2. Aanbiedingsbrief voorstel tweede wijziging Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland
Tekst van het document
Artikel 18 Klachtenregeling Veel bevoegdheden van het dagelijks bestuur volgen al uit de wet. Deze bevoegdheden worden niet nogmaals in de regeling beschreven. De bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling tot behandeling van klachten, als bedoeld in hoofdstuk van de Algemene wet bestuursrecht, staat niet als opsomming in de wet weergegeven.
Artikel 19 Inlichtingen en verantwoordingsplicht dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur en de afzonderlijke leden hebben een inlichtingen en een verantwoordingsplicht jegens het algemeen bestuur (artikel 19a Wgr). Het dagelijks bestuur als orgaan heeft een (schriftelijke) inlichtingenplicht aan de raden en Provinciale Staten (artikel 17 juncto artikel 52 Wgr). In deze regeling is ervoor gekozen om de colleges van de deelnemers te laten bepalen hoe door de door hen aangewezen leden aan deze inlichtingenplicht moet worden voldaan. Het algemeen bestuur kan in haar reglement van orde bepalen van welke besluiten kennisgeving aan het algemeen bestuur wordt gedaan en orde termijnen opnemen met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen. Op grond van artikel 19b Wgr heeft het dagelijks bestuur de verplichting de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur bericht en raad te geven als daarom wordt gevraagd. Daarvan dient het dagelijks bestuur de deelnemers mededeling te doen. Tot slot geldt sinds de wetswijziging van 2022 een actieve informatieplicht richting de raden en Provinciale Staten. De wet zelf geeft formeel niet de inlichtingenplicht. Om die reden is het apart in de regeling opgenomen.
28
Artikel 20 Voorzitter Ingevolge artikel 12 Wgr is de voorzitter een afzonderlijk bestuursorgaan en is hij tevens voorzitter van het algemeen en het dagelijks bestuur. Volgens artikel 13 negende lid Wgr wordt de voorzitter door en uit het algemeen bestuur aangewezen. Bij gebrek aan vertrouwen kan het algemeen bestuur besluiten de voorzitter te ontslaan.
Artikel 21 Instructie bevoegdheden voorzitter Ingevolge artikel 57d vertegenwoordigt de voorzitter Omgevingsdienst IJsselland in en buiten rechte. Deze bevoegdheid kan hij opdragen (volmachtigen) aan een ander.
Artikel 22 Verantwoordings- en inlichtingplicht voorzitter De wet gemeenschappelijke regelingen heeft geen bepalingen over de verantwoordingsplicht van de voorzitter. Nu de voorzitter een apart bestuursorgaan is, ligt het voor de hand om dit toch te regelen. Dit gebeurt in artikel 22.
Hoofdstuk 5 Inspraak
Artikel 23 Zienswijzen Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 5 en 6 Wgr. Omgevingsdienst IJsselland is een uitvoeringsorganisatie. Zij nemen geen besluiten over verordende bevoegdheden. De verantwoordelijkheid hiervoor blijft bij elke deelnemer liggen. Om die reden is in de basis ervoor gekozen om besluiten, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht al geldt (denk aan ontwerpbegroting en wijziging gemeenschappelijke regeling) niet aan zienswijzen te onderwerpen. Echter, ook bij Omgevingsdienst IJsselland kan het voorkomen dat er grote koerswijzigingen plaatsvinden en dan wordt er wel aan beleidsvoorbereiding gedaan. In dat geval kan het algemeen bestuur alsnog beslissen om de raden en Staten om zienswijzen te vragen. De raden en Staten hebben daar 8 weken de tijd voor. Het dagelijks bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de raden en Staten te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden. Het dagelijks bestuur moet deze reactie aan de raden en Staten zenden vóórdat het algemeen bestuur tot besluitvorming overgaat. Op die manier kunnen de raden en Staten, indien gewenst, hun opvattingen nog meegeven aan hun leden in het algemeen bestuur.
