Bijlage 1 - Bijlage A Integrale tekstvervanging Omgevingsplan Slagharen Noord, toelichting, regels en verbeelding)
Tekst van het document
GEMEENTEBLAD
Officiële uitgave van de gemeente Hardenberg
Besluit tot vervanging van Slagharen Noord Wijzigartikel I
Concept
Het Omgevingsplan gemeente Hardenberg wordt gewijzigd zoals beschreven in de motivering bij deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg en deze in Bijlage A bij dit besluit is opgenomen, met als doel het realiseren van een nieuwe woonwijk in Slagharen Noord.
1
Artikel II Inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan vindt plaats conform het bepaalde in artikel 16.78 lid 1 van de Omgevingswet.
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Bijlage A Integrale tekstvervanging Slagharen Noord
Omgevingsplan gemeente Hardenberg
Concept
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
2
Afdeling 1.1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.
Bijlage B bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
2.
De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in bijlage B daarvan is afgeweken.
Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen 1.
In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten; c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij: 1. de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen; of 2.
de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft; In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning; f. het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; g. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen; h. het verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens; i. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan: 1. het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter; 2. het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter; 3. een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken; 4.
het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of 5. het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg; en bij een spoorweg: 6. het verhogen van de maximumrijsnelheid; 7. het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of 8. het verhogen van de treinintensiteit; j. waar waarden gelden: 1. op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: i. op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
ii.
Concept
k.
2.
op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw; 2. op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en 3. in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op: 1. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en, 2. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.
Artikel 1.3 Doelen omgevingsplan Hardenberg 1.
Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
2.
De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal: a. de groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde; b. kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen; c. ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig; d. bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.
3.
De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken: a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied; b. aantrekkelijk wonen; c. een vitale economie; en d. samen bouwen aan een duurzame toekomst.
Artikel 1.4 Gebiedsindeling omgevingsplan Hardenberg 1.
De gemeente Hardenberg bestaat uit: a. het ‘stedelijk gebied’; en b. het ‘landelijk gebied’.
2.
De regels in dit plan zijn van toepassing in het gebied Slagharen Noord plangebied.
Afdeling 1.2 Programma’s en omgevingswaarden [Gereserveerd]
Hoofdstuk 2 Stedelijk gebied Afdeling 2.1 Algemene bepalingen stedelijke gebieden Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Doelstellingen 1.
3
Voor de ‘stedelijke gebieden’ gelden de volgende specifieke doelstellingen: a. het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners; b. het behouden en verder ontwikkelen van het karakter van de verschillende kernen en het bouwen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de woongebieden;
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept
c.
het voldoen aan de regionale woningbehoefte met een passend woningaanbod, bij voorkeur middels kleine woningbouwprojecten die inspelen op woontrends; d. het creëren van meer kleinschalige woon-/zorgconcepten en nieuwe combinaties van (betaalbaar) wonen met ambulante zorg; e. het geven van ruimte aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten door een goede en flexibele ruimtelijke inpassing; f. het revitaliseren en transformeren van de bestaande woningvoorraad en het stimuleren van investeringen in levensloopbestendigheid en duurzaamheid (waaronder het duurzaam verwarmen van woningen); g. het beschikken over voldoende bedrijventerreinen voor groeiende bedrijven met een grote ruimtebehoefte; h. het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat op het bedrijventerreinen en het versterken van het ondernemersklimaat; i. het beschikken over een goede fysieke en digitale bereikbaarheid van bedrijventerreinen; j. het stimuleren van een circulaire economie en verduurzaming; k. het stimuleren van de energietransitie en klimaatadaptatie; l. het zorgdragen voor een goede beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen met waar mogelijk behoud van landschappelijke elementen en een vloeiende overgang naar de omgeving; m. het zorgdragen voor een goede segmentering (juiste bedrijf op de juiste plek) op bedrijventerreinen; n.
het zorgdragen voor een hoog kwaliteitsniveau en stimuleren van samenwerking tussen bedrijven en delen van voorzieningen (parkmanagement); o. het ontwikkelen van vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart met een goede samenhang tussen bereikbaarheid, cultureel aanbod, winkels en horeca, nieuwe bedrijvigheid, wonen en openbare ruimte; p. het uitbouwen van het stationsgebied van Hardenberg tot verblijfsgebied dat aanvullend is op het centrum; q. het ondersteunen van de leefbaarheid in kleine kernen met een concentratie en bundeling van dorpsvoorzieningen en een goede onderlinge bereikbaarheid met verschillende vervoermiddelen; r. het ontwikkelen van een goede strategie om het voorzieningenniveau te laten meebewegen met de veranderende behoefte; en s. het behouden van een zo compleet en sterk mogelijk voorzieningenpakket in de gemeente met een basisvoorziening zoals een ontmoetingsruimte in elke kern. 2.
Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het deelgebied de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: a. woongebied; b. hoofdgroenstructuur.
Artikel 2.2 Algemene regels stedelijke gebieden [Gereserveerd]
Afdeling 2.2 Hoofdgroenstructuur Paragraaf 2.2.1 Algemene bepalingen SubParagraaf 2.2.1.1 Algemene bepalingen Artikel 2.3 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing in het gebied Slagharen Noord Functie Hoofdgroenstructuur.
Artikel 2.4 Oogmerk functie hoofdgroenstructuur in stedelijk gebied De regels over de Slagharen Noord Functie Hoofdgroenstructuur in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behouden van de hoofdgroenstructuur met betekenis voor de openbare ruimte en de aanwezigheid van beeldbepalende bomen; b. het behouden en versterken van het landschap; en c. de recreatieve beleving en het gezonde leven.
Paragraaf 2.2.2 Gebruiksactiviteiten
4
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
SubParagraaf 2.2.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 2.5 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
Concept
1.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. het ontwikkelen en beheren van de hoofdgroenstructuur; en b. recreatief extensief verblijven.
SubParagraaf 2.2.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 2.6 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.2.2.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het opsporen en winnen van delfstoffen en andere bodemschatten; b. crossen met motorvoertuigen, met uitzondering van elektrische fietsen; c. het voeren van reclame; d. het opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten; en e. het houden van dieren.
Paragraaf 2.2.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 2.2.3.1 Toegestane bouwactiviteiten Artikel 2.7 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.5 mits deze in overeenstemming is met artikel Artikel 5.11.
SubParagraaf 2.2.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 2.8 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen ten behoeve van waterbeheer en overige bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.5, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 2.7.
Artikel 2.9 Vaste beoordelingsregels bouwen ten behoeve van waterbeheer De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwen van bouwwerken ten behoeve van waterbeheer voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; en b. de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.
Artikel 2.10 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) De omgevingsvergunning wordt verleend indien het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter; en b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.
Paragraaf 2.2.4 Overige activiteiten SubParagraaf 2.2.4.1 Toegestane overige activiteiten Artikel 2.11 Aanwijzing toegestane overige activiteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bestaande wegen, paden en parkeervoorzieningen in stand te houden en te gebruiken.
Afdeling 2.3 Woongebied Paragraaf 2.3.1 Algemene bepalingen
5
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Artikel 2.12 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing in het gebied Slagharen Noord Functie Wonen in stedelijk gebied.
Concept
Artikel 2.13 Oogmerk functie woongebied De regels over de functie wonen binnen Slagharen Noord Functie Wonen in stedelijk gebied in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het benutten en ontwikkelen van woongebieden, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en c. het behoud en samenstelling van de woningvoorraad als bedoeld in artikel 2.1.
Paragraaf 2.3.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 2.3.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 2.14 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. wonen door één huishouden in een woning; b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in artikel 2.15; en c. het gebruiken van het openbaar gebied.
Artikel 2.15 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis Voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. de exploitatie van de bedrijven zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in bijlage C zijn in ieder geval toegestaan alsmede de bedrijven die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijkwaardig zijn; b. de activiteit dient inpandig te worden verricht; c. de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bruto vloeroppervlak van de totale bebouwing tot een maximum van 100 m²; d. degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning; e. een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is toegestaan; en f. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in afdeling 5.2 Parkeeractiviteiten.
SubParagraaf 2.3.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 2.16 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties; b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel 2.15; en c. de exploitatie van een kinderopvang.
