3b. Regels TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4
Algemene bepalingen Begripsbepalingen Meet- rekenbepalingen Toepassingsbereik Doelen
4 4 5 7 8
Hoofdstuk 2 Artikel 5 Artikel 6
Functies en andere gebiedsaanwijzingen Woongebied Waarde - Archeologie 4
9 9 13
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels ten aanzien van activiteiten Parkeeractiviteiten Planologische gebruiksactiviteiten Ruimtelijke bouwactiviteiten Verrichten van werken en werkzaamheden
15 15 17 19 22
Hoofdstuk 4 Artikel 11
Procesregels Algemene bepalingen
23 23
Hoofdstuk 5 Artikel 12
Overgangsregels Overgangsrecht
25 25
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 2
Regels
Dit plan beoogt een woonfunctie mogelijk te maken op de locatie aan de Collendoornerdijk 1f-1g in Collendoorn. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Technisch is het dat niet, maar dat hoeft ook nog niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Dus: hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22p , paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22p, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22p, paragraaf 3; hoofdstuk 4 (Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22p, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22p, paragraaf 5; bijlage 1 (bij locatie Collendoornerdijk 1f-1g) moet worden gelezen als bijlage Z.22p.1; bijlage 2 (bij locatie Collendoornerdijk 1f-1g) moet worden gelezen als bijlage Z.22p.2; bijlage 3 (bij locatie Collendoornerdijk 1f-1g) moet worden gelezen als bijlage Z.22p.3.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen Begripsbepalingen
a. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan. b. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 4
Artikel 2 1.
Meet- rekenbepalingen
In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten; c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij: de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen, of; de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft. In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning; f. het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; g. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen; h. het verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens; i.
de ashoogte van een windturbine: turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein; turbines met een verticale as: vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein; j. de tiphoogte van een windturbine: turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel; turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt; k. de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as; l. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan: het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter; het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter; een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 5
het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of, het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg; 2. en bij een spoorweg: het verhogen van de maximumrijsnelheid; het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of, het verhogen van de treinintensiteit. a. waar waarden gelden: op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen: - op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en, - op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw; op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte. b. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op: het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en, onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 3.
Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 6
Artikel 3
Toepassingsbereik
1. Het oude planologische regime is niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. Onder het oude planologische regime wordt verstaan de besluiten bedoeld in artikel 4.6, lid 1 onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet die deel uitmaken van het omgevingsplan. 2. De regels in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van de artikelen 22.36 tot en met 22.39, en de regels in afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Collendoornerdijk 1f en 1g te Collendoorn zoals dat is begrensd in het GML-bestand NL.IMRO.0160.0000TAM0016-VG01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 7
Artikel 4
Doelen
1. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet. 2. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal: a. De groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde. b. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen. c. Ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig. d. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid. 3. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken: a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied; b. aantrekkelijk wonen; c. een vitale economie; en, d. samen bouwen aan een duurzame toekomst.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 8
Hoofdstuk 2 Artikel 5 5.1
Functies en andere gebiedsaanwijzingen Woongebied
Oogmerk functie woongebied
De regels over de functie 'Woongebied' in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het benutten en ontwikkelen van woongebieden, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en, c. het behoud en samenstelling van de woningvoorraad. 5.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1
Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
1. De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. wonen door één huishouden in een woning; b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in artikel 5.2.2; en, c. het gebruiken van het openbaar gebied. 5.2.2
Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis
Voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis gelden de volgende voorwaarden: a. de exploitatie van de bedrijven zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in Bijlage 2 zijn in ieder geval toegestaan en ook de bedrijven die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijkwaardig zijn; b. de activiteit dient inpandig te worden verricht; c. de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bruto vloeroppervlakte van de totale bestaande bebouwing tot een maximum van 100 m²; d. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning; e. een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is toegestaan; en, f. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in Artikel 7. 5.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties; b. het vergroten van het aantal huishoudens door woningsplitsing, mits sprake is van een bestaande inwoningssituatie en voldoende ruimtelijke kwaliteit. Daarvan is sprake als de woningsplitsing wordt gerealiseerd in overeenstemming met de "Kaderstellende beleidsnotitie woningsplitsing bij inwoning" (datum vaststelling college 23 januari 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); c. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 9
