.
OPDRACHTGEVER Gemeente Hardenberg PROJECTNUMMER 20220661 AUTEUR STATUS
2/21
Definitief
DISCLAIMER © Rho Adviseurs B.V. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. AVG Onze producten worden vrijgegeven conform het protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem van Rho Adviseurs B.V.. Daarbij wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. In het kader van de AVG worden, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, persoonsgegevens van derden in onze producten geanonimiseerd. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens van Rho Adviseurs B.V., namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) van adviseur(s), zijnde auteur(s) van het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd.
3/21
INHOUD 1.
2. 3.
4.
5.
6.
7.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 6
Aanleiding en doel Ligging plangebied Leeswijzer
Planbeschrijving Toetingskader
7 8
3.1 3.2 3.3 3.4
8 8 9 9
Vogel- en Habitatrichtlijn Omgevingswet Beleidsregels intern salderen Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebieden
Depositiebijdrage
11
4.1 4.2
11 12
Aanlegfase Gebruiksfase
Effectbepaling en -beoordeling
14
5.1 5.2
Natuurdoelanalyses algemeen Natuurdoelanalyse per Natura 2000-gebied 5.2.1 Vecht en Beneden-Reggegebied
14 14 15
5.3
Conclusie
15
Interne saldering
16
6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
16 16 17 17 17 18
Inleiding Referentiesituatie Effecten in aanlegfase na saldering Effecten in de gebruiksfase na saldering Cumulatie Additionaliteitvereiste
Conclusie
Bijlage 1
Stikstofonderzoek omgevingsplan Rollepaal
20 21
LIJST VAN TABELLEN Tabel 3-1 Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied Tabel 4-1 Rekenresultaten bouwfase per habitattype Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied Tabel 4-2 Rekenresultaten Beoogde situatie (planvoornemen) per habitattype en leefgebied Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied Tabel 5-1 Depositietoenames in relatie tot NDA-conclusies Vecht en Beneden-Reggegebied
4/21
9 11 12 15
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding en doel
De gemeente Hardenberg is voornemens om het bedrijventerrein Rollepaal te Dedemsvaart uit te breiden in oostelijke richting. Voor de uitbreiding wordt een milieueffectrapportage en omgevingsplan opgesteld. Uit het stikstofonderzoek voor de uitbreiding blijkt sprake van een depositietoename op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Reggegebied tijdens zowel de gebruiks- als aanlegfase. Op voorhand kan niet worden gesteld dat de depositietoename niet leidt tot significante effecten. Voorliggende passende beoordeling is nodig om aan te tonen dat de uitbreiding niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000. Vanwege de afstand van meer dan 6 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zijn effecten als verstoring, areaalverlies, versnippering, verdroging etc. op voorhand uit te sluiten. In de voorliggende passende beoordeling wordt de verandering qua stikstofdepositie op Natura 2000 berekend en wordt beoordeeld wat hiervan de gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelen van de omliggende Natura 2000-gebieden.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in de kern Dedemsvaart gemeente Hardenberg. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vecht- en Beneden- Reggegebied en ligt op een afstand van circa 6 kilometer. De ligging van het projectgebied is weergegeven in onderstaand figuur. In het gebied is stikstofgevoelige natuur aanwezig.
Figuur 1-1 Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
5/21
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de beoogde ontwikkeling kort beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het juridisch kader. In hoofdstuk 4 worden de berekende deposities in de aanleg- en gebruiksfase toegelicht. De effecten van deze deposities op Natura 2000gebieden worden in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 worden de beoogde interne saldering en de depositie-effecten daarvan beschreven. Hoofdstuk 7 beschrijft vervolgens de conclusies.
6/21
2. PLANBESCHRIJVING De nieuwe uitbreiding Rollepaal Oost beslaat circa 29 ha bruto, de netto uitgeefbare oppervlakte bedraagt ongeveer 21 ha. De gronden zijn in eigendom van de gemeente Hardenberg. Op onderstaande kaart is een voorbeeldverkaveling van het gebied Rollepaal Oost weergegeven. Rollepaal Oost moet een plek bieden voor zwaardere bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 4.2, waarbij maatregelen worden getroffen om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Lichtere en qua omvang kleinere bedrijven worden in het noordoostelijke deel van Rollepaal Oost geplaatst. Zwaardere en grotere bedrijven in het zuidoostelijke deel. Naast de normale bedrijvigheid, worden onder andere een waterstof-tankstation, ondersteunende voorzieningen en de uitbreiding van het verdeelstation TenneT/Enexis mogelijk gemaakt. Detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen worden niet toegestaan. Het bedrijventerrein wordt niet aangesloten op gas.
Figuur 2-1 Concept stedenbouwkundig plan planvoornemen
7/21
3. TOETINGSKADER 3.1
Vogel- en Habitatrichtlijn
Op Europees niveau bestaan twee richtlijnen die bepalend zijn voor het natuurbeleid in de verschillende lidstaten: de Vogelrichtlijn1) en de Habitatrichtlijn2). De Vogelrichtlijn is opgesteld in 1979 en heeft als doelstellingen: ● beschermen van alle in het wild levende vogels en hun leefgebieden; extra bescherming trekvogels en bedreigde vogelsoorten door aanwijzing Speciale Beschermingszones (SBZ’s); ● opstellen beheersmaatregelen om de SBZ’s in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); ● passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen. De Habitatrichtlijn is in 1992 opgesteld ter bevordering van de biodiversiteit in Europa. De doelstellingen van de Habitatrichtlijn luiden: ● bescherming biodiversiteit door Speciale Beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen voor bedreigde planten en dieren (behalve vogels) en hun leefgebieden; ● opstellen beheersmaatregelen om de SBZ’s in gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen (instandhoudingsdoelen); ● passende beoordeling van gevolgen van plannen of projecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelen.
3.2
Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Wet natuurbescherming (Wnb) is hierbij komen te vervallen. Natura 2000-gebieden Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dierenbescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. De Omgevingswet: ● verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ’s) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; ● vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; ● legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen.
● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een
1) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. 2) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
8/21
●
●
passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Voor de inschatting van de effecten die een plan of project kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.
Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “'Significantie' bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip significantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing. De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoel-stellingen. Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en voor soorten. ● Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. ● Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de voortoets of passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd.
3.3
Beleidsregels intern salderen
Op het moment van schrijven (februari 2025) zijn er geen beleidsregels vastgesteld voor intern salderen.
