CConstaterende datHardenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Bijlage 2. Quickscan flora en fauna

gemeenteraad 12 december 2023, gemeente HardenbergBij agendapunt: Het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Langewijk 32 Dedemsvaart" (het bouwen van een dubbele compensatiewoning)6.916 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna nabij Langewijk 32 te Dedemsvaart 2 april 2022

1

COLOFON

Door

LabelTIEN Bosrandweg 1a 7722 KB Dalfsen

Telefoonnummer

06 - 55 57 22 33

Project

60.01.22

Documentnummmer

01

Auteur

ing. L. Grote Gansey

Veldinventarisatie

ing. L. Grote Gansey

Datum

2 april 2022

Status

Concept

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. LabelTIEN accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door LabelTIEN uitgevoerde onderzoek neemt. 2

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding

4

1.1.

Aanleiding

4

1.2.

Methodiek

4

1.2.1.

Wat is een quickscan

4

1.2.2.

Methodiek

4

2. Wet- en regelgeving

5

3. Gebiedsomschrijving

6

3.1. Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

6

3.2. Projectvoornemen

7

4. Gebiedsbescherming

10

4.1. Natuurnetwerk Nederland

10

4.2. Natura 2000 gebieden

11

4.3. Weidevogelgebied

12

4.4. Lokaal

12

5. Beschermde flora en fauna

13

5.1. Vaatplanten

13

5.2. Grondgebonden zoogdieren

13

5.3. Vleermuizen

14

5.4. Vogels

16

5.5. Vissen, reptielen en amfibieën

18

6. Conclusies en aanbevelingen

19

6.1. Bevindingen

19

6.2. Conclusies en aanbevelingen

19

7. Geldigheid

21

8. Bronvermelding

22

Bijlage 1

23

3

1. INLEIDING 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, amovatie van meerdere stallen, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op het perceel aan de Langewijk 32 te Dedemsvaart. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming hebben de eigenaren van het perceel besloten om een onderzoek te laten verrichten, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in- en rond het plangebied. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienst doen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming.

In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en -beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Tegelijkertijd dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. 1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 25 maart is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving.

Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een zaklamp, ladder, verrekijker en fotocamera. De weersomstandigheden waren helder, 16°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen in het plangebied.

4

2. WET- EN REGELGEVING De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd.

Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: • Er geen bevredigend alternatief is; • Er sprake is van een wettelijk belang; • Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten.

5

3. GEBIEDSOMSCHRIJVING 3.1. Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving Het plangebied maakt onderdeel uit van de besloten veenontginningslandschap. Het landschap kenmerkt zich als een rationeel ingericht landschap met een rechte kavels en rechtlijnige structuurdragers zoals kanalen, vaarten en wijken. Voor de vervening van het gebied werden vaarten en wijken gegraven om het veen te ontwateren en het turf af te voeren. Grote delen van de kanalen en wijken zijn gedempt. Langs de ontginningsassen, de vaarten en hoofdwijken, ontstond het bebouwingslint Dedemsvaart. De erven zijn langs de de ontginningsassen gesitueerd en kennen een rationele opbouw. De bebouwing bevindt zich op de kop van de kavel en oriënteert zich op de weg. De meeste erven zijn aangekleed met beplanting; langs de erfgrenzen, enkele grote solitairen op het erf en een aantal fruitbomen op het zijerf of het voorerf.

Afbeelding 1. Ligging onderzoekslocatie in het landschap (onderzoekslocatie: rood) (bron: Pdok viewer)

Het plangebied kenmerkt zich als een typische boerenerf; veel verharding rondom de schuren met een vrij monotome opbouw in ruderale plantsoorten. Gecultiveerde plantensoorten zijn rondom de woning te vinden. Van een duidelijke omzoomde erfbeplantingsrand is geen sprake, maar bestaat pluksgewijs uit inheemse heestersoorten.

6

3.2. Project voornemen De initiatiefnemer wil het perceel nabij de Langewijk 32 te Dedemsvaart splitsen en een bouwkavel uitgeven. Om dit te bewerkstelligen dienen een aantal landschapsontsierende stallen worden gesloopt/verwijderd. Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling verdwijnt plaatselijk begroeiing, te weten de kruidlaag en enkele inheemse heestersoorten. Alle bomen op het erf blijven behouden, tevens blijft de siertuin ook intact. De uitvoering van de werkzaamheden zijn gepland na vergunningverlening.

