12. Bijlage 8 Programma van Eisen archeologisch proefsleuvenonderzoek (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie advies en onderzoek
Programma van Eisen Archeologisch proefsleuvenonderzoek Gemeente Plaats
: Hardenberg : Slagharen
Toponiem
: Zwarte Dijk 37
Versie
21
Datum
:13 april 2023
Projectnummer
2023022403
Bureau voor Archeologie PVE nummer
:121
Bureau voor Archeologie
pagina 2 van 49
Programma Conform
KNA
versie
Locatie
van Eisen
4.1
Hardenberg, Slagharen, Zwarte Dijk 37
Projectnaam
Slagharen, Zwarte Dijk 37
Plaats binnen archeologisch proces X IVO - Proefsleuven (IVO-P) 0 IVO - Overig (VO-0) 0 Opgraven Landbodems 0 IVO-P- variant Archeologische Begeleiding 0 Opgraven Landbodems
variant Archeologische Begeleiding
0 IVO-Opwater 0 IVO
- Onderwater — Verkennend
0 IVO
- Onderwater
- Waarderend
0 Opgraven Waterbodems 0 Archeologische Begeleiding Waterbodems
datum (geanonimiseerd) (geanonimise rd) (geanonimiseerd) Bureau voor Archeologie Koningsweg 3582
GM
paraaf
13 april 2023
(geanonimise rd)
244
Utrecht
030-2451895
info@bureauvoorarcheologie.nl
(geanonimiseerd) )dreesiminonaeg( Senior KNA-archeoloog | N
(controleigoedkeuring) | petrus Campersinge! 19
13 april 2023
9713 AC Groningen 050-8200350
pveexpress@gmail.com
Opdrachtgever
Naam, adres, telefoon, e-mail
datum
(geanonimiseerd)
paraaf
(geano im se rd)
Grondslag Oevers
(geano im se rd)
16
8331 VC Steenwijk 0521-521924
info@grondslag.nl Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail
X Gemeente
Gemeente Hardenberg
0 Provincie
Postbus 500
0 Rijk
7770 BA Hardenberg
Programma van Eisen
datum
paraaf
(geanonimise rd) Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie 0 Overig
pagina 3 van 49 140523
26-4-2023
archeologisch deskundige van de gemeente:
olat.satijn@hetoversticht.nl Het Oversticht Postbus
531
8000 AM
Zwolle
06 55 74 72 38
Kennisgeving
Depothouder/eigenaar
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Overijssel Bergpoortstraat 191-193 74 11 CV
Deventer
Tel.: 0570
64 41 73
archeologisch.depot@hetoversticht.nl
Programma van Eisen
(geano im se rd) (geano im se rd)
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 4 van 49
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebie Hoofdstuk 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek. 2.1 Aanleiding en motivering….
e
Hoofdstuk 3 Eerder uitgevoerd onderzoek.. Hoofdstuk 4 Archeologische verwachting.. 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en)... 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en). 4.4 Structuren en sporen.… 4.5 Anorganische artefacten. 4.6 Organische artefacten. 4.7 Archeozoölogische, botanische resten en fysisch antropologische resten. 4.8
Motvatie.
49 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen. 4.10 Gaafheid en conservering.
Hoofdstuk 5 Doelstelling en vraagstellin 5.1
Doelstelling..
5.2
Relatie
met
NOaA
en/of
andere
onderznekskader
5.3 Vraagstelling.. 5.4 Onderzoeksvragen.… Hoofdstuk 6.1
6
Methoden
Methoden
en technieken.
en technieken..
6.2 Strategie. 6.3 Omgang kwetsbaar vondstmateriaal.. 6.4 Structuren en grondsporen. 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek. 6.6 Anorganische artefacten. 6.7 Organische artefacten. 6.8 Archeozoölogische en -botanische resten. 6.9 Overige resten….. 6.10 Dateringstechnieken. 6.11 Beperkingen….
Hoofdstuk 7 Uitwerking en conservering… 7.1 Structuren, grondsporen, vondstspreidingen 7.2 Analyse aardwetenschappelijke gegevens 7.3 Anorganische artefacten. e 7.4 Organische artefacten. 7.5 Archeozoölogische en -botanische resten. 7.6 Beeldrapportage...
Hoofdstuk 8 (De)Selectie en conservering. 8.1 8.2 8.3
Selectie materiaal voor uitwerking. Selectie materiaal voor deponering en verwijdering. Selectie materiaal voor conservering……
Hoofdstuk 9 Deponering. 9.1 Eisen betreffende depo' 9.2 Te leveren product... Hoofdstuk 10.1
10
Randvoorwaarden
Personele
Programma van Eisen
en aanvullende
eisen.
randvoorwaarden………
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
10.2 10.3 10.4
pagina 5 van 49
Overlegmomenten… Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie. Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen.
Hoofdstuk 11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgeslelde PVE. 11.1 11.2 11.3 11.4
Wijzigingen tijdens het veldwerk. Belangrijke wijzigingen…… Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk. Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering.
Hoofdstuk
12
Literatuur.
Bijlage 1: Lijst met te verwachten aantallen..
Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen.…
Lijst met Figuren Figuur 1: Ligging van het plangebied.. Figuur 2: Het plangebied (zwarte lijn) met het onderzoeksgebied (rode onderbroken ljn: achtergrond: PDOK).. Figuur 3: Het plangebied op de archeologische waardenkaart gemeente Havdenberg (Gemeente Hardenberg)... Figuur 4: Het plangebied op de archeologische beleidskaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg).. Figuur 5: Paleografische ontwikkeling (Vos en De Vries 2013) Figuur 6: Geologische overzichtskaart (De Mulder 2003 Figuur 7: Bodemkaart (Staring Centrum 1990 Figuur 8: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019) Figuur 9: Het plangebied op de hoogte-reliëfkaarten. Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P. (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018 Figuur 10: Boorpuntenkaart met bodemhorizonten (achtergrond: PDOK). De rood onderbroken lijn is het cnderzoeksgeb\ed dat is geselecteerd voor de prcefsleuver\ …18
Figuur 11: Getekende boorprofielen in schematische west-oost doorsnedes van het plangebied en verlengd tot in een naastgelegen plangebied (niet onderdeel van het huidige onderzoeksgebied).. …19 Figuur 12: Kaart van het veengebied tussen de marken van Lutten, Ane, Holthone, die van Zuidwolde en Echtens Hogeveen uit 1739 (Hesselink 1739). Figuur 13: Hottinger atlas, blad 36, uit periode 1773-1794 (Versfelt 2003). Figuur 14: Kadastrale Minuut provincie Overijssel (HisGis 2010).…… Figuur 15: Manuscriptkaart van de situatie in 1855 met het grensgebied tussen Gramsbergen, Coevorden en Meppen (Duitsland; Onbekend 1855). . Figuur 16: Topografische Miltaire kaart ca. 1850 (Bureau van de Miitaire Verkenningen” 1850).. Figuur 17: Bonneblad 9274-580-SLAGHAREN-1904: Kadaster). Figuur 18: Puttenplan met de vermoedelijke ligging van de oude Zwarten Dijk (2warte onderbroken lijn) en het onderzoeksgebied (rode onderbroken lijn).. Figuur 19: Puttenplan met actuele luchtfoto op de achtergrond..
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstukl
pagina 6 van 49
Administratieve gegevens onderzoeksgebied
Projectnummer
2023022403
Projectnaam Provincie Gemeente Plaats
Slagharen, Zwarte Dijk 37 Overijssel Hardenberg Slagharen
Toponiem
Zwarte Dijk 37
Kaartbladnummer
22BZ
Centrum
234.390; 515490 (x; y)
coördinaten
Kadastrale gegevens
Kadastrale gemeente Ambt-Hardenberg sectie
U
percelen: 1797 en 1882 Waterkundige gegevens
Grondwatertrap VI
De gemiddeld hoogste grondwaterstand staat tussen 40 en 80 cm staat. De gemiddeld laagste grondwaterstand staat dieper dan 120 cm-mv.