3.4
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebieden
De instandhoudingsdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden vormen het toetsingskader. De doelen zijn gericht op areaal en kwaliteit en bij soorten ook op aantallen waarvoor een behouds-, uitbreidings-, of verbeteropgave geldt. De staat van instandhouding is gunstig als de trend vanaf het moment van aanwijzing neutraal of positief is. Tabel 3-1 Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied
Habitattype H2310 - Stuifzandheiden met struikhei
Oppervlakte >
Kwaliteit >
H2320 - Binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2330 - Zandverstuivingen
= >
= >
H3130 - Zwakgebufferde vennen H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
= =
= =
= =
> =
> >
> >
H3160 - Zure vennen H3260B - Beken en rivieren met waterplanten H4010A - Vochtige heiden H4030 - Droge heiden
9/21
Habitatsubtype
grote fonteinkruiden hogere zandgronden
Habitattype
Habitatsubtype
Oppervlakte
Kwaliteit
H5130 - Jeneverbesstruwelen
=
>
H6120* - Stroomdalgraslanden
>
>
H6230* - Heischrale graslanden
=
>
H6430A - Ruigten en zomen
moerasspirea
=
=
H7110B* - Actieve hoogvenen
heideveentjes
=
=
=
=
=
=
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen
=
=
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
=
=
H9190 - Oude eikenbossen
>
>
>
>
=
=
H7120 - Herstellende hoogvenen H7140A - Overgangs- en trilvenen
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
trilvenen
beekbegeleidende bossen
H91F0 - Droge hardhoutooibossen Soort
Populatie
Omvang leefgebied
H1134 - Bittervoorn
=
=
Kwaliteit leefgebied =
H1145 - Grote modderkruiper
>
>
=
H1149 - Kleine modderkruiper
=
=
=
H1163 - Beek/Rivierdonderpad H1166 - Kamsalamander
= >
= >
= >
>
>
=
H1355 - Otter H1614 - Kruipend moerasscherm
10/21
4. DEPOSITIEBIJDRAGE Met de meest recente versie van AERIUS Calculator 2025 is de stikstofdepositie in de aanlegfase en de gebruiksfase berekend. Ten aanzien van de invoergegevens bij beide berekeningen wordt verwezen naar de notitie uitbreiding Rollepaal Oost van Rho adviseurs (november 2025, zie bijlage 1).
4.1
Aanlegfase
De aanlegwerkzaamheden laten een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage zien op één Natura 2000-gebied, namelijk Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Reggegebied. Het gaat om een tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar.
Figuur 4-1 Rekenresultaten voor de aanlegfase. Op 1 hexagoon is sprake van een depositietoename (paarse hexagoon).
De rekenresultaten van AERIUS met betrekking tot de aanlegfase zijn opgenomen in onderstaande tabel. De vetgedrukte habitats en leefgebieden zijn stikstofgevoelig en grotendeels overbelast. Tabel 4-1 Rekenresultaten bouwfase per habitattype Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied
Habitattypen/leefgebieden Vecht en Beneden-Reggegebied
Areaal met depositie (ha)
KDW mol N/ha/jr.
Max. depositie door project
H4030 H2310
Droge heiden Stuifzandheiden met struikhei
0,11 0,09
714 714
0,01 0,01
H2330
Zandverstuivingen Jeneverbeststruwelen
0,01 0,00
714 1.071
0,01 0,01
H5130
11/21
4.2
Gebruiksfase
In de gebruiksfase is er sprake van een blijvende stikstofdepositiebijdrage op één Natura 2000-gebied (zie figuur 4.2). Het gaat om een projectbijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar.
Figuur 4-2 Overzicht rekenresultaten beoogde situatie met ligging hexagonen (paars) waar sprake is van een depositietoename.
De rekenresultaten van AERIUS met betrekking tot de gebruiksfase zijn opgenomen in onderstaande tabel. De vetgedrukte habitats en leefgebieden zijn stikstofgevoelig en grotendeels overbelast. Tabel 4-2 Rekenresultaten Beoogde situatie (planvoornemen) per habitattype en leefgebied Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied
Habitattypen/leefgebieden Vecht en Beneden-Reggegebied
Areaal met depositie (ha) 2,89
KDW mol N/ha/jr. 1.071
Max. depositie door project 0,01
H5130
Jeneverbesstruwelen
H2310 H9190
Stuifzandheiden met struikhei Oude eikenbossen
2,25 2,07
714 1.071
0,01 0,01
H4010A H9120
Vochtige heiden (hogere zandgronden) Beuken-eikenbossen met hulst
1,19 1,12
1.071 1.071
0,01 0,01
H2330 H4030
Zandverstuivingen Droge heiden
0,91 0,77
714 714
0,01 0,01
12/21
Habitattypen/leefgebieden Vecht en Beneden-Reggegebied
Areaal met depositie (ha) 0,67
KDW mol N/ha/jr. 1.857
Max. depositie door project 0,01
H91E0C
Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Lg02
Geïsoleerde meander en petgat
0,5
2.143
0,01
H6230
Heischrale graslanden
0,02
714
0,01
H6120
Stroomdalgraslanden
0
1.286
0,01
De deposities in de gebruiksfase zijn groter dan in de aanlegfase en bovendien blijvend. De gebruiksfase is daarmee maatgevend voor het ecologisch effect en wordt in het volgende hoofdstuk beoordeeld.
13/21
5. EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING 5.1
Natuurdoelanalyses algemeen
Voor het beoordelen van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-habitats en leefgebieden zijn de Natuurdoelanalyses (NDA’s) per gebied leidend. Voor alle stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden zijn in 2022 en 2023 Natuurdoelanalyses opgesteld. Doel is om voorafgaand aan de vaststelling van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (ex ante) te beoordelen of de uitgevoerde en geplande maatregelen leiden tot het realiseren van de condities voor instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten. In elke NDA is een analyse opgesteld die inzichtelijk maakt of de geplande en in uitvoering zijnde maatregelen volstaan om verslechtering tegen te gaan en het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk te maken voor zover dit (mede) afhankelijk is van de drukfactor stikstof.
