8. Bijlage 1. Rapport bodemonderzoeken 25 juli 2023
Tekst van het document
RAPPORT VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Langewijk 32 - Dedemsvaart
Opdrachtgever De heer J. Langeveld Locatie: Langewijk 32 7701 AE Dedemsvaart Juli 2023 (versie 3a)
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader (asbest)Bodemonderzoek conform NEN4750 en NEN5707 Langewijk 32 - Dedemsvaart
Opdrachtgever De heer J. Langeveld Langewijk 32 7701 AE Dedemsvaart Locatie: Langewijk 32 7701 AE Dedemsvaart Projectcode: 22043316 (versie 3a) Rapportagedatum: 25 juli 2023 Auteur: mevrouw ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Historische gegevens Bodemsamenstelling en geohydrologie
3 3 3 5
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Chemische analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
6 6 7 8 9 10
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten chemische analyses vaste bodem Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
12 12 12 16 17 18 18
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Nader asbestbodemonderzoek Onderzoeksstrategie nader asbestonderzoek Asbestanalyses Veldwerkzaamheden Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
20 20 20 20 22 22
6
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen
24
7
Literatuur en bronvermelding
27
2
3
4
5
Bijlagen I Topografische kaart Boorplan verkennend bodemonderzoek Grondtech Milieu Consult BV, februari 1995 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2022 Boorplan nader asbestbodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2022 Boorplan (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, februari 2023 II Boorprofielen en legenda III Resultaten chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses Concentratieberekeningen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
1
Inleiding
Dit rapport betreft versie 3 en beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van de heer J. Langeveld op een terreindeel aan de Langewijk 32 te Dedemsvaart door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Versie 3 van het rapport vervangt versie 2 van 12 oktober 2022 en versie 1 van 2 september 2022. Versie 1 betreft het verkennend bodemonderzoek ter plekke van de nieuw te bouwen woningen. Versie 2 is uitgebreid met het nader asbestonderzoek ter plekke van de westelijke oprit. In versie 3 is ook het verkennend (asbest)bodemonderzoek op het overige deel van het erf opgenomen. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen met bijgebouwen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond verdacht is voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie wordt beschouwd als onverdacht voor chemische componenten.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN5725, “Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NTA5755, "Bodem - Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging", NNI Delft, juli 2010. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden.
De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in juli, september en december 2022 en januari 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 1 van 27
In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 2 van 27
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Langewijk 32, op circa 1.0 kilometer ten westen van de bebouwde kom van Dedemsvaart. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 225.671 en y = 513.045. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Avereest, sectie H, nummer 6640 (ged.). De Langewijk bevindt zich ten zuiden van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Op het terrein is een te slopen agrarisch bedrijf gevestigd, de woning blijft behouden. De onderzoekslocatie is grotendeels bebouwd met enkele te slopen schuren. Inpandig is een verharding met klinkers en met betonvloeren met (mest)kelders aanwezig. Het onbebouwde terreindeel is deels verhard met klinkers en is deels braakliggend (begroeid met gras). Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk voor de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de nieuw te bouwen woningen, waardoor inzicht in de bodemkwaliteit is gewenst. De onderzoekslocatie omvat circa 5000 m², waarvan circa 980 m² ten behoeve voor de nieuwbouw van de woningen is onderzocht in fase 1 (september 2022).
In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Grondtech Milieu Consult BV, februari 1995; - Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2022; - Boorplan nader asbestbodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2022; - Boorplan (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, februari 2023. 2.2
Historische gegevens
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de agrarische bestemming. De agrarische bebouwing op het terrein wordt, met uitzondering van de bestaande woning gesloopt. De bebouwing op het terrein dateert oorspronkelijk van 1921 (bron: BAG-viewer). - Voor het melkveebedrijf is in 1977 een oprichtingsvergunning verleend. - De onderzoekslocatie is voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Op circa 40 meter ten oosten van de huidige onderzoekslocatie heeft in de garage op het terrein een bovengrondse dieseltank gestaan (600 liter in een lekbak). Voor zover bekend is er verder op het terrein nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel en hebben er geen calamiteiten op de onderzoekslocatie plaatsgevonden. - Op de daken van de te slopen schuren zijn asbestverdachte golfplaten aanwezig. Er zijn geen asbestverdachte druppelzones aanwezig.