Artikel 24 Participatie Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 7 en 8 Wgr. Omdat het algemeen bestuur nagenoeg geen formele besluiten neemt, zijn er geen besluiten die verplicht aan een participatietraject worden onderworpen, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht natuurlijk al geldt. Het staat inwoners en belanghebbenden natuurlijk altijd vrij om via de gemeenteraden (resp. Provinciale Staten) of andere gemeentelijke (resp. provinciale) kanalen in te spreken.Ook hier geldt; gaat het om ingrijpende besluiten, dan kan het dagelijks bestuur alsnog beslissen een participatietraject in te zetten. Het dagelijks
29
bestuur regelt daarbij zelf de procedure van dit traject, waarbij in elk geval ingezetenen en belanghebbenden bij het besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld inspraak te leveren. Er moet dus een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de te betrekken partijen en ingezetenen, zodat deze representatief is voor de gehele groep van belanghebbenden dan wel inwoners. Daarnaast moet een zorgvuldige keuze worden gemaakt tussen het doel van de participatie: is dat louter tijdig informeren, input ophalen, beraadslagen enz. Het dagelijks bestuur informeert de colleges en het algemeen bestuur over zijn voornemen tot het volgen van een eigen participatietraject. De colleges én het dagelijks bestuur maken op de in de organisaties gebruikelijke wijze bekend dat er een eigen participatietraject wordt gevolgd. Aanvullende communicatie (via kranten, huis-aan-huisbladen, website e.d.) kan natuurlijk ook altijd worden ingezet.
Hoofdstuk 6 Personeel
Artikel 25 Directeur Het dagelijks bestuur is bevoegd de directeur te benoemen. Deze is belast met de dagelijkse leiding. De directeur vervult zijn taken op basis van het mandaat dat hij van de deelnemers heeft gekregen Daarnaast vervult de directeur de rol van secretaris van het openbaar lichaam die het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur bijstaat.
Hoofdstuk 7 Kostentoedeling, begroting en jaarrekening
Artikel 26 Kostentoerekening en Bijdrageverordening In dit artikel is bepaald dat het algemeen bestuur nadere regels kan stellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen bijdragen: de Bijdrageverordening. Het uitgangspunt voor nu is een verdeling op basis van de bij de oprichting ingebrachte taken behorende formatie, vermeerderd met een percentage voor overhead. Elke iedere deelnemer zal gevraagd worden om te bepalen welke taken hij inbrengt, en met welke formatie dat gepaard zal gaan. Het resultaat daarvan is inputfinanciering. Het doel is om na verloop van tijd deze door te ontwikkelen naar outputfinanciering: bekostiging op basis van geleverde producten tegen een bepaalde prijs.
Artikel 27 Garantiebepaling Deze bepaling voorziet er in dat de gemeenschappelijke regeling altijd over voldoende middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen. Deze garantie wordt onder meer geëist door de Bank Nederlandse gemeenten. De deelnemers zijn verplicht hieraan medewerking te verlenen, anders kan de financieel toezichthouder ingrijpen. Zie Circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 juli 1999, kenmerk FO99/U5911.
Artikelen 28 Begroting en 29 Jaarrekening Bij de inrichting van de interne planning en controlecyclus moet rekening worden gehouden met de bepalingen over de begroting en de jaarrekening uit de Wet. Deze bevat enkele dwingende procedures en
30
termijnen over de begrotingscyclus van de regeling 1. Het doel hiervan is om de invloed van de vertegenwoordigende organen op de gemeenschappelijke regelingen te borgen. De kern van deze bepalingen is dat de raden en staten steeds in een vroegtijdig stadium rekening kunnen houden met de beleidsvoornemens van de regeling en de verwachte hoogte van de bijdrage aan de regeling voor het volgende jaar. De wettelijke termijnen hebben tot gevolg dat door de gemeenschappelijke regeling al heel vroeg in het kalenderjaar een aanzet moet worden gemaakt voor de begroting voor het volgende jaar.
De wettelijke begrotingscyclus van een gemeenschappelijke regeling ziet er als volgt uit: a. het (dagelijks) bestuur dient vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders ter kennisname aan de raden/staten van de deelnemers sturen (artikel 58b); b. de (voorlopige) jaarrekening met het verslag van de accountant, moet vóór 30 april worden aangeboden aan de raden/staten (artikel 58b); c.
de ontwerpbegroting wordt twaalf weken voordat deze ter vaststelling aan het algemeen bestuur wordt toegezonden, toegezonden aan de raden/staten (artikel 59 eerste lid). De raden/staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen hierover naar voren brengen (artikel 59 derde lid). Het dagelijks bestuur voegt deze commentaren bij de ontwerpbegroting zoals die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden;
d. het dagelijks bestuur stuurt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch uiterlijk vóór 15 juli aan de Minister van BZK (artikel 58 vierde lid); e. het dagelijks bestuur stuurt de vastgestelde begroting van de gemeenschappelijke regeling binnen twee weken na vaststelling, doch vóór 15 september, toe aan de Minister van BZK (artikel 58 tweede lid); f.
nadat de begroting is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur zo nodig de begroting aan de raden van de deelnemende raden/staten, zodat zij kunnen zien wat er met hun zienswijzen is gebeurd en zodat zij deze zienswijzen waar nodig kenbaar kunnen maken bij BZK (artikel 59 vierde lid). Wanneer de ontwerpbegroting ongewijzigd wordt vastgesteld, dan is het niet nodig om deze opnieuw aan de raden/staten te zenden.