De vragen die in de NDA beantwoord worden zijn: ● Gaan we de condities ten behoeve van de realisering van de doelen halen met de uitgevoerde en voorgenomen herstelmaatregelen? Zo niet: ● Welke aanvullende maatregelen zijn nodig? De centrale vraag van een NDA is: Leiden de uitgevoerde en geprogrammeerde maatregelen tot tegengaan van verslechtering van habitattypen en leefgebieden én borgen deze dat het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (voor zover het uitbreiding of verbetering betreft) binnen bereik blijven of komen? Deze vraag is in de NDA per habitattype en soort beantwoord, waarbij de volgende categorieën van antwoorden mogelijk zijn:
Ja:
De NDA levert de ecologische onderbouwing dat het vastgestelde pakket maatregelen realisatie van instandhoudingsdoelstellingen mogelijk maakt door het op orde brengen van de condities daarvoor. De seinen staan op groen. Verslechtering van habitats is niet aan de orde, instandhoudingsdoelstellingen zijn binnen bereik en kunnen op termijn worden behaald
Ja, mits:
De NDA levert de ecologische onderbouwing dat het vastgestelde pakket maatregelen verslechtering van stikstofgevoelige habitats voorkomt (behoud is gewaarborgd), maar aanvullende maatregelen zijn nodig voor het op orde brengen van de condities voor het binnen bereik houden van de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering) op lange termijn. De NDA maakt duidelijk wat de resterende knelpunten zijn. Dit leidt tot de noodzaak voor verdere verkenning en uitvoering van aanvullende maatregelen. Dat kunnen zowel bronmaatregelen zijn als natuurherstelmaatregelen.
Nee, tenzij:
Uit de ecologische onderbouwing in de NDA blijkt dat met het vastgestelde pakket maatregelen verslechtering niet met zekerheid valt uit te sluiten. Ook de condities voor het binnen bereik houden van eventuele doelen voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering op lange termijn zijn daarom nog niet met zekerheid geborgd. De NDA maakt duidelijk wat de resterende knelpunten zijn. Er zijn aanvullende bron- en of natuurherstelmaatregelen nodig om verslechtering te stoppen en eventuele uitbreiding en/of verbetering te kunnen realiseren. Ook kunnen in de tussentijd overlevingsmaatregelen nodig zijn. Bij het ontbreken van mogelijkheden voor natuurherstelmaatregelen zijn directe maatregelen voor stikstofreductie nodig.
5.2
Natuurdoelanalyse per Natura 2000-gebied
In deze paragraaf wordt voor alle Natura 2000-gebieden binnen de invloedsfeer van het onderhavige project beoordeeld in hoeverre de berekende deposities in de gebruiksfase zich verhouden tot de conclusies in de Natuurdoelanalyses. Wanneer sprake is van een depositietoename op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden waarvan de NDA concludeert dat met het vastgestelde pakket maatregelen verslechtering niet met zekerheid valt uit te sluiten (Nee, tenzij) en waarbij stikstofdepositie een belangrijke rol speelt, dan leidt de berekende depositietoename tot een significant effect.
14/21
5.2.1
Vecht en Beneden-Reggegebied
Tabel 5-1 Depositietoenames in relatie tot NDA-conclusies Vecht en Beneden-Reggegebied
Habitattypen/ leefgebieden Vecht en Beneden-Reggegebied
Eindoordeel
Max. depositie door project
H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2320 Binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2330 Zandverstuivingen H3130 Zwakgebufferde vennen H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen H3160 Zure vennen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) H4030 Droge heiden H5130 Jeneverbesstruwelen H6120 Stroomdalgraslanden H6230 Heischrale graslanden H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) H7120 Herstellende hoogvenen H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen) H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H9190 Oude eikenbossen H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H91F0 Droge hardhoutooibossen Lg02 Geïsoleerde meander en petgat Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Ja, mits
0,01 0,01
Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Nee, tenzij Ja nvt nvt
0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 -
-
Conclusie; significant negatief effecten als gevolg van de depositietoename door het onderhavige project kan niet op voorhand worden uitgesloten binnen 11 habitats binnen het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied
5.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling heeft een depositietoename tot gevolg van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Binnen één Natura 2000gebied in het effectgebied zijn stikstofgevoelige en overbelaste habitattypen aanwezig. Er kan niet op voorhand uitgesloten worden dat deze toename op deze al overbelaste habitattypen tot significant negatieve effecten (als gevolg van verzuring/vermesting).
15/21
6. INTERNE SALDERING 6.1
Inleiding
De in het vorige hoofdstuk beschreven depositietoenames binnen het Natura 2000-gebied hebben betrekking op stikstofgevoelige en overbelaste leefgebieden. Ook bij voortzetting van de dalende depositietrend van de afgelopen jaren en inclusief het pakket voorgenomen maatregelen door rijk en provincies is het uitgesloten dat de achtergronddepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden op afzienbare termijn voldoende laag zijn om voldoende herstel van deze habitats en leefgebieden mogelijk te maken. Uit de ecologische onderbouwing in de natuurdoelanalyses van het betreffende gebied blijkt dan ook dat met het vastgestelde pakket maatregelen verslechtering niet met zekerheid valt uit te sluiten. Ook de condities voor het binnen bereik houden van eventuele doelen voor uitbreiding en/of kwaliteitsverbetering op lange termijn zijn daarom nog niet met zekerheid geborgd. Voor de berekende depositietoenames kan niet zonder meer worden uitgesloten dat sprake is van significante effecten. In dat kader is gekozen voor de inzet van het instrument interne saldering; de inzet van bestaande legale stikstofemissies (referentiesituatie). Door interne saldering kunnen de berekende depositietoenames op Natura 2000 op dezelfde locaties minimaal geheel worden opgeheven.
In de volgende paragrafen wordt de referentiesituatie voor intern salderen toegelicht en wordt berekend wat de gevolgen zijn voor de depositieberekeningen en daarmee de effecten op Natura 2000.
6.2
Referentiesituatie
Voor het vaststellen van de referentiesituatie moet onderscheid gemaakt worden tussen de plantoets en de projecttoets. Voor beide sporen geldt een afwijkende referentiesituatie ten opzichte waarvan de effecten van de nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld. De referentiesituatie voor het planspoor is de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Het is daarbij van belang dat de activiteit nog steeds aanwezig is op het moment dat het plan wordt vastgesteld. Als die activiteit reeds beëindigd is, dan kan deze activiteit in beginsel niet in de referentiesituatie worden betrokken, tenzij kan worden aangetoond dat deze activiteit specifiek beëindigd is ten behoeve de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De emissie vanuit het plangebied wordt in de huidige situatie bepaald door het huidig landbouwkundig gebruik in het gebied. In 2023 werden de volgende gewassen geteeld: 21 ha maïs en 15 ha bieten3. De agrarische activiteiten die plaatsvinden op percelen waar een bestemmingswijziging voorzien is, worden meegenomen in de berekening voor de huidige emissies voor de bepaling van de referentiesituatie. De ammoniakemissie bij dierlijke mest bedraagt: ● Maïs 140 kg [stikstofgebruiksnorm] x 0,48 [TAN gehalte] x 1,21 [17/14 = omrekenfactor] x 0,10 [% vervluchting] = 8,1 kg NH3/ha/jaar.
