Bijlage 1 - TAM-Omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim (motivering, regels, verbeelding en bijlagen)
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 Het omgevingsplan 1.4 De bij het besluit horende stukken 1.5 Leeswijzer
6 6 6 6 7 8
Hoofdstuk 2 Wijziging van de fysieke leefomgeving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie
9 9 9
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 12 16 17
Hoofdstuk 4 Bescherming van gezondheid en milieu 4.1 Geluid 4.2 Bodemkwaliteit 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Geur 4.5 Trillingen 4.6 Licht
21 21 22 22 23 23 24
Hoofdstuk 5 Bescherming van de waterbelangen 5.1 Algemeen 5.2 Watertoets 5.3 Conclusie
25 25 25 25
Hoofdstuk 6 Waarborgen van de veiligheid 6.1 Wettelijk kader 6.2 Situatie plangebied 6.3 Conclusie
26 26 26 27
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1 Cultureel erfgoed 7.2 Bescherming van stedenbouwkundige waarden 7.3 Conclusie
28 28 28 29
Hoofdstuk 8 Natuurbescherming 8.1 Algemeen 8.2 Gebiedsbescherming 8.3 Soortenbescherming 8.4 Conclusie natuurbescherming
30 30 30 31 31
Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1 Verkeer en parkeren 9.2 Kabels en leidingen
32 32 33
Hoofdstuk 10 Milieueffectrapportage 10.1 Wettelijk kader
34 34
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim 10.2 10.3
Situatie plangebied Conclusie
34 34
Hoofdstuk 11 Uitvoerbaarheid 11.1 Economische uitvoerbaarheid 11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35 35 35
Hoofdstuk 12
36
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Inhoudsopgave (vastgesteld)
3
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Stationsweg 53 te Bergentheim bevindt zich een woonperceel dat tevens in gebruik genomen wordt ten behoeve van detailhandel. In de huidige situatie is het perceel in gebruik als fietsenwinkel met daarbij een woning. Initiatiefnemer is voornemens om de huidige bebouwing te verbouwen en in gebruik te nemen ten behoeve van 3 appartementen. Bovenstaande ontwikkeling is niet in overeenstemming met de geldende regels van het omgevingsplan. Op basis van de huidige regels is het niet toegestaan om meer dan het bestaande aantal woningen te realiseren. Om bovenstaande mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied bestaat uit het perceel aan Stationsweg 53 te Bergentheim. Hierna is de ligging weergegeven ten opzichte van Bergentheim met een rode ster.
Afbeelding 1.1: Ligging van de locatie ten opzichte van de kern Bergentheim en de directe omgeving (Bron: PDOK)
1.3
Het omgevingsplan
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Het betreft het omgevingsplan van rechtswege, dat geldt sinds 1 januari 2024. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel en een niet-tijdelijk deel. De bestemmingsplannen en beheersverordeningen vallen onder het tijdelijke deel. Op basis van het tijdelijke deel gelden de beheersverordeningen "Beheersverordening Bergentheim" en "Beheersverordening gemeente Hardenberg, facetregeling parkeren". Voor de duiding van het planologisch regime van het plangebied is met name de beheersverordening
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim "Beheersverordening Bergentheim" van belang. Voorliggend TAM-omgevingsplan houdt wel rekening met de regels uit de overige plannen. In de beheersverordening "Beheersverordening Bergentheim" heeft het perceel de enkelbestemming 'Woongebied'. Ook geldt de aanduiding 'detailhandel'. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de plankaart behorende tot de beheersverordening. De locatie is aangegeven met de rode lijn.
Afbeelding 1.2: Uitsnede van de "Beheersverordening Bergentheim" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) Gronden met de bestemming 'Woongebied' zijn met name bestemd voor woondoeleinden. In combinatie met de aanduiding 'detailhandel' mag hier ook een detailhandelsfunctie vestigen. Binnen de bestemming 'Woongebied' zijn maximaal het bestaande aantal woningen toegestaan. Strijdigheid Het aantal te realiseren woningen (3) bedraagt meer dan het bestaande aantal woningen (1). De ontwikkeling is daardoor niet in overeenstemming met het omgevingsplan. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Deze wijziging vindt plaats door gebruik te maken van de TAM-IMRO. Dit is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) waarmee de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. Juridisch zal dit TAM-omgevingsplan deel uit maken van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg.