Hoofdstuk 8 Wijziging, toetreding en uittreding De deelnemers zijn wettelijk verplicht samen te werken in een gemeenschappelijke regeling met openbaar lichaam. In dit hoofdstuk wordt geregeld hoe toe- of uitgetreden kan worden. Opheffing van de gemeenschappelijke regeling is, gelet op het verplichte karakter, evenmin mogelijk. De Wgr bepaalt echter dat regelingen die voor onbepaalde tijd worden aangegaan bepalingen inhoudingen over de wijziging, toetreding en uittreding van deelnemers (artikel 9 Wgr). De bepalingen uit hoofdstuk 8 zien op deze verplichting.
1
Wet gemeenschappelijke regelingen hoofdstuk 4, afdeling 3, paragraaf 7. Geldt voor een regeling getroffen tussen gemeenten en provincies met openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan. 31
Artikel 30 Wijziging Voor het wijzigen van de regeling is een daartoe strekkend besluit van alle colleges nodig. Het dagelijks bestuur zendt de deelnemers vervolgens het voorstel tot het wijzigen van de regeling. Voordat de colleges een voorlopig besluit nemen tot het wijzigen van de regeling, dient er eerst een zienswijzeprocedure te doorlopen worden. Dit betekent dat de raden in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken over de ontwerpregeling. Vervolgens kan het algemeen bestuur overgaan tot vaststellen van de ontwerpregeling en start de procedure voor besluitvorming bij de deelnemers. Voordat de colleges kunnen overgaan tot definitieve besluitvorming, moeten de raden (resp. Provinciale Staten) eerst de benodigde toestemming geven. Colleges kunnen pas instemmen met de wijziging na verkregen toestemming van de raden/staten. Het is ook mogelijk dat de colleges (nog) niet kunnen instemmen met de ontwerpwijziging en zienswijzen indienen. Het algemeen bestuur zal op basis van de ingediende zienswijzen tot een aanpassing van het ontwerpbesluit kunnen besluiten dat dan weer opnieuw wordt voorgelegd aan de deelnemers. De wijziging van de regeling komt tot stand op het moment dat het algemeen bestuur vaststelt dat alle colleges hebben ingestemd met de wijziging (overeenkomstig artikel 51 Wgr).
De wijziging van de regeling treedt overigens pas in werking nadat zij is bekendgemaakt.
Artikel 31 Toetreding Toetreding geschiedt door een besluit van het toetredende bestuursorgaan en de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling (art. 51 derde lid jo eerste lid Wgr). Hiervoor is wel toestemming van de gemeenteraad respectievelijk Provinciale Staten nodig (art. 51 derde lid jo. tweede lid Wgr). Het algemeen bestuur bepaalt wanneer de toetreding ingaat (tweede lid). Het algemeen bestuur stelt een toetredingsvergoeding vast. Dit is een extra financiële bijdrage die gevraagd wordt van deelnemers die op een later moment toetreden. Van hen wordt een weerstandsbijdrage gevraagd, waarvan de hoogte bepaald wordt door hun procentuele aandeel in de totale financiële bijdrage van alle deelnemers, gerelateerd aan de stand van het weerstandsvermogen per 1 januari van het jaar waarin toetreding plaats vindt. De ratio hierachter is dat de huidige deelnemers dit weerstandsvermogen samen gevormd hebben als buffer voor toekomstige risico’s binnen Omgevingsdienst IJsselland en het reëel is dat later toetredende deelnemers hierin ook bijdragen.
Artikel 32 Uittreding Ook bij een omgevingsdienst is het mogelijk uit te treden, denk bijvoorbeeld aan een herindeling. Het nieuwe artikel 32 geeft als het ware een chronologische volgorde voor het uittreden. Het college maakt het voornemen tot uittreding kenbaar aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur zal in de praktijk ook de andere deelnemende colleges hiervan op de hoogte stellen. Het dagelijks inventariseert vervolgens de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding. Deze zaken worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.Dit doet het dagelijks bestuur niet zelf, maar hiervoor wordt een onafhankelijk deskundige ingeschakeld. Deze wordt aangewezen door het algemeen bestuur, op basis van een gezamenlijke voordracht van het college van de uittredende gemeente en het dagelijks bestuur.