● Suikerbieten 145 kg [stikstofgebruiksnorm] x 0,48 [TAN gehalte] x 1,21 [17/14 = omrekenfactor] x 0,10 [% vervluchting] = 8,4 kg NH3/ha/jaar Het vorenstaande betekent dat voor het planspoor in de referentiesituatie uit mag worden gegaan van 241 kg NH3/jaar (dierlijke mest) op de te vervallen agrarische functie 29 hectare maïs/suikerbieten. Op dit moment is er (nog) geen beleid voor intern salderen. Voor extern salderen wordt op dit moment een afromingspercentage van 30 procent gehanteerd in de provincie Overijssel. Voor de referentiesituatie is uitgegaan van deze afroomfactor 0,3, zodat 70 procent van de stikstofruimte is meegenomen in de berekeningen. De overige 30 procent komt ten goede aan het herstel van de Natura 2000-gebieden. 3 Boer en Bunder 1 mei 2023 bron: BRP23
16/21
6.3
Effecten in aanlegfase na saldering
Uit de AERIUS-berekening voor de realisatiefase blijkt dat de emissie 337,3 kg NOx en 13,7 kg NH3 per jaar zal bedragen. Na saldering met de referentiesituatie (inclusief 35 procent afroming) is er geen sprake van een depositietoename op Natura 2000-gebieden.
Figuur 6-1 Resultaat verschilberekening referentie - aanlegfase
6.4
Effecten in de gebruiksfase na saldering
Uit de verschilberekening tussen de referentiesituatie en beoogde situatie (interne saldering met 35 procent afroming) blijkt dat er geen sprake meer is van een depositietoename. Als gevolg van afroming komt 35% van de referentiesituatie ten goede aan het natuurherstel.
Figuur 6-2 Resultaat verschilberekening referentie - gebruiksfase
6.5
Cumulatie
De beoogde ontwikkeling heeft ten opzichte van de referentiesituatie een positief effect op Natura 2000-gebieden. Een cumulatietoets is derhalve niet aan de orde.
17/21
6.6
Additionaliteitvereiste
Het beperken of beëindigen van een bestaande vergunde situatie is een maatregel die naar zijn aard ingezet kan worden als instandhoudings- of passende maatregel. Salderen kan alleen in de passende beoordeling worden betrokken als voldaan is aan het additionaliteitsvereiste (Habitatrichtlijn artikel 6, tweede lid). Er dient te worden aangetoond dat de stikstofruimte die vrijkomt uit de milieutoestemming niet noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 5 is per habitattype waar sprake is van een depositietoename aangegeven of de instandhoudingsdoelen (doelbereik) kunnen worden behaald. Wanneer sprake is van de conclusie ja of ja-mits, geldt dat voldoende andere maatregelen worden getroffen om de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen niet in gevaar te brengen of verslechtering te voorkomen. Het intrekken van de stikstofruimte is voor deze habitattypen niet noodzakelijk. Voor de habitattypen waarbij het doelbereik onzeker is en beoordeeld is met nee-tenzij, valt verslechtering niet uit te sluiten zonder het treffen van passende maatregelen. Het bevoegd gezag voor de betreffende Natura 2000-gebieden (provincie Overijssel) zet in op maatregelen die gericht zijn op de noodzakelijke reductie van stikstof op deze gebieden.
Het gaat hier zowel om bronmaatregelen (vrijwillige aankoop agrarische bedrijven, innovatie stalsystemen) als extra herstelmaatregelen. Ook wordt ingezet op transformatie van het landelijk gebied, ook wel koploperprojecten genoemd. Koploperprojecten zijn initiatieven van mensen (inwoners, ondernemers, organisaties) die wonen in het landelijk gebied van Overijssel. Voorgenomen initiatief ligt in het gebied Vechtdal. In dit gebied zijn inmiddels zes gebiedsprocessen gestart waaronder; landgoederenzone vechtdal, gebiedsprocessen Landgoed Junne, Stegeren boert door, Dalserveld, Witharen en Boeren Lemelerveld.
Figuur 6-3 Openbare Koploperprojecten Overijssel
18/21
Figuur 6-4 Fasering koplopertrajecten Overijssel
In de provincie geldt op dit moment een vergunningstop en wordt de verdere aanpak ten aanzien van stikstof verkend. Omdat nog niet bekend is wat het pakket aan passende maatregelen zal zijn waarmee het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen verzekerd is, wordt beschouwd of de bron waarmee wordt gesaldeerd een passende maatregel zou kunnen zijn. De inzet van bemeste gronden als passende maatregel betreft een bedrijfsgerichte passende maatregel die alleen zinvol is wanneer dit een hoge depositiebijdrage heeft en binnen afzienbare termijn tot een relevante verbetering kan leiden. De depositiebijdrage in de referentiesituatie is dermate gering (maximaal 0,01 mol/ha/jr. op de gebieden Mantingerzand, Vecht- en Beneden Reggegebied, Mantingerbos, Dwingelderveld en Engbertsdijksvenen), dat intrekken niet leidt tot een relevante verbetering van de Natura 2000-gebieden binnen afzienbare termijn. Op projectniveau (kavelniveau) is de inzet van de stikstofruimte als gevolg van bemeste gronden (referentie) naar verwachting niet meetbaar.
Gezien de zeer geringe stikstofdepositiebijdrage uit de referentiesituatie niet als passende maatregel met een relevante verbetering op korte termijn kan worden beschouwd en hierdoor niet noodzakelijk is om de natuurdoelen te behalen (behoud, herstel of voorkomen van verslechtering), de referentiesituatie niet dubbel wordt ingezet, kan de referentiesituatie worden ingezet als mitigerende maatregel.
19/21
7. CONCLUSIE Het plangebied bedrijventerrein Rollepaal ligt op meer dan 6 km afstand van Natura 2000-gebieden. Hierdoor kunnen effecten als verdroging en verontreiniging en dergelijke op voorhand worden uitgesloten. Enkel de effecten van stikstofemissies zijn voor dit project relevant. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal in Dedemsvaart leidt tot een geringe depositietoename op Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Reggegebied in zowel gebruiksfase als bouwfase. Uit de natuurdoelanalyse van dit gebied blijkt dat voor het merendeel van de habitattypen het doelbereik niet haalbaar is tenzij aanvullende maatregelen worden genomen (eindoordeel; nee-tenzij). Hierdoor kan niet op voorhand worden gesteld dat de depositietoename leidt tot significant negatieve effecten en is in voorliggende rapportage het effect passend beoordeeld. Er is gebruik gemaakt van het instrument intern salderen waardoor er geen sprake meer is van depositietoename op Natura 2000-gebieden. Aanvullend is gerekend met 35 procent afroming waarbij 35 procent van de stikstofruimte in referentiesituatie ten goede komt aan het herstel van de beïnvloedde Natura 2000-gebieden, ook in deze situatie is geen sprake van een depositietoename.