Afbeelding 2. Bouwwerken op het erf 1. Woonhuis eigenaar (blijft behouden) 2. Open garage (amoveren) 3. Aan elkaar grenzende landschapsontsierende stallen (amoveren) 4. Landschapsontsierende stal (amoveren) 5. Hooiberg (amoveren) 6. Kapschuur (amoveren)

5 6

4

2

3

(bron: Pdok viewer)

1

Afbeelding 3. Projectvoornemen (bron: Dedem Architectuur)

7

Afbeelding 4. Aan elkaar grenzende schuren (nr. 3)

Afbeelding 5. Schuur nr. 3 was voor oorsprong voorzien van een rietendak. De golfplaten zijn direct op het riet gelegd.

Afbeelding 6. Garage (nr. 2)

Afbeelding 7. Binnenzijde garage (nr. 2)

Afbeelding 8.Aanpalende schuur (mr. 3) was een oude loopstal uit 1974

Afbeelding 9. Binnenzijde aanpalende schuur (nr. 3)

Afbeelding 10. Buitenzijde jongvee stal

Afbeelding 11. Op de houten constructie is rommelig nestmateriaal te vinden van de houtduif

8

Afbeelding 12. Kapschuur (nr. 6)

Afbeelding 13. Plaatselijk zijn de damwandplaten beschermd met houten panelen in de kapschuur

Afbeelding 14. Hooiberg

Afbeelding 15. Achterzijde erf

Afbeelding 16. Pluksgewijs inheemse plantensoorten aan westzijde kapschuur

Afbeelding 17. Directe omgeving achter het erf

Afbeelding 18. Privé tuin met gecultiveerde plantensoorten

Afbeelding 19. Open weidegebied aan de overzijde van het plangebied. Tijdens de inventarisatie is een kiviet gehoord

9

4. GEBIEDSBESCHERMING 4.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker. De planlocatie ligt buiten de NNN. Het beschermingsregime voor de NNN lijkt op dat voor Natura 2000gebieden. Activiteiten en projecten die de wezenlijke waarden en kenmerken kunnen aantasten zijn niet toegestaan. Er wordt een uitzondering gemaakt als er geen redelijk alternatief is, er een dwingende reden van openbaar belang is en compensatie plaatsvindt. De dichtsbijzijnde gebieden behoren tot het deelgebied Reestdal. Het Reestdal kenmerkt zich door een eeuwenoud en kleinschalig cultuurlandschap, waarin natte hooilanden, weilanden, akkers, hakhoutbosjes, houtwallen en oude boerderijen zich afwisselen langs de meanderende Reest. Rondom het Reestdal liggen enkele grote boscomplexen met inliggende droge en vochtige heidevelden en vennen. Deze worden omgeven door grotendeels open en grootschalig agrarisch landschap.

De dynamiek van het beeksysteem en kwel vanaf de omliggende hogere zandgronden zijn, naast het beheer van het halfnatuurlijke landschap, essentieel voor de aanwezige natuurwaarden en natuurpotenties.

Afbeelding 20. Overzicht Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van onderzoekslocatie (bron: Provincie Overijssel - Atlas van Overijssel )

De bescherming van de NNN is juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente. Als de geschetste realisatie overeenkomt met de bestemming dan zijn er geen beperkingen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig.

10

4.2. Natura-2000 gebieden Op een afstand van circa 7,2 km van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Vecht- en Beneden Reggegebied (39). Op een nog grotere afstand, op een gemiddelde afstand van 20 km, liggen de Natura 2000 gebieden Mantingerzand (32), Dwingelderveld (30), Holtingerveld (29), De Wieden (35) en Olde Maten en Veenslootslanden (37). Voor werkzaamheden in- of nabij Natura 2000-gebieden moet een passende beoordeling worden uitgevoerd vóór elke ingreep die mogelijke invloed heeft op een Natura 2000-gebied. Een project mag pas worden uitgevoerd als: •

De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast;

•

In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen;

•

Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

7,2 km

Afbeelding 21. Overzicht Natura 2000 gebieden ten opzichte van onderzoekslocatie (bron: Provincie Overijssel - Atlas van Overijssel )

Wijziging beleidsvoering: Door het veranderen van de beleidsvoering m.b.t. tot het landelijk stikstof probleem wordt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gebruikt gemaakt van de beslisboom. Voor alle ”nieuwe” ontwikkelingen moet een AERIUS berekening worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 is, kan een vergunning worden verleend. Effectenbeoordeling Gezien de afstand naar de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden en de impact van de werkzaamheden, dient er geen AERIUS berekening te worden uitgevoerd.