1.4
De bij het besluit horende stukken
Het plan ''TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr NL.IMRO.0160.0000TAM0007-VG01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen); deze toelichting (met bijbehorende bijlagen).
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de bescherming van de gezondheid en het milieu. Hoofdstuk 5 gaat in op de waterbelangen waarna hoofdstuk 6 ingaat op het waarborgen van de veiligheid, waaronder externe veiligheid. Hoofdstuk 7 gaat in op de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De bescherming van de natuur komt in hoofdstuk 8 aan bod. Hoofdstuk 9 gaat in op het behoud van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen. In hoofdstuk 10 passeert de milieueffectrapportage de revue. Hoofdstuk 11 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 12 de algemene conclusie getrokken waarin wordt beoordeeld of het plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 2 2.1
Wijziging van de fysieke leefomgeving
Huidige situatie
Het plangebied ligt op de hoek van de Stationsweg en de Burgemeester Oprellaan, binnen de kern Bergentheim. Verspreid in de omgeving liggen meerdere woonpercelen en enkele centrumfuncties. Het perceel zelf ligt aan de Stationsweg 53. Aan de zuid- en oostzijde zijn woonpercelen aanwezig. Het perceel wordt direct ontsloten op de Stationsweg en de Burgemeester Oprellaan. Het plangebied zelf is reeds in gebruik als fietsenwinkel met daarbij een woning. In afbeelding 2.1 is het plangebied aangegeven door middel van een luchtfoto.
Afbeelding 2.1: Luchtfoto locatie Stationsweg 53, Bergentheim (Bron: PDOK)
2.2
Gewenste situatie
De gewenste situatie betreft het transformeren van de bestaande bebouwing tot 3 appartementen. De ontwikkeling vindt zich binnen de bestaande bebouwing plaats. Het gaat hierbij om twee appartementen op de begane grond en één appartement op de eerste verdieping. De bestaande fietsenwinkel komt hierbij te vervallen.Het perceel wordt daarnaast kadastraal gesplitst. In afbeelding 2.2 is de gewenste situatie door middel van een situatietekening aangegeven.
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Afbeelding 2.2: Beoogde situatie plangebied (Bron: Initiatiefnemer)
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied; In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland. 3.1.2
Instructieregels Rijk
Een omgevingsplan bevat regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). 3.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleine lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid. In hoofdstuk 4 tot en met hoofdstuk 12 wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de instructieregels uit het Rijk en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
3.2
Provinciaal beleid
Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel Visie, een deel Beleid en een deel Uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel 2017, is er de Omgevingsverordening Overijssel 2017 en de Catalogus Gebiedskenmerken. De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal.
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.
3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, en natuurontwikkeling, wordt aan de hand van deze drie stappen bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Of- generieke beleidskeuzes Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Deze zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening. Waar- ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Hoe- gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn.
3.2.3.1 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat het volgende beeld:
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
3.2.3.1.1
Of - generieke beleidskeuzes
Bij de 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van toepassing: - artikel 4.5 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik): De nieuwe woningen worden gebouwd binnen de bestaande bebouwing. Er is daarmee sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. - artikel 4.14 (woonafspraken) Het bouwen van nieuwe woningen kan alleen als dit past binnen de geldende woonafspraken. De woningen voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt en worden gerealiseerd voor de lokale behoefte. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het beleid van de provincie.
3.2.3.1.2
Waar - ontwikkelingsperspectieven
Er zijn zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Ontwikkelingsperspectieven in de Groene Omgeving: 1. de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) 2. agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap 3. wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap Ontwikkelingsperspectieven in de Stedelijke Omgeving: 4. stedelijke netwerken als motor 5. steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus 6. hoofdinfrastructuur: vlot en veilig De betreffende locatie ligt in het ontwikkelingsperspectief: 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren).
Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief Ten aanzien van het ontwikkelingsperspectief wordt opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling (het realiseren van woningen) past binnen het ontwikkelingsperspectief. De dorpen mogen namelijk binnen de kern bouwen voor de eigen behoefte. Het voornemen is in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief.
3.2.3.1.3
Hoe - gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen.
