Bijlage 1 behorende bij toelichting bestemmingsplan 'Bergentheim, De Jongstraat 8' - Verkennend bodemonderzoek
Tekst van het document
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
onderwerp
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
datum
14 juni 2022
projectnummer
23-M10826
in opdracht van
uitgevoerd door
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-ENISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”
Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Geo- & Milieutechniek B.V..
juni ’23
1
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Inhoud 1
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Algemeen................................................................................................................................. 3
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3
1.3
Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3
1.4
Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.5
Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4
2
VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5
3
VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 16
4
3.1
Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 16
3.2
Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 19
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 21 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 21
4.2
Toetsingscriteria .................................................................................................................... 23
grond en grondwater (NEN-5740+A1) ............................................................................................... 23
5
6
4.3
Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 26
4.3.1
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 ............................................................... 26
4.3.3
verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 ......................................... 32
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 34 5.1
verkennend milieukundig bodemonderzoek NEN-5740+A1 ................................................ 34
5.2
verkennend onderzoek asbest in grond NEN 5707+C2 ........................................................ 36
LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 39
COLOFON ............................................................................................................................................. 40
Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring 6. Verklarende woordenlijst
juni ’23
2
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van is in de periode mei-juni 2023 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 en een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 uitgevoerd op een deel van het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan De Jongstraat 8 te Bergentheim (gemeente Hardenberg). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO).
Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s. De veldwerkzaamheden van Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters), 2002 (het nemen van grondwatermonsters) en 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem) van toepassing. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw op de locatie.
1.3
Doel van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.
juni ’23
3
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Het verkennend onderzoek asbest in bodem volgens NEN-5707+C2 heeft tot doel om na te gaan of de locatie t.p.v. een deel van de oprit al dan niet verdacht is op het voorkomen van asbesthoudende materialen op of in de bodem. 1.4
Referentiekader van het onderzoek
Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). Het verkennend bodemonderzoek asbest in grond is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017 (literatuur 12). 1.5
Opbouw van het rapport
In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: vooronderzoek, (hoofdstuk 2) veldonderzoek, (hoofdstuk 3) chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4) conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).
juni ’23
4
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
► Möllinckswijk (fase 2.2 t/m 2.5) verkennend- en oriënterend bodemonderzoek d.d. 22-06-2012, ref. MOS Grondmechanica B.V. R1201646-RH_1: Het onderhavige onderzoek bestrijkt het oostelijk deel van de onderzoekslocatie. ► verkennend- en oriënterend bodemonderzoek fase 2.2 t/m 2.5 Möllinckswijk te Bergentheim, d.d. 22-06-2012, ref. Mos Grondmechanica, RH1201646-RH_1 conclusies: Op zintuiglijke wijze zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van een bodemverontreiniging op de onderzoekslocatie. Op het maaiveld van de boorlocaties en in het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten van fase 2.2 blijkt dat in de grond geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters zijn aangetroffen. Het grondwater bevat licht verhoogde gehalten aan barium. Uit de analyseresultaten van de fasen 2.3 tot en met 2.5 blijkt dat plaatselijk in de bovengrond een licht verhoogd kwikgehalte aanwezig is. Het grondwater bevat licht verhoogde gehalten aan barium en zink. Er bestaan geen belemmeringen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden ter plaatse van fase 2.2. Voor de fasen 2.3 tot en met 2.5 worden eveneens geen belemmeringen verwacht. Gezien de lichte onderzoeksinspanning ter plaatse van de laatstgenoemde fasen, zijn die analyseresultaten oriënterend.
► verkennend bodemonderzoek Möllinckswijk te Bergentheim, d.d. 25-05-1998, ref. Grontmij, 1120421 conclusies: - onverdachte locatie, agrarisch gebied (totaal circa 22 hectare); - de boven- en ondergrond van de vakken bevat geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters; - het grondwater bevat licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen (As, Cr, Ni, Zn) die bij dat onderzoek in het gehele gebied worden aangetroffen ►verkennend milieukundig bodemonderzoek Möllincksvaart Bolsstraat sectie AC nrs. 2752 (ged.) en 2653 (ged.), d.d. 01-05-2019, ref. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. 19M8890: Het onderzoekt bestrijkt de voormalige landbouwpercelen ten oosten van de onderzoekslocatie die inmiddels zijn ingericht als woonwijk. conclusies: bovengrond (0,0-0,5 m-mv) De bovengrondmengmonsters MM1, MM2 en MM4 bevatten geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Bovengrondmengmonster MM3 (boring 7+8, 21 t/m 25) bevat een verhoogd gehalte minerale olie t.o.v. de achtergrondwaarde. ondergrond (0,5-2,0 m-mv) De ondergrondmengmonsters MM4 en MM5 bevatten geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. grondwater peilbuis 1 (2,0-3,0 m -mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat barium en nikkel (zware metalen) verhoogd t.o.v. de streefwaarde.
peilbuis 2 (2,0-3,0 m -mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 bevat barium (zware metalen) verhoogd t.o.v. de streefwaarde. peilbuis 3 (2,0-3,0 m -mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis bevat barium (zware metalen) verhoogd t.o.v. de streefwaarde.