CMA/AMK-status
geen
Archis-monumentnummer
_ | geen
Archis-waamemingsnummer
| geen
Omvang plangebied
De ontwikkeling vindt plaats in drie plandelen.
Dit programma van eisen heeft betrekking op plandeel 1 (nieuwe
camping). Dit plandeel is 51.680 m? (5,2 ha). Omvang onderzoeksgebied
45.598 m?(4,6 ha)
Huidig grondgebruik
Akker en grasland.
Figuur 1: Ligging van het plangebied.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk2 2.1
pagina 7 van 49
_ Aanleiding en motivering van het onderzoek
Aanleiding en motivering
Het voornemen bestaat om Attractiepark Slagharen uit te breiden met een camping. Het gaat om een gebied ten zuiden van kern van Slagharen en westen van de Zwarte Dijk (figuur 1). Het terrein is ongeveer 300 m lang en 150 m breed
en heeft een omvang van 51.680 m? (5,2 ha). Dit plandeel ligt tussen het Ommerkanaal (noordzijde), de Zwarte Dijk (oostzijde), een grote parkeerplaats van het recreatiepark (zuidzijde) en akkerland (westzijde; figuur 2). Het plangebied is momenteel in gebruik als akker en grasland. In het plangebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid met
een beleidskaart en waardenkaart (figuren 3 en 4). De nieuwe camping ligt vrijwel geheel in een zone met een middelmatige indicatieve waarde. Dit is gebaseerd op de ligging in een landschap met “Dekzandwelvingen”. Op de beleidskaart is dit vertaald naar Waarde - archeologie 5. In deze zone moet rekening worden gehouden met archeologische waarden als bodemingrepen
plaatsvinden over gebied groter dan 2.500 m? en waarbij dieper dan 50 cm-mv wordt gegraven. Omdat deze vrijstellingsgrenzen mogelijk zouden worden overschreden is in 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend
booronderzoek uitgevoerd.+ Uit het onderzoek blijkt dat in dit plangebied op basis van de landschappelijke ligging archeologische resten aanwezig in dit plangebied voor zover het niet verstoord is of zeer laag ligt. Geadviseerd is om proefsleuvenonderzoek uit te
laten voeren gericht op de aanwezigheid van archeologische sporen als graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 50 cm-mv bij de realisatie van de camping. De archeologisch deskundige van de gemeente heeft dit advies
overgenomen.? De initiatiefnemer heeft aangegeven dat voor de realisatie van de camping inderdaad dieper dan 50 cm zal worden gegraven. Daarom is een programma van eisen voor proefsleuvenonderzoek opgesteld.
Het programma van eisen is opgesteld onder certificaat BRL SIKB 4000, in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 41)
1
De
2
“Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) Slagharen Zwarte Dijk 37. Advies aan bevoegd gezag”, 28 november 2022, O. Satijn https:/wwkiwa.nl/upload/certificate/00094278.pdf
3
Boer 2022
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 8 van 49
Figuur 2: Het plangebied (zwarte lijn) met het onderzoeksgebied (rode onderbroken achtergrond: PDOK).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
aa
Figuur
(Gemeer
noeatee waarde
EE
Ezaa00
EE
E
langebied op de archeologische waardenkaart gemeente Hardenberg
|
rdenberg).
mmmmmmmmmmmmm
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
233800
pagina 10 van 49
TE34000
- e a o - e n o
i e n
Figuur 4: Het plangebied op de archeologische beleidskaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 11 van 49
Hoofdstuk 3
Eerder uitgevoerd
onderzoek
Soort onderzoek
bureau-
en booronderzoek
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie
Uitvoeringsperiode veldwerk
25 en
Rapportage
De Boer, A. G. 2022. 'Zwarte Dijk 37, Slagharen, gemeente Hardenberg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de
27
mei
2022
verkennende fase’. Bureau voor Archeologie Rapport 1188. Utrecht: Bureau voor Archeologie. Vondsten/documentatie
Geen
vondsten.
Digitale documentatie: htips:/doi.org/10.17026/AR/78GWXR
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 12 van 49
m
5.500 voor Christus
1.500 voor Christus.
850 voor Christus.
1.250 na Christus.
B veengebied [L ] Pleistocene zandgebieden, boven 0 m. NAP [D] Rivierviakten en beekdalen [] stuwwatlen, gestuwde keileem en door stromend landijs gemodelleerde ruggen en dalen [D] kweiders en riviervlakten Figuur 5: Paleografische ontwikkeling (Vos en De Vries 2013).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
E
0000
Eaz000
ox: geekatzetingen (. van Singraven) BX4:
-
pagina 13 van 49
Eaa000
Dekzand en overige periglaciale afzettingen (Lp van Wierden en F van Boxtel)
DRI: Keileem, deels gestuwd en/of meegestuwd met oudere afzettingen (Lp van Gieten)
Figuur 6: Geologische overzichtskaart (De Mulder 2003).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk4
4.1
pagina 14 van 49
_ Archeologische verwachting
Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context
Aardkunde
Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Keileemgebied', in de
landschapszone keileemruggen.* Het plangebied ligt op de noordrand van het oerstroomdal van de Overijsselse Vecht. Langs deze noordrand liggen kleine keileemglooïingen (5.500 voor Christus, figuur 5). Het oerstroomdal is opgevuld met fluvioglaciale en periglaciale afzettingen. In de laatste ijstijd (Weichselien) zijn in de hele regio in
een koud poolwoestijnklimaat dekzanden afgezet. In de loop van het warmere en vochtigere Holoceen vernatten de riviervlaktes en beekdalen en ontstaan moerassen. Het opgevulde oerstroomdal blijft een laag gebied met slechte waterafvoer en ontwikkelt zich tot veenmoeras (figuur 5, 5.500 voor Christus). In de duizenden jaren strekt het veenmoeras zich uit tot buiten de randen van het voormalige oerstroomdal. Volgens de reconstructie van Vos en De Vries zijn circa 1.500 voor Christus alle lage delen van de regio met veen bedekt, inclusief het plangebied. Circa 1.250 na Christus is het hele huidige grondgebied van Slagharen met veen bedekt. Een gedetailleerde geologische kaart van het plangebied is niet beschikbaar. Een fragment van de geologische overzichtskaart van Nederland is afgebeeld in figuur 6. Deze kaart laat zien dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit
dekzand op de vulling van het oerstroomdal (dekzand op fluvioperiglaciale afzettingen; Bx6).
4
Rensinke.a.
2015
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 15 van 49
_E - Hn21: Veldpodzolgronden: Ieemarm en zwak lemig fijn zand Vc: Madeveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of broekveen
- zWp: Moerige podzolgronden met een humushoudend zanddek en een moerige tussenlaag - zWz: Moerige eerdgronden met een zanddek en een moerige tussenlaag op zand Figuur 7: Bodemkaart (Staring Centrum 1990).
In het plangebied staan veldpodzolgronden in zwak lemig fijn zand gekarteerd (figuur 7). Deze gronden zijn kenmerkend voor natte zandgronden. Het zijn hydropodzolgronden.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 16 van 49
3L51w
E x etansvegen LE |nsgevate vanten e verspoege oetzanden o s E v vet onderinvodv a resen LJobe metoestenigenan bedekt of opgevuld met veen w: bedekt met ten dele afgegraven veen of veenresten
E
yd: al dan niet bedekt of opgevuld met dekzand
Figuur 8: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019).