De ontwikkeling leidt in vergelijking tot de referentiesituatie niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en heeft geen gevolgen voor het behalen van instandhoudingsdoelen.
20/21
Bijlage 1 Stikstofonderzoek omgevingsplan Rollepaal
21/21
- NOTITIE Memo
DATUM KENMERK VERSIE
November 2025 20220661/236511/IrDe 5
20220661 bedrijventerrein Rollepaal Oost, Dedemsvaart, omgevingsplan OPDRACHTGEVER Gemeente Hardenberg PROJECT
STIKSTOFONDERZOEK OMGEVINGSPLAN ROLLEPAAL
1. INLEIDING In opdracht van de gemeente Hardenberg is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase voor het bedrijventerrein Rollepaal Oost te Dedemsvaart. Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarische gronden. Het gebied wordt ingericht als een bedrijventerrein van 29 hectare met maximaal 21 hectare uitgeefbare kavels. De beoogde ontwikkeling kan leiden tot effecten op instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Vecht- en Beneden- Reggegebied en ligt op een afstand van circa 6 kilometer. De ligging van het projectgebied is weergegeven in Figuur 1-1. Een aantal effecten op Natura 2000-gebieden kan op voorhand worden uitgesloten vanwege de afstand, het gaat hierbij om verstoring (licht/trillingen/geluid/mechanisch/optisch), verandering in waterhuishouding (verdroging/vernatting), versnippering en oppervlakteverlies. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is wel sprake van stikstofemissies die kunnen leiden tot een depositie effect op omliggende Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator (versie 2025) zijn berekeningen uitgevoerd om de gevolgen van stikstofdepositie in beeld te brengen en te toetsen of de ontwikkeling past binnen de eisen die gelden op grond van de Omgevingswet. De berekeningen zijn opgenomen als bijlagen bij deze memo.
Figuur 1-1: Ligging ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000 (Bron: AERIUS Calculator).
2. TOETSINGSKADER Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 5.1, lid 1, sub e Ow, zie H 6.1 Omgevingswet). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
3. UITGANGSPUNTEN In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitgangspunten voor de referentiesituatie, de aanlegfase en de beoogde situatie.
3.1
Referentiesituatie (feitelijke, planologisch legale situatie)
Voor het vaststellen van de referentiesituatie moet onderscheid gemaakt worden tussen de plantoets en de projecttoets. Voor beide sporen geldt een afwijkende referentiesituatie ten opzichte waarvan de effecten van de nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld. De referentiesituatie voor het planspoor is de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Het is daarbij van belang dat de activiteit nog steeds aanwezig is op het moment dat het plan wordt vastgesteld. Als die activiteit reeds beëindigd is, dan kan deze activiteit in beginsel niet in de referentiesituatie worden betrokken, tenzij kan worden aangetoond dat deze activiteit specifiek beëindigd is ten behoeve de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. De hoeveelheid mest die mag worden aangebracht op gras- en bouwland is vastgelegd in het mestbeleid. Deze normen geven per teelt aan hoe veel mest (stikstof) per jaar per hectare mag worden opgebracht. Het aandeel stikstof (N) uit dierlijke mest in deze norm is gelimiteerd tot maximaal 170 kg N per hectare per jaar1. Wanneer de bemestingsnorm hoger is dan wat uit dierlijke mest opgebracht mag worden, dient de overige bemesting te worden verkregen uit andere bemestingsbronnen. Over het algemeen is dat kunstmest.
De emissie vanuit het plangebied wordt in de huidige situatie bepaald door het huidig landbouwkundig gebruik in het gebied. In 2023 werden de volgende gewassen geteeld: 21 ha maïs en 15 ha bieten2. De agrarische activiteiten die plaatsvinden op percelen waar een bestemmingswijziging voorzien is, worden meegenomen in de berekening voor de huidige emissies voor de bepaling van de referentiesituatie. Aangezien de stikstofgebruiksnorm voor mais en bieten (i.c. maïs
1 https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/mest-gebruiken-en-uitrijden/dierlijke-mest-landbouwgrond 2 Boer en Bunder 1 mei 2023 bron: BRP23
2/12
140 N/ha/jaar en bieten 145 N/ha/jaar3) lager is, is er geen rekening gehouden met aanbrengen van kunstmest. De emissie van dierlijke mest is berekend op basis van het type mest, het TAN -gehalte van de mest, de mest aanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactor. TAN-gehalte Slechts een deel van de hoeveelheid stikstof in de toegediende mest wordt makkelijk omgezet in NH3. Dit wordt het totaal ammoniakaal stikstof genoemd (TAN) dat naar de atmosfeer kan ontwijken. Het TAN-percentage bedraagt voor drijfmest van graasdieren 48%.4 Omrekenfactor Om de N vervolgens om te rekenen naar NH3 wordt een factor 17/14 toegepast.5 Vervluchtingspercentage Bij bemesting bepaalt de toedieningstechniek hoeveel stikstof wordt geëmitteerd naar de lucht. Het model NEMA kent aan het toedienen van dierlijke mest standaard emissiefactoren toe. Voor bouwland wordt uitgegaan van een vervluchtigingspercentage van 10% op basis van een bouwlandinjecteur. Ammoniakemissie bij dierlijke mestaanwending Het voorgaande betekent dat in een stikstofberekening de volgende input kan worden gebruikt voor het vaststellen van de referentiesituatie voor bemesten. De ammoniakemissie bij dierlijke mest bedraagt: ● Maïs 140 kg [stikstofgebruiksnorm] x 0,48 [TAN gehalte] x 1,21 [17/14 = omrekenfactor] x 0,10 [% vervluchting] = 8,1 kg NH3/ha/jaar.
● Suikerbieten 145 kg [stikstofgebruiksnorm] x 0,48 [TAN gehalte] x 1,21 [17/14 = omrekenfactor] x 0,10 [% vervluchting] = 8,4 kg NH3/ha/jaar Het vorenstaande betekent voor het planspoor in de referentiesituatie uit mag worden gegaan van 241 kg NH3/jaar (dierlijke mest) op de te vervallen agrarische functie 29 hectare maïs/suikerbieten.