juni ’23
11
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
►verkennend milieukundig bodemonderzoek Möllincksvaart fase 2.3, Grieminkstraat, d.d. 07-05-2015, ref. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. 15-M7282: Het onderzoekt bestrijkt de voormalige landbouwpercelen ten zuidoosten van de onderzoekslocatie die inmiddels zijn ingericht als woonwijk. Uit het onderhavige onderzoek blijkt dat de boven-, ondergrond en grondwater ten zuidoosten van de onderzoekslocatie niet verontreinigd zijn. Verder zijn er plaatselijk puinsporen waargenomen in de grond. ►verkennend bodemonderzoek Mollinckswijk Bergentheim (Grontmij, 25 mei 1998, projectnummer 1120421 conclusies: - voldoende onderzocht ►Slotweg Bergentheim: • Verkennend onderzoek NVN 5740 Slotweg Bergentheim d.d. 18-07-1994, CBB; • Verkennend onderzoek NVN 5740 Kanaalweg West Bergentheim d.d. 01-03-1996, CBB; • Bouwstoffenbesluit Partijkeuring nabij Slotweg 23 d.d. 18-01-2008, Tauw B.V. Vervolg WBB: voldoende onderzocht. ► Spoorlijn N.S. vak Gramsbergen – Marienberg; uitgevoerde bodemonderzoeken: • Orienterend bodemonderzoek Ns-Emplacement d.d. 01-09-1999, Tebodin B.V.; • Verkennend bodemonderzoek NVN 5740 Ns-Emplacement d.d. 10-11-1999, Tebodin B.V.; • Nader onderzoek NS-emplacement (km 42.10-42.22) d.d. 31-01-2002, De Bondt; • Monitoringsrapportage Goordijk (voorm. stortplaats) d.d. 14-06-2002, ref. nr. DHV 075.02 • Verkennend onderzoek NEN 5740 Bergbezinkbassin Oostermaatsteeg G'berge d.d.
13-02-2003, ARCADIS, ref. nr. 110302/of3/0h3/000120/dh; • Historisch onderzoek Ter hoogte van Bergentheim kilometerpaal 37,4 d.d. 15-092003, Van Limborgh; • Verkennend onderzoek NEN 5740 SIMA Kunststoffen d.d. 28-12-2003, Tauw B.V.; • Nader onderzoek NS-emplacement 14-02-2005, De Bondt; • Verkennend onderzoek NEN 5740 N.S. Statempl H'berg km 41,9 en 42,3 d.d. 09-112005, Royal Haskoning; • Verkennend onderzoek NEN 5740 Spoorlijn N.S. diverse vakken Gramsbergen – Marienberg d.d. 19-12-2005, Royal Haskoning; • Saneringsevaluatie N.S. Emplacement - Geval A (km 42,4 – 42) d.d. 20-01-2006, SGS Ecocare BV; • Saneringsevaluatie Evaluatieverslag bodemsanering Wbb-geval 1 NS-Emplacement Gramsbergen d.d. 16-12-2001, ARCADIS. Type sanering: gefaseerd. Werkelijke start: 02-05-2011: Gerealiseerd bovengrond: Volledig verwijderd, aanvulgrond schoon (MF). Gerealiseerd ondergrond: Stabiel, grond restverontreiniging/passende zorg, geen monitoring. ► Slotweg Bergentheim: • Verkennend onderzoek NVN 5740 Slotweg Bergentheim d.d. 18-07-1994, CBB; • Verkennend onderzoek NVN 5740 Kanaalweg West Bergentheim d.d. 01-03-1996, CBB; • Bouwstoffenbesluit Partijkeuring nabij Slotweg 23 d.d. 18-01-2008, Tauw B.V. Vervolg WBB: voldoende onderzocht. ► Bergentheim Zuid: • Indicatief onderzoek Bergentheim-Zuid d.d. 01-03-1989, Grontmij Milieu • Verkennend onderzoek NVN 5740 de Visserstraat Bergentheim d.d.
28-08-1997, Grontmij Milieu. Vervolg WBB: voldoende onderzocht. ► Woonwagenlocatie (Parallelweg 29): Verkennend onderzoek NVN 5740 Woonwagenlocatied.d. 10-05-1999, Eco Reest B.V. juni ’23
12
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Hypothese en onderzoeksstrategie Volgens de onderzoeksnorm NEN 5740 dient, m.b.t. de aanwezigheid van eventuele bodemverontreiniging, vooraf een onderzoekshypothese te worden opgesteld. De hypothese kan worden opgesteld op basis van bekende (historische) gegevens, uit de betrokken informatie kan blijken dat de onderzoekslocatie, vooraf, als “verdacht” of “onverdacht” wordt aangemerkt. Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied om het verleden niet eerder bebouwd is geweest. Het plangebied is geruime tijd in gebruik als parkeerplaats. Er is geen informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten op de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Er is geen informatie over (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 De onderzoekslocatie, het beoogde plangebied, is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v. de onderzoekslocatie uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, strategie voor onverdachte locaties (ONV-NL) (literatuur 1).
verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn in de grond t.p.v. de ingang van de oprit van de locatie puinresten aangetroffen. De herkomst van dit materiaal is niet eenduidig en er zijn hiervan geen kwaliteitsgegevens. Conform een uitspraak van de Raad van State uit 2017 dient bij het aantreffen van puin in en op de grond, een locatie als asbestverdacht te worden beschouwd. Dit geldt wanneer er geen informatie beschikbaar is omtrent de herkomst van het puin. De bodem t.p.v. het onderzochte deel van de locatie is in dit onderzoek onderzocht op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Onderhavig onderzoek heeft tot doel om na te gaan of he onderzochte deel van de locatie al dan niet asbest verdacht is. Om vast te stellen of de bodem asbesthoudend is de onderzoekslocatie in dit onderzoek onderzocht op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in grond (percentage bodemvreemd materiaal <50%). Het onderzoek asbest in grond heeft zich beperkt tot het terreindeel nabij de ingang van de oprit, zoals opgenomen in bijlage 2. Het onderzoek t.p.v. het onderzochte deel van de onderzoekslocatie is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie “verkennend onderzoek op een verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld, volgens paragraaf 6.4.5. van de NEN-5707+C2 (verdachte bovengrond).