De geomorfologische kaart geeft aan dat sprake is van dekzandwelvingen. Dit is een zwak golvend landschap met hoogte verschillen van meestal niet meer dan één meter over 100 m afstand. Daarnaast geldt de aanduiding bedekt met ten dele afgegraven veen of veenresten.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
|234100
pagina 17 van 49
0
|234300
1234400
234500
34600
Figuur 9: Het plangebied op de hoogte-reliëfkaarten. Hoogtewaarden in meters ten
opzichte van N.A.P. (Actueel Hoogtebestand Nederland 2018)
Hoogte-reliëfkaarten illustreert deze hoogteverschillen (figuur 9). Ten oosten en westen van het plangebied liggen de grondmoreneruggen met hun kruin op 10 tot 11 m NAP. Het plangebied ligt hier tussen in. Het plangebied ligt in een golvend landschap op ongeveer 8 m NAP. Het centrale deel ligt enkele decimeters hoger (maximaal 8,9 m) dan de oost en westzijde van het plangebied (circa tussen 8,0 en 8,3 m NAP).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 18 van 49
In 2022 is zijn in het plangebied handmatige boringen gezet (figuren 10 en 11). De boringen bevestigen en dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand. Veen(resten) zijn niet meer aanwezig. In het dekzand hebben zich podzolprofielen ontwikkeld. Deze podzolprofielen zijn deels verploegd. In het voor proefsleuven geselecteerde onderzoeksgebied gaat dit om 9 van de 21 boorpunten. Echter er zijn nog voldoende boorpunten waar nog wel een Bhorizont aanwezig is (en één keer ook een E-horizont) en daarom moet er rekening mee worden gehouden dat een archeologische sporenniveau nog
bewaard kan zijn.
SE
z
m
|234200
TE34300
34400
Figuur 10: Boorpuntenkaart met bodemhorizonten (achtergrond: PDOK).
34500
De rood
onderbroken lijn is het onderzoeksgebied dat is geselecteerd voor de proefsleuven.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 19 van 49
%
|protel D
2
Z
R
ì
.
”
n
|a
n
t nb
)
=— =
m
E
Mp
woeengen Cronont
e
Figuur 11: Getekende boorprofielen in schematische west-oost doorsnedes van het plangebied en verlengd tot in een naastgelegen plangebied (niet onderdeel van het huidige onderzoeksgebied).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 20 van 49
Bewoning en historische situatie w
INNNS
B
i
Len: Figuur 12: Kaart van het veengebied tussen de marken van Lutten, Ane, Holthone, die van
Zuidwolde en Echtens Hogeveen uit 1739 (Hesselink 1739).
Het dekzand landschap is vanaf het begin van het Holoceen bewoonbaar. Groepen jager-verzamelaars trekken door de regio en vestigen tijdelijke kampen in droge delen van het landschap nabij voldoende voedselbronnen, waarschijnlijk vooral op de overgang van droge naar natte gronden, bijvoorbeeld op de rand van beekdalen, langs meren en op kleine dekzandruggen. In het Neolithicum doet geleidelijk de landbouw zijn intrede. Er ontstaan semipermanente dorpen nabij akkers. Periodiek worden dorpen verplaatst als de
gronden uitgeput raken. Deze dorpen en akkers worden waarschijnlijk vooral op lemige (mineralogisch rijkere) gronden gevestigd. Gedurende het Neolithicum wordt het onderzoeksgebied natter. Tussen 3.850 en 1.500 voor Christus raken de lage delen met veen overgroeid, en waarschijnlijk ook het plangebied. De veenmoerassen zijn nauwelijks bewoonbaar. De veengebieden breiden steeds verder uit en in de Middeleeuwen is vrijwel heel het gebied van wat nu Slagharen is, onderdeel van een veenmoeras.
De hoogste grondmoreneruggen zijn misschien altijd bewoonbaar gebleven. Het dichtst bij het plangebied zijn dat de Braamberg (circa drie kilometer ten noordwesten) en dichterbij het gehucht Oud-Lutten (circa twee kilometer ten zuidoosten). Op de rug van Lutten is waarschijnlijk al in de Bronstijd gewoond gezien de aanwezigheid van grafheuvels. Voorbij de rug van Lutten ligt het
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 21 van 49
Vechtdal en dit dal vormt de zuidelijke begrenzing van de uitgestrekte venen van Drenthe.
De veenmoerassen worden vanaf de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen alleen extensief gebruikt. De gebruikers wonen op de grondmorene ruggen die boven het veen uitsteken of ze wonen langs de ontwaterde oevers van de Vecht. Het veen wordt gebruikt voor zeer extensieve begrazing, hier en daar voor het plaggen steken en de verbouw van veenweite (boekweitbrandcultuur) op
gunstige plekken.® Twee achttiende eeuwse figuratieve kaarten geven een beeld van het landgebruik (figuur 12 en 13): langs de randen van de venen liggen dijken en akkers (Lutten Akkers). Door het veengebied lopen enkele watergangen, deze zijn mogelijk deels natuurlijk en deels gegraven. De Hottingeratlas van eind 18° eeuw is al vrij betrouwbaar. Deze geeft aan dat bij
het plangebied een veenmeer ligt: De Groene Blas (ook wel Krane Plas). Deze plas staat ook op de kadastrale minuut van begin 19° eeuw (figuur 14). 5
_ Haartsen
en Storms
Programma van Eisen
2009
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 22 van 49
De infrastructuur op de Hottingeratlas bestaat uit twee tracés: +
Van noordwest naar zuidoost loopt een pad of dijk — dit is de (oude) Zwarte Dijk.
* _ Van zuidwest naar noordoost loopt een tracé met ‘Overblijfselen van den Friezendijk”. Deze dijk heeft mogelijk een 17° eeuwse oorsprong (zie verder).
hooiland water
Figuur 14: Kadastrale Minuut provincie Overijssel (HisGis 2010).
De namen Zwarte Dijk en Friezendijk komen op 18° en 19° eeuwse kaarten meerdere keren voor. De namen verwijzen waarschijnlijk naar het werk dat rond 1682 is uitgevoerd om dijken door de venen in opdracht van vestingbouwer Menno van Coehoorn beter begaanbaar te maken en zo de toegangsweg naar
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 23 van 49
de vesting Coevorden te verbeteren. Daarnaast zouden de dijken tijdens inundaties het water moeten ophouden en zo vestingstad Coevorden moeten
beschermen.° De naam Frieze(n) Dijk zou verwijzen naar het feit dat in Coevorden troepen uit Friesland waren gelegerd. De naam Zwarte Dijk is mogelijk een verwijzing naar de zwarte veenlaag die gebruikt werd om de dijk
mee aan te leggen.” Op de kadastrale minuut staan zowel de ligging van een oude als de nieuwe (huidige) Zwarte Dijk ingetekend (figuur 14).
De veendikte in de omgeving van het plangebied kan worden geschat met behulp
van een opmeting uit 1810.° De dikte is maximaal drie Rijnlandse voeten, overeenkomend met ongeveer 1 meter. In de 19° eeuw wordt dit veengebied ontgonnen. Daartoe worden in de eerste helft van de 19° eeuw de Dedemsvaart en daarna de Lutterhoofdwijk gegraven. In figuur 15 staat een overzichtskaart uit deze periode. Het valt op dat op deze figuratieve kaart de ‘Vriezen Dijk' in noordzuid richting, oostelijk van de waterpartij Kraneplas (Groene Blas) passeert net zoals op de Hottinger kaart (figuur 13), en niet in oost-west richting. In figuur 16 staat de topografisch militaire kaart met meer detail. Midden 19° eeuw staan verspreid in het gebied al erven. Het veen is dan al afgegraven en de grond is geschikt gemaakt voor landbouw.
