11. Bijlage 7 Archeologisch onderzoek (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Bureau voor Archeologie Rapport 1188 Zwarte Dijk 37, Slagharen, gemeente Hardenberg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase
2
Colofon
titel:
Bureau voor Archeologie Rapport 1188. Zwarte Dijk 37,
Slagharen, gemeente Hardenberg: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende
fase
auteur:
(geanonimiseerd) (A senior prospector) B
datum:
1 december
ISSN:
2214-6687
2022
© Bureau voor Archeologie Koningsweg 244 Utrecht T
030
245
18 95
E info@bureauvoorarcheologie.nl L
https:/I/www.bureauvoorarcheologie.nl
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Administratieve gegevens Projectnummer
2020012202
Provincie
Overijssel
Gemeente
Hardenberg
Plaats
slagharen
Toponiem
Zwarte Dijk 37
Centrum locatie (m RD)
Plandeel 1 (nieuwe camping):
234.390; 515.500 (x; y)
Plandeel 2 (Banditoland)
234.590; 515.640 (x; y)
Plandeel 3 (Raccoon village 2): 235.230; 515.400 (x; y) Omvang plangebied
Plandeel1:51680m? Plandeel2:21.460m? Plandeel3:49.670m?
Omvang onderzoeksgebied booronderzoek
Gelijk aan het plangebied.
Kadastrale gegevens
kadastrale gemeentenaam: Ambt-Hardenberg, sectie: U, nummer(s): 174, 1679, 1797, 1881, 1882, 1883
ARCHIS onderzoeksmeldingsnummer
5233542100 (ABU); 5233550100 (ABO)
Ssoort onderzoek
een
bureau-
_ _ _
(5,2ha) (2,1ha) (5,0ha)
en inventariserend
veldonderzoek
in de
vorm van boringen in de verkennende fase Opdrachtgever
Grondslag
Uitvoerder
Bureau voor Archeologie
Kaartblad
228
(RO) kader onderzoek
Bestemmingsplanwijziging
Periode van uitvoering veldwerk
25 en 27 mei
Bevoegde overheid
Gemeente Hardenberg
Deskundige namens bevoegde overheid
Onbekend
Versie van het rapport
2
Beheerder en plaats van documentatie
Digitale documentatie: ARCHIS en E-Depot
2022
Vondstdocumentatie:
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
geen vondsten
Slagharen Zwarte Dijk 37
Figuur 1: Het plangebied (rood; www.opentopo.nl). In onderbroken lijn is het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek weergegeven.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Inhoudsopgave Samenvatting.
1
Inleiding.
1.1 Doelstelling en vraagstelling. 2
Bureauonderzoel 2.1
Methode.
2.2 Onderzoeksgebied en toekomstig gebruik. 2.3 Huidige situatie…. 2.4 Aardwetenschappelijke waarden. 2.5
Historische
situatie
2.6 Mogelijke verstoringen. 2.7 Archeologische en bouwhistorische waarden. 2.8 Gespecificeerde verwachting. 3
Booronderzoek
3.1
Inleiding.
3.2
Methode..
3.3 Resultaten met bodemkundige en geologische interpretati 3.4 Archeologische interpretatie. 3.5 Waardestelling en Selectieadvies. 4
Conclusie.
5
Advies.
5.1 Status en inhoudelijke afstemming bevoegde overheid. 6
Literatuur.
Bijlage 1: Boorbeschi
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Lijst met Figuren Figuur 1: Het plangebied (rood; www.opentopo.nl). In onderbroken lijn is het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek weergegeven. Figuur 2: Topografische kaart met de deelgebieden… Figuur 3: Archeologische waardenkaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg)……. Figuur 4: Archeologische beleidskaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg).……. Figuur 5: Luchtfoto actueel van locatie Nieuwe Camping en Banditoland.. Figuur 6: Luchtfoto actueel Raccoon village 2 Figuur 7: Paleografische ontwikkeling (Vos en De Vries 2013 Figuur 8: Geologische overzichtskaart (De Mulder 2003).
.16 18 19 .20 .21
Figuur 9: Bodemkaart.. .23 Figuur 10: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019) .25 Figuur 11: Hoogte-reliëfkaart overzicht op basis van het AHN. Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P... … 26 Figuur 12: Hoogte-reliëfkaart detail op basls van het AHN. Hoogtewaarden in 27 meters ten opzichte van N.A.P. (Kadaster en PDOK 2014).… Figuur 13: Kaart van het veengebied tussen de marken van Lutten‚ Ane, Holthone, die van Zuidwolde en Echtens hogeveen uit 1739 (Hesselink 1739).. Figuur 14: Hottinger atlas, blad 36, uit periode 1773-1794 (Versfelt 2003). Figuur 15: Kadastrale Minuut provincie Overijssel (HisGis 2010)… E Figuur 16: Manuscriptkaart van de situatie in 1855 met het grensgebied tussen
Gramsbergen, Coevorden en Meppen (Duitsland; Onbekend 1855). Figuur 17: Topografische Militaire kaart ca. 1850.. Figuur 18: Bonneblad 274-580-SLAGHAREN-1904. Figuur 19: Bonneblad 274-582-SLAGHAREN-1931… Figuur Figuur Figuur Figuur
20: Topografische kaart blad 22B, uitgave 1954. 21: Topografische kaart blad 22B, uitgave 1975.. 22: Topografische kaart 2012. 23: Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021). Figuur 24: Boorpuntenkaart Figuur 25: Resultaten booronderzoek in plandelen 1 en Figuur 26: Resultaten booronderzoek in plandelen 1 en 2 geprojecteerd op de
hoogtekaart gemaakt met het AHN. Figuur 27: Resultaten van het booronderzoek in plandee . Figuur 28: Resultaten van het booronderzoek in plandeel 3 geprojecteerd op de hoogtekaart gemaakt met het AHN.... … 50 Figuur 29: Getekende boorprofielen in schematische doorsnedes Atot en met D, plandelen 1 (nieuwe camping) en 2 (Banditoland).… … 51 Figuur 30: Getekende boorprofielen in schematische doorsnedes E tot en met H, plandeel 3 (raccoon Village 2).. .52 Figuur 31: Advieskaart plandelen 1 en 2 (boven) en onder (plandeel 3). 59
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Lijst met Tabellen Tabel 1: Aardkundige waarden..
.
Tabel 2: Archeologlsche terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 500 m van he! plangebied...