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim 1. De 'Natuurlijke laag' De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Op de locatie is het gebiedstype 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)' van toepassing. Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van hoogveenrestanten, dan dragen deze bij aan verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' De gronden in het gebied zijn in gebruik door de huidige bebouwing. De van oorsprong voorkomende natuurlijke laag is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. De ontwikkeling doet geen verdere afbreuk aan de natuurlijke laag. 2. 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht. Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Op de locatie is het gebiedstype 'Veenkoloniaal landschap' van toepassing.
Dit betreft een grootschalig open landschap met een lineaire bebouwings-, verkavelings- en ontwateringsstructuur die ontstaan zijn door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden ten behoeve van turfwinning. De ambitie is de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en kwaliteit van de veenkoloniale landschappen te versterken Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' De gronden in het gebied zijn in gebruik door de huidige bebouwing. De van oorsprong voorkomende laag van het agrarisch cultuurlandschap is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. De ontwikkeling doet geen verdere afbreuk aan de deze laag. 3. De 'Laag van de beleving' De 'Laag van beleving' gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit. Het is de laag van de verbinding en het netwerk. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden. Op de locatie is het gebiedstype 'Donkerte' van toepassing. Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden.
De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar ze liever nog wat donkerder te maken. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Lichtuitstraling hoort bij een woonfunctie. Door nieuwe woningen toe te voegen binnen de bebouwde kom is er geen sprake van een toename van (kunst)licht. De ontwikkeling is in overeenstemming met deze laag. 4. De 'Stedelijke laag' De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ruimtelijke kwaliteitsambities in de stedelijke laag zijn: Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur Contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken door het infrastructuurnetwerk Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Woonwijken 1955 – nu '. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag' De voorliggende ontwikkeling, het realiseren van appartementen, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. De uiterlijke kenmerken van de bebouwing blijven daarmee onveranderd. De ontwikkeling past daarmee binnen de stedelijke laag.
3.2.4
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
De ontwikkeling is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woondeal West Overijssel
Op 21 december 2022 is de regionale woondeal West Overijssel getekend. De woondeal gaat over meerdere onderdelen, maar in het kort samengevat in ieder geval over de doelstellingen van deze regio West-Overijssel om de komende jaren tot de bouw van voldoende passende woningen te komen, waarmee het woningtekort in deze regio kan worden opgelost. West-Overijssel zet zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van minimaal 28.200 woningen tot en met 2030. Voor nieuwe woningbouwplannen (plannen waarvan de ruimtelijke procedure op het moment van het sluiten van deze Woondeal nog moet starten) streeft de gemeente naar een verdeling van 30% sociale huur, 40% middenhuur en betaalbare koop en 30% dure woningen. Dit is een inspanningsverplichting. Het streven geldt op gemeente- en regionaal niveau, dus niet bij elk afzonderlijk plan en wordt op regionaal niveau gemonitord. Partijen spannen zich hier gezamenlijk voor in. Lokaal maatwerk is mogelijk, rekening houdend met de specifieke gemeentelijke situatie en de aantoonbare behoefte. De opgave/ambitie van de gemeente Hardenberg sluit kwantitatief aan bij de opgave vanuit de woondeal. De autonome opgave binnen West Overijssel is 28.200 woningen t/m 2030. De gemeenten zetten in op een opgave/ambitie van 40.000 woningen.
Voor nieuwe woningbouwplannen (plannen waarvan de ruimtelijke procedure op het moment van het sluiten van deze Woondeal nog moet starten) streeft de gemeente naar een verdeling van 30% sociale huur, 40% middenhuur en betaalbare koop en 30% dure woningen. Dit is een inspanningsverplichting. Het streven geldt op gemeente- en regionaal niveau, dus niet bij elk afzonderlijk plan en wordt op regionaal niveau gemonitord. Partijen spannen zich hier gezamenlijk voor in. Lokaal maatwerk is mogelijk, rekening houdend met de specifieke gemeentelijke situatie en de aantoonbare behoefte. Bij plannen waarvan de ruimtelijke procedure reeds gestart is of gemeentelijke projecten waar het participatietraject afgerond is, worden geen wijzigingen in de programmering gemaakt en blijft men sturen op versnellingsafspraken. Deze 30-40-30 systematiek sluit aan bij en is een verfijning van het nationale streven van tweederde betaalbare woningen. Het is daarmee een middel om de doelgroep sociale huur en de middeninkomens in de regio beter te kunnen huisvesten en geen doel op zich. De gemeenten spreken hierbij de intentie uit om te blijven bouwen aan gemengde wijken en willen voorkomen nieuwe wijken toe te voegen met alleen maar sociale huur. Het prijspeil behorend bij de categorieën wordt in beginsel elke twee jaar geïndexeerd.