11

4.3. Weidevogelgebied De weidevogelgebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Dit bestaat uit terreinen die geen natuurbestemming hebben maar die vaak ruimtelijk vervlochten is met het Natuurnetwerk Nederland. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. 4.4. Lokaal In de aanlegfase kunnen werkzaamheden met machines leiden tot een tijdelijke geluids- en optische verstoring. Dit kan leiden tot enige tijdelijke negatieve effecten op aanwezige fauna. De tijdelijke verstoring in de aanlegfase is van korte duur en zal naar alle verwachting niet leiden tot negatieve effecten, daar de soorten voldoende alternatieven hebben om te foerageren in de omgeving. Significante negatieve effecten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.

12

5. BESCHERMDE FLORA EN FAUNA 5.1. Vaatplanten Het perceel bestaat overwegend uit een monocultuur van ruderale soorten zoals (Engels) raaigras. Her en der is het gras ietwat verruigd. Op het perceel op het voorerf enkele bomen die de groene omkadering van het erf accentueren. Rondom het te behouden woonhuis zijn staan enkele plantenvakken met gecultiveerde vaste planten en heesters. Aan de voorzijde en zijkant van de open kapschuur (nr. 6 op afbeelding 2) staan enkele niet volgroeide kastanjebomen, heesterachtigen zoals zwarte els en krent. Ondanks gericht zoeken zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten waargenomen. Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met het onderhoudsniveau van het erf en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 5.2. Grondgebonden zoogdieren Onder grondgebonden zoogdieren worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Algemeen (kleine) zoogdierensoorten zoals huismuis, veldmuis, vos, bruine rat, ree en mol komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied voor.

Sporen die duiden op aanwezigheid van (vaste verblijfplaatsen van) zwaarder beschermde soorten, zoals steenmarter, hermelijn, wezel en egel zijn niet aangetroffen in het plangebied. Aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten wordt zodoende ook niet verwacht. Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen De steenmarter komt voor in een parklandschap, bosloze gebieden, steengroeven en gebouwen. Deze soort is een echte cultuurvolger en hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen, boerderijen en grote steden. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang, hier zoekt de steenmater zijn voedsel. Hermelijn De hermelijn is gebaat bij een kleinschalig “rommelig” landschap met veel lijnvormige elementen. Door het bevorderen van aantallen rommelhoekjes, takkenbossen, steenhopen, overhoekjes, houtwallen, etc. kunnen aantal geschikte nestplaatsen en leefmogelijkheden van de hermelijn sterk bevorderd worden. Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Wezels zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen.

Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.

13

Egel In onze streken leeft de egel in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen verblijfplaatsen van egels en marterachtigen aangetroffen. De omgeving van het plangebied bestaat uit een open en nat landschap met een eenduidig intensief agrarisch graslandbeheer. Langs de lijnvormige watergangen ontbreken iedere vorm van oevervegetatie. Het aanwezige groen bestaat uit erfgrensbeplanting. In het plangebied bestaat dit uit enkele pluksgewijze inheemse heestersoorten. De omstandigheden maken het dat het plangebied en omgeving niet geschikt is als leefgebied voor de hermelijn en wezel. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van deze steenmarter en egel, echter zijn sporen die duiden op aanwezigheid, zoals afgebeten veren, afgebeten koppen van kleine zoogdieren en uitwerpselen in schuren en lege hooizolders niet waargenomen. Tijdens- en na de voorgenomen ontwikkeling blijft het perceel geschikt als foerageergebied voor bovengenoemde soorten. Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk kleine, algemene zoogdiersoorten verwacht.

De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar er geen aanwijzingen zijn aangetroffen die duiden op een vaste verblijfplaats. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde. 5.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan. Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2021) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast.

Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. Verblijfplaatsen In de omgeving van Dedemsvaart komen diverse vleermuissoorten voor. Op basis van de visuele inspectie is geconcludeerd dat er geen (potentiele) geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in te amoveren schuren. Mogelijk verblijven vleermuizen in de reeds bestaande en te behouden woning, maar valt buiten de invloedssfeer van de ruimtelijke ontwikkeling. De kastanjebomen aan de voorzijde van de kapschuur zijn van onvoldoende grootte om te kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende soorten vleermuizen. Tevens zijn in de bomen geen gaten, holtes, stamscheuren en/of losse schorsdelen aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat de boombewonende soorten vleermuizen gebruik maken van deze bomen.

14

Aan elkaar geschakelde schuur Deze schuur bestaat uit een steensmuur aan de onderzijde, overgaand in een houten aftimmering. Het dak is bekleed met golfplaten die direct bevestigd zijn op de van oorsprong rietgedekte schuur. Deze schuur beschikt niet over een spouwmuur. Ondanks invliegopeningen bij de openingen van de golfplaten, is het niet aannemlijk dat vleermuizen op deze locatie zich gaan vestigen door de directe aanwezigheid van de rieten dak. Overige openingen door afstaande boeiborden zijn niet aangetroffen. In de schuur zijn geen sporen aangetroffen, zoals afgegeten (vlinder)vleugels en uitwerpselen. Aanpalende schuur van de geschakelde schuur Deze oude loopstal, uit ongeveer 1974, bestaat uit houten planken en een golfplaten dak. De schuifdeuren zijn aan weerszijden continu open. Boven de schuifdeur, aan de achterzijde van de stal, is een grote opening die dicht is gemaakt. Het dak bestaat uit golfplaten die in de nok is afgewerkt als een ´open licht- en ventilatienok´. Dit type nok voert de vervuilde en vochte lucht adequaat af, maar is wel zeer toegankelijk voor predatoren. Deze schuur bevat meerdere, al dan niet grotere openingen die zorgen voor een onstabiel microklimaat. Daarnaast zorgt de open constructie in de zijgevels en de nok voor het snel opwarmen en afkoelen van temperatuur in de schuur.

Garage De garage/kapschuurtje bestaat uit een damwand-platen en een golfplatendak. Het geheel beschikt niet over isolatie. Gezien de open constructie is de garage ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten vleermuizen. Jongvee schuur Deze schuur bestaat uit een houten en betonplaten opbouw met tot op ongeveer 1.50 meter hoogte vanaf het maaiveld isolatie. Het dak bestaat uit golfplaten die in de nok is afgewerkt als een ´open licht- en ventilatienok´. Dit type nok voert de vervuilde en vochte lucht adequaat af, maar is wel zeer toegankelijk voor predatoren. Deze schuur bevat meerdere, al dan niet grotere openingen die zorgen voor een onstabiel microklimaat. Daarnaast zorgt de open constructie in de zijgevels en de nok voor het snel opwarmen en afkoelen van temperatuur in de schuur. Kapschuur De kapschuur bestaat uit betonnen blokken overgaand in damwand platen. Her en der is de muur bekleed met houten platen. De kapschuur is zeer toegankelijk voor predatoren. De omstandigheden maken het dat deze kapschuur ongeschikt is als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten vleermuizen. Hooiberg. De hooiberg bestaat uit zinken platen. De hooiberg is zeer toegankelijk voor predatoren. De omstandigheden maken het dat deze hooischuur ongeschikt is als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten vleermuizen.

15

Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Van veel vleermuisssoorten is bekend dat zij gedurende lange tijd gebruik kunnen maken van dezelfde structuren voor de oriëntatie en daarlangs van hun verblijfplaats naar de foerageergebieden trekken. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen, laanbomen en singels) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. De ruimtelijke ontwikkeling geeft geen aanleiding schade te veronderstellen aan vliegroutes van vleermuizen. In het plangebied blijven (onmisbare) opgaande lijnvormige structuren aanwezig die van belang kunnen zijn als vliegroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling De omstandigheden maken het dat de onderzochte schuren niet geschikt zijn voor vleermuizen.