6
Metselaar 2011
7
Visscher
8
Ketelaar en Van
1999 Hulten
Programma van Eisen
1810
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 24 van 49
Figuur 15: Manuscriptkaart van de situatie in 1855 met het grensgebied tussen Gramsbergen, Coevorden en Meppen (Duitsland: Onbekend 1855). De ligging van de Vrieze Dijk staat op deze kaart nog geschetst. Het plangebied ligt
ongeveer ter hoogte van de blauwe cirkel.
Midden 19° eeuw wordt een erf in het plangebied opgericht. Dit erf bestaat nog steeds. De rest van de grond van plandeel 1 is dan al in cultuur gebruikt. In figuur 17 is de situatie begin 20° eeuw afgebeeld. Het plangebied blijft daarna grotendeels landbouwgrond tot heden. Het centrale deel van het plangebied bij het erf is tijdelijk een camping geweest, maar heden ongebruikt.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 25 van 49
Figuur 16: Topografische Militaire kaart ca. 1850 (Bureau van de Militaire Verkenningen 1850).
Figuur 17: Bonneblad 9274-580-SLAGHAREN-1904; Kadaster).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 26 van 49
Eerder uitgevoerd onderzoek in de omgeving In het plangebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het plangebied is niet eerder archeologisch in het veld
onderzocht.
In de omgeving van het plangebied zijn wel enkele bureauonderzoeken en booronderzoeken uitgevoerd. *
In 2009 is voor een eerdere uitbreiding archeologisch booronderzoek
uitgevoerd (onderzoek 2.256.930.100, Attractiepark Knappersveldweg).° De onderzoeker concludeerde destijds dat de kwaliteit van de bodem op het terrein slecht was en dat eventueel aanwezige archeologische grondsporen sterk zouden zijn aangetast. Verder onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. * _ In 2043 is ook een terrein onderzocht in verband met uitbreiding van het attractiepark (onderzoek 2.461.544.100, Zwarte Dijk 46). De onderzoeker concludeerde dat sprake is van gooreerdgronden en dat de archeologische verwachting mede daarom laag is, en dat verder
onderzoek niet noodzakelijk was.'° Enkele booronderzoeken op grotere afstand hebben evenmin aanwijzingen voor archeologische resten opgeleverd. In het plangebied zijn geen bekende militaire erfgoedwaarden aanwezig, anders
dan de Zwarte Dijk die mogelijk een deels militaire oorsprong heeft.**
4.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
In het plangebied kunnen resten uit alle archeologische perioden aanwezig zijn. Er moet rekening gehouden worden met de complextypen bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen.
Tussen 3.850 en 1.500 voor Christus is het plangebied overgroeid geraakt met veen.
In de 17° eeuw is mogelijk door het veengebied in of in de omgeving van het plangebied een dijk aangelegd als onderdeel van de militaire infrastructuur/verdedigingslinie rond Coevorden. Het veen is in de 19° eeuw ontgonnen voor turfwinning en daarna is het plangebied in cultuur gebracht voor landbouw
In de periode Paleolithicum tot en met de Midden Bronstijd (als we 1.500 aanhouden als beginfase veenvorming) is het plangebied niet of niet geheel met veen overgroeid. Archeologische resten uit deze periode kunnen bestaan uit resten van bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Uit de periode daarna (IJzertijd tot en met Nieuwe tijd B) kunnen complextypen
aanwezig zijn gerelateerd aan het verzamelen van voedsel, de jacht en visvangst. Mogelijk zijn resten van dijken aanwezig (Frieze Dijk, een oude loop Zwarte Dijk), alhoewel resten van deze dijken in het veld (ook niet op het AHN) niet meer herkenbaar zijn. Uit de 19° eeuw kunnen resten gerelateerd aan de veenontginningen aanwezig zijn.
9 10 11
Bongers 2009 Bongers 2013 Stichting RAAP 2017; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
4.3
pagina 27 van 49
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Er zijn nog geen vindplaatsen aangetroffen. Bekend is dat door het plangebied een dijk moet hebben gelopen. Deze was enkele meters breed en kilometers
lang. 145 m daarvan loopt door het plangebied. De oorspronkelijke hoogte van de dijk is niet bekend.
4.4
Structuren en sporen
De resten kunnen bestaan uit 0.a. paalsporen, funderingsgreppels, erfafscheidingen, haardplaatsen, haardkuilen, waterputten en afvalkuilen. Er kan
sprake zijn van resten van een dijk fundering met greppels of sloten langszij. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met structuren en sporen gerelateerd aan de complextypen economie, infrastructuur, rituelen en begravingen.
4.5
Anorganische artefacten
Alle mobilia die behoren tot het normale vondstenspectrum van een agrarische (landelijke) nederzetting: (fragmenten van) aardewerk, bouwkeramiek (baksteen, dakpannen) en natuurstenen bouwmateriaal (leisteen, grind), glas (m.n. vaatwerk en sieraden), gereedschappen en overige gebruiksvoorwerpen van metaal en natuursteen (bijv. maalstenen), gebruiksvoorwerpen behorende tot de kleding (onderdelen van gordels, riemen), munten. Mogelijk restanten van ambachtelijke activiteiten (0.a. metaalslakken, gereedschap).
4.6
Organische artefacten
Het grondwater stond tijdens het booronderzoek tussen ongeveer 6,5 en 7 m NAP. Dat betekent dat het grondwater in de laagste delen van het plangebied op circa 80 cm-mv staat. In de rest van het plangebied staat het lager. Het bodemmateriaal is kalkloos. Vermoedelijk zijn organische artefacten met uitzondering van verbrande artefacten niet goed bewaard gebleven door de diepe grondwaterstand.
4.7
Archeozoölogische,
antropologische
botanische
resten en fysisch
resten
Alle archeozoölogische en botanische resten die in het spectrum van agrarische (landelijke) nederzetting aanwezig kunnen zijn, kunnen ook hier worden aangetroffen. Algemeen is de kalkloze bodem ongunstig voor de conservering van botmateriaal en botanische resten en daardoor zullen dergelijke objecten alleen goed zijn geconserveerd in diepere humeuze sporen die tot onder het grondwater doorlopen. Fysisch antropologische resten worden niet verwacht. 4.8
Motivatie
Archeologische resten gerelateerd aan bewoning uit de periode van jagers, verzamelaars en eerste boeren kenmerken zich door een lage spoordichtheid en een lage tot matige vondstdichtheid, alhoewel kleine jachtkampen uit het Mesolithicum vondstrijk kunnen zijn. Archeologische resten gerelateerd aan bewoning uit de periode van vroege landbouwers kenmerken zich door een lage
tot matige spoordichtheid en een lage tot matige vondstdichtheid.'2 Van beide 12
Rensinke.a.
2016
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 28 van 49
periodes bestaat het bewaarde materiaal vooral uit vuursteenfragmenten en betreft het vindplaatsen van variabele grootte. Echter, op plaatsen waar alleen nog AC profielen aanwezig zijn (circa de een derde van het onderzoeksgebied voor de proefsleuven), is het vondstenniveau mogelijk verstoord of verwijderd. En in een dergelijke geval is een booronderzoek niet de juiste werkwijze. Daarom is aanbevolen uit te gaan van het opsporen van archeologische resten die zich als een sporenniveau manifesteren. Archeologische resten kunnen zodoende het beste worden gekarteerd en gewaardeerd met een archeologisch
proefsleuvenonderzoek.
4.9
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
Er is één archeologisch sporenniveau. Dit niveau ligt onder de bouwvoor in de top van de B-horizont/C-horizont (en één keer in de top van de E-horizont). Dit niveau ligt 20 tot 80 cm-mv (mediaan: 50 cm-mv). Er moet rekening mee worden
gehouden dat eventuele sporen uit het Neolithicum of Bronstijd zich mogelijk ook pas onder de B-horizont aftekenen, in het schone dekzand (C-horizont), circa 70 tot 100
cm
-mv.