Het noordelijke deel van de stal is asbestvrij (gebouwd in 1995). Voor zover bekend bevinden zich verder geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 3 van 27
- Vanwege de asbestverdachte daken op het terrein wordt de bovengrond van de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht voor asbest. - Volgens de Bodemkwaliteitskaart Regio IJsselland (CSO Adviesbureau, d.d. 30 januari 2013) vallen de bovengrond en de ondergrond in functieklasse Landbouw/natuur. - Op de huidige onderzoekslocatie heeft eerder een bodemonderzoek plaatsgevonden. Deze wordt hieronder nader toegelicht. Grondtech Milieu consult BV, verkennend bodemonderzoek Langewijk 32 te Dedemsvaart, d.d. 14 februari 1995 met projectnummer 4.5.7.22.007 De aanleiding van het onderzoek was de geplande nieuwbouw op het terrein ter plekke van de huidige woning en de kapschuur ten noorden van de onderzoekslocatie. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: In de bovengrond ter plekke van de kapschuur zijn in de bovengrond (zeer) licht verhoogde gehalten aan koper, PAK en minerale olie aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan chroom aangetoond. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Bron
Specificatie
Eigenaar
Huidige en historische informatie
Ja
Gemeente Hardenberg
Bodemonderzoeken en milieudossier
Ja
Omgevingsrapportage
www.overijssel.nl
Ja
Archief Kruse Milieu BV
Bodemonderzoeken (omgeving)
Nee
Google Maps
https://www.google.nl/maps
Ja
Topotijdreis
https://www.topotijdreis.nl/
Ja
BAG-viewer
https://bagviewer.kadaster.nl/
Ja
Perceelloep
https://perceelloep.nl/
Ja
Ruimtelijke plannen
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/
Ja
Grondwatertools
https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/
Ja
DINOloket
https://www.dinoloket.nl/
Ja
AHN-viewer
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
Ja
Bodemkwaliteitskaart
Bodemkwaliteitskaart Regio IJsselland, CSO Adviesbureau, d.d. 30 januari 2013
Ja
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Relevante informatie
Pagina 4 van 27
2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer op 6 meter boven NAP; - de deklaag bestaat, tot een diepte van circa 8 meter, uit een zandige eenheid van de Formatie van Boxtel met een doorlaatwaarde tot 5 tot 25 m2 per dag. Daaronder bevinden zich tot circa 53 meter diepte zandige eenheden van de Formaties van Kreftenheye, Urk, Peize en Waalre; - Vervolgens zijn 2 lagen met complexe eenheden aanwezig van de formaties van Peize en Oosterhout, onderbroken door een zandpakket van de formaties Peize en Waalre; - De ondoorlatende kleilaag van de Fromatie van Breda bevindt zich op 155 meter diepte; - het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1.0 meter min maaiveld en stroomt vermoedelijk in noordwestelijke richting; - op circa 2.5 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie ligt het grondwaterbeschermingsgebied Witharen; - direct ten zuiden van de onderzoekslocatie stroomt een aftakking van het Ommerkanaal; - de invloed van het grondwaterbeschermingsgebied en de watergang op het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 5 van 27
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009; - NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor niet verdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Nieuwbouwlocatie woningen (circa 980 m²) De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), en asbestverdacht uit norm NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden ter plekke van de geplande nieuwbouw van woningen gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd.
De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Overig deel van het erf (circa 4020 m²) De hypothese "onverdacht" uit norm NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL), en asbestverdacht uit norm NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE) worden voor het erf, het overig deel van de onderzoekslocatie, gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (circa 15 m²) De locatie van de bovengrondse dieseltank wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 wordt gebruikt. Deellocatie B en C: Druppelzones De druppelzones worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 wordt voor de druppelzones gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocaties is gebaseerd op de NEN5707 (VED-HE: een verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding).
Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN 5897+C2 van toepassing, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 6 van 27
Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan.
Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie voor onverdachte locaties uit NEN5740 en NEN5707. Beide onderzoeksstrategieën worden met elkaar gecombineerd. Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Nieuwbouwlocatie woningen (circa 980 m²) Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 980 m² worden in totaal 6 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. De gaten worden gecodeerd als 1 tot en met 6. Twee inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis. De inspectiegaten worden gecodeerd als 1 tot en met 6. Overig deel van het erf (circa 4020 m²) Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4020 m² worden in totaal 17 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter.
Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Vier inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis. De inspectiegaten worden gecodeerd als 11 tot en met 27. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (circa 15 m²) Ter plaatse van de dieseltank worden 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 7 van 27
Deellocatie B en C: Druppelzones Bij een druppelzone van 10 - 100 m2 dienen 3 inspectiegaten gegraven te worden. De inspectiegaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Alleen de toplaag (0 tot 0.1 m-mv) wordt bemonsterd. De inspectiegaten worden gecodeerd als B1, B2, B3, C1, C2 en C3. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN 5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Chemische analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam en Eurofins ACMAA Testing in Deurningen, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Nieuwbouwlocatie woningen
Bovengrond (1x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (1x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Overig deel van het erf
Bovengrond (2x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (3x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 8 van 27
Vervolg tabel 2: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Nieuwbouwlocatie woningen Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank
Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (1x)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid. Deellocaties B en C: Druppelzones
Bovengrond (2x)
Asbest en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 9 van 27
Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de De resultaten van de eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 10 van 27
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 11 van 27
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en besproken in paragraaf 4.6. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in juli, september en december 2022 en in januari 2023 uitgevoerd door de heren J. Hartman en N. Pepping (certificaatnummer K44441/09). De veldwerkers zijn conform BRL SIKB2000 gecertificeerd en erkend. Bij het veldwerk is geassisteerd door de heer L. Haverkort. Overig deel van het erf en nieuwbouwlocatie woningen Op 12 juli, 19 juli en 22 december 2022 en op 9 januari 2023 zijn er in totaal 23 inspectiegaten gegraven (handmatig met een schop: inspectiegaten 1 tot en met 6 en 11 tot en met 27), waarvan 2 inspectiegaten zijn afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB 11). De inspectiegaten 3 en 5 zijn op 0.5 m-mv en 0.64 m-mv gestaakt op puin. Onder het asfalt is ter plekke van de inspectiegaten 11, 11A, 20, 21 en 22 een betonlaag tot circa 0.20 m-mv aangetroffen. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank Op 22 december 2023 zijn in totaal 3 boringen verricht tot maximaal 1.3 m-mv. Eén boring is afgewerkt met een peilbuis tot circa 2.50 m-mv. Er is zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). Deellocatie B en C: Druppelzones Op 22 december 2022 zijn in elke druppelzone 3 inspectiegaten tot 0.5 m-mv gegraven. Alleen de toplaag is bemonsterd (0 - 0.1 m-mv). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I.
Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van klinkers en gras niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Door de veldwerkers zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit uiterst fijn tot zeer fijn, zwak siltig zand met in de ondergrond rond 1.0 m-mv een 0.5 meter dikke sterk kleiige veenlaag. In de ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (zie tabel 3). Door de veldwerkers zijn in de bodem van boring 2 en 5 visueel asbestverdachte materialen waargenomen (golfplaat / vlakke plaat).
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 12 van 27
Tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen en zintuiglijke waarnemingen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming Nieuwbouwlocatie woningen
2
0.13 - 0.5
Sterk puinhoudend en zwak asbesthoudend (40.6 gram golfplaat en 97.5 gram vlakke plaat)
3
0.08 - 0.5
Sporen baksteen, gestaakt op puin
5
0.22 - 0.64
Sterk puinhoudend en zwak asbesthoudend (640 gram golfplaat), boring gestaakt op puin
6
0.2 - 0.7
Sporen baksteen Overig deel van het erf
11
0.19 - 0.80
Sporen puin
11A
0.19 - 0.80
Sporen puin
13
0.15 - 0.6 0.6 - 1.30 1.30 - 1.50
Zwak puinhoudend Sporen puin Sterk puinhoudend
14
0 - 1.10
Sporen puin
15
0 - 0.5
Sporen puin
16
0 - 0.50
Sporen puin
17
0 - 0.5
Sporen puin
18
0 - 0.5
Sporen puin
19
0 - 0.5
Sporen puin
20
0.20 - 0.45 0.45 - 0.70
Zwak puinhoudend Sporen puin
21
0.35 - 0.70
