3a. Regels TAM omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug (met bijlagen 1 en 2)
Tekst van het document
Inhoud regels Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen ............................................................................................ 2 Artikel 1 Begripsbepalingen ................................................................................................... 2 Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen ....................................................................................... 2 Artikel 3 Toepassingsbereik ................................................................................................... 3 Artikel 4 Doelen ..................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 2 Functies en andere gebiedsaanwijzingen .............................................................. 4 Artikel 5 Landelijk gebied ...................................................................................................... 4 Artikel 6 Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap ..................................................... 4 Artikel 7 Natuur – Essen en hoevenlandschap ..................................................................... 13 Artikel 8 Overige zone – gebieden met archeologische (verwachtings)waarde................... 15 Hoofdstuk 3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten .....................................................
17 Artikel 9 Parkeeractiviteiten ................................................................................................. 17 Artikel 10 Planologische gebruiksactiviteiten ...................................................................... 18 Artikel 11 Ruimtelijke bouwactiviteiten .............................................................................. 19 Artikel 12 verrichten van werken en werkzaamheden ......................................................... 21 Hoofdstuk 4 Procesregels ......................................................................................................... 22 Artikel 13 Algemene bepalingen .......................................................................................... 22 Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen ....................................................................... 24 Artikel 14 Overgangsrecht.................................................................................................... 24 Artikel 15 Slotregel .............................................................................................................. 25 Bijlagen Bijlage 1 Begrippen Bijlage 2 Kleinschalige bedrijfsactiviteiten Bijlage 3 Erfinrichtingsplan Bijlage 4 LIK Reestdal
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Regels Dit plan beoogt een uitbreiding van een agrarische functie op de locatie Oud Avereest 31 te Balkbrug. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. Technisch gezien is het dat niet. Juridisch moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg. • • • • • • • • •
hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22q, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies en andere gebiedsaanwijzingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22q, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Algemene regels ten aanzien van activiteiten) moet worden gelezen als hoofdstuk 22q, paragraaf 3; hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22q, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22q, paragraaf 5; bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage Z.22q.1 (begrippen); bijlage 2 moet worden gelezen als bijlage Z.22q.2 (kleinschalige bedrijfsactiviteiten). bijlage 3 moet worden gelezen als bijlage Z.22q.3 (Erfinrichtingsplan) bijlage 4 moet worden gelezen als bijlage Z.22q.4 (LIK Reestdal)
21 maart 2026
Pagina 1
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen 1. De begripsbepalingen in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan. 2. De begripsbepalingen in de volgende bijlagen zijn van toepassing voor dit TAMomgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken: - Bijlage bij de Omgevingswet; - Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving; - Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; - Bijlage I bij het Omgevingsbesluit; - Bijlage I bij de Omgevingsregeling
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen Voor dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: a. De dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b. De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten; c. De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d.
De inhoud van een bouwwerk: Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen, of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft; In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk; In geval van recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning. e. De oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. f.
Ondergeschikte bouwdelen: bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevelen kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- of bestemmingsgrens dan wel rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.
21 maart 2026
Pagina 2
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Artikel 3 Toepassingsbereik 1. Het oude planologische regime is niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. Onder het oude planologische regime wordt verstaan de besluiten bedoeld in artikel 4.6, lid 1 onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet die deel uitmaken van het omgevingsplan. 2. De regels in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van de artikelen 22.36 tot en met 22.39, en de regels in afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Oud Avereest 31 te Balkbrug zoals dat is begrensd in het GML-bestand NL.IMRO.0160.0000TAM0017VG01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Artikel 4 Doelen 1. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet. 2. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal: a. De groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde. b. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen. c. Ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig. d. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as ZwolleHardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid. 3. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken: a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied; b. aantrekkelijk wonen; c. een vitale economie; en, d. samen bouwen aan een duurzame toekomst.