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
3.3.2
Toetsing van het initiatief
Kwantitatief is er een duidelijke noodzaak voor het realiseren van woningen binnen de regio West Overijssel. In voorliggend geval wordt er invulling gegeven aan de Woondeal door middel van het realiseren van appartementen. Deze kunnen gecategoriseerd worden als sociale huur of middenhuur. Daarnaast wordt inviulling gegeven aan de lokale behoefte naar kleine woningen. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Woondeal West Overijssel.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
3.4.1.1 Algemeen Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. Deze omgevingsvisie is samengesteld met participatie van vele stakeholders uit allerlei sectoren. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'. 3.4.1.2 Thema's De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende: 1. 2. 3. 4.
Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied; Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen; Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid; Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg voor elkaar' relevant, aangezien deze gaat over een stedelijke ontwikkeling in de kern Slagharen. Hardenberg voor elkaar Het thema 'Hardenberg voor elkaar' is onderverdeeld in vier verschillende paragrafen: Aantrekkelijk wonen; Bouwen aan de stad; Zorg voor elkaar; Gezonde leefomgeving. In voorliggend geval is vooral de paragraaf 'Aantrekkelijk wonen' van belang. Aantrekk elijk wonen De 29 kernen in de gemeente Hardenberg kennen een sterke hiërarchie. Hardenberg en Dedemsvaart hebben een regionale en bovenlokale functie en bijbehorende voorzieningen. Bergentheim, Balkbrug, Gramsbergen en Slagharen vormen de middengroep met vooral basisvoorzieningen, soms aangevuld met specifieke voorzieningen. De andere 23 kernen hebben het karakter van plattelandskern. Het aantal huishoudens in West-Overijssel groeit tot 2030 tot 35.000 - 40.000. Deels is deze groei autonoom (bevolkingsgroei en afname grootte huishoudens). Voor het andere deel komt dit door inhaalvraag en overloop vanuit de steden in het westen en de randen van het land. De regio West-Overijssel heeft onvoldoende plancapaciteit om deze huishoudens allemaal te huisvesten. Er is behoefte aan nieuwe woningen.
De gemeente Hardenberg wil tenminste 1.000 woningen (extra) bouwen om de groei van de regionale woningbehoefte te helpen opvangen. Ten aanzien van dit thema heeft de gemeente zes ambities opgesteld, dit betreffen de volgende: 1. 2. 3. 4. 5.
De gemeente wil, naast de eigen inwoners, minimaal 1.000 nieuwe huishoudens een plaats geven; De gemeente wil jongeren vasthouden of naar de gemeente laten terugkeren; De gemeent wil hoger opgeleiden met jonge gezinnen verleiden te komen wonen in de gemeente; De gemeente wil flexibel inspelen op nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wonen; De gemeente zoekt meer mogelijkheden voor wonen in het landelijk gebied;
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim 6. De gemeente zoekt naar huisvesting voor tijdelijke werknemers uit het buitenland. 3.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg' De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de ambitie om 1.000 nieuwe woningen (extra) te bouwen in de gemeente Hardenberg. De woningen worden gebouwd voor de lokale behoefte. In paragraaf 3.4.2 wordt voornemen getoetst aan het 'Programma Wonen'. Hieruit blijkt dat er zowel kwalitatief als kwantitatief sprake is van behoefte naar de voorgenomen woningbouw. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Landstad.