Mochten er wijzigen komen aan de te behouden woning, dient men alsnog een vleermuisonderzoek uit te laten voeren, door de aanwezigheid van meerdere open stootvoegen in de muren en schoorsteen. Nader onderzoek en/of ontheffing aanvragen is niet nodig. 5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Mogelijk wordt de omgeving gebruikt door foeragerende huismussen die in gebouwen in de omgeving broeden. Tijdens het veldbezoek zijn geen mussen gehoord en gezien. Het eventueel belang als foerageergebied zal beperkt zijn door de directe nabijheid van gelijkwaardige foerageermogelijkheden. Huismus De huismus is een standvogel welke tussen maart en augustus meerdere legsels heeft. Voor zijn nestgelegenheid is hij afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte gaten en kieren, mussenkasten en verhoogde dakpannen. Ze jagen voornamelijk boven de rommelige menselijke omgeving in dorpen en steden, waar ze zoeken naar insecten, zaden en bessen. In de schuren en woning zijn geen nesten en/of nestrestanden aangetroffen die duiden op aanwezigheid van de huismus. Het voedselaanbod voor de huismus is, door het stoppen van de agrarische bedrijfsvoering, opgedroogd.

Steenuil en kerkuil In ons land is hij van oudsher een bekende verschijning in vooral kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. De steenuil schuwt de menselijke omgeving niet en broedt vaak op boerenerven, vooral als deze voldoende natuurlijke variatie bieden. De kerkuil houdt van de donkerte in de boerenschuren. Op het erf, rondom bomen en in de schuren zijn geen sporen in de vorm van krijtsporen en braakballen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van de steenuil in de schuur en op het erf. Boven de schuifdeur van de aanpalende schuur is een vrij grootte opening, die in geschikt zou zijn als invliegopening voor uilen. Ondanks gericht zoeken zijn tijdens het veldbezoek geen krijtsporen en braakballen waargenomen. Tevens is het niet

16

aannemenlijk dat de steen- en kerkuil gebruikt maakt van de schuur, door het ontbreken van een voedselbron en een te grote invloed van licht in de gehele schuur. Boeren- en huiszwaluw De boerenzwaluw is een echte boerenlandvogel, een luchtacrobaat van het boerenerf. De nesten worden bij voorkeur gemaakt in boerenschuren, loodsen en dergelijke waar ze in en uit kunnen vliegen. De boerenzwaluw broedt in open schuren en onder brede dakoverstekken, onder bruggen en incidenteel ook op andere beschutte plaatsen. Het voedsel wordt gezocht in de lucht: het bestaat uit enorme hoeveelheden kleine vliegende insecten die in volle vlucht verzameld worden. Ook komt de boerenzwaluw veel voor in de omgeving van water, waar de zwaluwen rakelings overheen scheren om insecten te verzamelen. De huiszwaluw bouwt van klei en zand een komvormig nest tegen rotswanden. Maar huizen van baksteen en beton voldoen ook prima en de huiszwaluw is bij ons dan ook een echte cultuurvolger geworden. Huiszwaluwen eten enorme hoeveelheden muggen en andere vliegende insecten, die in volle vlucht worden gevangen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten en/of nestrestanten aangetroffen die duiden op aanwezigheid van de boeren- en huiszwaluw. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels, zoals koolmees, houtduif, merel en witte kwikstaartjes.

Het plangebied, met name in de te behouden bomen bieden mogelijkheden voor nestlocaties van algemeen voorkomende soorten. Tijdens het onderzoek zijn meerdere aantallen houtduiven en koolmeesjes aangetroffen rond dan wel in de schuren. Effectenbeoordeling De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

17

5.5. Vissen, reptielen en amfibieën Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen (kleine) soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Overijssel. Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

18

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1 Overzicht van de bevindingen Soortgroep