4.10 Gaafheid en conservering Organische resten kunnen door de diepe grondwaterstand (trap VI) slecht zijn
geconserveerd. In zandgronden zijn dergelijke vondsten door de zure en droge condities vaak gefragmenteerd of geheel vergaan. Archeologische resten kunnen daarnaast zijn vergraven of verploegd. Op basis van het booronderzoek zijn verstoorde delen van het plangebied
uitgeselecteerd.3 De kans bestaat dat soortgelijke kleinschaligere verstoringen nog wel aanwezig zijn.
13
Nijdam 2021, 43
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 29 van 49
Hoofdstuk 5 5.1
Doelstelling en vraagstelling
Doelstelling
Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens het protocol IVOProefsleuvenonderzoek (IVO-P) waarbij het doel is om eventuele vindplaatsen op te sporen en te waarderen. Op basis van deze waardering kan de behoudenswaardigheid van de aanwezige resten worden vastgesteld.
5.2
Relatie
met
NOaA
en/of andere
onderzoekskaders
Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Keileemgebied', in de
landschapszone keileemruggen.:* Het plangebied ligt in archeologisch landschap Keileemgebied'. De aangetroffen resten kunnen mogelijk een bijdrage leveren aan één of meerdere onderzoeksthema's
uit de desbetreffende
hoofdstukken
van
de
Nationale
Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA):
*
Hoofdstuk 11: De Vroege Prehistorie.’5
*
Hoofdstuk 17: De Late Prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en
het rivierengebied.® *
Hoofdstuk 20: De Romeinse tijd, Middeleeuwen en vroegmoderne tijd in
het Midden- en Oost-Nederlands zandgebied.’”7 De aangetroffen resten kunnen mogelijk een bijdrage leveren aan één of meerdere
onderzoeksthema's
uit de
hoofdstukken
van
de
Nationale
Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA 2). Omdat de verwachting breed is, zijn bijna alle daarin genoemde onderzoeksvragen mogelijk aan de orde. De waarschijnlijk belangrijkste hoofdstukken zijn: 5. Sociale
en economische
differentiatie
6. Emigratie, immigratie, acculturatie 19. De ontwikkeling van steden 20. De relatie stad - platteland
21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens
— materiële cultuurrelaties
23. Netwerken
5.3
en infrastructuur
Vraagstelling
Welke archeologische informatie bevindt zich de ondergrond van het plangebied?
5.4
Onderzoeksvragen
De volgende onderzoeksvragen zijn opgesteld: 14
Rensinke.a.
2015
15
Deebene.a.
2006
16
Gerritsen, Jongste en Theunissen 2005
17
Groenewoudt,
Groothedde en Van der Velde 2006
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 30 van 49
Wat is de stratigrafie en graad van gaafheid van de bodem? 2.
Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig en hoe is de conserveringstoestand van de verschillende vondstcategorieën?
3.
Wat is de datering van de archeologische vondsten, tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren zij en hoe is de conserveringstoestand?
4.
Indien sporen en/of structuren aanwezig zijn, wat is de aard, omvang, datering, fasering en conserveringstoestand van de sporen en structuren?
5.
In het bijzonder: Zijn resten van de oorspronkelijke Zwarte Dijk in het plangebied aanwezig (figuur 13), en zo ja wat is de aard, omvang, datering, fasering en conserveringstoestand van de sporen en structuren?
6.
Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische resten, zowel horizontaal als verticaal / stratigrafisch?
7.
Kan een relatie, en zo ja welke, worden gelegd met de vondsten / vindplaats in het plangebied en die in de omliggende vindplaatsen.
8.
Is sprake van een behoudenswaardige vindplaats op basis van de criteria voor het waarderen van vindplaatsen uit KNA 4.1?
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 31 van 49
Hoofdstuk6
__Methoden
6.1
en
Methoden
en
technieken
technieken
De uitvoering van het gehele onderzoek dient conform de KNA versie 4.1 en
onderhavig PVE te gebeuren.® Algemeen: *
De kraanmachinist verdiept laagsgewijs naar het aan te leggen vlak.
*
Het archeologisch leesbare vlak wordt waar nodig geschaafd, gefotografeerd, ingekrast, beschreven en getekend op maximaal; schaal 1:50 of digitaal met behulp van bijvoorbeeld een robotic Total Station of nauwkeurig GPS-systeem. Indien nodig worden detailtekeningen
gemaakt. Metaal
*
detector:
Vlak én stort worden consequent afgezocht met een metaaldetector, dit dient te gebeuren door een lid van het veldteam dat veel ervaring heeft in het detecteren van vondsten met behulp van een metaaldetector.
Verzamelen
en
inmeten
vondsten
*
Vondsten worden per spoor verzameld. Dit geldt zowel voor het vlak als voor profielen.
*
Aanlegvondsten die niet aan sporen kunnen worden toegewezen, worden verzameld
in vakken.
De
breedte
van
de vakken
is maximaal
de
breedte
van de put. De lengte van de vakken is maximaal 5 m. * _ Stortvondsten worden per sleuf verzameld.
*
Bijzondere vondsten worden als puntvondst (X-, Y-, Z-coördinaten) ingemeten en verzameld.
Fotografie *
Alle vlakken, coupes en profielen worden gefotografeerd.
* _ Van belangwekkende (kwetsbare) vondsten worden op de plaats van aantreffen foto's gemaakt. Couperen: *
Een representatieve selectie van de sporen wordt gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Elke coupe wordt tenminste een foto genomen en een coupetekening gemaakt. Vondstmateriaal wordt daarbij laagsgewijs verzameld. Van (vermoedelijke) haardkuilen wordt een zeefmonster
verzameld
om
houtskool te kunnen
verzamelen.
*
Greppels worden minstens één keer over voldoende breedte en lengte gecoupeerd.
*
Van elk vlak worden de NAP-waarden gemeten in één raai in het midden van
de sleuf met intervallen van 5 m. Met
hetzelfde
interval dient ook de
hoogte van het maaiveld te worden gemeten. Voorafgaand aan de uitvoering zal kennis moeten worden genomen van milieukundige aspecten en de ondergrondse infrastructuur. Er dient een 18
SIKB
2018
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 32 van 49
Veiligheids- en gezondheidsplan te worden opgesteld, conform CROWA400/ARBO.:*
6.2
Strategie
In het plangebied kunnen kleine vindplaatsen, een enkele boerderij, aanwezig
zijn (omvang van 500 tot 2000 m?). De verwachte spoordichtheid is gemiddeld (1 tot 10%). Hierbij is de proefsleufstrategie A2 het meest efficiënt voor het
opsporen van vindplaatsen.? De strategie is een stippellijn methode en heeft de volgende volgende eigenschappen: *
sleufbreedte
4m
*
sleuflengte 10 m
*
sleufafstand
*
interval 20 m
20
m
Dit resulteert in een dekkingsgraad van ongeveer 10%.
Het puttenplan bestaat uit 108 putten. Hiervan hebben 106 putten de standaard grootte van het stippellijn grid (4 m x 10 m). Twee sleuven zijn langer om zo de kans groter de maken dat eventuele sporen van de Zwarten Dijk kunnen worden gekarteerd: Eén put is 37 m lang en één put is 23 m lang. De beoogde ligging van de putten is afgebeeld in figuur 18 en 19. In totaal wordt
4.483 m2 vlak aangelegd. Dit is 9,8% van het onderzoeksgebied (45.598 m}). De ligging van enkele putten van dit grid in en bij bosschages is zo aangepast dat de hinder van de begroeiing zo veel mogelijk vermeden wordt. In het veld kan dit beter worden beoordeeld en het is de uitvoerende KNA archeoloog toegestaan putten bij hinderlijke obstakels of begroeiing nog enkele meters te verschuiven. Dit moet wel worden verantwoord in het dagrapport en eveneens worden opgenomen in het eindrapport.