Sporen puin
22
0.17 - 0.50
Sporen puin
23
0.25 - 0.60
Sporen puin
24
0.15 - 0.50
Sporen puin
25
0.55 - 0.70
Sporen puin
27
0.15 - 0.50
Sporen puin
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank A1
0.20 - 0.50
Zwak puinhoudend
A2
0.20 - 0.60
Sporen puin
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 13 van 27
Vervolg tabel 3: Weergave bodemvreemde materialen en zintuiglijke waarnemingen. Monsterpunt
Diepte (m-mv) Waarneming Deellocatie B en C: Druppelzones
B1
0 - 0.2
Sporen puin en metaal
B2
0 - 0.5
Sporen plastic
B3
0 - 0.2
Sporen puin en slakken
C1
0 - 0.1
Sporen puin
C2
0 - 0.1 0.1 - 0.5
Sporen puin Zwak baksteenhoudend
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de monsterpunten zijn onderstaande (meng)monsters geanalyseerd, zoals in tabel 4 staat omschreven. Tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m-mv)
Analyse
Nieuwbouwlocatie woningen BG I (sterk puin)
2 5
0.13 - 0.5 0.22 - 0.64
NEN5740-standaardpakket
BG II (sporen baksteen)
3 6
0.08 - 0.5 0.2 - 0.7
NEN5740-standaardpakket
OG (zintuiglijk schoon)
1 1 2 2 2
0.95 - 1.25 1.25 - 1.5 0.5 - 1.0 1.0 - 1.5 1.5 - 2.0
NEN5740-standaardpakket
MVM - Gat 2
2
0.13 - 0.5
Asbest
MVM - Gat 5
5
0.22 - 0.64
Asbest
MM FF - 01
2 5
0.13 - 0.5 0.22 - 0.64
Asbest
Overig deel van het erf BG III (zwak/sporen puin)
13 14, 15, 16 en 17 24 en 26
0.15 - 0.60 0 - 0.50 0.15 - 0.50
NEN5740-standaardpakket
BG IV (zwak/sporen puin)
11A 18 en 19 20 21 22 23
0.19 - 0.60 0 - 0.50 0.45 - 0.70 0.35 - 0.70 0.17 - 0.50 0.25 - 0.60
NEN5740-standaardpakket
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 14 van 27
Vervolg tabel 4: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Analyse
Traject (diepte in m-mv)
Overig deel van het erf OG II (sporen tot sterk puin)
13 13 13 14
0.60 - 1.10 1.10 - 1.30 1.30 - 1.50 0.50 - 1.0
NEN5740-standaardpakket
MM FF - 02
20 21 22
0.20 - 0.7 0.35 - 0.70 0.17 - 0.50
Asbest
MM FF - 03
14, 15, 16, 17, 18 en 19
0 - 0.50
Asbest
MM FF - 04
13 24 25 26
0.15 - 0.60
Asbest
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank A - BG (sporen/zwak puin)
A1 A2
0.20 - 0.50 0.20 - 0.60
NEN5740-standaardpakket
Deellocatie B en C: Druppelzones MM FF - B
B1, B2 en B3
0 - 0.1
Asbest
MM FF - C
C1, C2 en C3
0 - 0.1
Asbest
De boringen 1, 11 en A1 zijn doorgezet tot 2.50 m-mv en 3.0 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens is de peilbuis doorgepompt. Op 19 juli 2022 en 9 januari 2023 is het grondwater van de peilbuizen PB 1, PB 11 en PB A1 bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (μS/cm)
Troebelheid (NTU)
Toestroming
PB 1
1.50 - 2.50
1.32
6.11
351
5.62
Goed
PB 11
2.00 - 3.00
1.20
5.8
400
9.4
Goed
PB A1
1.50 - 2.50
1.05
6.3
350
9.1
Goed
De waarden voor de pH, de EC en de troebelheid worden normaal geacht. Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 15 van 27
4.3
Resultaten chemische analyses vaste bodem
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit betekent dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grondmonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG I en BG III), de ondergrond (OG II) en in het grondwater (PB 1 en PB 11) zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Deze zijn weergegeven in tabel 6. In de bovengrond (BG II en A - BG), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Tabel 6: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Achtergrondwaarde1 of Streefwaarde
Interventiewaarde
Nieuwbouwlocatie woningen BG I
Lood Zink Minerale olie PCB PAK
58 92 99 0.025 6.9
86.8 * 200 * 247.5 * 0.0625 * 6.905 *
50 140 190 0.02 1.5
530 720 5000 1.0 40
Peilbuis 1
Barium Minerale olie
61 54
61 * 54 *
50 50
625 600
Overig deel van het erf BG III
PAK
1.6
1.56 *
1.5
40
BG IV
Lood PAK
43 2.2
61.7 * 2.24 *
50 1.5
530 40
OG II
Lood PAK
71 5.2
95 * 4.55 *
50 1.5
530 40
150 170
150 * 170 *
50 65
625 800
Peilbuis 11 Barium Zink 1
AW2000
In de vierde kolom van tabel 6 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 16 van 27
4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Nieuwbouwlocatie Bovengrond - BG I, BG III en BG IV - Lood, zink, minerale olie, PCB en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met zware metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor de (zeer) licht verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). In een eerder uitgevoerd bodemonderzoek zijn op het terrein eveneens (zeer) licht verhoogde gehalten aan minerale olie en PAK in de bovengrond aangetoond (Grondtech Milieu consult BV van februari 1995). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - PB 1 - Barium Het zeer licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.