voorwaarden uit artikel 5.2.2; en, d. de exploitatie van een kinderopvang. 2. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een kapsalon aan huis te exploiteren binnen de locatie 'kapsalon aan huis'. 5.3.2
Voorwaardelijke verplichting - tijdelijke ontsluiting
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen, overeenkomstig de in Artikel 5 opgenomen bestemmingsomschrijving indien de tijdelijke ontsluiting zoals opgenomen in Bijlage 3 niet binnen 6 maanden na oplevering van BRM De Velden is afgesloten. 5.3.3
Extra beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. bij de activiteit als bedoeld in artikel 5.3.1, eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning; b. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving; c. de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt; d. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet aantasten; e. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in Artikel 7 Parkeeractiviteiten. f. de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en, g. de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel 5.1. 5.4
Verboden gebruiksactiviteiten
5.4.1
Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 5.2.1 en subparagraaf 5.3.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis – voor: 1. de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in artikel 5.2.2 onder e; 2. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; 3. groothandel; 4. kapsalons aan huis buiten de locatie 'kapsalon aan huis', tenzij het gebruik rechtens aanwezig is; en, 5. reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans. b. wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden; en, c. opslag voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. 5.5
Bouwactiviteiten
5.5.1
Toegestane bouwactiviteiten
Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten zoals bedoeld in paragraaf 5.2 mits deze in overeenstemming is met Artikel 9.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 10
5.5.2
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een hoofdgebouw te (ver)bouwen en bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten zoals bedoeld in subparagraaf 5.2.1 en subparagraaf 5.3.1, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 5.5.1. 5.5.3
Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een hoofdgebouw voldoet aan de volgende voorwaarden: a. per bouwperceel mogen maximaal 20 grondgebonden woning worden gebouwd; b. als er op de kaart bebouwingstypologieën zijn opgenomen, dient het hoofdgebouw te worden gebouwd met inachtname van de ter plaatse aangegeven bebouwingstypologie; c. het hoofdgebouw mag de rooilijn niet overschrijden; d. het hoofdgebouw dient te worden geplaatst binnen een strook gemeten vanuit de rooilijn met een diepte van: 1. 20 m voor vrijstaande woningen; 2. 15 m voor de overige grondgebonden woningen; e. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag: 1. bij vrijstaande woningen niet minder bedragen dan 3 meter aan beide zijden; 2. bij andere woningen dan vrijstaande woningen en rijwoningen niet minder bedragen dan 3 meter aan één zijde; f. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan 6 respectievelijk 12 meter, met dien verstande dat de goothoogte van de eerstelijns bebouwing ten opzichte van het woonperceel aan de Collendoornerdijk 1f en 1g maximaal 3 meter mag bedragen; g. het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 60% van het bouwperceel; en, h. de dakhelling bedraagt ten minste 35°. 5.5.4
Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken: a. het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel 5.5.3; b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter; c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. In afwijking hiervan mag de bouwhoogte van overkappingen niet meer dan 3,5 meter bedragen; d. bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 meter achter de gebouwd. In afwijking hiervan mogen overkappingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; e. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 75 m² tot een maximum bebouwd oppervlak van 60% van het bouwperceel. Dit is met inbegrip van de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die niet voldoen aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen. 5.5.5
Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)
De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken: a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 meter. In afwijking hiervan is een bouwhoogte van 2 meter toegestaan indien de erf- of perceelafscheiding: 1. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; 2. achter de voorgevelrooilijn staat; en,
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 11
3. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied staat, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn als bedoeld in artikel 9.3.4; b. de bouwhoogte van alle andere overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter. 5.5.6
Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)
1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 5.5.3 t/m 5.5.5 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het in afwijking van artikel 5.5.3 onder e verkleinen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 1 m dient te bedragen; b. het in afwijking van artikel 5.5.3 onder f verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte, met dien verstande dat deze afwijkmogelijkheid, voor wat betreft de goothoogte, niet geldt voor de eerstelijns bebouwing ten opzichte van het woonperceel aan de Collendoornerdijk 1f en 1g; c. het in afwijking van artikel 5.5.3 onder h verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak; d. het in afwijking van artikel 5.5.4 onder b en c verhogen van de toegestane gooten/of bouwhoogte, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw; e. het in afwijking van artikel 5.5.4 onder d bouwen van bijbehorende bouwwerken op een kortere afstand tot de voorgevelrooilijn; f. het in afwijking van artikel 5.5.4 onder e vergroten van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot 150 m2 en het bebouwen van het bouwperceel met meer dan 60%; g.