3.4.2
Programma Wonen
3.4.2.1 Algemeen Het Programma Wonen is op 26 maart 2019 door de gemeenteraad van Hardenberg vastgesteld. Het programma legt de woonambities voor de langere termijn vast, maar voorziet daarnaast in concrete maatregelen voor de eerstvolgende twee jaar. 3.4.2.2 Ambitie: rust en ruimte, met oog voor elkaar ook in de toekomst In de gemeente Hardenberg is het al jaren goed wonen, werken en leven. Door de ligging in het groene Vechtdal en de vele aantrekkelijke kleine kernen ervaren inwoners en bezoekers de rust, ruimte en veiligheid die de gemeente Hardenberg kenmerkt. Tegelijkertijd zijn er met Hardenberg en Dedemsvaart twee stedelijke kernen waar de werkgelegenheid zich concentreert en alle voorzieningen te vinden zijn. Demografen verwachten dat het aantal inwoners en huishoudens van de gemeente Hardenberg het komende decennium zal blijven groeien. In tegenstelling tot de situatie in de meeste andere Nederlandse plattelandsgemeenten is nieuwbouw noodzakelijk om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen. Volgens de prognoses is er in de gemeente Hardenberg de komende tien jaar behoefte aan ruim 1.600 nieuwe woningen. Natuurlijk zijn er wel verschillen tussen de diverse kernen.
Zo zijn ‘steden’ Hardenberg en Dedemsvaart in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens van buiten onze gemeente en zijn de dorpen en buurtschappen vooral gewild bij de lokale bevolking en rustzoekers van buitenaf. De afgelopen jaren is, mede door de ladder voor duurzame verstedelijking, sterk ingezet op woningbouw op locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Het bouwen van woningen op inbreidingslocaties is een goed streven, als dat betekent dat de kwaliteit van het gebied en de woonkwaliteit daarmee vergroot wordt. 3.4.2.3 Huren in Hardenberg Ongeveer één derde van de woningvoorraad bestaat uit huurwoningen. Het gaat veelal om sociale huur in bezit van onze woningcorporaties (circa 5.000 woningen, 25% van de totale voorraad). Op dit moment is in de grotere kernen van de gemeente nog een sterke vraag naar sociale huurwoningen. De komende jaren wordt in deze vraag voorzien met een toevoeging van 250 tot 300 sociale huurwoningen tot 2025. Als gevolg van de demografische ontwikkelingen en strengere toewijzingseisen voor de sociale huur, lijkt op lange termijn een omvang van ongeveer 5.000 woningen voldoende om te voorzien in de kwantitatieve vraag. De kwalitatieve opgave in deze sector is des te groter.
Een tijdelijke groei van het aantal sociale huurwoningen is noodzakelijk om de toegenomen druk op de huursector te verminderen en om de kwalitatieve opgave te kunnen verwezenlijken. In de gemeente Hardenberg is een beperkte behoefte aan vrije sector huur. Er is ook behoefte aan woningen (vaak appartementen) in het segment tussen € 700 en € 1.000. De vraag komt vooral van ouderen, maar deels ook van starters. De gemeente ziet vooral kansen voor vrije sector in de kernen met veel voorzieningen; met name in en om de centra van Hardenberg en Dedemsvaart. De gemeente faciliteert de (toekomstige) initiatieven voor vrije sector huur en waar mogelijk stimuleert de gemeente deze initiatieven.
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
3.4.2.4 De juiste woning voor elk huishouden De meeste mensen verhuizen tijdens hun leven wel één of meerdere keren. Je betreedt de woningmarkt als starter. De meeste starters beginnen met een kleine, betaalbare woning. In de eerste plaats gaat het bij deze groep vooral om het zelfstandig wonen. Na een aantal jaar komt de wens om iets ruimer te gaan wonen. Dat geldt zeker als gezinsuitbreiding aan de orde komt. De starter van weleer wordt dan een doorstromer. Voor veel doorstromers in onze gemeente is een ruime tweekapper of vrijstaande woning het ideaalbeeld. Deze fase in de wooncarrière houdt lange tijd aan. Ongeveer vanaf de periode dat het pensioen aan de orde komt, volgt een kantelpunt. Huishoudens gaan dan nadenken over hun toekomstige woonsituatie. Dat betekent dat sommige huishoudens willen verhuizen naar een kleinere woning met minder onderhoud en meer mogelijkheden om zelfstandig te blijven wonen, ook bij een eventuele zorgvraag. Steeds meer senioren zien voldoende mogelijkheden om in hun huidige, vaak ruime, woning te kunnen blijven wonen, ook als zij ooit zorgbehoevend worden. Doorstromers in beweging Doorstromers vormen de grootste groep op de woningmarkt in Hardenberg. Hardenberg is een echte gezinsgemeente. In deze levensfase zijn huishoudens op zoek naar een ruimere woning of wil men doorstromen van een huur- naar een koopwoning.