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Samenvatting Bureau voor Archeologie heeft een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd ten behoeve van een ontwikkeling bij het Recreatiepark Zwarte Dijk gelegen aan de Zwarte Dijk 37 te Slagharen. De vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten bij de voorgenomen ontwikkeling? Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA, protocollen 4002 en 4003. Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische
verwachting van het gebied. De beoogde ontwikkeling omvat drie plandelen, deels in en deels naast het huidige recreatiepark. Het onderzochte gebied ligt in het archeologisch landschap 'Keileemgebied', in de landschapszone keileemruggen. Ten oosten en westen van het plangebied liggen op het AHN goed herkenbare grondmoreneruggen. Het plangebied ligt tussen deze ruggen, in een landschap van aaneensluitende dekzandruggen of -welvingen. Door vernatting in het Holoceen is de regio tussen 3.850 en 1.500 voor Christus met veen overgroeid. De veenmoerassen bij Slagharen zijn in de 19° eeuw verveend. Uit historische kaartmateriaal blijkt dat één plandeel mogelijk tot in de 19° eeuw deels ter hoogte van een veenmeer heeft gelegen. In het plangebied liggen geen bekende archeologische vondsten, historische
bebouwingslinten of historische erven. In het plangebied kunnen resten van historische dijken liggen, echter van deze dijken is aan het maaiveld niets meer herkenbaar.
In totaal zijn 61 handboringen gezet met als doel de aard en intactheid van het bodemprofiel nader te bepalen (verkennende fase) zodat daarmee de archeologische verwachting kan worden gecontroleerd en verfijnd. Hieruit blijkt dat plandeel 2 een van nature lage natte ligging heeft. Er zijn geen resten van podzolhorizonten aanwezig. De kans is klein dat in dit plandeel archeologische resten aanwezig Plandelen 1 en 3 liggen hoger op dekzandruggen -of welvingen. In deze plandelen is in ongeveer de helft van de boorprofielen sprake van een ABC- of AEBC-profiel en daar kunnen archeologische resten aanwezig zijn. Het gaat
hoofdzakelijk om archeologische resten uit de periode Paleolithicum tot en met de Bronstijd gerelateerd aan jager-verzamelaars en aan vroege landbouwsamenlevingen. Er kan sprake zijn van grondsporen en vondstenstrooiingen. Het potentiële archeologische sporenniveau ligt onder de bouwvoor, in de top van het dekzand. Dit niveau ligt minimaal op 15 cm-mv en maximaal op 80 cm-mv, maar meestal tussen 40 en 50 cm-mv. Ter hoogte van boorpunten met een AC-profiel moet ook rekening gehouden worden met archeologische resten, maar daar is de top het sporenniveau vergraven; ondiepe grondsporen en vondstenstrooiingen zijn daar niet geconserveerd. Aanbevolen wordt om in het grootste deel van plandeel 1 en heel plandeel 3 rekening te houden met archeologische resten; zie voor de betreffende zones de figuur achterin dit rapport. Als in de betreffende zones graafwerkzaamheden zijn
voorzien dieper dan de vrijstellingsdiepte (50 cm in plandeel 1; 40 cm in plandeel 3), dan wordt aanbevolen nader archeologisch onderzoek uit te voeren om te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn of niet (kartering), en wat de Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
waarde is van eventuele resten (waardering). Omdat in circa de helft van plandelen 1 (nieuwe camping) en 3 (Raccoon village
2) het vondstenniveau waarschijnlijk niet meer intact is, wordt aanbevolen uit te gaan van het opsporen van archeologische resten die zich (ook) als een sporenniveau manifesteren. Dat betekent dat archeologische resten het beste kunnen worden gekarteerd en gewaardeerd met een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Bureau voor Archeologie adviseert om plandeel 2 (Banditoland) vrij te geven voor ontwikkelingen waarbij bodemingrepen zijn voorzien omdat de kans klein is dat archeologische resten aanwezig zijn. Dit onderzoek is met grote zorgvuldigheid uitgevoerd. Het is echter nooit uit te sluiten dat bij de graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen op plaatsen en dieptes waar die niet worden verwacht. Eventuele archeologische resten is men verplicht te melden bij de Minister van OCW in
overeenstemming met de Erfgoedwet. In dit geval wordt aangeraden om contact op te nemen met de gemeente Hardenberg.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
10
Inleiding Bureau voor Archeologie heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de ontwikkeling van drie percelen bij recreatiepark Slagharen aan de Zwarte Dijk 37 te Slagharen. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De ligging van het plangebied is weergegeven in fig. 1. Vanwege het gemeentelijke archeologische beleid moet voor de beoogde ontwikkeling een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Het onderzoek is uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 4000,* in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 41). Het onderzoek
bestaat uit een
bureauonderzoek
en een
booronderzoek
in de
verkennende fase. Met de bevindingen wordt aan het einde van het rapport een advies gegeven hoe bij het project rekening kan worden gehouden met archeologische waarden.
1.1
Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting. Het doel van het veldonderzoek is het controleren en verfijnen van de archeologische verwachting zodat een beslissing genomen kan worden over hoe met eventuele archeologische waarden rekening moet worden gehouden bij de voorgenomen werkzaamheden. Het veldonderzoek is uitgevoerd als booronderzoek (IVO — O) en betreft de verkennende fase. Met het verkennende veldonderzoek wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd. De volgende onderzoeksvragen zijn in dit onderzoek gebruikt: Bureauonderzoek:
1.
2.
Waaruit bestaan de voorgenomen bodemingrepen?
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied in termen van
geomorfologie, geologie en bodemkunde?
Is sprake van bekende bodemverstoringen?
4.
Wat is de historische ontwikkeling van het plangebied? Is sprake van bekende archeologische waarden (zoals AMK terreinen, vondstlocaties, historische kernen) in het plangebied en directe omgeving,
en zo ja welke?
1
https:/www.kiwa.nlupload/certificate/00094278.pdf
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
1
Kunnen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn? Zo ja, wat is daarvan op hoofdlijnen de omvang, ligging, aard en datering?
Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze? Welke vervolgstap(pen) kunnen worden genomen om rekening te houden met (mogelijke) archeologische resten? Verkennend booronderzoek:
9.
Wat is de aard (geologisch en bodemkundig) en intactheid (verstoringen)
10.
Zijn potentiële archeologische niveaus aanwezig, en zo ja, wat is de aard,
van het bodemprofiel?
diepteligging en verbreiding daarvan? Eindoordeel:
11.
12.
Indien (mogelijk) archeologische waarden aanwezig zijn: a)
Worden deze archeologische waarden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen? Zo ja, op welke wijze?
b)
Welke maatregelen kunnen worden genomen om voldoende rekening te houden met deze archeologische waarden?
Indien vervolgonderzoek nodig is: Welke methode(n), techniek(en) en
strategie(ën) van Inventariserend veldonderzoek zijn hiervoor geschikt?