Indien het noodzakelijk is voor een goede waardestelling en voor een adequate
beantwoording van de onderzoeksvragen kan maximaal 100 m? extra worden uitgebreid. Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om sleuven te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen.
Bij elke proefsleuf dient eerst een kijkgat te worden aangelegd om de bodemopbouw en het vlakniveau te bepalen. Hierna wordt het vlak schavenderwijs aangelegd tot het niveau van de eventuele archeologische sporen. Naar verwachting is dit onder de A-horizont in de top van de B of Chorizont en in een enkel geval al in de E-horizont. Vervolgens wordt een controlevlak aangelegd (in de top van de C-horizont als de eerste in de Bof E was) 10 tot 30 cm onder het eerste, te bepalen op basis van de zichtbaarheid van de sporen. Van elke sleuf wordt minimaal één profielkolom gedocumenteerd van 1 meter breed. Als het profiel varieert in de putwand, dan wordt de hele profielwand getekend. Hier met name op worden gelet bij de putten die bij en in het vermoedelijke tracé van de oude Zwarten Dijk liggen. 19
CROW
20
Borsboom en Verhagen 2012
2018
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 33 van 49
ET
L
: B
| E
E
B
Figuur 18: Puttenplan met de vermoedelijke igging van de oude Zwarten Dijk (zwarte onderbroken lijn) en het onderzoeksgebied (rode onderbroken ljn).
Er zijn geen vuursteenvondsten in het plangebied of in de directe omgeving aangetroffen. Langs de Overijsselse Vecht, 6 tot 8 km ten zuiden van het plangebied zijn wel dergelijke sites gevonden, maar daar is sprake van wat een
zeer kansrijke landschappelijke omgeving wordt beschouwd: zandruggen langs open water. Het plangebied ligt echter in vrij vlak gebied zonder duidelijke landschappelijke gradiënten met lage kans op aanwezigheid van vuursteensites. Echter, dat in ook vlakke gebieden zoals die van het plangebied toch vuursteen vindplaatsen kunnen worden aangetroffen laat het onderzoek bij
Hollandscheveld, ten zuidoosten van Hoogeveen zien.?+ Er moet dus rekening mee worden gehouden dat bewerkt (vuur)steen wordt aanwezig is. Als bij het aanleggen van vlakken bewerkt steen wordt aangetroffen, dan dient de omvang en waarde van een eventuele vondstenconcentratie door middel van een 21
Veenstra 2022; Archis 4.745.194.100
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 34 van 49
zeefanalyse te worden bepaald. De vondst wordt eerst gemeld bij de archeologisch deskundige van de bevoegde overheid, en deze toetst of de zeefvakken inderdaad moeten worden aangelegd. Na goedkeuring worden de zeefvakken aangelegd. Dit wordt gedaan door vakken uit te zetten van 1 m x 1 m en deze uit te graven en te zeven in drie lagen met een dikte van 10 cm. Er wordt gezeefd over een zeef met een maaswijdte van maximaal 4 mm. Het eerste vak wordt op de plek van de eerste vondst gelegd. De volgende vakken worden in de lengte richting
van de put en dwars daarop aangelegd zodat een kruisraai ontstaat. Als in twee opeenvolgende zeefvakken geen artefacten worden aangetroffen, dan wordt de kruisraai met zeefvakken in de betreffende richting beëindigt. Indien een grafveld wordt aangetroffen dient een afwijkende strategie te worden gehanteerd. Het uitgangspunt is: stoppen zodra voldoende info beschikbaar is qua aard en datering van de graven en overwegen of door planaanpassing vervolgonderzoek te vermijden is. Als dat niet kan, vind verder onderzoek plaats. De strategie daarvan wordt bepaald in nauw overleg met het bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zie ook 8 11.1 en 11.2.
Figuur 19: Puttenplan met actuele luchtfoto op de achtergrond.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
6.3
Omgang
pagina 35 van 49
kwetsbaar vondstmateriaal
Kwetsbaar vondstmateriaal wordt behandeld volgens de Leidraad KNA Eerste Hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal en de desbetreffende delen uit de OS11 en
de KNA Leidraden Anorganisch Vondstmateriaal.2
6.4
Structuren en grondsporen
Alle in het vlak aanwezige sporen worden gedocumenteerd (getekend en gefotografeerd) en beschreven. Een representatieve selectie van de sporen wordt gecoupeerd en afgewerkt. Uitzondering hierop betreffen sporen waarvan vastgesteld wordt dat deze zeker recenter zijn dan 1950. Deze hoeven niet te worden gecoupeerd en afgewerkt. Tijdens het veldwerk worden detailfoto's en overzichtsfoto’s genomen van de werkzaamheden ter documentatie en voor publicatiedoeleinden. Bovendien dient in iedere werkput een aantal representatieve overzichtsfoto's te worden gemaakt van het opgravingsvlak.
6.5
Aardwetenschappelijk onderzoek
Er wordt per put minimaal één profielkolom van 1 meter breed gedocumenteerd. Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan begravingen, lokale depressies, restanten van oud loopvlak etc.), wordt het hele profiel of een representatief deel getekend en gefotografeerd (schaal 1:20). De beslissing hierover wordt genomen door de senior KNAarcheoloog.
6.6
Anorganische artefacten
Vondsten dienen te worden verzameld, gedocumenteerd, genummerd, geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale bestanden, verwerkt, gesorteerd en zo verpakt te worden dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hierbij wordt verwezen naar de leidraden
anorganisch vondstmateriaal van de KNA.® Er dient bij de aanleg van ieder vlak gebruik te worden gemaakt van een metaaldetector. Representatieve metaalvondsten worden individueel 3D ingemeten en verzameld.
6.7
Organische artefacten
Vondsten dienen te worden verzameld, gedocumenteerd, genummerd, geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale
bestanden, verwerkt, gesorteerd en zo verpakt te worden dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hierbij wordt verwezen naar de leidraden
organisch vondstmateriaal van de KNA.%* Aanlegvondsten die niet aan sporen kunnen worden toegewezen, worden alleen indien relevant voor datering verzameld in vakken. De breedte van de vakken is maximaal de breedte van de put. De lengte van de vakken is maximaal 5 m. 22
CCVD
23 24
https:/\www.sikb.nl/archeologie/kna-leidraden https:/\www.sikb.nl/archeologie/kna-leidraden
2006
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
6.8
pagina 36 van 49
Archeozoölogische en -botanische resten
Botanische en zoölogische monsters worden genomen uit aanwezige kansrijke goed gesloten sporen en contexten. De sporen dienen wel op basis van
vondstmateriaal gedateerd te kunnen worden. Behandeling volgens “Archeologie
Leidraad 1" van Veldhandleiding Archeologie.* Uitwerking en analyse van de monsters geschiedt na overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. Hierbij wordt verwezen naar de leidraden vondstmateriaal van de KNA.
6.9
Overige
resten
Andere resten dan reeds genoemd worden niet verwacht (diatomeeën, mijten etc.).
6.10 Dateringstechnieken Wanneer vondstmateriaal geen uitsluitsel geeft over de datering van sporen en/of
lagen, kunnen monsters worden genomen voor het verkrijgen van een datering. In het veld dient te worden bepaald of de betreffende sporen/lagen geschikt zijn voor bemonstering, welke dateringstechniek kan worden gebruikt, en voor welke onderzoeksvragen de datering geschikt is. Eventuele uitwerking van tijdens het veldwerk genomen monsters en de met zich meebrengende kosten, worden in het evaluatierapport voorgelegd aan de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. In het bijzonder moet het onderzoek rekening houden met de aanwezigheid van kuilen uit het Mesolithicum kunnen komen. In dat geval wordt het (voor zover aanwezig) houtskool bemonsterd voor 14C-datering. Er moet rekening gehouden worden met vier 14C-dateringen.