Het aanbod aan ruime grondgebonden koopwoningen dat vanuit de bestaande voorraad op de markt komt, is te klein om te voorzien in de verwachte vraag. Dit komt doordat oudere huishoudens (die vaak in dit type woning wonen) steeds minder verhuisgeneigd zijn. Deze huishoudens wil de gemeente verleiden te verhuizen met aantrekkelijk nieuw woningaanbod in en rond het centrum van Hardenberg en Dedemsvaart. 3.4.2.5 Agenda Wonen De Agenda Wonen vormt de praktische uitwerking van het Programma Wonen. In deze uitvoeringsagenda staan alle concrete acties en afspraken genoemd die de komende twee jaar worden uitgevoerd om een eerste flinke stap te zetten de lange termijn ambities uit het Programma Wonen te bewerkstelligen. De gemeente Hardenberg wil in de periode tussen 2017 en 2026 1.680 woningen toevoegen aan de voorraad. In de eerste jaren (2019 - 2021) is de ambitie om jaarlijks 200 tot 250 woningen toe te voegen, om zodoende invulling te geven aan de actuele woningvraag. De gemeente toetst nieuwe woningbouwplannen aan de hand van de geïnventariseerde woningbehoefte uit kernenonderzoek. Bij nieuwbouw gaat de focus in eerste instantie uit naar: Betaalbare koopwoningen (< € 175.000); Kleine, levensloopgeschikte (huur)woningen.
3.4.2.6 Toetsing van het initiatief aan het Programma Wonen De voorgenomen ontwikkeling geeft op meerdere manieren invulling aan de woningbehoefte in de gemeente Hardenberg. Kwantitatief gezien is er ruim voldoende vraag naar nieuwe woningen. De voorgenomen ontwikkeling geeft hier binnen de bestaande bebouwing van de locatie invulling aan. Het Programma Wonen laat zich specifiek uit over de vraag naar appartementen en kleine woningen binnen de kernen van de gemeente. Kwalitatief gezien wordt met de appartementen invulling gegeven aan de kwalitatieve behoefte binnen de kern Bergentheim. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het 'Programma Wonen'.
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
3.4.3
Welstandsnota
3.4.3.1 Inleiding De gemeenteraad heeft op 29 november 2011 de Welstandsnota Hardenberg Visie op beeldkwaliteit vastgesteld. Deze nota zet in op “het leggen van verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen, tussen oud en nieuw, tussen snel en traag, tussen stad en land, tussen rood en groen, tussen opbrengsten en kosten". De ambitie is een kwaliteitsontwikkeling in gang te zetten waarbij elk project bijdraagt aan de versterking van de beeldkwaliteit van de leefomgeving. Daarmee zullen de verschillende kernen zich meer onderscheiden en krijgt elke kern haar eigen kleur (terug). De gemeente wil meer vrijheid voor burgers creëren. Dit wordt bereikt door kaders te stellen 'waar het er toe doet' en andere delen van de gemeente regelvrij te maken. Een en ander komt tot uiting in de toekenning van drie niveaus (zie navolgende). Op de belangrijke plekken wordt door middel van welstand en bestemmingsplan gestuurd. De laag gewaardeerde plekken zijn welstandsvrij. Voor deze gebieden is het bestemmingsplan (of de beheersverordening) maatgevend. De Welstandsnota maakt onderscheid naar de volgende niveaus: Niveau 0 (laag): Geen eisen ten aanzien van welstand. Beeldkwaliteit wordt geregeld in het bestemmingsplan (of de beheersverordening).
Niveau 1 (midden): Specifieke ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, gericht op behoud van belangrijkste gebiedskenmerken van architectonische of stedenbouwkundige aard. Inzet van een globale vorm van welstand met planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Niveau 2 (hoog): Hoge ambitie ten aanzien van beeldkwaliteit, bij gebieden en/of locaties met een hoge architectonische en stedenbouwkundige waarde. Inzet van welstand met een intensieve vorm van planbegeleiding naast het bestemmingsplan (of de beheersverordening). Situatie plangebied Voor het plangebied geldt welstandsniveau 2. 3.4.3.2 Toetsing van het initiatief aan 'Welstandsnota' In voorliggend geval worden de appartementen gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. De uiterlijke kernmerken van het hoofdgebouw blijft daarmee grotendeels onveranderd. Daarbij wordt opgemerkt dat de bouwvergunning voor de appartementen reeds verleend is en daarbij is getoetst aan het Welstandsbeleid. 3.4.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente Hardenberg.