Grondwater - PB 1 - Minerale olie Het zeer licht verhoogde gehalte aan minerale olie is op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Overig deel van het erf Bovengrond - BG III en BG IV - Lood en PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met zware metalen en PAK niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Oorzaak voor de (zeer) licht verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). In een eerder uitgevoerd bodemonderzoek zijn op het terrein eveneens (zeer) licht verhoogde gehalten aan PAK in de bovengrond aangetoond (Grondtech Milieu consult BV van februari 1995). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ondergrond - OG II - Lood en PAK Oorzaak voor de (zeer) licht verhoogde gehalten wordt gezocht in de waargenomen bodemvreemde materialen (puin). Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - PB 11 - Barium en zink De licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden.
In de ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare invloed gehad op de bodemkwaliteit.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 17 van 27
4.5 Resultaten van de asbestanalyses In bijlage IV zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 7 weergegeven. Tabel 7: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Monster
Component
Gewogen asbestconcentratie
Toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek
Nieuwbouwlocatie MM FF 01
Inspectiegat Gat 2
Asbest
363
50
Inspectiegat Gat 5
Asbest
97
50
Overig deel van het erf MM FF - 02
Asbest
890 *
50
MM FF - 03
Asbest
n.a.
50
MM FF - 04
Asbest
n.a.
50
Deellocatie B en C: Druppelzones MM FF - B
Asbest
470 *
50
MM FF - C
Asbest
20
50
* er zijn enkele losse vezels aangetoond in de fijne fractie <0.5 mm.
In de derde kolom van tabel 7 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Opmerking: Mengmonster MM FF - 03 bleek een droog gewicht te hebben van 9.9 kilogram, waar een minimaal voorgeschreven gewicht geldt van 10.0 kilogram. De afwijking is 1% en wordt niet als een significante afwijking beschouwd. Mede omdat er in dit grondmengmonster geen asbest is aangetroffen, heeft deze geringe afwijking geen gevolgen voor de betrouwbaarheid van het onderzoek. 4.6 Bespreking resultaten asbestanalyses Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, zijn er in de inspectiegaten 2 en 5 asbest aangetoond in gehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en de interventiewaarde. Een nader asbestonderzoek is noodzakelijk om vast te kunnen stellen in welke mate de bodem verontreinigd is en om de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen. Het nader asbestonderzoek staat beschreven in hoofdstuk 5. De mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 02 en MM FF - B zijn asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Aangezien de asfaltverharding ter plekke van MM FF - 02 (boringen 20, 21 en 22) behouden blijft, het graven van sleuven in het asfalt niet mogelijk is en de verontreiniging in de toekomstige situatie afgedekt blijft met asfalt, zijn er momenteel geen blootstellingsrisico’s. Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 18 van 27
Druppelzone B is sterk asbesthoudend. Een nader asbestonderzoek geeft desgewenst meer inzicht in de omvang van de asbestverontreiniging. In de fijne fractie <0.5 mm van MM FF - 02 en MM FF - B zijn enkele losse vezels aangetroffen. Derhalve kan niet uitgesloten worden dat respirabele vezels in de bodem en mogelijke (humane) risico’s aanwezig zijn. Om de aanwezigheid van respirabele vezels vast te stellen of uit te sluiten kan een aanvullende analyse, met behulp van een elektronenmicroscoop (SEM) plaatsvinden. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk met asbest verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan een eventuele sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 19 van 27
5
Nader asbestbodemonderzoek
In de inspectiegaten 2 en 5 is asbest aangetoond in gehalten hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Naar aanleiding van deze sterke asbestverontreiniging in de inspectiegaten 2 en 5 is een nader asbestonderzoek uitgevoerd om de mate van de asbestverontreinigingen vast te stellen en de eventuele omvang te bepalen. 5.1
Onderzoeksstrategie nader asbestonderzoek