Conform de gehanteerde onderzoeksopzet zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • visuele inspectie van de toplaag; • het graven van inspectiegaten van 30 * 30 cm tot tenminste ca. 50 cm-mv. • het plaatsen van boringen met een boordiameter van 12 cm, tot maximaal 2 m-mv. • het visueel inspecteren van de ontgraven grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. • het bemonsteren van evt. asbestverdachte materialen. • het analyseren van evt. asbestverdachte materialen conform NEN 5898. • het analyseren van de uitgezeefde bovengrond (fractie <20 mm) conform de NEN 5898 De toetsing van de in dit onderzoek gemeten gehalten asbest is geschied aan de interventiewaarde uit de circulaire bodemsanering 2009. Hierin zijn een interventiewaarde en een restconcentratie van 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie vastgelegd. De gewogen norm bestaat uit de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie. juni ’23
14
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
veldwerkzaamheden in het kader van NEN-5740 De veldwerkzaamheden in het kader van de NEN-5740 hebben bestaan uit het plaatsen van handboringen, peilbuizen en het nemen van grond- en grondwatermonsters. De geplaatste peilbuis is opgebouwd uit 1 meter HDPE peilfilter omstort met filtergrind. Het filtergrind zorgt voor een goede instroming van het grondwater in het filter, daarnaast voorkomt het dat het filter dichtslibt. Het peilfilter bevindt zich 0.5 meter beneden het grondwaterniveau. Boven het peilfilter bevindt zich blinde HDPE opzetbuis, omstort met bentoniet (zwelklei). De zwelklei dient ervoor te zorgen dat toestroming vanuit de bovengrond wordt voorkomen. De peilbuis is geplaatst conform de eisen uit het protocol 2001. monstername grond Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0.5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters t.b.v. analyse op vluchtige aromaten zijn m.b.v. een steekbus bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001.
monstername grondwater Om een representatief grondwatermonster te verkrijgen zijn de peilbuizen, na plaatsing en voor monstername, grondig (3 maal de inhoud van het peilfilter) afgepompt. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand t.o.v. het maaiveld ingemeten. Grondwatermonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2002 en NEN-5744 (literatuur 11). Tijdens de monstername van het grondwater is in het veld de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EGV) bepaald.
veldwerkzaamheden in het kader van NEN-5707 Het veldonderzoek in het kader van de NEN-5707 heeft bestaan uit het inspecteren van de toplaag in combinatie met het graven van inspectiegaten en het uitvoeren van handboringen tot de ongeroerde bodemlaag. Conform de NEN-5707 wordt voor landbodem onderscheid gemaakt tussen drie te onderzoeken bodemlagen: 1) het maaiveld 2) de bovengrond (0.02 m-mv-0.5 m-mv) 3) de ondergrond (0.5 m-mv-2.0 m-mv) maaiveldinspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. het onderzoeksgebied een inspectie van het maaiveld uitgevoerd. De inspectie heeft plaatsgevonden als is voorgeschreven in het protocol 2018. Tijdens de visuele inspectie van de toplaag is een ruimtelijke eenheid onderverdeeld in ‘inspectie stroken’ van maximaal 1.5 meter waarbij de toplaag strook voor strook in twee richtingen is geïnspecteerd. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen wordt de vindplaats gemarkeerd en wordt het materiaal verzameld. Bij de visuele inspectie is geen grond geroerd of onder (vaste) obstakels gekeken. Bij het aantreffen van asbestverdachte materialen zijn deze bemonsterd (door middel van “hand-picking”). Tevens is de inspectie-efficiëntie ingeschat. De inspectie-efficiëntie is onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden, de conditie van de toplaag (vochtig, vegetatie, vastgereden, plassen) en het type grond (zand, klei).
juni ’23
17
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
inspectiegaten bovengrond (0.0-0.5 m-mv) In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de bovengrond t.p.v. de ingang van de oprit. In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond t.p.v. het plangebied zijn, teneinde een betrouwbare uitspraak te kunnen doen m.b.t. het voorkomen van asbest in de grond, inspectiegaten van 0.3 m x 0.3 m tot max. ca. 0.5 meter minus maaiveld, op a-selecte wijze, gegraven m.b.v. een schop. Het uitgegraven materiaal is gezeefd over een 20 mm zeef en/of uitgeharkt (tandafstand 20 mm) en is gescreend op de volgende aspecten: • asbestverdachte restanten; • bodemsamenstelling; • afval- en puinrestanten. De evt. aanwezige (asbest)verdachte delen groter dan ca. 20 mm zijn per soort en per inspectiegat verzameld, gewogen en in gesloten plasticzakken aan het laboratorium aangeboden voor onderzoek op asbest. Van het uitgezeefde materiaal is op basis van de NEN 5707+C2 zijn representatieve monsters van ca. 10 kg uit de fractie <20 mm verzameld. De bemonstering van de fijne fractie (deeltjes < 20 mm) heeft plaatsgevonden volgens tabel 8, “Minimale greep- en monstergrootte”, uit de NEN 5707+C2. handboringen ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Tevens is visueel onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de ondergrond.