32
Het uittredingsplan bevat in ieder geval de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens zal in het plan stil moeten worden gestaan bij zaken als:
a. de financiële gevolgen voor de andere gemeenten; b. voorwaarden en andere verplichtingen voor de uittredende gemeente, die aan de uittreding worden verbonden; c.
afspraken om de uittreding en de uitvoering van het uittredingsplan bestuurlijk, financieel, juridisch en feitelijk in goede banen te leiden.
De inventarisatie van de gevolgen zal in de praktijk gebeuren in samenwerking met de uittredende gemeente, met de andere colleges en met eventueel andere betrokken partijen (bijv. de partij die bepaalde taken gaat overnemen). Dit mede om goede afspraken te maken met het oog op het zoveel mogelijk beperken van de kosten gemoeid met de uittreding.
Voor wat betreft de financiële gevolgen die in het uittredingsplan worden onderscheiden is het te overwegen om in elk geval de volgende kostensoorten te onderscheiden:
a. frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden); b. desintegratiekosten (kosten voor afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s); c.
direct en op termijn vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname van taken);
d. schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden); e. aandeel in de reserves en voorzieningen.
Als het uittredingsplan in concept gereed is kan het college dat het voornemen heeft om uit te treden hier nog op reageren. Na vaststelling van het uittredingsplan door het AB neemt het college dat het voornemen heeft om uit te treden een definitief besluit. Hiervoor moet het college overigens ook toestemming hebben van de eigen raad.
Na het definitieve uittredingsbesluit treedt de opzegtermijn in werking van (tenminste) een vol kalenderjaar. De uittredende gemeente moet de financiële verplichtingen die zijn opgenomen in het uittredingsplan binnen zes maanden nadat het uittredingsplan is vastgesteld en het college definitief heeft besloten uit te treden voldoen. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen bestuur hiervoor unaniem een andere termijn vaststelt. Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van een afbouwregeling over enkele jaren.
33
Artikel 33 Beëindiging facultatieve taken op basis van inbreng van personeel Het terugbrengen van het aantal facultatieve taken kan voor Omgevingsdienst IJsselland leiden tot desintegratiekosten. Artikel 32 ziet op de financiële afwikkeling hiervan. Ook hier is het uitgangspunt dat de desintegratiekosten ten laste komen de deelnemer die zijn pakket terugbrengt. De regels over uittreding zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 34 Beëindiging facultatieve taken op basis van overeenkomst Op de vermindering of beëindiging van facultatieve taken die op basis van overeenkomst worden afgenomen, zijn de bepalingen in de desbetreffende overeenkomst van toepassing.
Artikel 35 Opheffing en liquidatie Een gemeenschappelijke regeling kan niet met één deelnemer bestaan. Stel dat slechts één deelnemer de regeling niet wil opheffen, dan wordt de regeling alsnog opgeheven. Immers, je kan niet alleen een gemeenschappelijker regeling voortzetten. Om die reden wordt gesproken van ‘alle deelnemers minus één’. Het algemeen bestuur stelt, in geval van opheffing, een liquidatieplan vast en hoort daartoe de raden en staten (tweede lid). Het liquidatieplan bevat ten minste de gevolgen van de opheffing bij zowel een batig als negatief saldo (derde lid). Het liquidatieplan bevat tevens een sociaal plan en de personele gevolgen (vierde lid). De ondernemingsraad wordt daarbij betrokken. De colleges besluiten als deelnemer tot opheffing van de regeling.
Hoofdstuk 9 Overige bepalingen Artikel 36 Archief Het uitgangspunt is dat alle deelnemers de zorg blijven houden voor hun eigen archiefbescheiden, ook voor de taken die in mandaat worden uitgevoerd. Het archiefbeheer wordt dan ook niet gemandateerd. De reden hiervan is dat archiefbeheer aan bepaalde wettelijke eisen moet voldoen, zoals het Referentie Informatiemodel Handhaving en ZTC. Dit vereist een bepaalde deskundigheid bij het archiefbeheer. Omgevingsdienst IJsselland beschikt over onvoldoende capaciteit en expertise om aan deze eis voor alle deelnemers te voldoen. Dit betekent dat alle archiefbescheiden die door Omgevingsdienst IJsselland in een bepaald dossier worden geproduceerd, worden overgedragen aan het desbetreffende bevoegd gezag. Toch heeft ook de Omgevingsdienst een eigen verplichting tot archivering. Dit geldt voor de eigen taken die de Omgevingsdienst op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft én voor andere taken op grond van de wet, zoals bijvoorbeeld de bestuurlijke strafbeschikking. Voor al deze taken is het bestuur van de Omgevingsdienst zelf verantwoordelijk en dus ook verplicht iets te regelen rond archivering. Daar ziet deze bepaling op. Zoals hierboven beschreven geldt dit dus niet voor de door de deelnemers gemandateerde taken. Daarbij zijn de deelnemers zelf verantwoordelijkheid voor archivering.
Artikel 37 Geschillen Uitgangspunt van de regeling is dat in eerste instantie wordt geprobeerd om op informele wijze tot een oplossing van geschillen te komen. Indien dit niet leidt tot een oplossing, zijn de wettelijke bepalingen van de Grondwet (artikel 136) van toepassing.
34
Hoofdstuk 10 Slotbepalingen
Artikel 38 Evaluatie In dit artikel is de keuze voor evalueren neergelegd bij het algemeen bestuur. Indien een raad (resp. Provinciale Staten) van één van de deelnemers behoefte heeft aan evaluatie, dan kan de raad (resp. Provinciale Staten) daarom verzoeken. Daarnaast staat het de raad ook vrij om een rekenkameronderzoek uit te voeren. Ook staat het de raad ook vrij om zelf een externe in te huren. Deze instrumenten kan de raad - los van deze evaluatiebepaling - zelf inzetten.
Artikel 39 Looptijd Voor deze gemeenschappelijke regeling is geen einddatum bepaald.
Artikel 40 Bekendmaking Conform de Wet moet de provincie deze gemengde regeling bekendmaken.
Artikel 41 Citeertitel Spreekt voor zich.
35
Bijlage bij Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland
Basistaken Omgevingsdienst IJsselland de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle en het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel; uitvoering gevende aan artikel 4 van de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland; overwegende dat: het Omgevingsbesluit milieutaken aanwijst waarvan de uitvoering moet worden belegd bij Omgevingsdienst IJsselland; dit is het Basistakenpakket; de deelnemers, voor zover van toepassing, naast het basistakenpakket ook het basistakenpakket Plus aan Omgevingsdienst IJsselland opdragen, met als doel om de kwaliteit te verbeteren, de kosten te verlagen en de positie van Omgevingsdienst IJsselland als aantrekkelijke werkgever te versterken; de deelnemers het voorts wenselijk vinden enkele specialistische milieutaken bij Omgevingsdienst IJsselland te beleggen, met als doel om het potentieel op het gebied van kwaliteit, efficiency en vermindering van kwetsbaarheid beter te benutten, de bredere inzetbaarheid van medewerkers te bevorderen en kennis regionaal te bundelen en te versterken; komen als volgt overeen: Artikel 1. Begripsbepaling a. basistakenpakket:
het basistakenpakket zoals bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit. Bij wijziging van het basistakenpakket door wet- en regelgeving, geldt het basistakenpakket na die wijziging;
b. basistakenpakket Plus:
taken met betrekking tot milieubelastende activiteiten uit hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover deze niet tot het basistakenpakket behoren, en taken met betrekking tot activiteiten in een omgevingsplan of de provinciale milieuverordening, die een nadelig effect op het milieu kunnen hebben.
c. enkele specialistische milieutaken:
specialistische taken op het gebied van geluid, bodem, externe veiligheid en lucht, die aanvullend zijn op de taken die vallen onder het basistakenpakket.
Artikel 2. Basistakenpakket Plus De deelnemers dragen er zorg voor dat de uitvoering van het basistakenpakket Plus plaatsvindt door Omgevingsdienst IJsselland.
Artikel 3. Enkele specialistische milieutaken De deelnemers dragen er zorg voor dat de uitvoering van enkele specialistische milieutaken plaatsvindt door Omgevingsdienst IJsselland: geluid: de advisering op bouw/RO en verkeer; bodem: de vakinhoudelijke toetsing en beoordeling van bodemonderzoeksplannen en -rapporten, de vakinhoudelijke bodemexpertise bij ruimtelijke en civiele projecten, het bijhouden van het bodeminformatiesysteem (BIS) en de vakinhoudelijke toetsing en beoordeling van meldingen met betrekking tot bodemverontreiniging en sanering; externe Veiligheid: alle taken waarvoor moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria en advisering op bouw/RO; lucht: alle taken waarvoor moet worden voldaan aan de kwaliteitscriteria.