Aanwezigheid

Effecten

Aanbeveling

Flora - beschermde soorten

niet

geen

geen

Vleermuizen - verblijfplaatsen

niet

mogelijk

zie aanbeveling

Vleermuizen - vlieg/foerageerroute

niet

geen

geen

Zoogdieren - gebouwbewonend

niet

geen

geen

Zoogdieren - grond-/boombewonend

niet

geen

geen

Zoogdieren - vrijgestelde soorten

mogelijk

beperkt

zorgplicht

Vogels - jaarrond beschermde nesten

niet

geen

geen

Vogels - algemene broedvogels

aanwezig

mogelijk

zorgplicht

Amfibieën/vissen - beschermd

niet

geen

geen

Amfibieëm/vissen - vrijgesteld

niet

geen

geen

Reptielen/ongewervelden - vrijgesteld

mogelijk

beperkt

zorgplicht

Reptielen/ongewervelden - beschermd

niet

geen

geen

6.2. Conclusies en aanbevelingen Gebiedsbescherming •

De ingrepen behorend tot het project leiden tot geen negatief effect op beschermde natuurgebieden, zoals aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen of externe effecten op Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand naar de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden en de impact van de werkzaamheden, hoeft er geen AERIUS berekening worden uitgevoerd.

Fauna •

Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten en/of nestactiviteiten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;

•

De te behouden woonhuis is in potentie geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aangezien dit buiten de ruimtelijke ontwikkeling valt, is nader onderzoek naar vleermuizen niet van toepassing. Indien er wijzigingen plaatsvinden aan muren en dak is nader onderzoek vereist.

•

Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen.

19

Zorgplicht •

Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden;

•

Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige.

•

Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan;

•

Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht.

Extra: Wij promoten natuur in stad en land. Zo is bij ruimtelijke ontwikkelingen vaak met relatief weinig moeite mogelijk om huismussen, zwaluwen, vleermuizen en andere dieren een plek te geven. Breng bijvoorbeeld nestvoorzieningen en andere verblijfplaatsen aan, pas inheemse beplanting toe, wees terughoudend met verlichting en bestrating en royaal met groen.

20

7. GELDIGHEID Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag provincie Overijssel hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: Onderzoeksgegevens hebben een beperkte geldigheidstermijn. Voor vogels en soorten genoemd op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn hanteren we daarom een geldigheidstermijn van maximaal 3 jaar. Voor soorten genoemd op de bijlage bij de wet natuurbescherming is deze periode 5 jaar. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in de aanleiding van het onderzoek. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

21

8. BRONVERMELDING Boeken • C.M. Creemers, J.C.W. van Delft, Nederlandse fauna deel 9. De amfibieën en reptielen van Nederland (RAVON) • Dietz, C., von Helversen, O. Nill D. (2011) Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika (eerste druk), Utrecht: Uitgeverij Trion Natuur • Weeda, E.J. et al.,Nederlandse Oecologische Flora, KNNV, Leiden, 1999 Internet Gemeente Hardenberg Gemeentelijke instantie, informatie met betrekking tot het landschap Geraadpleegd op 2 april 2022 https://www.hardenberg.nl Kadviewer Kadviewer is een online kaartendienst waarmee geografische locaties opgezocht kunnen worden. Geraadpleegd op 2 april 2022 http://kadviewer.kademo.nl Netwerk Groene Bureaus Het Netwerk Groene Bureaus is een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Gespecialiseerd in ecologische advisering op het gebied van inrichting, beheer en beleid Vleermuisprotocol 2020 Geraadpleegd op 2 april 2022 http://www.netwerkgroenebureaus.nl Pdok Pdok is een online kaartendienst waarmee geografische locaties opgezocht kunnen worden. Geraardpleegd op 2 april 2022 http://ww.pdok.nl Provincie Overijssel Informatie m.b.t. Wet natuurbescherming, beschermde soorten en gebieden Geraadpleegd op 2 april 2022 https://www.overijssel.nl RVO Informatie m.b.t. tot het PAS en uitspraak Raad van State van 29 mei jl.

Geraadpleegd op 2 april 2022 https://www.rvo.nl Vogelbescherming Vogelbescherming is een onafhankelijke landelijke natuurbeschermingsorganisatie gericht op vogels Geraadpleegd op 2 april 2022 http://www.vogelbescherming.nl/vogels_beschermen/wet_en_regelgeving Zoogdiervereniging De vereniging zet zich in voor alle in Nederland voorkomende zoogdieren Geraadpleegd op 2 april 2022 http://zoogdiervereniging.nl

22

BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.

Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten op genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.

3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5).

23

Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a.

een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hier onder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waar aan moet worden voldaan, verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent -ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht- dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden.

24

Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend in het geval van: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4.

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de Andere soorten, gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 2. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang. Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek gevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

25

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13879441/1