Hiertoe is een handboringen met een diameter van 12 cm doorgezet tot maximaal 2.0 m-mv. De vrijkomende grond is visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. monstername grond en materialen Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0.5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001 en 2018. De visueel aangetroffen asbestverdachte materialen zijn op een adequate wijze verpakt en als materiaalmonster aangeleverd aan het laboratorium. Van het gezeefde materiaal <20 mm uit niet asbestverdachte inspectiegaten is een (meng)monster genomen bestaande uit twintig grepen van min. 0.5 kg. Evt. asbestverdachte inspectiegaten zijn afzonderlijk bemonsterd middels twintig grepen van ca. 0,5 kg. Na inspectie zijn de gaten weer gedicht met het uitgegraven materiaal.
juni ’23
18
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
4.2
Toetsingscriteria
grond en grondwater (NEN-5740+A1) Om de kwaliteit van de bodem en de mate van verontreiniging te kunnen beoordelen, zijn de analyseresultaten van grondmonsters getoetst aan de geldende toetsingswaarden; 1) de achtergrondwaarde (AW-2000) zoals opgenomen in bijlage B van “de Regeling Bodemkwaliteit” (Staatscourant 22335, 02 november 2012) (literatuur 5) 2) de interventiewaarde zoals opgenomen in tabel 1 van “de Circulaire Bodemsanering”, (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) (literatuur 6) De toetsing van de meetresultaten is uitgevoerd middels BoToVa, de Bodem Toets Validatie Service van de overheid voor grond, grondwater en waterbodem. BoTova gaat uit van het wettelijk kader dat per 1 juli 2013 van kracht is. In de BoToVa toetsing worden de meetwaarden gecorrigeerd/teruggerekend voor de “standaard bodem” (humus=10% en lutum=25%). Generiek toetsingskader Voor de beoordeling van de analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van de achtergrondwaarden grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit, de streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering.
Achtergrondwaarde (AW-2000): De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft de kwaliteit weer die 'van nature' voorkomt in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. De achtergrondwaarden zijn opgenomen in het Besluit Bodemkwaliteit en zijn gebaseerd op het onderzoek ‘Achtergrondwaarden 2000’. Hierin zijn gehalten vastgesteld van een groot aantal stoffen in bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland. De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft het niveau aan waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de achtergrondwaarde is er sprake van bodemverontreiniging. Tussenwaarde/bodemindex-waarde >0.5: De gemiddelde waarde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde (S+I)/2, hierna te noemen 'tussenwaarde'(T), wordt gehanteerd om aan te geven dat bij overschrijding de kans aanwezig is dat er sprake is van een ernstige verontreiniging, ofwel dat nader onderzoek noodzakelijk is. De tussenwaarde heeft geen wettelijke status maar is een indicatieniveau voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De tussenwaarde geeft het concentratieniveau aan waarboven onder bepaalde omstandigheden risico’s voor mens en milieu aan de orde kunnen zijn. De tussenwaarde is zodoende een indicatiewaarde voor nader onderzoek.
Bij overschrijding van de T-waarde of bodemindex waarde (>0,5) dient aanvullend/nader bodemonderzoek in overweging genomen te worden. Een nader onderzoek wordt uitgevoerd indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Interventiewaarde: De interventiewaarde (I) geeft aan dat bij overschrijding van deze waarde de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging en wordt de interventiewaarde in meer dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater (bodemvolume) overschreden, dan kan er noodzaak zijn tot sanering. De saneringsurgentie wordt bepaald door blootstellingsrisico's van mens, dier en plant en de verspreidingsrisico's van de betreffende stoffen (actuele risico’s). De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico's voor de volksgezondheid en het milieu (onderzoek RIVM). Bij de beoordeling van bodemverontreiniging aan de hand van de genoemde toetsingswaarden spelen nog een aantal aspecten een rol. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat de mobiliteit van stoffen in de bodem en daardoor de verspreiding van stoffen afhankelijk is van diverse bodemkenmerken.
Daarnaast speelt de bestemming en het gebruik van de locatie in de huidige situatie alsmede de toekomstige situatie, een grote rol bij de beoordeling van de risico's voor het milieu.
juni ’23
23
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
asbest in grond en puin De resultaten van het onderzoek asbest in grond worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Voor asbest in grond is een interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. vastgesteld. Aan deze waarde zijn de gewogen asbestconcentraties (mg/kg ds) getoetst. Gewogen betekent het gehalte serpentijnasbest (chrysotiel) vermeerderd met tienmaal het gehalte amfiboolasbest (amosiet, crocidoliet). Indien de gewogen asbestconcentratie in grond c.q. puin boven 100 mg/kg ds is vastgesteld, is sprake van met asbest verontreinigde grond c.q. puin. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. Indien asbest in de grond boven 100 mg/kg ds aanwezig is en deze verontreiniging vóór 1993 is ontstaan, is ongeacht de omvang van de verontreiniging sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in grond.
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een indicatieve uitspraak over de mogelijke verontreiniging van het toegepaste bouw- en sloopafval of recyclinggranulaat / bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek asbest al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de grenswaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de grenswaarde gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Alleen als in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerd materiaal in de gaten en aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek is een directe toetsing aan de grenswaarde mogelijk. Als het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de grenswaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de grenswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de grenswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een(deel)locatie of (deel)partij is hiervoor bepalend.
juni ’23
24
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Van de bodemlagen waarin zintuiglijk asbesthoudende materialen zijn aangetroffen in de fractie >20 mm is een berekening gemaakt van de asbestconcentratie. Hiertoe is gebruik gemaakt van de navolgende formule: Cmi=∑ (Mk x %k,I /100) / Mlok Cmi = De concentratie aan asbest van asbestsoort ‘i’ is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg/kg d.s.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg; %k,i = het percentage aan asbest van het asbestsoort ‘i’ in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op locatie, in kg. Als het gewicht van het geïnspecteerde monster (gat of sleuf) op locatie exact is gewogen, moet het drooggewicht van het monster uitgegraven materiaal op locatie worden bepaald volgens: Mloc = Mvloc x Ma/Mva waarin: Mvloc is de massa van het uitgegraven veldvochtige materiaal op locatie, in kg; Ma is de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva is de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg. Wanneer een groot monster (toplaag of sleuf of gat) is geïnspecteerd op locatie kan dit in principe niet worden gewogen.