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 4
Bescherming van gezondheid en milieu
Op basis van paragraaf 5.1.4 van het Bkl houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen geluid, bodemkwaliteit, de kwaliteit van de buitenlucht, geur, trillingen en licht. In dit hoofdstuk wordt op deze aspecten ingegaan.
4.1
Geluid
4.1.1
Wettelijk kader
Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn de waarden bepaald (artikel 22.57). 4.1.2
Situatie plangebied
In dit geval is de compensatiewoning een geluidgevoelig gebouw die beschermd moeten worden tegen geluid. 4.1.2.1 Wegen Om te bepalen welke invloed de omliggende wegen hebben op de woningen is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai gedaan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn als Bijlage 1 opgenomen. Op basis van het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat haalbaar is ter plaatse van de te realiseren woningen. Er wordt voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect geluid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2.2 Spoorwegen Op circa 290 meter ligt een spoorlijn. Dit is van voldoende afstand dat er naar verwachting geen hinder van ondervonden wordt. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is niet noodzakelijk. 4.1.2.3 Industrieterreinen Er zijn rondom het plangebied geen industrieterreinen aanwezig. In de nabijheid van het plangebied zijn enkele centrumfuncties aanwezig. Op basis van de geldende beheersverordening zijn hier een milieucategorie 1 en 2 op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op basis van het omgevingstype 'gemengd gebied' geldt voor deze functies een richtafstand van 10 meter tot aan milieugevoelige functies. Aan deze richtafstand wordt voldaan. 4.1.3
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem. 4.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval vindt de verbouwing uitsluitend inpandig plaats waarbij er geen sprake is van bodemwerkzaamheden. Daarnaast heeft de planlocatie reeds de woonbestemming. Een bodemonderzoek is daardoor niet noodzakelijk. 4.2.3
Conclusie
De aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn: een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een auto(snel)weg. 4.3.2
Situatie plangebied
In de vorige paragraaf zijn voorbeelden gegeven van projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De omvang van dit plan is veel kleiner dan deze voorbeelden. Het plan draagt dan ook in niet betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
4.4
Geur
4.4.1
Wettelijk kader
De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Geurhinder ontstaat door activiteiten. In artikel 5.92, lid 2 Bkl staat dat een omgevingsplan erin moet voorzien dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Hiervoor moet worden voldaan aan de specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit. Deze staan in artikel 8.20 Bkl. Voor het houden van dieren betekent dit dat aan geurnormen dient te worden voldaan. Indien er geen geurnormen zijn vastgesteld, moet worden voldaan aan de afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 Bkl. 4.4.2
Situatie plangebied
Met dit TAM-omgevingsplan worden nieuwe geurgevoelige functies gerealiseerd. Een woning is namelijk een geurgevoelig gebouw. Het plangebied ligt echter binnen de bebouwde kom van Bergentheim, waarbij in de nabijheid geen veehouderijen aanwezig zijn. Vanuit het aspect geur kan daardoor aangenomen worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.4.3
Conclusie
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Trillingen
4.5.1
Wettelijk kader
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 4.5.2
Situatie plangebied
Trillingen worden veelal veroorzaakt door spoorwegen. Bij afstanden groter dan 100 meter zal het trillingniveau boven de streefwaarde van Vmax 0,1 zijn. Het plangebied ligt op ongeveer 270 meter van een spoorlijn. Hiermee zal het trillingsniveau waarschijnlijk niet boven de streefwaarde uitkomen. 4.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
4.6
Licht
4.6.1
Wettelijk kader
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte. Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Dit is het onderwerp bezonning. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. Ook hier zijn geen regels opgesteld door de rijksoverheid en kan de gemeente zelf bepalen hoe het ermee omgaat. 4.6.2
Situatie plangebied
Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de woning zal getoetst worden aan de regels over de daglichttoetreding en bezonning. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bebouwde kom, waar reeds kunstlicht aanwezig is. Verder vindt er geen onevenredige toename van kunstlicht plaats als gevolg van de ontwikkeling. 4.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 5 5.1
Bescherming van de waterbelangen
Algemeen
Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn groot en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De provincie houdt toezicht op de waterschappen en is verantwoordelijk voor veilig drinkwater. Ook zorgt zij voor de plannen voor waterbeheer in de regio. Ook is de provincie verantwoordelijk voor vergunningverlening voor drinkwaterwinning. De ambities zijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving. De waterschappen beheren water en waterkeringen (dijken) en zuiveren afvalwater. Ook zorgen zij voor de kleine waardevolle wateren, zoals vennen en bronnetjes. Voor grotere rivieren, meren en kanalen en grondwaters bestaat de Europese Kaderrichtlijn. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).
Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen het waterschap wil nemen. Bij nieuwe plannen dient rekening te worden gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Dit houdt in dat de gevolgen van het plan op de waterbelangen beschreven worden. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets. De waterbelangen en waterhuishoudkundige doelstellingen worden hierbij afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen zijn zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Watertoets
Voor dit plan is gebruikt gemaakt van de digitale watertoets. Hierdoor wordt ook het betrokken waterschap geïnformeerd. In dit geval is dat het waterschap Vechtstromen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'geen belang procedure'. Hierbij is de standaard waterparagraaf van toepassing. In Bijlage 2 is het resultaat van de watertoets opgenomen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. Het plan heeft een geringe invloed op de waterhuishouding aangezien het plan een functieverandering van de bestaande bebouwing betreft. Het plan heeft geen ingrijpende gevolgen voor de waterhuishouding in en rondom het plangebied.
5.3
Conclusie
Het initiatief is niet in strijd met de waterbelangen.
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 6 6.1
Waarborgen van de veiligheid
Wettelijk kader
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crisis. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen de aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat wordt gedaan met voorschriftengebieden. Voor een project dient een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
6.2
Situatie plangebied
De risico's ten aanzien van externe veiligheid zijn in te zien in onderstaande afbeelding. Het plangebied is aangegeven met de rode diamant.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Afbeelding 6.1: Risico's externe veiligheid (Bron: ev-signaleringskaart.nl) Ten westen van het plangebied ligt een spoorlijn op circa 290 meter afstand. De spoorlijn heeft een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Het plangebied ligt enkel binnen de zone van het gifwolkaandachtsgebied. Binnen deze zone moet een afweging plaatsvinden of een ruimtelijke ontwikkeling toelaatbaar is. De toename van het aantal personen op de locatie, als gevolg van de ontwikkeling, is gering. In voorliggend geval gaat het om een toename van netto 2 wooneenheden. De toename van de personendichtheid is daarmee dermate klein dat er geen significante toename van het groepsrisico plaatsvindt als gevolg van de ontwikkeling. Ten tijde van een toxische wolk kunnen de bewoners het plangebied eenvoudig ontvluchten door de Stationsweg of de Burgemeester Oprellaan. Daarnaast worden er geen woningen gerealiseerd voor mensen die minder zelfredzaam zijn. Tot slot wordt opgemerkt dat het plangebied op zo'n circa 290 meter van de spoorlijn afligt en daarmee zich al bijna buiten het gifwolkaandachtsgebied (300 meter) bevindt. Geconcludeerd wordt dat de uitvoering van dit plan verantwoord is.
6.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1
Cultureel erfgoed
7.1.1
Wettelijk kader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit laat het belang zien van aspecten als erfgoed,architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. Delandschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uitvan de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtigetoedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundigekwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld. De waardering van dezekwaliteiten verschilt per gebied. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, waardoor met name de bescherming van stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed van belang is. Hieronder worden deze nader beschouwd.
7.2
Bescherming van stedenbouwkundige waarden
7.2.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Op het realiseren van woningen is de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De grens van 11 woningen wordt niet overschreden. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing. 7.2.2
Cultureel erfgoed
7.2.2.1 Kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 7.2.2.2 Cultuurhistorie Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk.
Deze gaan over monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Stationsweg 53 Bergentheim
Er bevinden zich geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering met betrekking tot het plan. 7.2.2.3 Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Hardenberg heeft de archeologische verwachting verwerkt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de beheersverordening). Er geldt ter plaatse van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
7.3
Conclusie
Het plan houdt voldoende rekening met de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.