het in afwijking van artikel 5.5.5 verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken. 2. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: a. het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld; c. het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid; d. het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat; e. het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in afdeling 7.1; f. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel 5.1.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 12
Artikel 6
Waarde - Archeologie 4
6.1
Algemene bepalingen
6.1.1
Oogmerk functie gebieden met archeologische (verwachtings)waarde
1. De regels over de 'gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten; b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ ; en c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden. 6.2
Bouwactiviteiten
6.2.1
Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld: a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de 'oppervlakte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart; en, b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de 'diepte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart. 2. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is. 6.2.2
Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften
Indien uit het in artikel 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over: c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; d. de verplichting tot het doen van opgravingen; en, e. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.3
Overige activiteiten
6.3.1
Vergunningplichtige overige activiteiten
Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden 1. Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan 500 m² en de diepte gelijk of meer dan 50 cm bedraagt: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenhe-den en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 13
e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; en, i. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploe-gen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. 2. Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen; a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd; b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en, d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is. 3.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvul-ling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. 4. De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 14
Hoofdstuk 3 Artikel 7 7.1
Algemene regels ten aanzien van activiteiten Parkeeractiviteiten
Parkeergelegenheid
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en, b. een parkeerbalans en toelichting hierop. 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en, b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of, c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b: indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en, als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik. 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid. 7.2
Laden en lossen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en, b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen. 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat ge-bouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 15
indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en, als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is. 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in stand-houden van de laad- en losruimte.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 16
Artikel 8
Planologische gebruiksactiviteiten
8.1
Toegestane gebruiksactiviteiten
8.1.1
Mantelzorg / extra huishouden
1. Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen. 2. Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel 22.36 en 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning. 8.2
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
8.2.1
Kleinschalige duurzame energiewinning
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonne-energie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in hoofdstuk 2; 2. De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is. 8.2.2
(Pre)mantelzorg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van artikel 22.36 en 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de woning; b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg. 2. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een woning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en, d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie. 3.
De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg" (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s). 8.3
Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken. 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 17
3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden. 4. Het gebruik als seksinrichting is verboden.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 18
Artikel 9
Ruimtelijke bouwactiviteiten
9.1
Bouwen van bouwwerken
9.1.1
Geen uitlogende bouwmaterialen
Met het oog op het beperken van de verontreiniging van grond- en oppervlaktewater worden bij nieuw bebouwd oppervlak en bij vernieuwbouw: a. geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt; of b. uitlogende bouwmaterialen voorzien van een duurzame coating die de uitloging voorkomt. 9.1.2
Bestaande maatvoering toegestaan
1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze titel danwel Hoofdstuk 2 s voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden. 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden. 9.1.3
Anti-dubbeltelregel
1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 9.2
Toegestane activiteiten
9.2.1
Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met: a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of, b. artikel 22.27 (uitzonderingen op vergunningplicht – omgevingsplan onverminderd van toepassing), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn. 2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van: a. nutsvoorzieningen; b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf; c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen. 3. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines. 4. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en, c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 19
9.3
Vergunningplichtige activiteiten
9.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan: a. de bouwactiviteiten als bedoeld in 9.2.1 (toegestane bouwactiviteiten); en, b. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in Hoofdstuk 2. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een steiger te plaatsen. 9.3.2
Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen
1. De omgevingsvergunning wordt verleend indien: a. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in Hoofdstuk 2; b. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf. 9.3.3 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuis-houdkundige voorzieningen 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en, e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter. 2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en, b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. 3.
Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt. 9.3.4 Algemene beoordelingsregels afwijkmogelijkheden voor bouwactiviteiten (nadere beoordelingsruimte) 1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in Hoofdstuk 2 gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in Hoofdstuk 2; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d.
het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt; e. voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor: ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 20
2.
3.
4.
5.
9.4
eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: a. er ontstaat geen strijd met de regels in afdeling 22.3 van de bruidsschat; en, b. er ontstaat geen onevenredige aantasting van: de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken; de verkeersveiligheid; de parkeervoorzieningen; het bebouwingsbeeld; het landschap. Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit. In aanvulling op artikel 22.35 en 11.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a.
een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators; b. een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en, c. het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur. In aanvulling op artikel 22.35 en 11.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. diploma radiozendamateur; b. de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en, c. een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt. Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken: a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2; b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in lid 8.2.1 t/m lid 9.3 c. bedoeld als overdekte stalling voor pleziervaartuigen.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 21
Artikel 10 10.1
Verrichten van werken en werkzaamheden
Toegestane activiteiten
10.1.1 Aanwijzing toegestane activiteiten Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze behoren bij de toegedeelde functie: a. nutsvoorzieningen; b. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen); c. verblijfsvoorzieningen; d. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en, e. vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen. 10.2
Vergunningplichtige activiteiten
10.2.1 Gesloten bodemenergiesysteem 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. het gesloten bodemenergiesysteem de eerste waterscheidende laag niet doorboort; en, b. het risico op lekkage van bodembedreigende stoffen naar het grondwater acceptabel is. 10.2.2 Dempen waterlopen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning waterlopen te dempen. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de demping geen negatieve invloed heeft op het watersysteem; b. de demping niet leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; c. het (deels) dempen noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen; en, d. de te dempen waterloop voor aanvang van demping grondig wordt geschoond van aanwezige beplanting en bagger.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 22
Hoofdstuk 4 Artikel 11 11.1
Procesregels Algemene bepalingen
Rangorde
1. Indien op basis van Artikel 6 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in Artikel 4 2. De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan. 11.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning In aanvulling op artikel 7.3, 7.4 en 7.207b van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 1. de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn; 2. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend; 3. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de aanvrager; 4. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding; 5.
een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven; 6. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan. 11.3
Advies
1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten; 2. De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan ruimtelijke bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits: a. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en, b. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd. 11.4
Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in hoofdstuk 2, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 23
a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en, b. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit. 2. Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit. 11.5
Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: 1. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; 2. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; 3. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en, 4. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 4. 11.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften 1. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in hoofdstuk 2. 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald. 3. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. 4. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. 5. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden. 6. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden.
Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. 11.7
Gelijkwaardigheid
1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in 11.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen. 2. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd. 11.8
Normadressaat
1. Aan de hoofdstukken 1, 4 en 5 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan. 2. Aan het hoofdstuk 2 dat gaat over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie. 3. Aan hoofdstuk 3 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 24
Hoofdstuk 5 Artikel 12 12.1
Overgangsregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 12.2
Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtstwege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 12.3
Overgangsrecht gebruik
1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn': a. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit; b. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit. 2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit. 3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 25
grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen. 4. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn' krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1en 3 t/m 5 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.
bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Collendoornerdijk 1f-1g Collendoorn | PAGINA 26