In deze gevallen moet het drooggewicht van het monster worden afgeleid volgens: Mloc = (1 000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva waarin: V is het volume van het geïnspecteerde monster op locatie, in m3; ns is de volumieke massa van het geconsolideerde materiaal op locatie, in kg/dm3; %E is een schatting van de inspectie-efficiëntie, in %. waarin: V (in dm3) : volume (V) van de sleuf of het gegraven gat. Mk (in mg) : massa van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type "k" (bijvoorbeeld asbestplaatjes). %k,i : gemiddeld % van asbestsoort "i" (bijv. chrysotiel) in de verzamelde asbesthoudende materialen van type "k". Ns (in kg/dm3) : stortgewicht van de grond/puin. ds : percentage droge stof
juni ’23
25
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na elke tabel worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten opgenomen. 4.3.1
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740
boven- en ondergrond (0.0-2.0 m-mv) In tabel 16 wordt een volledig overzicht weergegeven van de analyseresultaten getoetst aan de toetsingswaarde. tabel 16: gemeten gehaltes (mg/kg d.s.) in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Project
23-M10826-De Jongstraat 8 Bergentheim
Certificaat
13873991
Toetsing
12-Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb
Toetsversie Toetsversie 3.0.0, toetskader WBB, SIKB versie 13.3.0, toetsingsdatum: 13-06-2023 - 16:45
Parameters
Toetsing
13873991-001
13873991-002
13873991-003
13873991-004
MM1MM1, 03: 0-50, 04: 0-50, 05: 0-50, 06: 0-50, 07: 0-30 MM2MM2, 01: 0-50, 02: 0-50, 08: 0-50, 09: 0-50, 10: 0-50, 11MM3MM3, 01: 80-100, 02: 50-100, 01: 100-150, 01: 150-200MM4MM4, G1: 0-50
Analyse
Eenheid
AW
T
I
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Grond (AS3000)
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
SR
monster voorbehandeling
Ja
droge stof
BT
BC
BI
SR
BT
BC
BI
Ja 84.1
84.5
SR
BT
Grond (AS3000)
BC
Voldoet aan Achtergrondwaarde BI
Ja 84.5
84.3
SR
BT
%
84.1
gew icht artefag
<1
aard van de a -
Geen
organische sto%
4.3
4.3
5.1
5.1
0.9
0.9
2.3
2.3
<2
<2
2.8
2.8
4.2
4.2
2.8
2.8
<1
84.3
92.8
<1
Geen
BC
BI
Ja 92.8
<1
Geen
Geen
KORRELGROOTTEVERDELIN lutum (bodem) % vd DS
METALEN +
barium
mg/kg
920
21
81.4
--
26
91.6
--
<20
42.5
--
30
106
--
cadmium
mg/kg
0.6
6.8
13
0.24
0.374
<=AW
0
0.33
0.492
<=AW
0
<0.2
0.233
<=AW
0
<0.2
0.235
<=AW
0
kobalt
mg/kg
15
102
190
<1.5
3.69
<=AW
0
<1.5
3.39
<=AW
0
<1.5
2.98
<=AW
0
<1.5
3.39
<=AW
0
koper
mg/kg
40
115
190
11
21.1
<=AW
0
92
16.8
<=AW
0
<5
6.73
<=AW
0
5.5
11
<=AW
0
kw ik°
mg/kg
0.15
18
36
<0.05
0.0494
<=AW
0
0.06
0.083
<=AW
0
<0.05
0.0486
<=AW
0
<0.05
0.0495
<=AW
0
lood
mg/kg
50
290
530
17
25.7
<=AW
0
25
36.7
<=AW
0
<10
10.6
<=AW
0
<10
10.8
<=AW
0
molybdeen
mg/kg
1.5
96
190
<0.5
0.35
<=AW
0
<0.5
0.35
<=AW
0
<0.5
0.35
<=AW
0
<0.5
0.35
<=AW
0
nikkel
mg/kg
35
68
100
<3
6.12
<=AW
0
<3
5.74
<=AW
0
4.0
9.86
<=AW
0
4.0
10.9
<=AW
0
zink
mg/kg
140
430
720
29
65
<=AW
0
83
176
WO
0.06
<20
29.9
<=AW
0
23
52.1
<=AW
0
<0.01
0.007
0.02
0.02
<0.01
0.007
<0.01
0.007
1.5
21
40
0.607
0.607
<=AW
0
1.1
1.1
<=AW
0
0.07
0.07
<=AW
0
1.387
1.39
<=AW
0
20
510
1000
4.9
11.4
<=AW
-
4.9
9.61
<=AW
-
4.9
24.5
<=AW
-
4.9
21.3
<=AW
-
190
2595
5000
<20
32.6
<=AW
0
<20
27.5
<=AW
0
<20
70
<=AW
0
30
130
<=AW
0
POLYCYCLISCHE AROMAT naftaleen
mg/kg
pak-totaal (10 mg/kg
POLYCHLOORBIFENYLEN (P som PCB (7) ( ug/kg
MINERALE OLIE totaal olie C10 mg/kg
Ve rk laring k olom m e n SR
Resultaat op het analyserapport
BT
Berekend toetsresultaat (omgerekend naar standaard b odem). Bij organische stof en lutum staan de voor de toetsing geb ruikte waarden.