21 maart 2026
Pagina 3
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Hoofdstuk 2 Functies en andere gebiedsaanwijzingen Artikel 5 Landelijk gebied 5.1 Doelstellingen 1. Het ‘landelijke gebied’ kent de volgende deelgebieden op basis van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK’s): a. ‘besloten heideontginningslandschap’; b. ‘besloten veenontginningslandschap’; c. ‘open heideontginningslandschap’; d. ‘open veenontginningslandschap’; e. ‘beekdallandschap’; en, f. ‘essen- en hoevenlandschap’. 2. Voor het ‘landelijke gebied’ gelden de volgende specifieke doelstellingen: a. landschappelijk: het behouden en versterken van de gebiedseigen kenmerken en kwaliteiten zoals deze voor het essen- en hoevenlandschap zoals bedoeld in lid 1 zijn beschreven in de tabel van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's) zoals die in bijlage 4 is het LIK Reestdal opgenomen; en, b. het koersen op een vitale, veerkrachtige landbouwsector en een hoogwaardige vrijetijdseconomie; c. het maken van ruimte voor klimaatadaptatie en de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; d. het behouden en versterken van natuur en landschap, economie en samenleving; en, e. het voorkomen van leegstand van vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen. 3.
Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het ‘landelijke gebied’ de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: a. Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap; b. Natuur – Essen en hoevenlandschap;
Artikel 6 Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap 6.1 Oogmerk functie agrarisch bedrijf De regels over de functie ‘Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap’ binnen het ‘essen- en hoevenlandschap’ in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het creëren van ruimte voor grondgebonden landbouw en verbrede landbouw; b. het creëren van ruime mogelijkheden voor functieverandering en hergebruik van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voor nieuwe kleinschalige bedrijfsactiviteiten, wonen (rood-voor-rood) en kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie; c. de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het essen- en hoevenlandschap, die per (deel)gebied zijn beschreven in de tabellen van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's), als bedoeld in artikel 5.1. 6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten 6.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
1. De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. het exploiteren van een agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw; b. wonen door één huishouden in een bedrijfswoning; c. hobbymatige agrarische activiteiten; d. het behouden en ontwikkelen van het karakter van het landelijk gebied als bedoeld in artikelen 5.1 en 6.1. 21 maart 2026
Pagina 4
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
2. In aanvulling op het eerste lid zijn de volgende ondergeschikte activiteiten toegestaan: a. (niet-)agrarische nevenactiviteiten onder de voorwaarden in artikel 6.2.2; b. het exploiteren van een bed & breakfast onder de voorwaarden in artikel 6.2.3; c. het exploiteren van boerderijkamers onder de voorwaarden in artikel 6.2.3 binnen de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’; d. statische opslag in bestaande gebouwen; e. een agrarisch loonbedrijf; f. recreatief extensief verblijven in de open lucht; en, g. kleinschalige duurzame energiewinning. h. Ter plaatse van de deelgebieden ‘open heideontginningslandschap’, ‘open veenontginningslandschap’, ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’ is kleinschalig kamperen toegestaan tot een maximum van 15 kampeermiddelen, te plaatsen binnen het bouwvlak en/of binnen een afstand van 30 m van het bouwvlak, met dien verstande dat kleinschalig kamperen niet is toegestaan binnen 50 meter van (voormalige) bedrijfswoningen van derden. 6.2.2 Algemene regels (niet)-agrarische nevenactiviteiten
Voor (niet-)agrarische nevenactiviteiten gelden de volgende voorwaarden: a. uitsluitend de exploitatie van een nevenactiviteit die is vermeld op de Lijst van toegestane (niet-)agrarische nevenactiviteiten in bijlage 2 is toegestaan; b. de activiteit dient in hoofdzaak inpandig te worden verricht; c. de gezamenlijke vloeroppervlakte aan nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan 100 m²; d. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de bedrijfswoning; e. detailhandel is alleen mogelijk voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de nevenactiviteit; en, f. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in artikel 9. 6.2.3 Algemene regels Bed & Breakfast en boerderijkamers
1. Voor het exploiteren van een bed & breakfast of boerderijkamers gelden de volgende voorwaarden: a. de boerderijkamers mogen alleen worden gevestigd in een (voormalige) boerderij; b. het aantal slaapplaatsen mag bij de boerderijkamers niet meer bedragen dan 15; c. de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2; d. de exploitatie mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; en, e. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in artikel 9. 2. Ter plaatse van de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’ mag de bed & breakfast voorziening in de bedrijfswoning en/of in maximaal één bijbehorend bouwwerk worden gevestigd.