3.2
Aanlegfase bedrijventerrein
Tijdens de aanlegfase van het bedrijventerrein kan sprake zijn van stikstofemissies door gebruik van mobiele werktuigen en transporten. Op dit moment is nog weinig bekend over de aanlegfase. Om toch een beeld te kunnen geven over de effecten is een inschatting gemaakt van de inzet van materieel, draaiuren en vermogens. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels over het beperken van stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden. Degene die bouwwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, moet adequate maatregelen nemen om de stikstofuitstoot te beperken (artikel 7.19a Bbl). Voor het begrip 'adequate maatregelen' wijst de toelichting op artikel 7.19a naar de
3 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2023-12/Tabel-2-Stikstof-landbouwgrond-2024.pdf
4 Van Dijk ea, ‘Rekenregels van de KringloopWijzer 2020 – Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: actualisatie van de 2019-versie’ (Rap-
port WPR-1023), november 2020 (hierna: ‘WUR-rapport 2020’). Zie o.a. tabel 1.2 uit het WUR-rapport 2020, p. 14. 5 Methodiek voor berekening van ammoniakemissie uit de landbouw in Nederland, 2009, G.L. Velthof; https://edepot.wur.nl/5140
3/12
Routekaart Schoon en Emissieloos6 Bouwen van Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB). De routekaart bevat drie niveaus die de hoogte van de emissie-eisen bepalen. Het minimumniveau wordt gezien als het treffen van adequate maatregelen ofwel is de verplichte situatie. Voor de stikstofberekening van de aanlegfase is uitgegaan van het minimumniveau ten aanzien van inzet van de mobiele werktuigen, dit betekent dat is uitgegaan van Stage IV met roetfilter.
Figuur 3-1 Drie niveaus van emissie-eisen (Routekaart SEB).
6 Routekaart SEB - definitief.pdf (opwegnaarseb.nl)
4/12
Figuur 3-2 Verplicht minimumniveau mobiele werktuigen
Inzet mobiele werktuigen In
5/12
Tabel 3-1 is een inschatting gegeven van de inzet van materieel, draaiuren en dieselverbruik. Emissies door mobiele werktuigen zijn berekend op basis van het AdBlue verbruik, uren inzet en brandstofverbruik (de “AUB-methode”. Het brandstofverbruik is afkomstig uit de dataset van TNO voor AERIUS 2021 (tabblad NRMM AUB methodiek). Deze zijn afhankelijk van de vermogensklasse en het bouwjaar. Er is rekening gehouden met een gemiddeld belastingpercentage van 37%, bouwjaar 2015 en een AdBlue verbruik van 6%. De ontwikkeling van het bedrijventerrein vindt over meerdere jaren plaats. Er wordt gestart met grondverzet waaronder het uitgraven van watergangen. De grond wordt verwerkt in de grondwal. Hierna wordt de infrastructuur aangelegd en worden de kavels bouwrijp gemaakt. Na uitgifte van de kavels vinden de bouwwerkzaamheden op de kavels plaats. In het rekenprogramma AERIUS gaat uit van emissies per jaar. Er is rekening gehouden met een bouwperiode van 5 jaar. De mobiele werktuigen zijn ingevoerd als totaal in één vlakbron, Stage-IV 2014-2018, 75-560 kW, diesel, SCR: Ja.
6/12
Tabel 3-1: Inschatting dieselverbruik machines aanlegfase bedrijventerrein Rollepaal.
Bedrijventerrein
Vermogen kW
Stage klasse, Draaiuren bouwjaar
Dieselverbruik (liter/uur)
Totaal Dieselverbruik (liter)
AdBlue (liter)
Graafmachine
120
IV, 2015
5.000
12,52
62.600
3.756
Shovel
160
IV, 2015
3.000
16,52
49.560
2.974
Asfaltmachine
100
IV, 2015
200
10,53
2.106
126
Wals
80
IV, 2015
200
8,53
1.706
102
Heistelling
200
IV, 2015
650
20,51
13.332
800
Betonpomp
80
IV, 2015
500
8,53
4.265
256
Hijskraan
200
IV, 2015
5.000
20,51
102.550
6.153
Hoogwerker
100
elektrisch
-
-
-
-
Totaal
14.550
236.119
14.167
/per bouwjaar
2.910
47.224
2.833
Transporten Naast de inzet van mobiele werktuigen is sprake van aan- en afleveren van materieel en personeel. Aangezien er wordt gestreefd naar een gesloten grondbalans is aanvoer van grond van buiten het terrein minimaal. Voor de aanvoer van materialen/materieel wordt uitgegaan van 15 vrachtwagens per dag ofwel 30 bewegingen. Qua licht verkeer is uitgegaan van 40 auto’s per dag ofwel 80 bewegingen per dag. De transportbewegingen zijn ingevoerd als lijnbron. Aangenomen wordt dat het verkeer ter hoogte van de provinciale weg N377 op gaat in het heersende verkeersbeeld. Aanvullend is voor het licht verkeer een bron ‘Koude start overig’ opgenomen voor 40 auto’s per dag. Voor vrachtverkeer is het uitgangspunt dat het laden/lossen binnen twee uur plaatsvindt en hierdoor geen rekening hoeft te worden gehouden met koude start.
3.3
Gebruiksfase
Het bedrijventerrein biedt ruimte voor lokale bedrijven in het klein/middensegment. Bedrijfsprocessen worden steeds schoner en de praktijk op bedrijventerreinen elders laat zien dat de daadwerkelijke emissies van bedrijven vaak lager is dan de in regel gehanteerde kengetallen. Aangezien het toekomstige bedrijventerrein niet wordt aangesloten op het gas en de invulling van het bedrijventerrein gedeeltelijk bekend is, is afgeweken van de kentallen per milieucategorie. Een andere reden om afwijken van deze kentallen is de hoge ambitie ten aanzien van verduurzaming van bedrijventerreinen vanuit het Rijk en provincie7. Zo is in het kader van stikstofreductie een indicatief NOx(stikstofoxiden)-emissiereductiedoel van 38% in 2030 ten opzichte van 2019 vastgesteld voor de industriesector. Om de emissies van bedrijven te kunnen bepalen is gekeken naar een realistische invulling van het bedrijventerrein. De bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen vallen grotendeels in de categorieën ‘logistiek’ en ‘lokale en 7 IenW (2023) Routekaart verduurzaming industrie 1.0 Nationaal programma verduurzaming industrie. MinEZK-Routekaart-Def (overheid.nl)
7/12
gemengde bedrijvigheid’. Daarnaast wordt ruimte geboden aan een verdeelstation van TenneT. De verwachte activiteiten met emissies worden hierna per type bedrijvigheid beschreven: ● Bij logistieke bedrijven is er geen sprake van emissies als gevolg van bedrijfsprocessen, enkel het gebruik van mobiele werktuigen in de vorm van vorkheftrucks en er vinden verkeersbewegingen plaats. ● Onderdeel van de uitbreiding is een nieuw verdeelstation van TenneT (3,4 hectare), op deze locatie kunnen de emissies als gevolg van bedrijfsprocessen en mobiele werktuigen uitgesloten worden. Hier worden wel enkele verkeersbewegingen als gevolg van onderhoud/inspectie verwacht. Aangezien een verdeelstation een permanente functie betreft en de uitbreiding vast staat, kan deze functie worden gezien als maximaal planologische mogelijkheid. ● De overige kavels worden naar verwachting ingevuld met lichtere bedrijvigheid afkomstig van uitbreidingen van huidige bedrijven op het terrein van Rollepaal. Dit zijn bedrijven zonder bedrijfsprocessen met stikstofemissies maar waar wel gebruik wordt gemaakt van mobiele werktuigen als heftrucks en waar sprake is van verkeersbewegingen. Het nieuwe bedrijventerrein is een toekomstbestendig duurzaam bedrijventerrein. Zo dienen de daken van de bedrijfsgebouwen geschikt te zijn voor zonnepanelen en is er een hoge potentie voor warmtekoude systemen.