BC
Toetsoordeel
AW
Achtergrondwaarde (door SGS b eheerd)
T
Tussenwaarde (door SGS b erekend en b eheerd maar niet meer b eschreven in de wetgeving)
I
Interventie waarde (door SGS b eheerd)
BI
SGS b erekende BodemIndex waarde: =(BT - (S of AW) ) / (I - (S of AW) )
#
Verhoogde rapportagegrens, voor meer informatie zie analysecertificaat
<=AW
Kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde
WO
Wonen
IN
Industrie
>I
Groter dan interventiewaarde
>IND
Groter dan industrie
Kle ur inform atie Rood
> Interventiewaarde
Oranje
>= Tussenwaarde (BI ligt tussen 0.5 en 1)
Blauw
>= Achtergrond waarde
juni ’23
26
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
grondwater In tabel 17 wordt een volledig overzicht weergegeven van de analyseresultaten getoetst aan de toetsingswaarde. tabel 17: gemeten gehaltes (µg/l) in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Project
23-M 10826-De Jongs tr aat 8 Be r ge nthe im
Certif icaat
13883018
Toetsing
13-Be oor de ling k w alite it van gr ondw ate r volge ns Wbb
Toetsv+A2:I53 Toe ts ve r s ie 2.0.0, toe ts k ade r WBB, SIKB ve r s ie 13.3.0, toe ts ings datum : 13-06-2023 - 16:40
Parameters
Toetsing
13883018-001 Pb1Pb1, 01-Pb1: 150-250 Grondw ater (AS3000) Ove r s chr ijding Str e e fw aar de
Analys e
Ee nhe id
S
T
I
SR
BT
BC
BI
barium
ug/l
50
338
625
110
110
>S
0.10
cadmium
ug/l
0.4
3.2
6
<0.2
0.14
<=S
-
kobalt
ug/l
20
60
100
<2
1.4
<=S
-
koper
ug/l
15
45
75
5.7
5.7
<=S
-
kw ik
ug/l
0.05
0.18
0.3
<0.05
0.035
<=S
-
lood
ug/l
15
45
75
<2
1.4
<=S
-
molybdeen
ug/l
5
152
300
<2
1.4
<=S
-
nikkel
ug/l
15
45
75
6.5
6.5
<=S
-
zink
ug/l
65
432
800
<10
7
<=S
-
M ETALEN
VLUCHTIGE AROM ATEN benzeen
ug/l
0.2
15
30
<0.2
0.14
<=S
-
tolueen
ug/l
7
504
1000
<0.2
0.14
<=S
-
ethylbenzeen
ug/l
4
77
150
<0.2
0.14
<=S
-
xylenen (0.7 f aug/l
0.2
35
70
0.37
0.37
>S
0.00
styreen
ug/l
6
153
300
<0.2
0.14
<=S
-
naf taleen
ug/l
0.01
35
70
<0.02
0.014
<=S
-
1,1-dichloorethug/l
7
454
900
<0.2
0.14
<=S
-
1,2-dichloorethug/l
7
204
400
<0.2
0.14
<=S
-
1,1-dichloorethug/l
0.01
5.0
10
<0.1
0.07
<=S
-
<0.1
0.07
GEHALOGENEERDE KOOLW
trans-1,2-dich ug/l som (cis,trans ug/l
0.01
10
20
0.14
0.14
<=S
-
dichloormethaaug/l
0.01
500
1000
<0.2
0.14
<=S
-
1,1-dichloorproug/l
<0.2
0.14
1,2-dichloorproug/l
0.31
0.31
1,3-dichloorproug/l
<0.2
0.14
som dichloorpr ug/l
0.8
40
80
0.59
0.59
<=S
-
tetrachlooretheug/l
0.01
20
40
<0.1
0.07
<=S
-
tetrachloormet ug/l
0.01
5.0
10
<0.1
0.07
<=S
-
1,1,1-trichlooreug/l
0.01
150
300
<0.1
0.07
<=S
-
1,1,2-trichlooreug/l
0.01
65
130
<0.1
0.07
<=S
-
trichlooretheenug/l
24
262
500
<0.2
0.14
<=S
-
chlorof orm
ug/l
6
203
400
<0.2
0.14
<=S
-
vinylchloride
ug/l
0.01
2.5
5
<0.2
0.14
<=S
-
630
<0.2
0.14
---
600
<50
35
<=S
tribroommetha ug/l
M INERALE OLIE totaal olie C10 ug/l
50
325
-
Verklaring SR
Resultaat op het analyserapport
BT
Berekend toetsresultaat (omgerekend naar standaard bodem). Bij organische stof en lutum staan de voor de toetsing gebruikte waarden.
BC
Toetsoordeel
BI
SGS berekende BodemIndex waarde: =(BT - (S of AW) ) / (I - (S of AW) )
-
Geen toetsoordeel mogelijk
Kleur inform atie Rood
> Interventiewaarde
Oranje
>= Tussenwaarde (BI ligt tussen 0.5 en 1)
Blauw
> streefwaarde
juni ’23
27
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
grondwater peilbuis 1 (1.5-2.5 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) en xylenen (vluchtige aromaten) t.o.v. de streefwaarde. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen in het freatisch grondwater kan worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron. De verhoogde gehaltes zware metalen kunnen o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen. Zo kan het onvoldoende herstelde evenwicht tussen grond en grondwater ten tijde van de bemonstering een mogelijke oorzaak zijn van het verhoogd voorkomen van zware metalen. Deels kunnen zware metalen van nature, door uitloging uit sedimenten, afhankelijk van het redoxpotentiaal, in verhoogde mate in het grondwater voorkomen, het betreft in deze gevallen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Het verhoogd gemeten gehalte xylenen in het grondwater is op basis van het bekende bodemgebruik niet te relateren.
juni ’23
29
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim Voetnoten bij tabel: (1) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast. (2) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast. (3) Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: oppervlaktewaterlichaam, ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak. Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders.
Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. (4) Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. (5) Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld (zie paragraaf 5). (6) Met toepassingswaarden voor PFAS wordt bedoeld de waarde voor alle overige PFAS verbindingen, te toetsen per stof (dus niet gesommeerd). PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. (7) Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal het waterschap in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. (8) Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen.
bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster M1PFAS bevat som PFOA en som PFOS verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens. De gemeten gehalten in bovengrondmengmonster MM1PFAS overschrijden de geactualiseerde toepassingsnorm voor landbouw/natuur uit het tijdelijk handelingskader PFAS (13-122021) (bij toepassing op landbodem, buiten een grondwaterbeschermingsgebied) niet.
Opmerking: Op basis van de circulaire bodemsanering 2009 zijn de toetsingswaarden voor barium (zware metalen) tijdelijk ingetrokken. Indien er op een locatie sprake is van een antropogene bron kan het gemeten gehalte barium indicatief worden getoetst aan de voormalige interventiewaarde. Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter van uit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000) resp. streefwaarde, e.e.a. geldt voor de gecorrigeerde som 1,2-dichlooretheen, gecorrigeerde som dichloorpropaan en som xylenen.
juni ’23
31
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
5.2
verkennend onderzoek asbest in grond NEN 5707+C2
maaiveld Op basis van de visuele locatie-inspectie is op het geïnspecteerde deel van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal waargenomen. bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten G1 t/m G3 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.00.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. inspectiegat G1 bedraagt ter indicatie 6.9 mg/kg d.s en is daarmee verhoogd t.o.v. de bepalingsgrens. De interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest alsmede het criterium voor nader onderzoek (> 50 mg/kg d.s.) wordt t.p.v. inspectiegat G1 niet overschreden. De bovengrond uit inspectiegat G1 is aantoonbaar verontreinigd met asbest, het gemeten gehalte zit onder de waarde voor nader onderzoek. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) fractie >20 mm Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit de inspectiegat G1 zijn vanaf ca. 0.5 m-mv visueel geen bodemvreemde materialen waargenomen. fractie <20 mm Van de ongeroerde ondergrond vanaf 0.5 m-mv zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm.
Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is. toetsing hypothese Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als verdacht voor asbest aangemerkt. Uit het onderzoek is gebleken dat de bovengrond t.p.v. inspectiegat G1 aantoonbaar is verontreinigd met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vooraf gestelde onderzoekshypothese “verdacht” aanvaard. Afwijkingen t.o.v. normen en protocollen Er hebben bij de uitvoering van veldwerkzaamheden geen andere afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen BRL SIKB 2001, 2002 en 2108. Er hebben bij de uitvoering van analysewerkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen AS3000 en/of overige geldende analysemethoden.
juni ’23
36
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Aanbevelingen 1●) In de grond op een deel van de locatie zijn puinresten waargenomen. Bij het bouwrijp maken van het terrein dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze bijmengingen. Bij ontgraving en verwerking van (puinhoudende) grond dient men altijd alert te zijn op de eventuele aanwezigheid van asbest(nesten) welke niet in dit onderzoek zijn ontdekt. Bij het aantreffen van asbest tijdens grondwerk dienen veiligheidsmaatregelen getroffen te worden. 2●) Indien de grond ontgraven gaat worden, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwwerkzaamheden, is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indien grond van het eigen terrein moet worden afgevoerd zal deze verwerkt dienen te worden conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. De mogelijkheden hiertoe kunnen worden vastgesteld na overleg met de betrokken overheidsinstanties. Volledige duidelijkheid omtrent de bodemkwaliteitsklasse van vrijkomende grond wordt pas verkregen op basis van een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit. Opgemerkt dient te worden dat de vertaalslag van verkennend bodemonderzoek naar hergebruik van grond volgens het Besluit Bodemkwaliteit, veelal, niet mogelijk is. In de meeste gevallen zijn aanvullende gegevens noodzakelijk, het bevoegd gezag (de gemeente waarin de grond wordt toegepast) kan hier uitsluitsel over geven.
Op 8 juli 2019 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een tijdelijk handelingskader vastgesteld voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Vanaf 8 juli 2019 is het verplicht om onderzoek naar de stofgroep PFAS uit te voeren bij o.a. partijkeuringen in het kader van afvoer van grond. In dit verkennend bodemonderzoek is behoudens een indicatief onderzoek van de bovengrond, geen onderzoek uitgevoerd naar PFAS stoffen in de bodem. De in dit onderzoek opgenomen indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is excl. onderzoek naar PFAS-stoffen, onderzoek naar deze verbindingen is bij definitieve beoordeling van evt. hergebruiksmogelijkheden van evt. af te voeren grond alsnog nodig. Indien het noodzakelijk is dat er grond afgevoerd moet worden van de locatie zal er een melding grondverzet gedaan moeten worden via het landelijk meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Opgemerkt wordt dat evt. afvoer van grond met de bodemkwaliteitsklasse “wonen”, “industrie” en “niet toepasbare grond” meer kosten met zich meebrengt dan de afvoer van schone grond “achtergrondwaarde”. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.
juni ’23
37
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
Algemeen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen Het onderhavige onderzoek heeft betrekking gehad op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de De Jongstraat 8 te Bergentheim (zie bijlage 2). Op basis van het onderhavige onderzoek kan alleen een uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van het onderzochte terreindeel, zie bijlage 2. Op basis van het onderhavige onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan: omtrent de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet onderzochte terreindelen, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet bekende verdachte terreindelen op de locatie, de milieuhygiënische bodemkwaliteit onder gebouwen en/of gesloten verharding, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet verkende bodemlagen, de milieuhygiënische kwaliteit van het diepere grondwater etc. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters de gehalten in de individuele deelmonsters van een mengmonster zowel hoger als lager kunnen zijn dan de aangetoonde gehalten in het betreffende mengmonster. Er kan in gevallen waarbij sprake is van ruime overschrijdingen van de achtergrondwaarde, gemeten in een mengmonster, niet worden uitgesloten dat individuele deelmonsters gehalten boven de tussen- of interventiewaarde bevatten. T.a.v. historische (bodem) informatie van de locatie wordt opgemerkt dat de geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.