Artikel 2.17 Extra beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. bij de activiteit als bedoeld in artikel 2.16 eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning; b. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving; c. de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt; d. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet onevenredig aantasten; e. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in afdeling 5.2 Parkeeractiviteiten; f. de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en
6
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
g.
de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen voor dit deelgebied en de oogmerken zoals bedoeld in artikel 2.1 en 2.13.
SubParagraaf 2.3.2.3 Verboden gebruiksactiviteiten
Concept
Artikel 2.18 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
7
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.3.2.1 en subparagraaf 2.3.2.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis – voor: 1. de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in artikel 2.14 onder b; 2. verblijfsrecreatie, anders dan bed & breakfasts; 3. groothandel; 4. reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans; b. wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden; c. opslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw.
Paragraaf 2.3.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 2.3.3.1 Toegestane bouwactiviteiten Artikel 2.19 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.14 mits deze in overeenstemming is met artikel Artikel 5.11.
SubParagraaf 2.3.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een hoofdgebouw te (ver)bouwen en bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten zoals bedoeld in artikel 2.14 en artikel 2.16, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 2.19.
Artikel 2.21 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een hoofdgebouw voldoet aan de volgende voorwaarden: a. per ‘Slagharen noord bouwvlak’ mag maximaal 1 grondgebonden woning worden gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander ‘maximaal aantal woningen Slagharen noord’ is aangegeven, dan geldt dit aantal; b. als er op de kaart een ‘Slagharen noord bouwvlak’ is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw binnen dit bouwvlak te worden gebouwd; c. als er op de kaart bebouwingstypologieën zijn opgenomen, dient het hoofdgebouw te worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse aangegeven bebouwingstypologie; d. het hoofdgebouw mag de voorgevelrooilijn niet overschrijden, tenzij op de kaart een ‘Slagharen noord bouwvlak’ is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; e. het hoofdgebouw dient te worden geplaatst binnen een strook - gemeten vanuit de voorgevelrooilijn danwel de naar de weg gekeerde bouwgrens - met een diepte van: 1. 20 m voor vrijstaande woningen; 2. 15 m voor overige grondgebonden woningen; f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag: 1. bij vrijstaande woningen niet minder bedragen dan 3 meter aan beide zijden; 2. bij andere woningen dan vrijstaande woningen en rijwoningen niet minder bedragen dan 3 meter aan één zijde; g.
de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan 115% van de goot- en bouwhoogte van het bestaande hoofgebouw op het bouwperceel, tenzij ter plaatse op de kaart een andere ‘maximale goothoogte Slagharen noord’ of ‘maximale bouwhoogte Slagharen noord’ is aangegeven dan bedragen deze niet meer dan ter plaatse op de kaart is aangegeven; h. het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 60% van het bouwperceel; en,
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
i.
de dakhelling bedraagt ten minste 35°.
Concept
Artikel 2.22 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
8
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwen van bijbehorende bouwwerken voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel 2.21; b. als er op de kaart een ‘Slagharen noord bouwvlak’ is aangegeven, dan dienen bijbehorende bouwwerken binnen dit bouwvlak te worden gebouwd; c. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter; d. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. In afwijking hiervan mag de bouwhoogte van overkappingen niet meer dan 3,5 meter bedragen; e. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevels van het hoofdgebouw gebouwd. In afwijking hiervan mogen overkappingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; f. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen, bedraagt niet meer dan 75 m²; en g. de onder f bepaalde oppervlakte is alleen toegestaan indien niet meer dan 60% van het bouwperceel wordt bebouwd.
Artikel 2.23 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwen van overige bouwwerken voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 meter. In afwijking hiervan is een bouwhoogte van 2 meter toegestaan indien de erf- of perceelafscheiding: 1. op een erf of perceel, waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; 2. achter de voorgevelrooilijn staat; en 3. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied staat, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn als bedoeld in artikel Artikel 5.17; en b. de bouwhoogte van alle andere overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.
Artikel 2.24 Extra beoordelingsregels 1.
Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 2.21 t/m 2.23 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het in afwijking van artikel 2.21 sub a afwijken van het bouwvlak, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; b. het in afwijking van artikel 2.21 sub a en c vergroten van het aantal woningen en hun bebouwingstypologie, met dien verstande dat het in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid of er aanleiding is om het aantal woningen te wijzigen vanwege andere marktomstandigheden en/of het voorkomen van leegstand; c. het in afwijking van artikel 2.21 sub d verkleinen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 1 m dient te bedragen; d. het in afwijking van artikel 2.21 sub e verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte; e. het in afwijking van artikel 2.21 sub g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak; f.
het in afwijking van artikel 2.22 sub c en d verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte, met dien verstande dat de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt dient te blijven aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goothoogte van het hoofdgebouw; g. het in afwijking van artikel 2.22 sub e bouwen van bijbehorende bouwwerken op een kortere afstand tot (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw dan wel voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw; h. het in afwijking van artikel 2.22 sub f vergroten van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot 150 m2; i. het in afwijking van artikel 2.22 sub g bebouwen van het bouwperceel met meer dan 60%; en, j. het in afwijking van artikel 2.23 verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erfen terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken.
2.
De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
a.
Concept
b. c. d. e.
f.
het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld; het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid; het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat; het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in afdeling 5.2; het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.13.
Hoofdstuk 3 Landelijk gebied [Gereserveerd]
Hoofdstuk 4 Algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen Afdeling 4.1 Algemene bepalingen Artikel 4.13 Tijdelijk: ter overbrugging naar consolidatie Dit artikel is opgenomen ter overbrugging naar de consolidatie van deze wijziging van het omgevingsplan en de wijziging die reeds is vastgesteld van gebiedsspecifiek bodembeleid. Daarin zijn de volgende bodembeheergebieden opgenomen: a. bodembeheergebied Rollepaal; b. bodembeheergebied De Marke; c. bodembeheergebied ’t Refter; en, d. bodembeheergebied Kuilen IV.
Artikel 4.1 Doelstellingen Voor de algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen gelden de volgende specifieke doelstellingen: a. het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners; b. het beheer van infrastructuur en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; c. het beheer van watersystemen; d. het beschermen van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed; e. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Afdeling 4.2 Gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Paragraaf 4.2.1 Algemene bepalingen Artikel 4.2 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing in het gebied Slagharen Noord gebieden met archeologische (verwachtings)waarde.
Artikel 4.3 Oogmerk functie gebieden met archeologische (verwachtings)waarde De regels over Slagharen Noord gebieden met archeologische (verwachtings)waarde zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten; b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden.
Paragraaf 4.2.2 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.2.2.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
9
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept
Artikel 4.4 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten
10
1.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld: a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de ‘oppervlakte van de bodemverstoring Slagharen noord’ zoals aangegeven op de kaart; en b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de ‘diepte van de bodemverstoring Slagharen noord’ zoals aangegeven op de kaart.
2.
Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
Artikel 4.5 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften Indien uit het in artikel 4.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Paragraaf 4.2.3 Overige activiteiten SubParagraaf 4.2.3.1 Vergunningplichtige overige activiteiten Artikel 4.6 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden 1.
Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de ‘oppervlakte van de bodemverstoring Slagharen noord’ en/of de diepte gelijk of meer dan de ‘diepte van de bodemverstoring Slagharen noord’ zoals aangegeven op de kaart: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; en i. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.
2.
Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen; a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd; b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.2, een
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.
Concept
4.
De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
Afdeling 4.3 Hoofdroute (spoor)wegverkeer Paragraaf 4.3.1 Algemene bepalingen SubParagraaf 4.3.1.1 Algemene bepalingen Artikel 4.6 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing in het gebied hoofdroute (spoor)wegverkeer.
Artikel 4.7 Oogmerk functie hoofdroute (spoor)wegverkeer De regels over de hoofdroute (spoor)wegverkeer in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goede bereikbaarheid in zijn algemeenheid en van voorzieningen in het bijzonder; en b. een veilig en een comfortabel ingerichte openbare ruimte.
Paragraaf 4.3.2 Gebruiksactiviteiten SubParagraaf 4.3.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten Artikel 4.8 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg; b. zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en c. het gebruiken van het openbaar gebied.
SubParagraaf 4.3.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten Artikel 4.9 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden: a. de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen.
Paragraaf 4.3.3 Bouwactiviteiten SubParagraaf 4.3.3.1 Toegestane bouwactiviteiten Artikel 4.10 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 4.8 mits deze in overeenstemming is met artikel Artikel 5.10.