6.11 Beperkingen Er zijn geen bijzondere beperkingen.
25 26
Carmiggelt en Schulten 2002 https:/\www.sikb.nl/archeologie/kna-leidraden
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk 7
7.1
pagina 37 van 49
Uitwerking en conservering
Structuren, grondsporen, vondstspreidingen
Uitwerking van de tijdens het onderzoek aangetroffen sporen en structuren vindt plaats tot het niveau dat noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. De beschrijving van de sporen en structuren dient conform de
eisen in de KNA 4.1 en de eisen in dit PVE te worden uitgevoerd.
7.2
Analyse aardwetenschappelijke gegevens
De profielen worden in het veld geanalyseerd door een archeoloog die ervaren is in deze ArcheoRegio ( Drents zandgebied). Indien in het profiel natuurlijke sedimenten aanwezig zijn die afwijken van het verwachte beeld (dekzand), dan
worden deze in overleg met een fysisch geograaf geanalyseerd.
7.3
Anorganische artefacten
Deze categorie vondsten wordt uitgewerkt voor zover nodig voor beantwoording van de vraagstelling. Bijzondere vondsten worden gefotografeerd. Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de
opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Alle vondsten worden conform de eisen van het depot voor deponering klaar gemaakt. Conform de KNA is het niet deponeren (deselecteren) van vondsten alleen mogelijk met instemming van de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder). Het voorstel hiervoor wordt opgenomen in het evaluatierapport.
7.4
Organische artefacten
Deze categorie vondsten wordt uitgewerkt voor zover nodig voor beantwoording van de vraagstelling. Bijzondere vondsten worden gefotografeerd. Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Alle vondsten worden conform de eisen van het depot voor deponering klaar gemaakt. Conform de KNA is het niet deponeren (deselecteren) van vondsten alleen mogelijk met instemming van de eigenaar van het vondstmateriaal (de depothouder). Het voorstel hiervoor wordt
opgenomen in het evaluatierapport
7.5
Archeozoölogische en -botanische resten
De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven conform de daarvoor gebruikelijke determinaties (ten minste conform Archeologisch BasisRegister), geteld en eventueel gewogen. Ook hiervoor geldt dat de vondsten dienen te
worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen en zodat deze voldoen aan de depoteisen, en bij (vergankelijke) vondsten dient in eerste instantie minimaal gezorgd te worden voor stabilisering van de staat waarin ze zijn gevonden. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 38 van 49
betreffende materiële cultuur, botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden
7.6
Beeldrapportage
Beeldrapportage zal worden opgenomen waar dit de tekst verduidelijkt. In ieder geval wordt de allesporenkaart van elke vindplaats in detail weergegeven met spoornummers op een leesbare schaal, relevante profielen/profielkolommen, relevante coupetekeningen, foto's, tekeningen en foto's van karakteristieke/bijzondere vondsten en sporen en structuren worden per periode weergeven. Wanneer vindplaatsen worden aangetroffen dienen deze geplot te worden op oud kaartmateriaal en, indien relevant, afgebeeld te worden.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk 8 8.1
pagina 39 van 49
(De)Selectie en conservering
Selectie materiaal voor uitwerking
Na afloop van het veldwerk wordt op basis van het evaluatierapport en in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid bepaald welke en in welke mate de aangetroffen materiaalcategorieën, monsters e.d. worden uitgewerkt ten behoeve van de rapportage. Het evaluatierapport kan onder bepaalde voorwaarden vervallen, zie hoofdstuk 9.2
8.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
Wanneer uit het besluit tot uitwerken en conserveren volgt dat bepaalde vondsten, materiaal categorieën e.d. niet gedeponeerd (kunnen) worden, wordt dit door een materiaalspecialist gemotiveerd in een (de)selectierapport en wordt dit rapport ter instemming aan de eigenaar van dit materiaal (de depothouder) voorgelegd.
8.3
Selectie materiaal voor conservering
Alle voor de beantwoording van de vraagstellingen uit het PVE relevante vondsten uit gesloten context worden geconserveerd of gestabiliseerd aangeleverd opdat er geen noemenswaardige achteruitgang van het materiaal zal plaats vinden. Voor conservering dient een stelpost te worden opgenomen.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk 9 9.1
pagina 40 van 49
Deponering
Eisen betreffende depot
Vondstcomplexen (vondsten, uitgewerkte monsters en onderzoeksdocumentatie) worden compleet en geconserveerd aangeleverd conform de eisen van het depot: Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Overijssel Bergpoortstraat 191-193 74
11 CV
Deventer
Tel.: 0570
64 41 73
archeologisch.depot@hetoversticht.nl
en de vigerende KNA eisen. Wanneer er zich tijdens het veldwerk bijzondere, onvoorziene vondsten en/of significante afwijkingen ten opzichte van het PVE voordoen die gevolgen (kunnen) hebben voor de conservering en/of deponering van het vondstcomplex is overleg met de eigenaar (depothouder) nodig. Waar mogelijk sluit deze aan bij overleg tussen uitvoerder, opdrachtgever en bevoegde overheid.
9.2
Te leveren
product
Er wordt een evaluatierapport, selectierapport, een conceptrapport en tenslotte een definitief rapport geleverd. Het evaluatie rapport kan vervallen als aan deze voorwaarden wordt voldaan: 1.
Erzijn geen wijzigingen van de strategie tijdens het veldwerk
2.
Eris geen vondstmateriaal dat moet worden geanalyseerd uitgewerkt
3.
Erzijn geen monsters die moeten worden geanalyseerd of uitgewerkt.
Als het evaluatierapport kan vervallen doet de uitvoerder daartoe direct na het einde van het veldwerk het voorstel aan de bevoegde overheid en opdrachtgever. Een selectierapport kan vervallen als er geen vondsten zijn. Een selectierapport en evaluatierapport kunnen worden gecombineerd tot één document.
Een conceptrapport en definitief rapport worden altijd geleverd. Het definitieve rapport is een rapport volgens de KNA en volgens de bepalingen in dit PVE. De verzamelde gegevens dienen zodanig te worden beschreven en verbeeld dat de beantwoording van de in dit PVE gestelde onderzoeksvragen helder en onderbouwd is en de veldgegevens in een later stadium voor iedereen toetsbaar en controleerbaar zijn (overzichtstekeningen, foto's, sporenlijsten, vondstenlijsten, etc.). Het eindrapport verschijnt digitale (pdf) vorm. Het rapport wordt uitgegeven door de opdrachtnemer. Van het definitieve rapport wordt een exemplaar ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever en de gemeente. Het uitvoerende bedrijf levert tevens één exemplaar van het rapport aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het provinciale depot, het e-
depot en de lokale heemkundekring.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk 10.1
10
Personele
pagina 41 van 49
Randvoorwaarden
en
aanvullende
eisen
randvoorwaarden
De dagelijkse leiding in het veld wordt verzorgd door een KNA-archeoloog met ruime ervaring in archeologisch onderzoek in deze regio. Het onderzoek dient worden uitgevoerd onder leiding van een senior KNA archeoloog met aantoonbare ervaring met vergelijkbaar onderzoek in soortgelijke context en de betreffende regio. De senior KNA archeoloog is aanwezig bij de aanleg van het eerste vlak. Zowel voor veldwerk als voor uitwerking, conservering en rapportage is de inzet van een projectleider en specialisten met periodekennis en/of ervaring vereist.
De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden Het verdient aanbeveling om vrijwilligers in staat te stellen een bijdrage aan het onderzoek te leveren mits in overeenstemming
met
ARBO
richtlijnen.
De uitvoerende organisatie is in het bezit van een geldig certificaat BRL SIKB 4000 Archeologie met protocol 4003 IVO.
10.2 Overlegmomenten Bij bijzondere of onvoorziene vondsten of grondsporen en/of afwijkingen ten opzichte van het PVE dient contact te worden opgenomen met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. De wijzigingen in het PVE dienen in het evaluatierapport verklaard te worden. Daarnaast moeten de wijzigingen ook in het eindrapport worden verantwoord. Wanneer tijdens deze overlegmomenten wordt geconstateerd dat deze onvoorziene zaken significante gevolgen (kunnen) hebben voor de conservering en/of deponering van het vondstcomplex, dient de eigenaar (depothouder) hiervan direct op de hoogte te worden gesteld.
10.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie Alle archeologische veldwerkzaamheden staan onder verantwoordelijkheid van de senior-KNA-archeoloog. Werkzaamheden en/of situaties die afwijken van dit Programma van Eisen dienen eerst te worden voorgelegd aan de deskundige namens de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Relevante wijzigingen
tijdens het veldwerk (strategie, methodiek, locatie, etc.) of tijdens uitwerking en conservering worden schriftelijk (per e-mail) aan de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid voorgelegd en mogen alleen na schriftelijke goedkeuring worden doorgevoerd. Meer- en minderwerk vindt slechts plaats na schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. Wanneer er tijdens het veldwerk en/of de uitwerking (onvoorziene) omstandigheden voorkomen en/of beslissingen genomen worden die tot gevolg (kunnen) hebben dat vondstcomplexen, vondsten, materiaalcategorieën e.d. niet compleet en/of niet geconserveerd gedeponeerd worden, is overleg met, en bij (de)selectie, instemming van de depothouder vereist. Waar mogelijk sluit de depothouder zo veel mogelijk aan bij bestaande overlegmomenten tussen
uitvoerder, opdrachtgever en deskundige namens de bevoegde overheid.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
pagina 42 van 49
Na afloop van het veldwerk wordt binnen zes weken een evaluatierapport en selectierapport opgesteld (tenzij ze kunnen vervallen, zie paragraaf 9.2), met een overzicht van de aangetroffen grondsporen en vondsten, en wordt indien noodzakelijk een voorstel gedaan voor de uitwerking van de aangetroffen vondstcategorieën en monsters. Na overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid en de uitdrukkelijke toestemming van de opdrachtgever wordt vervolgens overgegaan tot de uitwerking hiervan. Het conceptrapport wordt binnen twaalf weken na einde van het veldwerk aan de
opdrachtgever en de bevoegde overheid gestuurd. Overschrijding van deze termijn door derden (bijvoorbeeld de tijd die nodig is voor natuurwetenschappelijke dateringen of uitwerking van botanische monsters) kan er toe leiden dat deze termijn wordt verlengd. Het verlengen van de termijn gebeurt altijd in overleg met de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid. Nadat het becommentarieerde conceptrapport is geretourneerd, levert de opdrachtnemer na uiterlijk zes weken het definitieve rapport.
10.4 Overige
randvoorwaarden
en aanvullende eisen
De bevoegde overheid wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van het veldwerk op de hoogte gesteld van de start. In alle gevallen waarin dit PVE niet voor ziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA van toepassing. Het goedgekeurde PVE dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn. Dit PVE betreft de eisen die vanwege het archeologisch belang aan het onderzoek worden gesteld. Dit laat onverlet dat wettelijke en andere regelgeving aangaande het uitvoeren van werkzaamheden moet worden gevolgd (0.a. Arbowet).
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk
11
pagina 43 van 49
Wijzigingen ten opzichte van
het vastgestelde
PVE
11.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk Wijzigingen ten opzichte van dit PVE kunnen alleen plaatsvinden met de
goedkeuring van de deskundige namens de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Deze zaken worden schriftelijk vastgelegd in de onderzoeksdocumentatie, in het evaluatierapport en eindrapport vermeld en onderbouwd. In het geval dat er belangrijke vondsten of fenomenen worden aangetroffen, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever, de depothouder en de deskundige namens de bevoegde overheid om de vervolgstrategie af te stemmen. Deze partijen dienen ten tijde van het onderzoek dan ook bereikbaar te zijn voor eventueel noodzakelijk overleg.
11.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan de opdrachtgever en de deskundige namens de bevoegde overheid:
*
Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode
+
Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden
*
Wijzigingen als gevolg van bijzondere, onvoorziene en/of onverwachte hoeveelheden van vondsten, materiaalcategorieën die deponering en conservering van vondstcomplexen significant beïnvloeden, worden
tevens aan de depothouder voorgelegd
11.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk
Eventuele wijzigingen tijdens de uitwerking en conservering vinden plaats in samenspraak met de deskundige namens de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Deze worden schriftelijk vastgelegd. Indien deze wijzigingen van invloed zijn op de offerte, wordt een aangepaste offerte aan de opdrachtgever voorgelegd. Eventuele wijzigingen m.b.t. conservering vinden tevens plaats in samenspraak met de depothouder.
11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering Eventuele wijzigingen tijdens de uitwerking en conservering vinden plaats in samenspraak met de deskundige namens de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Deze worden schriftelijk vastgelegd. Indien deze wijzigingen van invloed zijn op de omvang van de opdracht, wordt een aangepaste offerte aan de opdrachtgever voorgelegd. Eventuele wijzigingen m.b.t. conservering vinden tevens plaats in samenspraak met de depothouder.
Programma van Eisen
Slagharen Zwarte Dijk 37
Bureau voor Archeologie
Hoofdstuk
12
pagina 44 van 49
Literatuur
Actueel Hoogtebestand Nederland. 2018. 'AHN3'. Digitale Hoogtekaart. https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer!/. de Boer, A. G. 2022. ‘'Zwarte Dijk 37, Slagharen, gemeente Hardenberg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase’. Bureau voor Archeologie Rapport 1188. Utrecht: Bureau voor Archeologie. Bongers, J. M. G. 2009. ‘Slagharen, Knappersveldweg (gemeente Hardenberg, Ov‚). Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek'. Steekproefrapport 2009-10/01. Zuidhorn: De Steekproef. ——. 2013. ‘Slagharen, Zwarte Dijk 46 (Gemeente Hardenberg, Ov.). Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek'. Steekproefrapport 2013-
09/04Z. Zuidhorn: De Steekproef. Borsboom,A. J. en J. W. H. P. Verhagen. 2012. 'KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek; Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Versie 1.02 4 december
2012'. SIKB.
Bureau van de Militaire Verkenningen. 1850. ‘Topografisch Militaire Kaart nettekeningen veldminuten’. Bureau Militaire Verkenningen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.searchi#/ metadata/594e77ec-e2d0-4e4c-a993-0d77f8dcb021.
Carmiggelt, A. en P. J. W. M. Schulten. 2002. ‘Veldhandleiding Archeologie, Archeologie Leidraad 1'. Zoetermeer: College voor Archeologische Kwaliteit.
CCvD. 2006. ‘Leidraad KNA Eerste Hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal'. Centraal College van Deskundigen. CROW. 2018. ‘Werken in en met verontreinigde bodem. Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risico- gestuurd werken'. CROW publicatie 400. CROW. Deeben,
J., H. Peeters,
D. Raemaekers,
E. Rensink en L. Verhart. 2006.
'De
vroege prehistorie’. In Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 1.0. Riijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Gemeente Hardenberg. ‘Archeologisch beleidskaarten Hardenberg’. https://www.hardenberg.nl/archeologie. Gerritsen, F., P. Jongste en L. Theunissen. 2005. ‘De /ate prehistorie in noord-, oost- en zuid-nederland en het rivierengebied'. In Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 1.0.