Voor het verkrijgen van historische informatie is Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. afhankelijk van deze bronnen, waardoor Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en methoden. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het, conform de geldende richtlijnen, steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem d.m.v. een representatief geacht aantal monsters, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is om garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Een verkennend bodemonderzoek geeft nooit volledige zekerheid omtrent de toestand van de bodem ter plaatse van een locatie. Het onderzoek dient geïnterpreteerd worden als een inschatting van de verontreinigingssituatie op een bepaald moment. Het is echter op basis van dit onderzoek nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de bodem voorkomen. Het kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten worden dat zich op de locatie verontreiniging bevindt welke in dit onderzoek niet is aangetroffen/ontdekt.
Het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is dan ook indicatief en een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden. Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. aanvaardt derhalve op generlei wijze aansprakelijkheid voor de gevolgen/schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade welke voortvloeien uit beslissingen welke worden genomen op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavige onderzoek als in de praktijk blijkt dat de verontreinigingssituatie anders is dan in dit onderzoek vermeld.
juni ’23
38
verkennend milieukundig bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in grond De Jongstraat 8 te Bergentheim
6
LITERTUURLIJST 1. Bodemonderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek volgens de Nederlandse norm, NEN 5740+A1 (NNI, april 2016). 2. Boringen zijn geplaatst volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie). 3. Grondmonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie), grondwatermonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2002 (vigerende versie). 4. De conservering van monsters in het veld is uitgevoerd volgens de eisen uit de SIKBprotocollen 2001 en 2002 (vigerende versie). 5. Regeling Bodemkwaliteit” (zie vigerende versies op www.wetten.overheid.nl of
www.rwsleefomgeving.nl) 6. Circulaire Bodemsanering (zie vigerende versies op www.wetten.overheid.nl of www.rwsleefomgeving.nl) 7. Classificatie van onverharde grondmonsters, NEN 5104, september 1989. 8. Geologische overzichtskaarten van Nederland, Rijks Geologische Dienst, 1995. 9. Grondwaterstromingsstelsels in Nederland, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1989. 10. Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader bodemonderzoek, NEN 5725, (oktober 2017). 11. Bodem-Monsterneming van grondwater, NEN 5744, (NNI maart 2011). 12. NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017. 13. NTA 5755, Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek,NNI, juli 2010).
juni ’23
39
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT (HISTORISCH)
1990
1970
1950
1925
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
1900
1870
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
04
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
05
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
06
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, licht bruin, geel, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
-50
boring is schuin onder de oprit geplaat st
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
07
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, neut raal bruin, edelm an -30
2 50 t ype dat um boorm eest er
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht geel, beige, edelm an -50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
08
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
09
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an -50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
bodem profielen BIJLAGE 3 : BOORPROFIELEN onderzoek project code get ekend conform
D e Jon g st r a a t 8 Be r g e n t h e im 2 3 -M 1 0 8 2 6 N EN 5 1 0 4
10
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
11
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
12
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht bruin, beige, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
13 0
boring is schuin onder de oprit geplaat st
gras / cm t ov m aaiveld
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
14 0
gras / cm t ov m aaiveld
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
15 0
gras / cm t ov m aaiveld
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an 50 t ype dat um boorm eest er
-50
g r on d b or in g 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
bodem profielen BIJLAGE 3 : BOORPROFIELEN onderzoek project code get ekend conform
D e Jon g st r a a t 8 Be r g e n t h e im 2 3 -M 1 0 8 2 6 N EN 5 1 0 4
G1
gras / cm t ov m aaiveld
0 grond 50
0
34x31cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker bruin, grijs, rest en bakst een, rest en puin fract ie > 20 m m = < 10%, schep -50
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, geel, grijs, schep t ype dat um boorm eest er
-80
in sp e ct ie g a t 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
m eet punt G1, laag 0-50, bijz. undefined 444112824
G2 0
gras / cm t ov m aaiveld
0
32x32cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m = < 10%, schep
50
-50 t ype dat um boorm eest er
in sp e ct ie g a t 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
G3 0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, beige, geel, schep -70
gras / cm t ov m aaiveld
0
33x34cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker bruin, grijs, schep 50 t ype dat um boorm eest er
-50
in sp e ct ie g a t 2 3 -0 5 -2 0 2 3 V e ld w e r k e r
bodem profielen BIJLAGE 3 : BOORPROFIELEN onderzoek project code get ekend conform
D e Jon g st r a a t 8 Be r g e n t h e im 2 3 -M 1 0 8 2 6 N EN 5 1 0 4
onderzoek
onderzoek
onderzoek
m eet punt G1, laag 0-50, bijz. undefined
BIJLAGE 4 ANALYSECERTIFICATEN
Blad 2 van 6
Analyserapport Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Bodem-Sigma Projectnaam De Jongstraat 8 Bergentheim 23-M10826 Projectnummer 13873967 - 1 Rapportnummer
23-05-2023 Orderdatum 24-05-2023 Startdatum Rapportagedatum 31-05-2023
Nummer
Monstersoort