SubParagraaf 4.3.3.2 Verboden bouwactiviteiten Artikel 4.11 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten Bouwactiviteiten die afwijken van de bouwactiviteiten in subparagraaf 4.3.3.1 zijn verboden. In ieder geval omvat het verbod: een realiseren, in stand te houden en gebruiken van windturbines binnen een afstand van 7,85 meter plus een halve rotordiameter vanaf de grens van de locatie voor een hoofdroute voor spoorwegverkeer, met een minimum van 30 meter.
Afdeling 4.4 Laagvliegroutes Paragraaf 4.4.1 Bouwactiviteiten
11
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
SubParagraaf 4.4.1.1 Verboden bouwactiviteiten Artikel 4.12 Hoogtebeperking laagvliegroutes Het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter vanaf het maaiveld binnen ‘Slagharen Noord Laagvliegroute’ is niet toegestaan.
Concept
Hoofdstuk 5 Algemene regels voor activiteiten
12
Afdeling 5.2 Parkeeractiviteiten Artikel 5.1 Parkeergelegenheid 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en b. een parkeerbalans en toelichting hierop.
3.
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b: 1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en 2.
als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
4.
Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.
Artikel 5.2 Laden en lossen 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.
2.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.
3.
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a: 1. indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en 2. als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.
4.
Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Afdeling 5.3 Planologische gebruiksactiviteiten Paragraaf 5.3.1 Gebruiken van bouwwerken en gronden SubParagraaf 5.3.1.1 Toegestane gebruiksactiviteiten
Concept
Artikel 5.3 Mantelzorg / extra huishouden 1.
Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.
2.
Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel 22.36 en 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning.
Artikel 5.4 Evenementen 1.
Het omgevingsplan verzet zich niet tegen het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen en andere meerdaagse of regelmatig terugkerende activiteiten met een maximum van drie evenementen per jaar met een duur van ten hoogste 15 dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verleend.
SubParagraaf 5.3.1.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten Artikel 5.5 Kleinschalige duurzame energiewinning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonneenergie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4.
2.
De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is.
Artikel 5.6 (Pre)mantelzorg 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel 22.36 en 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning; b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
2.
De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
3.
De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
SubParagraaf 5.3.1.3 Verboden gebruiksactiviteiten
13
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept
Artikel 5.7 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten 1.
Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in hoofdstuk 2 t/m 4 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
2.
Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie ‘mer-activiteiten toegestaan’ is opgenomen.
3.
Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
4.
Het gebruik als seksinrichting is verboden.
5.
Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.
6.
Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden.
Afdeling 5.4 Ruimtelijke bouwactiviteiten Paragraaf 5.4.1 Bouwen van bouwwerken SubParagraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen Artikel 5.9 Bestaande maatvoering toegestaan 1.
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze titel danwel hoofdstuk 2 t/m 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
2.
In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel hoofdstuk 2 t/m 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
Artikel 5.10 Anti-dubbeltelregel 1.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
2.
Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
SubParagraaf 5.4.1.2 Toegestane activiteiten Artikel 5.11 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
14
1.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met: a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of b. artikel 22.27 (uitzonderingen op vergunningplicht – omgevingsplan onverminderd van toepassing), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn.
2.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van: a. nutsvoorzieningen; b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf; c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen.
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept 15
3.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
4.
Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
SubParagraaf 5.4.1.3 Vergunningplichtige activiteiten Artikel 5.12 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten 1.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan: a. de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel Artikel 5.11(toegestane bouwactiviteiten); en b. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m 4.
2.
In aanvulling op het eerste lid is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken op en in gronden: a. binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘Hoofdroute (spoor)wegverkeer’ als bedoeld in afdeling 7.8, loodrecht gemeten uit de as van de (spoor)weg in verband met de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid, uitgezonderd andere bouwwerken.
3.
In afwijking van het eerste lid is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aanlegsteiger te plaatsen.
Artikel 5.13 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen 1.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien: a. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m 4; b. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf.
2.
In aanvulling op het eerste lid wordt een omgevingsvergunning voor bouwen alleen verleend als het bouwplan past binnen de gestelde voorwaarden in het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 9 van dit omgevingsplan.
Artikel 5.14 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen 1.
De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
2.
Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
3.
Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept
Artikel 5.15 Beoordelingsregels plaatsen aanlegsteiger
16
De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanlegsteiger: a. de steiger behoort bij de toegedeelde functie als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m 4 en wordt geplaatst volgens de vaste beoordelingsregels voor bouwwerken die binnen die functie op die locatie van toepassing zijn; b. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud en de ontwikkeling van de waterveiligheid van de regionale waterkeringen zoals opgenomen in de omgevingsverordening van provincie of waterschap; c. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; en d. de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals bepaald in de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5.16 Beoordelingsregels woningsplitsing voormalige boerderij De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die verband houden met het toestaan van extra woningen per bouwperceel: a. er is één woning extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; b. er zijn twee woningen extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i; c. de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte; d. de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven; e. de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing; f. de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma; g. er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden of functie van aangrenzende gronden; h.
op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden; i. de inpassing op het gebouwerf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.
Artikel 5.17 Extra beoordelingsregels voor bouwactiviteiten 1.
Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstuk 2 t/m 4, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstuk 2 t/m 4; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt; e. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en f. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor: 1. ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten; 2.
eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.
2.
De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
Concept
a. b.
17
er ontstaat geen strijd met de regels in afdeling 22.3 van de bruidsschat; en er ontstaat geen onevenredige aantasting van: 1. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken; 2. de verkeersveiligheid; 3. de parkeervoorzieningen; 4. het bebouwingsbeeld; 5. het landschap.
3.
Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het gebouwerf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.
4.
In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen; b. de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst; c. de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen; d. de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden; e. de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten; f. de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij: 1. blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen; 2. de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd; 3.
bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie; 4. restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en g. bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).
5.
In aanvulling op artikel 22.35 en 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators; b. een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en c. het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.
6.
In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing: a. het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties; b. de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf; c. de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen; d. indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn; e. de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel; f. er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht; g. de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht;
Concept
(van 16-9-2025 15:03)
h. i.
Concept
7.
18
de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.
In aanvulling op artikel 22.35 en 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. diploma radiozendamateur; b. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en c. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt.
Artikel 5.22 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: uiterlijk van bouwwerken 1.
De volgende beoordelingsregels zijn op de locatie Wonen in het hof van toepassing op de omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een gebouw: a. bebouwing wordt gesitueerd in een strakke rooilijn langs de weg; b. hergebruik van bouwmateriaal mag afwijken van de kleurstelling als wordt aangetoond dat het materiaal qua kleur, textuur en uitstraling aansluit bij de bestaande bebouwing in de straat, en geen afbreuk doet aan het visuele geheel van het straatbeeld; c. in het zuidelijk gelegen hof (dit moet eigenlijk in het gebied zijn met een duidelijke afbakening want anders nog te vaag waar dit is) zijn accenten in wit, antraciet of zwart toegestaan; d. vrijstaande woningen worden voorzien van een zadeldak of mansardedak; e. dakramen, sierlijsten en nokversieringen zijn toegestaan als ondergeschikte accenten in de kap, mits zij niet meer dan 20% van het dakvlak beslaan en qua vorm en materiaal aansluiten bij het hoofdgebouw; f. dakkapellen en dakopbouwen zijn toegestaan, mits zij qua vormgeving, afmetingen en materialen aansluiten bij het hoofdgebouw en geen afbreuk doen aan de samenhang van het dakvlak; g. dakbedekking bestaat uit antracietkleurige dakpannen of een groen dak met sedumbeplanting; h. zadeldaken worden voorzien van zonnepanelen (PV-cellen), geïntegreerd in het dakvlak (indaksysteem); i.
daken hebben een helling van 45° tot 60°, of lager indien voorzien van een sedum- of grasdak; j. de voorzijde van de woning is gericht op het groene hof; de achterzijde op het parkeerhof als deze grenst aan doorgaande wegen; k. gevelopeningen worden aangebracht op de hoeken van de bebouwing; l. aan- en bijgebouwen worden qua vormgeving en materiaal afgestemd op het hoofdgebouw; m. erfafscheidingen bestaan uit inheemse beplanting: voortuinen met lage hagen, achtertuinen met hagen of klimop; n. aan het hof grenzend aan de rondweg (hier een afgebakend/werkingsgebied van maken) worden aardse tinten toegepast als overgang naar het landelijke gebied.