21 maart 2026
Pagina 5
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
3. Ter plaatse van de deelgebieden ‘open heideontginningslandschap’ en ‘open veenontginningslandschap’ mag de bed & breakfast voorziening alleen in de bedrijfswoning worden gevestigd. 6.2.4 Algemene regels woning met voormalige functionele binding
1. Voor het wonen in een woning met voormalige functionele binding gelden dezelfde gebruiksregels als voor een bedrijfswoning als bedoeld in artikel 6.2.1 eerste lid onder b, met dien verstande dat ook kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de activiteit dient inpandig te worden verricht; b. de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m²; c. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de bedrijfswoning; d. er mag geen detailhandel plaatsvinden, het ondergeschikte verkoop betreft, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit aan huis; en, e. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in artikel 9. 2. Voor een woning met voormalige functionele binding is artikel 6.2.1 eerste lid onder a niet van toepassing. 6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten 6.3.1 Stikstofemitterende activiteiten
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning het bestaand gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van het agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 6.2.1 sub a uit te breiden of te wijzigen. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2, een voortoets verstrekt dan wel een afschrift van een verleende omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit. 3. De omgevingsvergunning wordt verleend indien: a. uit de voortoets blijkt dat significante effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten of er een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de activiteit is verleend; en, b. ook voor het overige wordt voldaan aan de regels in deze afdeling. 6.3.2 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning chemische gewasbeschermingsmiddelen voor boom- en/of fruitteelt te gebruiken binnen 50 meter van: a. concentraties van woningen (in lintbebouwing, buurtschappen en bebouwde kom); b. de NNN-gebieden, zoals bepaald en begrensd in de Omgevingsverordening Overijssel; en, c. recreatieve functies. 2. De omgevingsvergunning wordt verleend indien door middel van onderzoek en/of door het treffen van maatregelen aangetoond kan worden dat het woon- en leefklimaat en de natuurlijke waarden van de omliggende gronden hierdoor niet onevenredig worden aangetast.
21 maart 2026
Pagina 6
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
6.3.3 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende overige gebruiksactiviteiten
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren onder de voorwaarden in artikel 6.3.4: a. (niet-)agrarische nevenactiviteiten die betrekking hebben op nevenactiviteiten die niet staan vermeld op de Lijst van toegestane (niet-)agrarische nevenactiviteiten in bijlage 2 maar die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijkwaardig zijn onder de voorwaarden in artikel 6.3.5; en, b. het wonen in een bedrijfswoning met inbegrip van het gebruik van tuinen en erven door een derde (woning met voormalige functionele binding) onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 6.2.4. 6.3.4 Beoordelingsregels afwijkingsmogelijkheden algemeen (nadere beoordelingsruimte)
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de bedrijfswoning; b. de activiteit moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. de activiteit is ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsfunctie; d. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving en vanuit milieuoogpunt toelaatbaar zijn; e. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet aantasten; f. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in artikel 9; en, g. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel 5.1 en 6.2.1. 6.3.5 Beoordelingsregels (niet)-agrarische nevenactiviteiten
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de activiteit dient in hoofdzaak inpandig te worden verricht; b. als de activiteit plaatsvindt binnen bestaande gebouwen, dan mag de bruto vloeroppervlakte niet meer bedragen dan 300 m2; c. als de bruto vloeroppervlakte meer dan 300 m2 bedraagt en/of de activiteit in één of meer nieuwe gebouwen plaatsvinden, dan dient inpassing op het erf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te vinden en in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de activiteit; d. de agrarische bedrijfsvoering moet de hoofdactiviteit blijven; e. detailhandel is uitsluitend toegestaan voor zover deze rechtstreeks verband houdt met de nevenactiviteit; en, f. er mag geen opslag van goederen in de openlucht plaatsvinden. 6.4 Verboden gebruiksactiviteiten 6.4.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor: 21 maart 2026
Pagina 7
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
1. glastuinbouw; 2. horeca; 3. detailhandel, met uitzondering van internetwinkels en een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de niet-agrarische nevenactiviteit; 4. activiteiten gericht op recreatief nachtverblijf, met uitzondering van bed & breakfasts en boerderijkamers; 5. groothandel; 6. kapsalons aan huis buiten de locatie ‘kapsalon aan huis’, tenzij het gebruik rechtens aanwezig is; 7. reparatiewerkzaamheden van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans. 6.5 Toegestane bouwactiviteiten 6.5.1 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 6.2.1 mits deze in overeenstemming is met artikel 6.6. 6.6 Vergunningplichtige bouwactiviteiten 6.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 6.2.1, 6.3.1 en 6.3.2, anders dan de vergunningsvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 6.5.1. 6.6.2 Vaste beoordelingsregels bouwwerken binnen bouwvlakken
1. De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, binnen een ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er zijn binnen elk ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ (bedrijfs)gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf toegestaan; b. er is binnen elk ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ één bedrijfswoning toegestaan met een inhoud die niet meer bedraagt dan 750 m3, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is aangegeven, dan geldt dit aantal; c. bij de bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken worden achter de voorgevelrooilijn van de woning gerealiseerd; de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 150 m2; d. er mogen andere bouwwerken, waaronder begrepen mestplaten, mestsilo’s en kuilvoerplaten, worden gerealiseerd; e. er zijn binnen de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘open heideontginningslandschap’ en ‘open veenontginningslandschap’ in elk ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ maximaal 2 windturbines toegestaan met een tiphoogte die niet meer bedraagt dan 25 meter; f. voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen zijn uitsluitend binnen bestaande gebouwen toegestaan; g.