De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de norm NEN5707, paragraaf 7.2: Vaststellen gemiddeld gehalte per RE. De ruimtelijke eenheid (RE) heeft een oppervlakte van circa 420 m2 en conform NEN5707 (tabel 6 in paragraaf 6.4.4) dienen 5 inspectiesleuven gegraven te worden met een lengte van minimaal 2.0 meter en een breedte van 0.3 meter. De opgegraven grond wordt gezeefd met behulp van een mechanische zeef (maaswijdte 20 mm) en de grove fractie wordt visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. Omdat in het verkennend bodemonderzoek een asbestgehalte is aangetoond boven de interventiewaarde, wordt het onderzoek onder asbestcondities uitgevoerd. De graafmachine is daarom voorzien van een overdrukinstallatie en er wordt gebruik gemaakt van een decontaminatie-unit. Als onderzoekslocatie (ook wel Ruimtelijke Eenheid RE genoemd) wordt het zuidelijke deel van het erf tussen de schuren aangehouden. Aangezien inspectiegat 3 is gestaakt, is dit gat eveneens opgenomen in de RE. Er worden 3 sleuven ter plekke van de eerdere inspectiegaten 2, 3 en 5 gegraven. De overige 2 sleuven worden aan de noord- en zuidzijde binnen de RE gegraven. 5.2
Asbestanalyses
De asbestanalyses worden verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Van de visueel meest asbesthoudende sleuf wordt een monster van de fijne fractie en een materiaalverzamelmonster geanalyseerd om de mate van de verontreiniging vast te kunnen stellen. Ten behoeve van de afperking van de verontreiniging worden in totaal 3 (meng)monsters van de fijne fractie geanalyseerd op asbest (2x horizontaal en 1x verticaal). Afhankelijk van de zintuigelijke waarnemingen, kan besloten worden om extra sleuven te graven. 5.3
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn op 19 september 2022 uitgevoerd door de heer N. Pepping. De veldwerker is conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). In totaal zijn er 5 inspectiesleuven tot maximaal 1.7 m-mv met behulp van een kraan gegraven. Het opgraven materiaal is gezeefd over 20 mm en visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In sleuf S1 is geen sprake van bodem, maar van een puinlaag. In sleuf S4 is op 1.0 m-mv op grondwater aangetroffen en kon de sleuf niet verder ontgraven worden. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 20 van 27
Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen, deze zijn weergegeven in tabel 8. In alle sleuven zijn visueel asbestverdachte materialen aangetroffen. Op het maaiveld en in de bodem zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tabel 8: Weergave bodemvreemde materialen. Sleuf
Diepte (m-mv)
Waarneming
S1
0.2 - 1.3
Uiterst puinhoudend, sporen kolengruis en sterk asbesthoudend (1.5 kilogram golfplaat en vlakke plaat)
S2
0 - 1.0
Sterk puinhoudend en sporen asbest (golfplaat 113.5 gram)
S3
0.1 - 0.75 0.75 - 1.0
Sporen puin / kolengruis / asbest (golfplaat 11.4 gram) Sporen puin
S4
0.2 - 1.0
Sterk puinhoudend, sporen kolengruis en zwak asbesthoudend (golfplaat 119.1 gram)
S5
0.25 - 0.75
Sporen puin / kolengruis / asbest (vlakke plaat 54.1 gram)
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 9 staat omschreven. Ter plekke van sleuf S1 is geen sprake van bodem maar van puin (> 50 % bodemvreemd). Hiervan is ten behoeve van de horizontale afperking een monster van de fijne fractie en een materiaalverzamelmonster geanalyseerd op asbest (in puin). Tevens is voor de verticale afperking een monster van de fijne fractie van de zintuiglijk schone ondergrond van sleuf S1 geanalyseerd op asbest. Ten behoeve van de horizontale afperking is van de visueel asbesthoudende sleuf S5 een monster van de fijne fractie en een materiaalverzamelmonster geanalyseerd om de mate van de verontreiniging vast te kunnen stellen. De puinhoudende bodem in de sleuven S2 en S3 zijn visueel gelijkwaardig aan de puinhoudende bodem in sleuf S4 (grove fractie van 40-45%), maar met iets minder asbestverdacht materiaal. Een asbestanalyse van de puinhoudende bodem van sleuf S4 geeft inzicht in het asbestgehalte. Tabel 9: Geanalyseerde asbestmonsters. Inspectiesleuf
Traject (m-mv)
Motivatie
FF - Sleuf S1
S1
0.2 - 1.3
Bepaling asbestgehalte sleuf S1 (in puin)
FF - Sleuf S4
S4
0.2 - 1.0
Bepaling asbestgehalte sleuf S4 (in grond)
FF - Sleuf S5
S5
0.25 - 0.75
Bepaling asbestgehalte sleuf S5 (in grond)
FF - OG Sleuf S1
S1
1.3 - 1.6
Verticale afperking sleuf S1 (in grond)
Monster
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 21 van 27
Vervolg tabel 9: Geanalyseerde asbestmonsters. Inspectiesleuf
Traject (m-mv)
Motivatie
MVM - Sleuf S1
S1
0.2 - 1.3
Bepaling asbestgehalte sleuf S1 (MVM)
MVM - Sleuf S4
S4
0.2 - 1.0
Bepaling asbestgehalte sleuf S4 (MVM)
MVM - Sleuf S5
S5
0.25 - 0.75
Bepaling asbestgehalte sleuf S5 (MVM)
Monster
5.4
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV is het analyserapport en de concentratieberekening van het asbestonderzoek opgenomen. In de materiaalverzamelmonsters MVM - Sleuf S1 en MVM - Sleuf S5 is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten in de sleuven is in tabel 10 weergegeven. Tabel 10: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component
Gewogen asbestconcentratie
Interventiewaarde
S1 (0.2 - 1.3 m-mv in puin)
Asbest
143
100
S1 (1.3 - 1.6 m-mv in bodem)
Asbest
n.a.
100
S4 (0.2 - 1.0 m-mv in bodem)
Asbest
20
100
S5 (0.25 - 0.75 m-mv in bodem)
Asbest
14
100
Inspectiegat
In de derde kolom van tabel 10 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Vet : Overschrijding van de interventiewaarde. 5.5
Bespreking resultaten asbestanalyses
Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven, is in de puinlaag van de sleuf S1 (FF - Sleuf S1) en in de puinhoudende bodem van sleuven S4 en S5 (FF - Sleuf S4 en FF - Sleuf S5) asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte in de puinlaag van sleuf S1 is hoger dan de interventiewaarde en het gewogen asbestgehalte in de puinhoudende bodem van sleuf S5 en S4 is ruim lager dan de interventiewaarde. De fijne fractie van zowel de puinlaag (FF - Sleuf S1), de fijne fractie van de puinhoudende bodem (FF - Sleuf S5) en de onderliggende visueel schone bodem (S1 van 1.3 1.6 m-mv) bevat geen asbest. De omvang van het met asbest verontreinigde puin is voldoende afgeperkt. De puinhoudende bodem in de sleuven S2 en S3 zijn visueel gelijkwaardig aan de puinhoudende bodem in sleuf S4, maar met minder asbestverdacht materiaal. Aangenomen kan worden dat deze sleuven ook niet sterk asbesthoudend zijn.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 22 van 27
De puinlaag ter plekke van sleuf S1 wordt als (sterk) asbesthoudend beschouwd. De omvang van de sterk asbesthoudende puinlaag wordt geschat op 15 meter x 5 meter x 1.3 meter = circa 100 m3. Sanering van de sterk asbesthoudende puinlaag is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen herontwikkeling. Tijdens het veldwerk in december 2022 is geconstateerd dat het westelijke oprit is gesaneerd. Nadere informatie omtrent deze sanering (zoals een evaluatierapport) is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 23 van 27
6
Samenvatting, conclusie en aanbevelingen
Algemeen In opdracht van de heer J. Langeveld is in een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel van circa 5000 m² aan de Langewijk 32 in Dedemsvaart. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van woningen met bijgebouwen. Versie 3 van het rapport vervangt versie 2 van 12 oktober 2022 en versie 1 van 2 september 2022. Versie 1 betreft het verkennend bodemonderzoek ter plekke van de nieuw te bouwen woningen. Versie 2 is uitgebreid met het nader asbestonderzoek ter plekke van de westelijke oprit. In versie 3 is ook het verkennend (asbest)bodemonderzoek op het overige deel van het erf opgenomen. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond van de onderzoekslocatie verdacht is voor de aanwezigheid van asbest. De ongeroerde ondergrond en het grondwater op de locatie zijn onverdacht voor chemische componenten. Resultaten veldwerk Er zijn in totaal 29 inspectiegaten gegraven en 3 boringen verricht. Er zijn 3 boringen afgewerkt met een peilbuis (PB 1, PB 11 en PB A1). Ten behoeve van het nader asbestonderzoek zijn in totaal 5 sleuven gegraven.
Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot zeer fijn, zwak siltig zand. In de ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (puin/baksteen/asbest). Door de veldwerkers zijn in de bodem van de inspectiegaten 2 en 5 en in de sleuven S1 tot en met S5, visueel asbestverdachte materialen waargenomen (golfplaat / vlakke plaat). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Het freatische grondwater is gemiddeld aangetroffen op 1.32 meter min maaiveld. Resultaten analyses Nieuwbouwlocatie - de bovengrond (BG I) is (zeer) licht verontreinigd met lood, zink, minerale olie, PCB en PAK; - de bovengrond (BG II) niet verontreinigd; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en minerale olie; - MM FF - 01 (gat 2 en gat 5) bevat asbest in gehalten ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek en de interventiewaarde.