Een aantal duurzaamheidsmaatregelen wordt verplicht gesteld via de koopovereenkomst (privaatrechtelijk). Voordat de grond verkocht wordt is het vereist dat de initiatiefnemer goedkeuring heeft vanuit de gemeente ten aanzien van de duurzaamheidsmaatregelen. Een aantal maatregelen kan niet worden verplicht, omdat deze locatie- dan wel functie specifiek zijn, deze worden gestimuleerd. Voor de gebruiksfase is derhalve geen rekening gehouden met emissies als gevolg van bedrijfsprocessen. Ten aanzien van mobiele werktuigen op het terrein wordt een voorschrift opgenomen voor inzet van elektrische mobiele werktuigen. De uitgangspunten ten aanzien van verkeer worden in de volgende paragraaf beschreven. Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van het verkeersmodel van Goudappel. In tabel 3-2 is de verkeersgeneratie van het planvoornemen opgenomen. Tabel 3-2 Verkeersgeneratie plangebied in het planvoornemen (Goudappel verkeersmodel)
Wegvak
Totaal
Aandeel licht (mvt/etmaal)
Middelzwaar (mvt/etmaal)
Zwaar (mvt/etmaal)
Plangebied Rollepaal
1.000 726
762 487
127 127
112 112
Industrieweg Moerheimstraat
706 274
467 274
127 0
112 0
Stegerensallee N377 west
274 381
274 252
0 68
0 60
N377 oost Langewijk
326 12
215 12
59 0
52 0
Rheezerend
11
11
0
0
Voor de verdeling van het licht verkeer is gebruik gemaakt van het gemeentelijk verkeersmodel van Goudappel Coffeng. Het verkeersmodel geeft een realistische inschatting van de verkeersgeneratie. Circa 70 procent van het verkeer wordt afgewikkeld in noordelijke richting via de Rollepaal, industrieweg naar de N377 via de Rollepaal en Industrieweg. Circa 30 procent wordt in zuidoostelijke richting afgewikkeld via de Moerheimstraat en Stegerensallee. Voor het
8/12
zwaar/middelzwaar verkeer is als uitgangspunt genomen dat het verkeer 100% via de Rollepaal en Industrieweg richting de provinciale weg N377 wordt afgewikkeld. Opgaan in heersende verkeersbeeld Als uitgangspunt is genomen dat het verkeer opgaat in heersende verkeersbeeld op de doorgaande provinciale weg N377. Er is uitgegaan van een rijroute van 250 meter lang in beide richtingen. In zuidelijke richting is rekening gehouden met een ontsluiting via de Stegerensallee, hier is tevens rekening gehouden met een rijroute van 250 meter. Op deze afstand is het verkeer qua rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het heersende verkeer.
4. RESULTATEN 4.1
Referentiesituatie
In de referentiesituatie is sprake van een emissie van 241 kg NH3 per jaar als gevolg van bemesting met dierlijke mest. Er is gerekend voor het jaar 2025. Uit de berekening voor de referentiesituatie volgt een bijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op een vijftal Natura 2000-gebieden waaronder: Mantingerzand, Vecht- en Beneden-Reggegebied, Mantingerbos, Dwingerveld en Engbertsdijksvenen.
Figuur 4-1 Resultaten berekening referentiesituatie (bron: AERIUS Calculator)
Op dit moment zijn er geen beleidsregels voor intern salderen. Er is in de berekeningen rekening gehouden met een afroomfactor van 0,35 waarbij 35 procent van de stikstofruimte uit de referentiesituatie ten goede komt aan het herstel van de Natura 2000-gebieden.
4.2
Aanlegfase
In de aanlegfase is sprake van inzet van mobiele werktuigen en transporten voor aan- en afleveren van goederen en personeel. De emissie in de aanlegfase bedraagt 337,3 kg NOx en 13,7 kg NH3 per jaar gedurende een periode van 5 jaar. Er is gerekend voor het jaar 2025. Uit de berekening voor de referentiesituatie volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied.
9/12
Figuur 4-2 Resultaten berekening aanlegfase (bron: AERIUS Calculator)
4.3
Beoogde situatie
In de beoogde situatie (planvoornemen) is sprake van een emissie van 487,4 kg NOx en 21,5 kg NH3 per jaar. Er is gerekend voor het jaar 2026. Dit is worst-case aangezien de aanlegfase langer duurt. Uit de berekening volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied.
Figuur 4-3 Resultaten berekening beoogde situatie (bron: AERIUS Calculator)
4.4
Verandering stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie
Referentie - aanlegfase Uit de verschilberekening voor referentie – aanlegfase blijkt dat er geen sprake meer is van depositietoenamen op Natura 2000-gebieden.
Figuur 4-4 Resultaten verschilberekening referentiesituatie - aanlegfase (bron: AERIUS Calculator)
Referentie – beoogde situatie Uit de verschilberekening voor referentie – gebruiksfase blijkt dat er geen sprake meer is van depositietoenamen op Natura 2000-gebieden.
10/12
Figuur 4-5 Resultaten verschilberekening referentiesituatie – beoogde situatie (bron: AERIUS Calculator)
5. CONCLUSIE De realisatie en het gebruik van het nieuwe bedrijventerrein Rollepaal Oost leidt tot een geringe depositiebijdrage van 0,01 mol/ha/jr. Door gebruik te maken van interne saldering met de referentiesituatie van het bemeste agrarische perceel, is er geen sprake meer van een depositietoename op Natura 2000-gebieden. Hier is rekening gehouden met afroming van 0,35. In de aanlegfase is tijdelijk sprake van een geringe tijdelijke afname met 0,01 mol/ha/jr. in vergelijking met de referentie. Omdat gebruik wordt gemaakt van interne saldering is een passende beoordeling opgesteld.