de oppervlakte van bouwwerken die activiteiten met een stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben mag per agrarisch bedrijf ten hoogste het bestaande oppervlakte bedragen. Een groter oppervlakte is uitsluitend toegestaan indien significante gevolgen voor de natuur zijn uitgesloten. Dat is het geval als geen passende beoordeling nodig is als bedoeld in artikel 16.53c van de Omgevingswet of als uit een passende beoordeling blijkt dat significante gevolgen voor de natuur zijn uitgesloten; en, 21 maart 2026
Pagina 8
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
h. binnen de locatie ‘bedrijf uitgesloten’ is geen agrarische bedrijfsbebouwing toegestaan. 2. Ter plaatse van de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’ gelden voor de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van bouwwerken de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven. Bouwwerken Max goothoogte Bedrijfsgebouwen (1) 4 meter Aanbouwen aan bedrijfsgebouwen Bedrijfswoningen (2) 3,5 meter Bijbehorende bouwwerken Overkappingen Bouwwerken voor mestopslag Voedersilo’s Erf- of perceelsafscheidingen op ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn Overige erf- of perceelsafscheidingen Overige andere bouwwerken
Max bouwhoogte 10 meter 3,5 meter
Min dakhelling 18 graden
10 meter 6 meter
30 graden 18 graden
3,5 meter 10 meter 20 meter 2 meter
1 meter 10 meter
(1) De maximale goothoogte en minimale dakhelling gelden niet voor technische installaties die verbonden zijn met en onderdeel uitmaken van bedrijfsgebouwen. (2) Met dien verstande dat de bedrijfswoning voor maximaal 30m² van een platte afdekking mag worden voorzien. 6.6.4 Vaste beoordelingsregels bouwwerken buiten bouwvlakken
1.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, buiten een ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ voldoet aan de volgende voorwaarden: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, mits tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen binnen de deelgebieden ‘open heideontginningslandschap en ‘open veenontginningslandschap’: 1. alleen worden gerealiseerd tijdens de periode 1 maart t/m 30 november voor een maximale duur van 7 maanden per kalenderjaar; en, 2. de afstand tot aangrenzende woonfuncties minimaal 10 meter bedraagt voor zover de teeltondersteunende voorziening hoger is dan 1,5 meter. b. kuilvoerplaten, sleufsilo's en mestplaten zijn toegestaan binnen een afstand van 75 meter van het bouwvlak en minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn; c. mestbassins zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van foliebassins met bijbehorende omheining; de oppervlakte van foliebassins buiten het bouwvlak bedraagt per agrarisch bedrijf niet meer dan 750 m2; d. schuilgelegenheden zijn toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 15 m2 per schuilgelegenheid en met een maximum van 1 schuilgelegenheid per één hectare bij elkaar behorende grond; e.
gebouwen en andere (bouw)werken ten behoeve een ijsbaan zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de locatie ‘ijsbaan’; de gezamenlijke oppervlakte van bij een ijsbaan behorende gebouwen bedraagt niet meer dan 150 m2;
21 maart 2026
Pagina 9
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
2. Voor de goothoogte, bouwhoogte en dakhelling van bouwwerken gelden de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven. Bouwwerken
Max goothoogte
Max bouwhoogte
Min dakhelling
Schuilgelegenheden Sleufsilo’s, kuilvoerplaten en mestplaten Foliebassins met bijbehorende omheining Overige andere bouwwerken
2,5 meter
5 meter 2 meter
18 graden
2 meter 3 meter
6.6.5. Vaste beoordelingsregels algemene afwijkingsmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)
1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 6.6.2 t/m 6.6.3 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste lid onder b bouwen van een tweede bedrijfswoning binnen het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’, mits: 1. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond; 2. het bepaalde in artikel 6.6.2 in acht wordt genomen; 3. dit niet leidt tot meer dan twee woningen binnen het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’. b. het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste t/m derde lid bouwen van nieuwe stalconcepten met andere maatvoering, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 12 meter; c. het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste t/m derde lid verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen tot respectievelijk maximaal 6 en 12 meter; d. het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste t/m derde lid verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak van gebouwen, mits: 1. bij bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken het oppervlak waarvoor een kleinere dakhelling wordt toegestaan niet groter is dan 15% van het totale oppervlak van het gebouw; en, 2. binnen de deelgebieden ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’ bij een bedrijfswoning het oppervlak met deze lagere dakhelling niet meer is dan 30 m2; e.
het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste t/m derde lid verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken; f. het in afwijking van artikel 6.6.2 eerste t/m derde lid verhogen van de bouwhoogte voor sleufsilo’s en kuilvoerplaten buiten bouwvlakken tot maximaal 2,5 meter. 2. Ter plaatse van de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’ en ‘besloten veenontginningslandschap’ is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.6.2 onder b de inhoud van de woning te vergroten tot maximaal 1.000 m3. 3. Ter plaatse van de deelgebieden ‘open heideontginningslandschap’ en ‘open veenontginningslandschap’ is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.6.2 onder b de inhoud van de woning te vergroten tot maximaal 1.200 m3. 4. Ter plaatse van de deelgebieden ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’ is het mogelijk om in afwijking van artikel 6.6.2 onder b de inhoud van de woning te vergroten tot maximaal 900 m3. 5. De volgende beoordelingsregels zijn bij lid 1 t/m 4 van toepassing: a. het (ver)bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden; b. ten gevolge van het (ver)bouwplan is er ter plaatse van de (nieuwe) gevoelige ruimten sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; c.
het (ver)bouwen van hoofdgebouwen is passend in het straat- en bebouwingsbeeld; 21 maart 2026
Pagina 10
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
d. het (ver)bouwen van hoofdgebouwen doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid; e. het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in artikel 9; f. ingeval van een afwijking als bedoeld in lid 1 onder a, b en/of e en lid 2 t/m 4: de inpassing op het erf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit; en, g. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in de artikelen 5.1 en 6.1. 6.6.6 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden paardenbakken (nadere beoordelingsruimte)
Voor paardenbakken voor het bedrijfsmatig of hobbymatig houden van paarden gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. situering binnen het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ of de agrarische functie is niet mogelijk of niet doelmatig; b. de meest nabij gelegen grens van de paardenbak moet binnen 25 meter van het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ of de locatie van de agrarische functie liggen; c. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 1,5 meter; d. het bedrijfsmatig houden van paarden is uitsluitend mogelijk voor zover de paardenbak onderdeel uitmaakt van een agrarisch bedrijf; en, e. de situering van de paardenbak mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. 6.6.7 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden windturbines (nadere beoordelingsruimte)
Voor windturbines die niet in overeenstemming zijn met de in artikel 6.6.2, 6.6.3 en 6.6.5 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. de afstand van de mast van een buiten het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ geplaatste windturbine tot de grens van het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’ bedraagt niet meer dan 25 meter; b. de ashoogte van een windturbine bedraagt niet meer dan 25 meter; c. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf; d. de inpassing van een windturbine op het erf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden. Daartoe wordt een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, waarin de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend; en, e. de windturbine is vanuit milieuoogpunt toelaatbaar en leidt niet tot een onevenredige aantasting van de natuurlijke waarden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden; en, f. uit een natuurtoets blijkt dat er geen negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige natuurwaarden. 6.7 Verboden bouwactiviteiten 6.7.1 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten
Bouwactiviteiten die afwijken van de bouwactiviteiten in subparagraaf 3.3.3.1 en 3.3.3.2 zijn verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. andere vormen van mestopslag; b. de bouw van zonnecollectoren buiten het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’.
21 maart 2026
Pagina 11
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
6.7.2 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
1. Tot een met de functie ‘Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen nieuwe gronden en/of nieuwe gebouwen zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 3 opgenomen Erfinrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing. 2. In afwijking van het bepaalde onder 1 mogen nieuwe gronden en/of nieuwe gebouwen worden gebruikt voor de functie ‘Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap’ onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen erfinrichtingsplan. 6.7.3 Voorwaardelijke verplichting – waterberging
1. Tot een met de functie ‘Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gronden en/of nieuwe gebouwen zonder de aanleg en instandhouding van een waterberging van minimaal 8 m3 per 100 m2 verhard oppervlak. 2. In afwijking van het bepaalde onder 1 mogen nieuwe gronden en/of nieuwe gebouwen worden gebruikt voor de functie ‘Agrarisch bedrijf in essen- en hoevenlandschap’ onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de waterberging. 6.8 Vergunningplichtige overige activiteiten 6.8.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken: a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen binnen de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’; b. aanleggen en dempen van wateren; c. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; d. verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning is vereist volgens de Omgevingswet, en het ophogen en egaliseren van de gronden binnen de deelgebieden ‘beekdallandschap’ en ‘essen- en hoevenlandschap’; en, e. bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden. 2. Deze vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; c. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van de aan het besloten landschap eigen gebiedskenmerken als bedoeld in de artikelen 5.1 en 6.1; d.
werken en werkzaamheden op en in gronden binnen het ‘bouwvlak agrarisch bedrijf’; e. werken en werkzaamheden met minder dan 250 m3 grondverzet binnen de deelgebieden ‘besloten heideontginningslandschap’, ‘besloten veenontginningslandschap’, ‘open heideontginningslandschap’ en ‘open veenontginningslandschap’; f. kavelpaden, in- of uitritten en het verhogen en/of verlagen van de bodem ten behoeve van foliebassins, mestplaten, kuilvoerplaten en sleufsilo's; 21 maart 2026
Pagina 12
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
g. werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, onder b, voorzover het betreft het aanleggen van poelen; h. werken en werkzaamheden welke onderdeel zijn van het erfinrichtingsplan zoals bijgevoegd als bijlage 3; 6.8.2 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden
Voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden wordt omgevingsvergunning verleend indien door die werken of werkzaamheden, of door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in deze afdeling bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen: a. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; of, b. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
Artikel 7 Natuur – Essen en hoevenlandschap 7.1 Oogmerkfunctie natuurgebieden De regels over de ‘Natuur – Essen en hoevenlandschap’ in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het behouden en versterken van natuur en landschap; b. de toeristische recreatieve beleving en het gezonde leven; c. het ontwikkelen van grotere eenheden natuur (geen verdere versnippering) en meer aaneengesloten natuur; d. het instandhouden en ontwikkelen van de natuurlijke waarden en van de eigen sterke gebiedskenmerken, zoals deze per (deel)gebied zijn beschreven in de tabellen van de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's); en, e. het behouden, herstellen en het duurzame ontwikkelen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden zoals bepaald en begrensd in de Omgevingsverordening Overijssel. 7.2 Toegestane gebruiksactiviteiten 7.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
Binnen de ‘natuur’ zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. (agrarisch) natuurbeheer en natuurontwikkeling ten dienste van de oogmerken als bedoeld in artikel 7.1; b. bosbouw, uitsluitend ten dienste van (agrarisch) natuurbeheer en natuurontwikkeling; c. extensieve openluchtrecreatie, ten dienste van de oogmerken als bedoeld in artikel 7.1. 7.2.2 verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in artikel 7.2.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: a. a het voeren van reclame; b. het buiten een gebouw opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten.
21 maart 2026
Pagina 13
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
7.3 Toegestane bouwactiviteiten 7.3.1 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 7.2 mits deze in overeenstemming is met artikel 7.4. 7.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten 7.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een berging te realiseren, in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 7.3, anders dan de vergunningsvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 7.4.2. 7.4.2 Beoordelingsregels bouwen van bergingen (nadere beoordelingsruimte)
De omgevingsvergunning wordt verleend indien de berging voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak ervan is aangetoond; b. de oppervlakte mag per berging niet meer bedragen dan 50 m2; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; en d. het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel 5.1 en artikel 7.1. 7.5 Verboden bouwactiviteiten 7.5.1 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten
Bouwactiviteiten die afwijken van de bouwactiviteiten in subparagraaf 7.3 en 7.4 zijn verboden. In ieder geval omvat het verbod: een realiseren, in stand te houden en gebruiken van windturbines. 7.6 Vergunningplichtige overige activiteiten 7.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning voor een ontgrondingsactiviteit is vereist volgens artikel 5.1 lid 1 onder c van de Omgevingswet, en het ophogen en egaliseren van de gronden; c. het vellen van houtopstanden; en, d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. 2. De vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende activiteiten: a. werken en werkzaamheden in het kader van bosbouw en het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van deze regels;
21 maart 2026
Pagina 14
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
c. werken en werkzaamheden die door of in opdracht van de beheerder van het natuurgebied worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in artikel 7.1; en, d. activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten. 7.6.2 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel 5.1 en artikel 7.1; b. de mogelijkheden voor het herstel van de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in artikel 5.1 en artikel 7.1 niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
Artikel 8 Overige zone – gebieden met archeologische (verwachtings)waarde 8.1 Oogmerk De regels over de 'Overige zone - gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten; b. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en c. het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden. 8.2 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten 8.2.1 Aanvraagvereisten vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
1. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 13.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld: a. er is sprake van een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijk) oppervlakte gelijk of meer dan de 'oppervlakte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart; en, b. er is sprake van een diepte gelijk of meer dan de 'diepte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart. 2. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is. 8.2.2 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften
Indien uit het in 8.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; en, c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 21 maart 2026
Pagina 15
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
8.3 Vergunningplichtige overige activiteiten 8.3.1 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden
1. Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de 'oppervlakte van de bodemverstoring' en/of de diepte gelijk of meer dan de 'diepte van de bodemverstoring' zoals aangegeven op de kaart: a. het ophogen van de bodem; b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt; f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft; g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van bos of boomgaard; en, i. het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. 2.
Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen: a. al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd; b. onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en, d. uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is. 3. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 13.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld. 4. De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
21 maart 2026
Pagina 16
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Hoofdstuk 3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten Artikel 9 Parkeeractiviteiten 9.1 Parkeergelegenheid 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en, b. een parkeerbalans en toelichting hierop. 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en, b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of, c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b: indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en, als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik. 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid. 9.2 Laden en lossen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft. 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en, b. een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen. 3.
De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing: a. er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a: indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
21 maart 2026
Pagina 17
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is. 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.
Artikel 10 Planologische gebruiksactiviteiten 10.1 Aanwijzing toegestane mantelzorg/extra huishouden Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen. 10.2 (Pre)mantelzorg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren: a. voor zover niet vergunningsvrij is toegestaan: het bieden van mantelzorg dan wel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning; b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg. 2. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving; c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en, d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie. 3.
De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel prémantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s). 10.3 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken. 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie 'mer-activiteiten toegestaan' is opgenomen. 3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden. 4. Het gebruik als seksinrichting is verboden.
21 maart 2026
Pagina 18
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Artikel 11 Ruimtelijke bouwactiviteiten 11.1 Bestaande maatvoering toegestaan 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van dit artikel dan wel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden. 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van dit artikel dan wel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden. 11.2Anti-dubbeltelregel
1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. 11.3 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten 1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met: a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of, b. elders in het omgevingsplan algemeen vastgelegde vergunningsvrije bouwactiviteiten (artikel 22.27 of diens opvolger), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn. 2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van: a. nutsvoorzieningen; b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf; c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.
Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines. 4. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden: a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en, c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2. 11.4 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan: a. de bouwactiviteiten als bedoeld in 11.3 (toegestane bouwactiviteiten); en, b. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in hoofdstuk 2.
21 maart 2026
Pagina 19
TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
11.5 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen: a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter; c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter; d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en, e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter. 2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 4 meter; en, b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens. 3.
Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt. 11.6 Algemene beoordelingsregels afwijkmogelijkheden voor bouwactiviteiten (nadere beoordelingsruimte)
1. Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in hoofdstuk 2, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: a. het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in hoofdstuk 2; b. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c. het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d. het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt; e. het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en, f.
voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor: - ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten; - eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen. 2. De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing: er ontstaat geen
onevenredige aantasting van: a. de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken; b. de verkeersveiligheid; c. de parkeervoorzieningen; 21 maart 2026