Resultaten nader asbestonderzoek ter plekke van de nieuwbouwlocatie - de puinlaag in sleuf S1 (0.2 - 1.3 m -mv) bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is hoger dan de interventiewaarde; - de visueel schone bodem onder de puinverharding in sleuf S1 (1.3 - 1.6 m-mv) bevat geen asbest; - de puinhoudende bodem in sleuf S4 (0.2 - 1.0 m-mv) bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is lager dan de interventiewaarde; - de puinhoudende bodem in sleuf S5 (0.25 - 0.75 m-mv) bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is lager dan de interventiewaarde. Ter plekke van sleuf S1 (het westelijke oprit) heeft eind 2022 een sanering plaatsgevonden. Nadere informatie omtrent deze sanering (zoals een evaluatierapport) is bij ons bureau niet bekend. Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 24 van 27
Overig deel van het erf - de bovengrond (BG III) is zeer licht verontreinigd met PAK; - de bovengrond (BG IV) is zeer licht verontreinigd met lood en PAK; - de ondergrond (OG II) is (zeer) licht verontreinigd met lood en PAK; - het grondwater (PB 11) is licht verontreinigd met barium en zink; - MM FF - 02 bevat asbest: het gewogen asbestgehalte is ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. In de fijne fractie <0.5 mm zijn enkele losse vezels aangetroffen; - MM FF - 03 en MM FF - 04 bevatten geen asbest. Aangezien de asfaltverharding ter plekke van MM FF - 02 (boringen 21, 22 en 23) behouden blijft, het graven van sleuven in het asfalt niet mogelijk is en de verontreiniging in de toekomstige situatie afgedekt blijft met asfalt, zijn er momenteel geen blootstellingsrisico’s. Een nader onderzoek is in de huidige situatie niet mogelijk. Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank - de bovengrond (A - BG) is niet verontreinigd met minerale olie; - het grondwater (PB A1) is niet verontreinigd met vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen of minerale olie. De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare invloed gehad op de bodemkwaliteit. Deellocaties B en C: Druppelzones - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - B bevat asbest; het gewogen asbestgehalte is ruim hoger dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
In de fijne fractie <0.5 zijn enkele losse vezels aangetroffen; - het mengmonster van de fijne fractie MM FF - C bevat geen asbest; Druppelzone B is sterk asbesthoudend. Een nader asbestonderzoek geeft desgewenst meer inzicht in de omvang van de asbestverontreiniging. Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk met asbest verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag (provincie Overijssel). Voorafgaande aan een eventuele sanering dient een BUS-melding of saneringsplan opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en BG III), de ondergrond (OG II) en in het grondwater (PB 1 en PB 11) zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de bovengrond (BG II en A - BG), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.
Aangezien de asfaltverharding ter plekke van MM FF - 02 (boringen 21, 22 en 23) behouden blijft, het graven van sleuven in het asfalt niet mogelijk is en de verontreiniging in de toekomstige situatie afgedekt blijft met asfalt, zijn er momenteel geen blootstellingsrisico’s. Een nader onderzoek is in de huidige situatie niet mogelijk. Tijdens het veldwerk in december 2022 is geconstateerd dat het westelijke oprit is gesaneerd. Nadere informatie omtrent deze sanering (zoals een evaluatierapport) is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 25 van 27
Standaard slotopmerkingen Het volgende dient opgemerkt te worden: gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Vermeld dient tevens te worden dat op basis van voorliggend onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken omtrent de bodemkwaliteit van andere terreindelen of aangrenzende percelen. Tenslotte dient in acht genomen te worden dat elk bodemonderzoek een momentopname is. Eventuele toekomstige calamiteiten (bijvoorbeeld brand of morsing van bodemvreemde vloeistoffen), sloopwerkzaamheden of bouwrijp maken en aanvoer van grond van elders kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Kruse Milieu BV
Project: 22043316 (versie 3)
Pagina 26 van 27
7
Literatuur en bronvermelding
Informatie van de gemeente Hardenberg Grondtech Milieu consult BV, verkennend bodemonderzoek Langewijk 32 te Dedemsvaart, d.d. 14 februari 1995 met projectnummer 4.5.7.22.007 NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017 NEN5725, “Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017 NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, januari 2009 NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016 NTA 755, "Bodem - Landbodem.