11/12
BIJLAGEN: STIKSTOFBEREKENINGEN
12/12
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Gemeente Hardenberg Rollepaal, - Dedemsvaart Uitbreiding Rollepaal Oost Referentiesituatie
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RTWqkVFRymLV 19 november 2025, 10:21 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bemesting agrarische gronden - Beoogd Bemesting agrarische gronden - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
2026
0,01 mol/ha/j 542,34 ha 0,00 ha 0,01 mol/ha/j -
241,0 kg/j 5961258
-
Vecht- en BenedenReggegebied
2/6
Projectberekening
Bemesting agrarische gronden (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 1
Landbouw | Landbouwgrond | Bemesting agrarische gronden
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
241,0 kg/j
-
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
5 km Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bemesting agrarische gronden" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
542,34
Per gebied
Berekend (ha gekarteerd)
Mantingerzand (32) Vecht- en BenedenReggegebied (39) Dwingelderveld (30) Mantingerbos (31) Engbertsdijksvenen (40)
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
Hoogste totale depositie (mol N/ha/jr)
249,75 237,31
2.259,61
Met toename (ha Grootste gekarteerd) toename (mol N/ha/jr)
542,34
0,01
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
0,00
Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)
-
1.871,08 2.259,61
249,75 237,31
0,01 0,01
0,00 0,00
-
28,30
2.127,36
28,30
0,01
0,00
-
14,73 12,26
2.085,24 1.963,26
14,73 12,26
0,01 0,01
0,00 0,00
-
5/6
Projectberekening
Bemesting agrarische gronden, Rekenjaar 2026 1
Landbouw | Landbouwgrond
Naam Bemesting Uittreedhoogte agrarische gronden Warmteinhoud Locatie X:230169,26 Spreiding Y:513447,33 Oppervlakte 29,76 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Meststoffen Type
Mestaanwending (dierlijke mest)
0,5 m 0,000 MW 0,3 m
NH₃
Stof
NOₓ NH₃
241,0 kg/j
Emissie
0,0 kg/j 241,0 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database versie 2025.0.1_db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
6/6
Bijlage projectberekening Hulpmiddel beoordeling hexagonen met een hersteldoel AERIUS kenmerk Projectberekening: RTWqkVFRymLV
Dit document is een bijlage, behorende bij een Projectberekening uitgevoerd met AERIUS Calculator. De bijlage is een hulpmiddel bij het beoordelen van projecten waar sprake is van hexagonen met een hersteldoel. De bijlage bevat daartoe een overzicht van de maximale bijdrage per gebied. Voor meer uitleg over 'hexagonen met een hersteldoel' in AERIUS, zie het handboek Calculator.
Overzicht Resultaten Deze PDF is geen digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS, maar alleen een bijlage. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
op onze website
handleidingen
Bijlage projectberekening Hulpmiddel beoordeling hexagonen met een hersteldoel
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Bijbehorende projectberekening
Gemeente Hardenberg Rollepaal, - Dedemsvaart
Omschrijving projectberekening AERIUS kenmerk projectberekening Datum projectberekening
Uitbreiding Rollepaal Oost RTWqkVFRymLV 19 november 2025, 10:21
Totale emissie
Rekenjaar
Bemesting agrarische gronden - Beoogd
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
2026
Emissie NH₃
241,0 kg/j
Emissie NOₓ
-
2/4
Bijlage projectberekening Hulpmiddel beoordeling hexagonen met een hersteldoel
Resultaten hexagonen met hersteldoel situatie "Bemesting agrarische gronden" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekende hexagonen
Totaal Per gebied
Mantingerzand (32)
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
20 Berekende hexagonen
20
Hoogste totale depositie (mol N/ha/jr)
Hexagonen met Grootste toename toename (mol N/ha/jr)
Hexagonen met Grootste afname afname (mol N/ha/jr)
Hoogste totale depositie (mol N/ha/jr)
Hexagonen met Grootste toename toename (mol N/ha/jr)
Hexagonen met Grootste afname afname (mol N/ha/jr)
1.924,65
1.924,65
20
20
0,01
0,01
0
0
-
-
3/4
Bijlage projectberekening Hulpmiddel beoordeling hexagonen met een hersteldoel
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database versie 2025.0.1_db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website
RTWqkVFRymLV (19 november 2025)
4/4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Gemeente Hardenberg Rollepaal, - Dedemsvaart Uitbreiding Rollepaal Oost Bouwfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RhebbAPqLmGL 19 november 2025, 10:21 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Bouwfase Rollepaal Oost - Beoogd Bouwfase Rollepaal Oost - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RhebbAPqLmGL (19 november 2025)
2026
0,01 mol/ha/j 0,10 ha 0,00 ha 0,01 mol/ha/j -
13,6 kg/j 5961258
334,3 kg/j
Vecht- en BenedenReggegebied
2/7
Projectberekening
Bouwfase Rollepaal Oost (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 4 5
Mobiele werktuigen | Mobiele werktuigen Verkeer | Koude start: overig | Koude start Verkeersnetwerk
RhebbAPqLmGL (19 november 2025)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
11,3 kg/j 0,6 kg/j 1,6 kg/j
269,8 kg/j 3,8 kg/j 60,7 kg/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
2 km Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RhebbAPqLmGL (19 november 2025)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Bouwfase Rollepaal Oost" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal Per gebied
Vecht- en BenedenReggegebied (39)
RhebbAPqLmGL (19 november 2025)
0,10 Berekend (ha gekarteerd)
0,10
Hoogste totale depositie (mol N/ha/jr)
Met toename (ha Grootste gekarteerd) toename (mol N/ha/jr)
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
Hoogste totale depositie (mol N/ha/jr)
Met toename (ha Grootste gekarteerd) toename (mol N/ha/jr)
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
1.945,82
1.945,82
0,10
0,10
0,01
0,01
0,00
0,00
-
-
5/7
Projectberekening
Bouwfase Rollepaal Oost, Rekenjaar 2026
1 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Plangebied Locatie X:229805,26 Y:513568,64 Lengte 254,40 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Rollepaal Locatie X:229558,88 Y:513693,9 Lengte 478,49 m Wegtype Binnen bebouwde kom (normaal) Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0 m Verkeer Maximum snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer