2. Toelichting bestemmingsplan "Buitengebied Hardenberg, Langewijk 32 Dedemsvaart"
Tekst van het document
verstoord door de aanwezigheid van de huidige bebouwing. De 2 wooneenheden in 1 gebouw wordt immers gebouwd ter plaatse van de bestaande schuren. Redelijkerwijs kan niet verwacht worden dat er nog sprake is van archeologische waarden. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege gelaten worden. Algemeen cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Situatie Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in de locaties van het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van de locaties van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
4.10 Water 4.10.1 Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets verplicht bij gemeentelijke bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten. De watertoets is een procesinstrument, waarbij het waterschap en de initiatiefnemers (gemeente) onderlinge afstemming zoeken. Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) 58
als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan.
4.10.2 Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. He t Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
4.10.3 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
4.10.4 Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van ve rontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het 59
bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Het hemelwater wordt deels geïnfiltreerd in de bodem, via de dakgoten komt dit op de verharding en loopt dit naar een lager punt op het erf. Ook wordt er een deel geloosd op de riolering.
4.10.5 Invloed op de waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is erin of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Er is sprake van een afname van verhard oppervlak in het plangebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloed zone zuivering technisch werk of een retentiecompensatiegebied. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer: In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. Binnen dit project worden niet meer dan 10 wooneenheden/ geen wooneenheden gerealiseerd. De toename van het verharde oppervlak bedraagt minder dan 1.500 m 2 . Het plangebied bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied of een stedelijk watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte.
Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 20 à 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast door onder andere te voorkomen dat afstromend hemelwater vanaf het straatoppervlak naar binnen kan stromen. Bij de aanleg van kelderconstructies dient aandacht te worden geschonken aan de toepassing van waterdichte materialen en constructies. In de volgende tabel is kort de relevantie van de waterhuishoudkundige aspecten aangegeven. Waterhuishoudkundig
Relevantie
Toelichting
Riolering en afvalwaterketen
Nee
Nu al aangesloten op riolering.
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Nee
Geen wateroverlast
Grondwateroverlast
Nee
Geen grondwateroverlast
Grondwaterkwaliteit
n.v.t.
aspect
60
Verdroging
Nee
Er is geen bedreiging voor karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische cultuurhistorische of archeologische waarden.
Inrichting/beheer en onderhoud
Nee
De locatie bevindt zich niet binnen invloed zones van watergangen.
4.10.6 Watertoetsproces De initiatiefnemers hebben het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies. 4.10.7 Watertoetsprocedure Via www.dewatertoets.nl is het Waterschap Vechtstromen op de hoogte gebracht van het plan. Het waterschap heeft aangegeven dat dit gaat om de korte procedure omdat de bestemming en de grootte van het plan geringe invloed hebben op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. 4.10.8 Overstromingsrisico paragraaf Er is geen sprake van overstromingsrisico's. Het plangebied ligt volgens de viewer van de provincie Overijssel niet binnen overstroombaar gebied. Het dichtstbijzijnde overstromingsgebied ligt op ongeveer 6.000 meter van de locatie en heeft daarom geen groot risico op overstroming.
Afbeelding 14 Uitsnede kaart watergebied reserveringen, Omgevingsvisie provincie Overijssel)
61
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen m oet rekening worden gehouden m et de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling, evenals een eventuele toename van de verkeersgeneratie. Hiervoor worden de gemeentelijke 'Parkeernormennota Hardenberg' en de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW aangehouden. Op de locatie Langewijk 32 wordt 1 woning met 2 wooneenheden gebouwd. Dit heeft invloed op de verkeersgeneratie. In kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk/ Hardenberg (Bron: CBS Statline) Stedelijke zone: buitengebied Functie : woning, vrijstaand 4.11.2 Parkeren Parkeren ten behoeve van de woonfunctie vindt plaats op eigen terrein. Op basis van de parkeernormennota Hardenberg geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeerbehoefte van maximaal 2,2 parkeerplaatsen. Voor zowel de compensatie woning (2 wooneenheden x 2,2) als de bestaande woning dienen er 2,2parkeerplaatsen beschikbaar te zijn op het eigen erf. Het gaat dan in totaal om maximaal 6,6 parkeerplekken, gelet op de omvang van de percelen en gezien de beoogde inrichting kan worden gesteld dat in deze behoefte kan worden voorzien.
4.11.3 Verkeersgeneratie De te realiseren woning brengt een bepaald aantal verkeersbewegingen met zich mee. Dit heeft stikstofuitstoot tot gevolg. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk/ Hardenberg (Bron: CBS Statline) • Stedelijke zone: buitengebied In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld:
62
Functie
Verkeersgeneratie (per wooneenheid)
Aantal te realiseren woningen
Totale verkeersgeneratie
Koophuis, twee-
8,2
1, met 2
16,4
onder-een-kap
wooneenheden
De totale verkeersgeneratie voor de te realiseren woning met 2 wooneenheden komt neer op 16,4 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. We zijn uitgegaan van de verkeersgeneratie van een tweeonder-een-kap. Verwacht wordt dat er per saldo sprake zal zijn van een afname aan verkeersbewegingen door het vervallen van de agrarisch gerelateerde verkeersbewegingen. Het plangebied blijft, conform de huidige situatie, via de bestaande in- en uitritten ontsloten op de Langewijk 32 (bestaande woning en nieuwe woningen). De bestaande woning zal bereikbaar blijven door de oprit die er al ligt. De tweede bestaande oprit zal worden gebruikt voor beide wooneenheden. Deze wordt gedeeld maar is al aanwezig. Er is reeds sprake van een veilige en overzichtelijke situatie. 4.11.4 Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de in dit plan besloten ontwikkelingen.
4.12 Besluit milieueffectrapportage 4.12.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). •
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). 63
In het Besluit m.e.r. neemt het plan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het plan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of plannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd.
4.12.2 Beoordeling 4.12.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Met dit initiatief wordt een agrarisch bedrijf buiten werking gesteld en wordt ter compensatie een compensatiewoning gebouwd met 2 wooneenheden. Tevens wordt de bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als reguliere woning. Dit laatste geeft echter geen wijziging in het gebruik en verkeergeneratie, daarom is deze woning niet meegenomen in de beoordeling. Vanwege de voorgenomen ontwikkeling is het noodzakelijk om inzicht te geven in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie van de ontwikkeling is berekend met het rekenprogramma AERIUS-Calculator. De rekenresultaten staan in bijlage 6. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 7,3 kilometer afstand van het plangebied (dichtstbijzijnde locatie). Door de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is het niet meer nodig om de effecten van de aanlegfase van de ontwikkeling in beeld te brengen, omdat dit tijdelijke stikstofemissies betreft. De gebruiksfase van de te realiseren wooneenheden moet wel in beeld worden gebracht. Doordat de te realiseren wooneenheden gasloos moeten worden uitgevoerd, geeft het gebruik van de wooneenheden zelf geen stikstofemissies. Wel is er sprake van verkeersgeneratie door de nieuwe wooneenheden.
Hoe het aantal vervoersbewegingen tot stand is gekomen is terug te vinden in paragraaf 4.11.2. 64
Gezien de ligging van de nieuwe wooneenheden is er gekozen om twee routes te modelleren voor het gebruiksverkeer. Om een worst-case scenario te schetsen is er gekozen om voor beide routes het totaal aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal. We komen in totaal op 16,4 vervoersbewegingen per etmaal, deze hebben wij afgerond naar 17 vervoersbewegingen per etmaal. Voor de route naar de N377 via het centrum van Dedemsvaart is gekozen voor bebouwde kom in de Aerius berekening, dit zodat er uit wordt gegaan van de hoogste uitstoot. De andere route is ook naar de N377 maar via buitenwegen en vanaf. Uit de AERIUS-berekening van de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig. De Aerius berekening is als bijlage 6. Toegevoegd. Nu er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied is een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.
Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.12.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende plan besloten ontwikkeling gaat uit van de sloop van 1.456,5 m2 bebouwing en de bouw van één compensatiewoning met twee wooneenheden. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat dit 65
bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r. procedure noodzakelijk maken. 4.12.3 Conclusie De in dit plan besloten ontwikkeling is niet m.e.r. (beoordelings)-plichtig.
66
5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu - en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het plan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet van de regels
5.2.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het plan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Wij hebben als basis voor het opstellen van de regels de volgende bestemmingsplannen als basis gebruikt; -
Buitengebied Hardenberg Buitengebied Hardenberg, herziening regels
-
Facetherziening parkeren Hardenberg.
De regels die niet van toepassing waren op deze bestemming hebben wij eruit gelaten. Hieronder de punten de regels zijn aangevuld voor deze locatie. -
De locatie heeft de aanduiding ‘’ 2 wooneenheden in 1 gebouw’’ De oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken voor deze aanduiding mogen niet meer bedragen dan 150 m2.
67
-
Bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op ten minste 10 m achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning; De regel is alleen van toepassing voor de compensatiewoning met de bouwaanduiding ‘2 wooneenheden in 1 woning.
-
Ook zijn er voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd ; Landschappelijke inpassing en sloopopgave.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: -
Inleidende regels Bestemmingsregels
-
Algemene regels Overgang -en slotregels.
5.2.2 Inleidende regels; Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •
Wijze van meten (artikel 2)
Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 5.2.3 Bestemmingsregels; Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals weergegeven op de verbeelding van dit plan. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de
•
aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn;
•
• •
Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 68
•
Wijzigingsbevoegdheden: welke wijzigingsbevoegdheden gelden voor het bestemmingsplan (in de archeologische dubbelbestemming).
5.2.4 Algemene regels; Artikel 5 Anti- dubbeltelregel; Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van bouwplannen. Artikel 6 Algemene gebruiksregels; In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven met specifieke aandacht voor uitsluiting van besluit-m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 7 Algemene bouwregels; In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven met betrekking tot de afstanden tot wegen en bestaande bouwregels. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels; In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels; In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven de bevoegdheden van Burgemeester en wethouders weer om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. Artikel 11 Overige regels; In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van de werking wettelijke regelingen, afstemming welstandstoets, uitsluiting seksinrichting, afstemming APV en evenementen en parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. 5.2.5 Overgangs-en slotregels.
In artikel 12 (Hoofdstuk 3) staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit plan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. 69
5.3
Verantwoording van de regels
5.3.1 Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een plan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het plan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het plan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Agrarisch met waarden – Besloten Veenontginningslandschap Ter plaatse van de overblijvende agrarische gronden, die niet worden bestemd tot 'Wonen – Besloten veenontginningslandschap ' blijven de gronden bestemd als 'Agrarisch met waarden – Besloten Veenontginningslandschap'. De toekomstige woonbestemming is net zo breed gemaakt als het bestaande agrarische bouwvlak, maar minder diep, de rest van het voormalige agrarisch bouwvlak wordt daarom bestemd als 'Agrarisch met waarden - Besloten Veenontginningslandschap', maar dan zonder bouwvlak. Ter plaatse van deze gronden die buiten het woonerf vallen worden eveneens landschapsmaatregelen uitgevoerd.
Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken behorend bij het daar voorkomend landschapstype. De gronden zijn ook bestemd voor voorzieningen voor extensieve openluchtrecreatie, watergangen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen, landschappelijke inpassing en hobbymatige agrarische activiteiten. Op de gronden zijn uitsluitend andere bouwwerken, waaronder tijdelijke teelt ondersteunende voorzieningen en schuilgelegenheden, toegestaan. Voor de andere bouwwerken zijn bouwbepalingen opgenomen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de gronden te kunnen inzette n voor natuurontwikkeling. Tot slot is er een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen, waarin voor bepaalde werkzaamheden een vergunningplicht is opgenomen. Specifiek is een uitzondering opgenomen voor werken en werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Wonen- Besloten Veenontginningslandschap Ter plaatse van de kavel van bestaande woning en de compensatiewoning is de bestemming 'Wonen Besloten Veenontginningslandschap' opgenomen.
70
Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van aan-huis-gebonden beroepen, tuinen, landschappelijke inpassing en ontsluitingsvoorzieningen. Hieraan ondergeschikt zijn ook bed- and breakfast en boerderijkamers toegestaan. Op onderstaande wijkt dit plan af ten opzichte van de ‘standaard’ regels uit het geldende bestemmingsplan. Ook is bepaald dat de te realiseren twee wooneenheden onder één kap met de verschijningsvorm van één vrijstaande woning gebouwd dient te worden. De goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 3,5 en 10 meter. Binnen deze bestemming is een bijgebouw toegestaan van 100 m2 . Voor beide wooneenheden van de twee-onder-een-kap samen is maximaal 200 m2 aan bijgebouw toegestaan (100 m2 per wooneenheid) . De bijbehorende bouwwerken worden minimaal 1 m achter de voorgevel gebouwd. Voor de bestaande woning met bijgebouwen is opgenomen dat de bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en er 1 bijgebouw van 100 m2 mag worden terug gebouwd. De inhoud van de 2 woonheden mag een maximale inhoud van 1.200 m 3 bedragen. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten afgeweken worden. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik en bepalingen omtrent aan-huis-gebonden beroepen, bed and breakfast en boerderijkamers opgenomen.
In de afwijking van de gebruiksregels zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen om via een omgevingsvergunning kleinschalige bedrijfsactiviteiten en andere landschappelijke maatregelen dan in de voorwaardelijke verplichting bepaald, toe te staan. Er zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Eén voor de sloop en 1 voor de landschappelijke inpassing, dit om de realisatie van de nieuwe dubbele woning mogelijk te maken. Waarde- Archeologie 5 Deze dubbelbestemming is conform het geldende bestemmingsplan overgenomen ter plaatse van de archeologische verwachtingen. Gronden met deze bestemming zijn, naast de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarden.
71
6 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het ontwerpbestemmingsplan is aan de provincie Overijssel voorgelegd. De provincie heeft laten weten akkoord te gaan met het bestemmingsplan. Waterschap Vechtstromen www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben voor alle locaties geleid tot de 'korte procedure'. Het waterschap geeft een positief wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er niet toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd. Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd door het college van Burgemeester en Wethouders. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft voor zes weken ter inzage gelegen, vanaf woensdag 25 oktober 2023. In deze periode zijn er een zienswijzen ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan is vastgesteld op 21 november 2023.
72
7 Economische Uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn in dit geval beperkt tot de ambtelijke kosten, die worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemers. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
73