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
12
Bureauonderzoek 21
Methode Het bureauonderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de
KNA 4.1, protocol 4002.? Voor het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied te komen. Eerst wordt het plan- en onderzoeksgebied vastgesteld en het onderzoek gemeld bij ARCHIS. Daarna wordt achtereenvolgens de aardkundige, archeologische en historische context van het te onderzoeken gebied bestudeerd. Deze gegevens leiden tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. In de gespecificeerde verwachting worden de mogelijk aanwezige archeologische resten beschreven in termen van onder meer diepteligging, omvang, ouderdom en conservering.
De genoemde stappen leiden tot onderhavig rapport en het openbaar maken van
de resultaten bij Archis en het e-Depot voor de Nederlandse Archeologie. In de hierna volgende hoofdstukken worden de belangrijkste onderzoeksgegevens
gepresenteerd. Er is geen contact geweest met lokale amateurs en/of Heemkunde-kringen. Deze zijn in het onderzoeksgebied voor zover bekend niet actief.
Van alle afgebeelde kaarten is het noorden boven, tenzij anders aangegeven.
22
Onderzoeksgebied
en toekomstig gebruik
Afbakening plan- en onderzoeksgebied De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. Het plangebied ligt in de
gemeente Hardenberg bij de plaats Slagharen bij Zwarte Dijk 37. Het plangebied is bestaat uit drie delen rondom het bestaande recreatiepark Slagharen: *
Plandeel 1 ligt ten westen van de Zwarte Dijk en is ongeveer 300 m lang en 150 m breed en heeft een omvang van 51.680 m2 (5,2 ha). Dit plandeel ligt tussen het Ommerkanaal, de Zwarte Dijk en een grote parkeerplaats van het recreatiepark.
*
Plandeel 2 ligt ten oosten van de Zwarte Dijk en is ongeveer 200 m lang en 100 m breed. Het heeft een omvang van 21.460 m2 (2,1 ha). Dit plandeel ligt ook tussen het Ommerkanaal en de Zwarte Dijk en wordt verder ingesloten door andere (reeds ontwikkelde) percelen van het recreatiepark.
*
Plandeel 3 ligt ten zuidoosten van de eerste twee plandelen, bij Knappersveldweg 3B. Het is ongeveer 440 m lang en 140 m breed en
heeft een omvang van 49.670 m?(5,0 ha). Dit plandeel ligt tussen twee percelen met recreatiewoningen.
2
SIKB
3
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Data Archiving and Networking Services
2018
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
13
Om voldoende informatie over aardkundige, historische en archeologische gegevens te verzamelen wordt een onderzoeksgebied gebruikt dat groter is dan
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
14
moard
Bandadg
TE Neuwe Campiig,
Racoon vlage\a
z
5E m
b E
Em
E
rm
a
a
Figuur 2: Topografische kaart met de deelgebieden.
het plangebied. Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is een zone met straal van circa 500 m om de ontwikkeling heen, het gebied binnen de
onderbroken lijn in fig. 1. Overheidsbeleid
In het gebied geldt een vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid met een beleidskaart en waardenkaart (fig. 3 en 4). Op de gemeentelijke archeologische waarden kaart is aan zones van het gemeentelijke grondgebied een indicatieve archeologische waarde toegekend. Deze zonering is vertaald naar beleidszones op de beleidskaart door aan de zones vrijstellingsgrenzen toe te kennen. Hoe lager de indicatieve waarde, hoe groter de vrijstellingen. De vrijstellingsgrenzen zijn bepaald in termen van de omvang van een verstoring en de diepte van de verstoring. Als deze beide grenzen bij een beoogde ontwikkeling zullen worden overschreden, dient de initiatiefnemer archeologisch onderzoek te laten doen om rekening te kunnen houden met eventuele archeologische resten.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
15
3
*
3
ò
e
/\aa‚.m tand
|
Nieúwe campirfg
E
F…<“”;z E
3
EEm
000
aano
aao
0
Tas00
Figuur 3: Archeologische waardenkaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg).
Het blijkt overigens dat de waardenkaart en de beleidskaart die door de
gemeente Hardenberg worden gepubliceerd, circa 50 m ten opzichte van elkaar verschoven liggen. Omdat dat de beleidskaart voor bestemmingsplannen het uitgangspunt is geweest, gaan we in onderstaande beschrijving daar van uit.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
16
gos0ZaSTr:d goertd r 1233600
1234000
234400
oeenordense
234800
Easzo0
Easco0
z
oeenordeoek dt
Figuur 4: Archeologische beleidskaart gemeente Hardenberg (Gemeente Hardenberg).
Plandeel 1 (Nieuwe camping) ligt vrijwel geheel in: +
Waardenkaart: landschap “Dekzandwelvingen”, middelmatige indicatieve waarde. Op de beleidskaart is dit vertaald naar Waarde - archeologie 5,
vrijstelling tot 2.500 m? en 50 cm-mv. Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
17
Plandeel 2 (Banditoland) *
Dit plandeel ligt op de Waardenkaart grotendeels in landschap
“Bebouwd", onbekende verwachting. Op de beleidskaart is dit vertaald
naar Waarde - archeologie 3, vrijstelling tot 275 m? en 40 cm-mv. *
De zuidweststrook van dit plandeel ligt in de zone “Dekzandwelvingen”, middelmatige indicatieve waarde. Op de beleidskaart is dit vertaald naar
Waarde - archeologie 5, vrijstelling tot 2.500 m? en 50 cm-mv. Plandeel 3 (Raccoon village 2) ligt in drie zones op de waardenkaart, van zuid naar
noord:
*
Op de Waardenkaart ligt het zuiden in een Veenkoloniale ontginningsvlakte, lage indicatieve waarde. Op de beleidskaart is dit vertaald naar: geen onderzoek (lage verwachting).
*
Op de Waardenkaart ligt het midden in een zone met Gordeldekzandwelvingen, middelmatige indicatieve waarde. Op de
beleidskaart is dit vertaald naar Waarde — archeologie, vrijstellingen van 4.500 m? en 40 cm.
* _ Op de Waardenkaart ligt het noorden in een zone met een Gordeldekzandrug, hoge indicatieve waarde. Op de beleidskaart is dit
vertaald naar naar: Waarde - archeologie vrijstellingen van 4.500 m? en 40
cm.
De ontwikkelingen overschrijden in alle zones alle vrijstellingsgrenzen wat betreft oppervlakte. Waarschijnlijk worden ook de vrijstellingsgrenzen wat betreft diepte overschreden. Dat betekent dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om bij de ontwikkeling rekening te kunnen houden met eventuele archeologische resten. Ontwerp c.q. inrichtingsplan
De beoogde ingreep bestaat uit de ontwikkeling van de plandelen ten behoeve van het recreatiepark. Er is aangegeven dat sprake is van een nieuwe camping, Banditoland en Raccoon village 2. De aard en de omvang van de ingrepen zijn nog niet bekend. Aard en omvang van de toekomstige verstoring Bij de beoogde ingreep vinden waarschijnlijk graafwerkzaamheden plaats die de vrijstellingsgrenzen overschrijden voor de aanleg van funderingen en ondergrondse infrastructuur. Details omtrent de benodigde bodemingrepen zijn niet bekend. Milieutechnische
condities
Op de ontgravingskaart bovengrond liggen alle plandelen in zone Landbouw/Natuur. Dat betekent dat de kans klein is dat van een stoffen de interventiewaarde wordt overschreden.
of meerdere
Grondwaterpeil De actuele grondwaterstand in het plangebied kan worden afgeleid uit de grondwatertrap op de bodemkaart. De grondwatertrap is VI in plandeel 1, en voor zover bekend ook in plandeel 2. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 en 80 cm staat en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper staat dan 120 cm-mv. In plandeel 3 geldt grondwatertrap VII (in het noorden bij de gordeldekzandrug), en V in het zuiden. Bij trap VII staat Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Figuur 5: Luchtfoto actueel van Tocatie Nieuwe Camping en Banditoland.
de gemiddeld hoogste grondwaterstand lager dan 80 cm-mv. Bij trap V staat de gemiddeld hoogste grondwaterstand lager dan 40 cm-mv. Zie onderstaande tabel voor een overzicht. Grondwatertrap
| Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (cm-mv) | Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (cm-mv) V | Hoger dan 40
Lager dan 120
I | Tussen 40 en 80
Lager dan 120
vi
[Lager dan 80
De grondwaterstand zal door de beoogde ingrepen waarschijnlijk niet veranderen.
Consequentie van de ingrepen Door uitvoeren van graafwerkzaamheden kunnen archeologische resten worden vergraven. Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
19
2900
500
z100
5200
Figuur 6: Luchtfoto actueel Raccoon village 2.
2.3
Ees10
Zis200
5500
Huidige situatie Bebouwing, functie en bodemgebruik Plandeel 1 (nieuwe camping) is grotendeels onbebouwd (fig. 5). Op een recente luchtfoto is het weiland. In het midden van dit plandeel bevindt zich een erf
(Zwarte Dijk 52) met bebouwing uit 1937.° Bij de registratie in BAG staat dat de sloopvergunning is verleend. Plandeel 2 (Banditoland) is braakliggend (fig. 5). De voormalige bebouwing (recreatiewoningen) is verwijderd. Door het terrein lopen nog paden/wegen. Er staan
struiken en bomen.
Plandeel 3 (Raccoon village 2) is nu een camping (fig. 6). Het is uitgezonderd van enkele sanitaire voorzieningen onbebouwd. Over het terrein lopen enkele 4
Kadaster 2013
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
20
Te28000
__Paz000
5.500 voor Christus,
TEze000 2000 \uamn4… 1.500 voor Christus.
1228000
_P32000
|236000
3.850 voor Christus.
E
E
1.250 na Christus.
B veengebied [L ] Pleistocene zandgebieden, boven 0 m. NAP [D] Rivierviakten en beekdalen [] stuwwatlen, gestuwde keileem en door stromend landijs gemodelleerde ruggen en dalen EE Kweders en riviervakten Figuur 7: Paleografische ontwikkeling (Vos en De Vries 2013).
paden. Er zijn heggen gepland om de campingplaatsen van elkaar te scheiden. Waarschijnlijk lopen er ondergrondse leidingen voor water en elektriciteit. Bestemmingsplan Het plangebied ligt in een gebied waar de Beheersverordening Slagharen van kracht is (vastgesteld 2014-07-01). In de verordening is het archeologisch beleid
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
LL E T LE
ore: . v.Giezen met een dek van de Fm. . Boxel, L. v Wirden;grondmorene met een zanddek Drá: Lp. v. Gieten en oudere gestuwde afzettingen; grondmorene en oudere gestuwde afzettingen 80219 . singravn: eekaand en em oxs:10v. wierden: getzand ox6: m. v. Boxte met een dk van hetL . Wierden; Auvioperiglaciae fzetngen em en zand) met een zandek
Figuur 8: Geologische overzichtskaart (De Mulder 2003).
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
22
uit 2009 verwerkt.
Dat betekent dat de verschillende
waardes
en
vrijstellingsgrenzen zoals aangegeven op de beleidskaart in de plankaarten zijn
verwerkt gebruik makend van dubbelbestemmingen archeologie.
24
Aardwetenschappelijke waarden De aardkundige gegevens staan samengevat in tabel 1. Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Keileemgebied', in de
landschapszone keileemruggen.° Het plangebied ligt op de noordrand van het oerstroomdal van de Overijsselse Vecht. Langs deze noordrand ligt een reeks kleine keileemglooïingen; deze zijn
herkenbaar op de paleogeografische kaart met de situatie van 5.500 voor Christus in fig. 7. Deze glooiingen zijn vermoedelijk de resten van grotere stuwwallen, maar geërodeerd tijdens de vorming van deze oerstroomdalen in de voorlaatste ijstijd (Saalien). Het oerstroomdal is opgevuld met fluvioglaciale en periglaciale afzettingen. In de laatste ijstijd (Weichselien) heeft het landijs Nederland niet bereikt. In deze ijstijd zijn dekzanden afgezet in een koud poolwoestijnklimaat. In de loop van het warmere en vochtigere Holoceen vernatten de riviervlaktes en beekdalen en ontstaan moerassen. Direct ten zuiden van deze glooïingen ligt halverwege het Holoceen (nog steeds) een riviervlakte (fig. 7, 5.500 voor Christus). In de duizenden jaren die volgen ontwikkelt zich vanuit de dalen een veenmoeras dat zich uitstrekt tot buiten de randen van het oerstroomdal. Volgens
de reconstructie van Vos en De Vries zijn circa 1.500 voor Christus de lage delen van de regio met veen bedekt, inclusief het plangebied. Circa 1.250 na Christus is het hele huidige grondgebied van Slagharen met veen bedekt. Een detail geologische kaart van het plangebied is niet beschikbaar. Een fragment van de geologische overzichtskaart van Nederland is afgebeeld in fig. 8. Deze kaart laat zien dat de ondergrond van een deel van plandeel 2 en heel plandeel 3 bestaan uit een grondmorene (keizand en keileem; laagpakket van Gieten). Dit zijn de eerder genoemde keileemglooïingen. In plandeel 3 ligt hierop deels dekzand. Plandeel 1 ligt tussen twee van deze glooïingen in, in een gebied met dekzand op fluvioperiglaciale afzettingen (Bx6). In het gebied staan op de bodemkaart vooral veldpodzolgronden in zwak lemig fijn zand gekarteerd (fig. 9). Deze gronden zijn kenmerkend voor natte
zandgronden; het zijn hydropodzolgronden. De grond in plandeel 1 bestaat uitsluitend uit bodemtype. Plandeel 3 bestaat voor 2/3° hieruit. Plandeel 2 is niet gekarteerd (bebouwd), maar de grond bestaat daar oorspronkelijk misschien ook uit veldpodzolgronden (dat is het dichtstbijzijnde wel gekarteerde vlak). Mogelijk (vermoedelijk) hebben de veldpodzolgronden in het plangebied een veenkoloniaal dek gehad, maar is het veen vrijwel geheel vergaan. De zuidrand van plandeel 3 bestaat uit moerige podzolgronden met een veenkoloniaal dek en moerige tussenlaag en heeft tevens het signatuur ‘vergraven’. Een veenkoloniaal dek ontstond nadat verveende gebieden in de 19° eeuw (volgens voorschrift) geschikt moesten worden gemaakt voor landbouw. Na de vervening werden daarbij de onbruikbare veenresten (de oorspronkelijke bovenste laag, bolster) teruggestort. Het geheel werd afgedekt met een laag
zand dat uit de sloten (wijken) werd gewonnen. Door moderne ploeg activiteiten wordt de veenlaag regelmatig meegeploegd en daardoor kan deze geheel zijn 5
Rensinke.a.
2015
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
Figuur 9: Bodemkaart.
vergaan.
De geomorfologische kaart plaatst het plangebied grotendeels in zones met (gordel)dekzandwelvingen (3L51/3L52) en in plandeel 3 is deels sprake van een gordeldekzandrug (fig. 10). De zuidpunt van plandeel 3 ligt ter hoogte van een
gordeldekzandrug (3B56). Het ‘gordel' voorvoegsel verwijst naar de ligging rondom of langs de rand van een gestuwde hoogte, in dit geval de grondmorenerug die aangrenzend ten oosten ligt bij het plaatsje Keiendorp. Een hoogte-reliëfkaart van de omgeving illustreert de hoogteverschillen (fig. 11). Ten oosten en westen van de plandelen liggen grondmoreneruggen; Het onderzoeksgebied ligt hier tussen in een golvend landschap (fig. 12). De hoogtereliëfkaart bevestigt dat tussen de twee grondmoreneruggen een landschap van aaneensluitende dekzandruggen of -welvingen ligt. Plandeel 2 (Banditoland) ligt vrij laag; het is niet zeker of dit is afgegraven of dat het een natuurlijke laagte betreft (fig. 12). Omdat de lokale hoogteverschillen sterk zijn beïnvloed door de aanleg van wegen en bebouwing, is echter niet met zekerheid vast te stellen wat het natuurlijke landschap is geweest.
Bron
Situatie plangebied, omschrijving
Geologie (fig. 8
Geologische Overzichtskaart 1 : 250 000:° + _ DI2: Laagpakket van Gieten met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; grondmorene met een zanddek.
+ _ Drá: Laagpakket van Gieten en oudere gestuwde afzettingen. +
Bx6: Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van
Wierden; fiuvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek
6
De
Mulder 2003
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
24
Bodemkunde (fig. 9)
Bodemkaart 1 : 50 000: *
_ Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21)
*
_ Podzolgronden, Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21-VI)
+
_ Moerige podzolgrond met een veen veenkoloniaal dek en een moerige tussenlaag (Wp)
+
Geomorfologie (fig.10)
_
Bebouwd
Geomorfologische kaart 1 : 50 000:
*
_ Dekzandwelvingen, bedekt met ten dele afgegraven veen of veenresten (3L51w)
+ _ Gordeldekzandwelvingen, al dan niet met oud-bouwlanddek (8L52yc)
AHN (fig. 11en 12)
+
_ Gordeldekzandrug, al dan niet met oud-bouwlanddek (3B56yc)
+
_ Bebouwing (Beb)
Het maaiveld in de plandelen ligt tussen 7 en 9 m NAP. Plandeel 2 ligt op 7,8 m NAP en vrij laag — hier kan sprake zijn van afgraving. Een deel van plandeel 3 ligt ook laag.
Tabel 1: Aardkundige waarden.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
E e oner e van k presen [íl i met veenkoloniaal ontginningsdek CI ‚ov: bedekt met overstromingsmateriaal; bedekt of opgevuld met veen \íl v: bedekt of opgevuld met veen / bedekt met ten dele afgegraven veen of veenresten
E ve: al dan niet met oud-bouwlanddek Û yd: al dan niet bedekt of opgevuid met dekzand El yl: al dan niet: bedekt of opgevuld met dekzand, bedekt of opgevuld met (zandige) löss B a oo E osz: e (EZ |e eoaetaneng 3LS1: Dekzandwelvingen
EN r oteszeninsigen - 2M53: Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of Iöss E : vontlonieongnnngsvse E 0ax: oo E 2o oo t Figuur 10: Geomorfologische kaart (Maas e.a. 2019).
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
26
Figuur 11: Hoogte-reliëfkaart overzicht op basis van het AHN. Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P. Met labels en onderbroken lijn is de ligging van grondmoreneruggen en het oerstroomdal van de Vecht gemarkeerd.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
27
Figuur 12: Hoogte-reliëfkaart detail op basis van het AHN. Hoogtewaarden in meters ten opzichte van N.A.P. (Kadaster en PDOK 2014).
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
j
n
G
s
LEn:
Figuur 13: Kaart van het veengebied tussen de marken van Lutten, Ane, Holthone, die van Zuidwolde en Echtens hogeveen uit 1739 (Hesselink 1739).
2.5
Historische
situatie
Het dekzand landschap is vanaf het begin van het Holoceen bewoonbaar. Groepen jager-verzamelaars trekken door de regio en vestigen tijdelijke kampen in droge delen van het landschap nabij voldoende voedselbronnen, waarschijnlijk vooral op de overgang van droge naar natte gronden, bijvoorbeeld op de rand
van beekdalen, langs meren en op kleine dekzandruggen. In het Neolithicum doet geleidelijk de landbouw zijn intrede. Er ontstaan semipermanente dorpen nabij akkers. Periodiek worden dorpen verplaatst als de gronden uitgeput raken. Deze dorpen en akkers worden waarschijnlijk vooral op lemige (mineralogisch rijkere) gronden gevestigd. Gedurende het Neolithicum wordt het onderzoeksgebied natter. Tussen 3.850 en 1.500 voor Christus raken de lage delen met veen overgroeid, en waarschijnlijk ook het plangebied. De veenmoerassen zijn nauwelijks bewoonbaar. De veengebieden breiden steeds verder uit en in de Middeleeuwen is vrijwel heel het gebied van wat nu Slagharen is, onderdeel van een veenmoeras.
De hoogste grondmoreneruggen zijn misschien altijd bewoonbaar gebleven. Het dichtst bij het plangebied zijn dat de Braamberg (circa drie kilometer ten
noordwesten) en dichterbij het gehucht Oud-Lutten (circa twee kilometer ten zuidoosten). Op de rug van Lutten is waarschijnlijk al in de Bronstijd gewoond gezien de aanwezigheid van grafheuvels. Voorbij de rug van Lutten ligt het Vechtdal en dit dal vormt de zuidelijke begrenzing van de uitgestrekte venen van Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
De veenmoerassen worden in de Middeleeuwen alleen extensief gebruikt. De gebruikers wonen op de grondmorene ruggen die boven het veen uitsteken of ze wonen langs de ontwaterde oevers van de Vecht. Het veen wordt gebruikt voor
zeer extensieve begrazing, hier en daar voor het plaggen steken en de verbouw
van veenweite (boekweitbrandcultuur) op gunstige plekken.” Twee achttiende eeuwse figuratieve kaarten geven een beeld van het landgebruik (fig. 13 en 14): langs de randen van de venen liggen dijken en akkers (Lutten Akkers). Door het veengebied lopen enkele watergangen; deze zijn mogelijk deels natuurlijk en deels gegraven. De Hottingeratlas van eind 18e eeuw is al vrij betrouwbaar. Deze geeft aan dat bij het plangebied een veenmeer ligt: De Groene Blas (ook wel Krane Plas). Deze plas staat ook op de kadastrale minuut van begin 19° eeuw (fig. 15).
De infrastructuur op de Hottingeratlas bestaat uit twee tracés: * 7
Van noordwest naar zuidoost loopt een pad of dijk — dit is de (oude) Zwarte Dijk.
Haartsen
en
Storms
2009
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
30
34000 heide
mm
hooiland water
Figuur 15: Kadastrale Minuut provincie Overijssel (HisGis 2010).
*
Van zuidwest naar noordoost loopt een tracé met ‘Overblijfselen van den Friezendijk".
De naam Zwarte Dijk en Friezendijk komen op 18° en 19° eeuwse kaarten
meerdere keren voor. De namen verwijzen naar het werk dat rond 1682 is uitgevoerd om dijken door de venen in opdracht van vestingbouwer Menno van Coehoorn beter begaanbaar te maken en zo de toegangsweg naar de vesting Coevorden te verbeteren. Daarnaast zouden de dijken tijdens inundaties het
water moeten ophouden en zo vestingstad Coevorden moeten beschermen.5 De naam Frieze Dijk zou verwijzen naar het feit dat in Coevorden troepen uit 8
Metselaar
2011
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
31
Figuur 16: Manuscriptkaart van de situatie in 1855 met het grensgebied tussen Gramsbergen, Coevorden en Meppen (Duitsland; Onbekend 1855). Op deze kaart staat een rode lijnen, de locatie van het graven van een kanaal door de Veenen van Dedemsvaart naar Coevorden. Ook staat op deze kaart de ligging van de Vrieze Dijk. Het plangebied ligt ongeveer ter hoogte van de blauwe cirkel.
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
L
sss
O
ToE
Figuur 17: Topografische Militaire kaart ca. 1850.
aam
aam
sm
|
Figuur 18: Bonneblad 274-580-SLAGHAREN-1904.
Figuur 19: Bonneblad 274-582-SLAGHAREN-1931.
5B
T7
®
SENWAN 234000
igu r
21:
Topografische kaart blad 22B, uitgave
34400
1975.
N N 235700
38
Friesland waren gelegerd. De naam Zwarte Dijk is mogelijk een verwijzing naar
de zwarte veenlaag die gebruikt werd om de dijk mee aan te leggen.° Op de kadastrale minuut staan zowel de ligging van de oude als de nieuwe (huidige) Zwarte Dijk ingetekend (fig. 15). De veendikte in de omgeving van het plangebied kan worden geschat met behulp
van een opmeting uit 1810° De dikte is maximaal drie Rijnlandse voeten, maximaal 1 meter. In de 19° eeuw wordt dit veengebied ontgonnen. Daartoe worden
in de eerste
helft van
de
19° eeuw
de
Dedemsvaart
en daarna
de
Lutterhoofdwijk gegraven. In fig. 16 staat een overzichtskaart uit deze periode. In fig. 17 staat de topografisch militaire kaart met meer detail. Midden 19° eeuw staan verspreid in het gebied al erven. Het veen is dan al afgegraven en de grond is geschikt gemaakt voor landbouw. Midden 19° eeuw wordt het erf in plandeel 1 opgericht. Dit erf bestaat nog steeds. De rest van de grond van plandeel 1 is dan al in cultuur gebruikt. Plandelen 2 en
3 worden later in cultuur gebracht (fig. 18, 19 en 20). In 1975 staat het Recreatiepark Slagharen voor het eerst afgebeeld ter hoogte van plandeel 2 (fig. 21). De andere plandelen zijn dan nog landbouwgrond. Er heeft in het buitengebied een ruilverkaveling plaatsgevonden. De sloten zijn gedempt zodat kavels groter zijn geworden (vergelijk situatie 1955 in fig. 20 met situatie 1975 in fig. 21). In de periode daarna breidt het recreatiepark uit. Plandeel 1 blijft echter grotendeels landbouwgrond tot heden. Plandeel 3 is nu ingericht als camping (fig. 22).
2.6
Mogelijke verstoringen Op de geomorfologische kaart staan plandelen 1 (geheel) en 3 (gedeeltelijk) als vergraven aangeduid in verband met de verveningen die in de 19° eeuw hebben plaatsgevonden. Uit het AHN blijkt dat plandeel 2 mogelijk is afgegraven, evenals een deel van plandeel 3 (fig. 12), echter, het kan ook zijn dat omliggende gronden zijn opgehoogd. In plandeel 2 zijn in de 20° eeuw recreatiewoningen gebouwd en deze zijn inmiddels weer afgebroken. Hierbij kan de bodem zijn verstoord. In de Atlas van Overijssel staan ter hoogte van het plangebied geen vergunde
ontgrondingen geregistreerd.** 27
Archeologische en bouwhistorische waarden Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken staan weergegeven in fig. 23 en staan toegelicht in tabel 2. De belangrijkste bevindingen worden in de lopende tekst samengevat. In het onderzoeksgebied liggen geen archeologische waarnemingen en geen (delen van) archeologische terreinen. Het onderzoeksgebied is niet eerder archeologisch in het veld onderzocht. Een perceel dat in het noorden aansluit op plandeel 3 is in 2009 een
archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd (zaak 2.256.930.100, Attractiepark Knappersveldweg) in verband met de bouw van vakantiewoningen. 9
Visscher
1999
10
Ketelaar
en Van
Hulten
1810
11 https:lgeo.overijssel.nlviewer/app/master/v1 Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
39
o v9Ts[ o"
0 9TS[
UI
0 9sT ] E
<
S 3 ë
[| AE 24x6gt300
&
$
e
A E
\
3
\\
\
E
z09siz4100
L
|
Hegtensio0
e
E3a000
a
Eaaa00
Eaa500
a
:
2260050100 N
B
EA
2 25200
EE
*
N
/
_/
bureauonderzoek
Ï booronderzoek (>=10na) ΣI booronderzoek Figuur 23: Archeologische terreinen, vondstlocaties en zaken uit ARCHIS (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2021).
De onderzoeker concludeerde dat de kwaliteit van de bodem op het terrein slecht was en dat eventueel aanwezige archeologische grondsporen sterk zouden zijn aangetast. Verder onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. In 2015 is een perceel dat noordelijk aansluit op plandeel 2 ook onderzocht met verkennende boringen (zaak 2.461.544.100, Zwarte Dijk) in verband met de
bouw van een hal. De onderzoeker concludeerde dat sprake is van gooreerdgronden en dat de archeologische verwachting mede daarom laag is, en dat verder onderzoek niet noodzakelijk was. Enkele booronderzoeken op grotere afstand hebben evenmin aanwijzingen voor archeologische resten opgeleverd.
In het plangebied zijn geen bekende militaire erfgoedwaarden aanwezig.’2 12 Stichting RAAP 2017; Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2016 Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
40
Archeologische terreinen Geen.
Zaken (incl. evt. bijbehorende vondsten) 2.053.474.100: Hardenberg, Onbekend, Herenstraat, boring Onderzoek
uit 2004.
Het onderzochte terrein ligt ongeveer 400 m ten noorden van het recreatiepark.
Het heeft een grootte van ongeveer 800 m? en bevindt zich ongeveer 9 meter boven het NAP. Het terrein is in gebruik als grasland. De aanleiding tot het onderzoek is bouw van een nieuwe woning. In het plangebied zijn zes grondboringen geplaatst. Alle boringen zijn met een 10 cm Edelmanboor uitgevoerd. De opgeboorde grond is doorzocht op archeologische indicatoren zoals aardewerk, metaal, houtskool
en bewerkt vuursteen.
In de boringen werd een humeuze bouwvoor aangetroffen van ongeveer 50 cm dik (boring 3 is een uitzondering: hier is de bodem tot ongeveer een meter diep verstoord). De bouwvoor bevat plastic, recente baksteenfragmenten en scherven van porcelein. Hieronder bevindt zich, behalve op de locatie van boring 4, een laag veen van 15 tot 35 cm dik. In boringen 1 tot en met 3 bestaat de laag
uit veraard veen; in boringen 5 en 6 uit veen met veel stukken hout. De veenlaag wordt gevolgd door dunne, lichtbruine B-horizont (inspoelingslaag) en een C-horizont (gele zand) met een tweede Bhorizont. Er zijn geen archeologische indicatoren of cultuurlagen aangetroffen. Onverstoorde archeologische grondsporen zullen zich in de bovenste 50 cm niet meer bevinden. Hieronder ligt veen gevolgd door een lichte podzol. De lichtbruine B-horizont is slechts 3-10 cm dik en is lichtbruin van kleur. Dit houdt in dat er slechts in geringe mate podzolvorming heeft plaatsgevonden. De condities voor prehistorische bewoning zijn op dit terrein hoogstwaarschijnlijk te nat geweest. Het gezeefde zandpakket heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. Op dit 800 m grote perceel zijn zes grondboringen gezet, hetgeen neerkomt op een dichtheid van 75
boringen per hectare. Op grond van de hierboven genoemde resultaten concluderen wij dat de kans
op onverstoorde archeologische sporen in plangebied Herenstraat 5 te Slagharen klein is. 2.095.424.100: Hardenberg, Tracé aardgastransportleiding , boring Inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd in 2004 van het tracé van de aardgastransportleiding Hardenberg-Slagharen. Het tracé heeft een lengte van circa 4,7 km en loopt vanaf de Kroondijk in het Heemserveen
naar de Zwarte Dijk te Slagharen.
De noordelijke punt van
het tracé ligt circa 200 m ten zuiden van het recreatie park. Het inventariserend archeologisch onderzoek
bestond
uit twee
delen:
een
bureauonderzoek
en een veldonderzoek
in de vorm
van
een
karterend booronderzoek en een beperkte oppervlaktekartering Het booronderzoek bestond uit Edelmanboringen (15 m diameter) n het hart van het tracé met een onderlinge afstand van 50 m. De opgeboorde grond is gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 5 mm.
Er zijn 84 boringen gezet.
De oppervlakte kartering is in een strook van 20 m aan
weerszijden van het tracé uitgevoerd. Het veldonderzoek bevestigt dat het bodemprofiel veelal bestaat uit veldpodzolgronden en moerige podzolgronden. De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig fjn en grof zand. Op grond van het ontbreken van (eenduidige) aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen wordt ten aanzien van het tracé van de aardgastransportleiding Hardenberg-Slagharen geen vervolgonderzoek aanbevolen.!* 2.223.858.100: Hardenberg, De Praam, boring Het plangebied ligt ongeveer 450 m ten noorden van het recreatiepark Slagharen. Het onderzoek is in 2009 uitgevoerd in verband met nieuwbouw (woningen en appartementen). De oppervlakte van het terrein bedraagt circa 1,7 hectare. Op basis van het bureauonderzoek kan in het plangebied een stuwwal met dekzand of dekzand met veen(resten) worden verwacht. Met name hoge plaatsen in het landschap zoals stuwwallen en
dekzandkoppen werden in het verleden gezien als gunstige locaties voor bewoning. In het plangebied zijn elf Edelmanboringen gezet met een diameter van 10 cm en een guts. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 m n de C-horizont. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem is verstoord. Plaatselijk is was de B-horizont nog (gedeeltelijk) intact. Deze boringen met een (gedeeltelijk) intact bodemprofiel komen verspreid over het plangebied voor. Het booronderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het
plangebied.' 2.256.930.100: Hardenberg, Lutten, Attractiepark Knappersveldweg, boring Dit plangebied ligt op het huidige recreatieterrein Slagharen. Het sluit n noordoostelijke richting aan 13 14 15
Tulp 2004 Knoppers en Miedema 2004 Fijma 2009
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
41
op het huidige plandeel 3 Raccoon village 3. Dit onderzoek uit 2009 is uitgevoerd in verband met de bouw van vakantiewoningen. Bij het veldonderzoek zijn verdeeld over 4 hectare 24 boringen geplaatst om archeologische indicatoren op te sporen en om de gaafheid van de bodem te bepalen (zes boringen per hectare). De boringen zijn verricht met een Edelmanboor met een doorsnede van zeven centimeter.
De opgeboorde grond is doorzocht op archeologische indicatoren door het te
zeven
met
in een
zeef
mazen
van
vier millimeter.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het onderzoeksgebied op de overgang ligt van een glaciale rug naar een rivierdal. Omstreeks het neolithicum ontwikkelde zich in de regio een uitgestrekt veenmoeras. Binnen een kilometer omtrek zijn geen archeologische waarden gemeld. Op grotere afstand zijn vondsten gedaan die dateren uit de steentijd of de bronstijd Uit het veldonderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem op het terrein slecht is. Daardoor zullen eventueel aanwezige archeologische grondsporen sterk zijn aangetast. Aanwijzingen voor dergelijke sporen zijn er niet aangezien geen archeologische indicatoren zijn gevonden zoals bewerkt vuursteen, scherven aardewerk en dergelijke. Het advies luidt om geen nader onderzoek te ondernemen.'®
2.416.832.100: Hardenberg, De Lutte, Zwartedijk 46, boring Dit plangebied ligt aan de Zwarte Dijk, ongeveer 300 m ten zuiden van plandelen 1 en 3. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de geplande oprichting van een handelsstal, paardenfokkerij ‚en trainingshal. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een verkennend veldonderzoek (tien 10 cm Edelmanboringen verdeeld over 2,2 hectare). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het
onderzoeksgebied in het bovenstroomse deel van het beekdal van De Reest ligt. Al tijdens het mesolithicum was waarschijnlijk sprake van ontwikkeling van veenmoeras in het beekdal. Tijdens het neolithicum
breidde
het veenmoeras
zich sterk
uit buiten
het dal.
Binnen
een kilometer
omtrek
zijn geen archeologische waarden gemeld. Het gebied werd omstreeks de eerste helft van de 19° eeuw ontgonnen. Uit het veldonderzoek blijkt dat door het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied een dekzandrug loopt. Deze lijkt tijdens egalisatiewerk te zijn afgeschoven. Daardoor zullen eventuele archeologische grondsporen op de rug verloren gegaan zijn. Noordelijk van de rug heeft een bescheiden beekdal gelegen dat met aangevoerde grond is opgevuld. Er zijn geen indicatoren gevonden voor menselijke bewoning tijdens de steentijd zoals bewerkt of verbrand vuursteen.
Het
advies luidt om geen nader archeologisch onderzoek te ondernemen.”7 2.461.544.100: Hardenberg, De Krim, Zwarte Dijk, boring Bureau- en inventariserend veldonderzoek in verband met herontwikkeling van een hal op het attractiepark Slagharen in Slagharen (gemeente Hardenberg). Op basis van het bureauonderzoek gold bij aanvang van het veldonderzoek een lage verwachting voor archeologische resten van jagerverzamelaars uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en van landbouwers uit de periode Neolithicum /m Vroege Middeleeuwen. In het plangebied worden zodoende alleen archeologische resten van nederzettingen verwacht uit de periode Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd.
In het plangebied liggen dekzanden uit het Laat Pleistoceen direct aan het maaiveld omdat het voormalige veendek is afgegraven dan wel veraard is. Aangezien een afdekkend pakket ontbreekt, kunnen archeologische resten uit de tijd voorafgaand aan de veenbedekking direct aan het maaiveld verwacht worden. In het plangebied zijn zes handboringen (7 cm) gezet tot maximaal 120 cm-mv. 'Op grond van de resultaten van het veldonderzoek is geconcludeerd dat er geen sprake is van een veldpodzol, maar van een gooreerdgrond. Van een veendek zijn geen resten aangetroffen. Wel is onder een recent ophogingspakket (daterend uit de periode dat de hal gebouwd is) op ca. 70 cm -
Mv een begraven Ap-horizont aangetroffen. De scherpe overgang van deze voormalige bouwvoor naar het onderliggende pakket verspoeld dekzand toont aan dat de ondergrond voor de bebouwing in de jaren 1960 reeds tot in de C-horizont verstoord i. De archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tjd kan worden bijgesteld naar laag. Op basis van de onderzoeksresultaten worden in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten (meer) verwacht. Vanuit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg zijn er zodoende geen redenen om restricties op te Ieggen ten
aanzien van de verdere planvorming.'* Vondstlocaties los Geen.
Tabel 2: Archeologische terreinen, zaken en vondstlocaties ca. 500 m van het plangebied. 16 17
Bongers 2009 Bongers 2013
18
Boshoven
2015
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
42
In het plangebied staan geen bekende (ondergrondse); bouwhistorische waarden
geregistreerd.’? In het onderzoeksgebied bevinden zich geen rijksmonumenten.
28
Gespecificeerde verwachting Het plangebied ligt in het archeologisch landschap 'Keileemgebied', in de landschapszone keileemruggen. Ten oosten en westen van het plangebied liggen goed herkenbare grondmoreneruggen. Het plangebied ligt tussen deze ruggen in een landschap van aaneensluitende dekzandruggen of -welvingen. Door vernatting in het Holoceen is de regio tussen 3.850 en 1.500 voor Christus
met veen overgroeid. De veenmoerassen zijn nauwelijks bewoonbaar, uitgezonderd mogelijke hoge grondmorene ruggen en dekzandkoppen. Door of nabij het plangebied loopt in de 17° en 18° eeuw de Frieze Dijk. Eind 18° eeuw (Hottingeratlas) is deze nog in het veld zichtbaar. De venen bij Slagharen worden vanaf begin 19° eeuw verveend en daarna wordt het verveende gebied geschikt gemaakt voor landbouw. In de 19° eeuw wordt al snel het erf ter hoogte van Zwarte Dijk 52 bebouwd (plandeel 1). De huidige bebouwing op dit erf is van 1937. In 1963 wordt Recreatiepark Slagharen opgericht. Ter hoogte van plandeel 2 worden de eerste recreatiewoningen gebouwd. In de loop van de 20° eeuw breidt het recreatiepark uit met attracties en meer recreatiewoningen. In het plangebied liggen geen bekende archeologische vondsten, historische
bebouwingslinten of historische erven. De verwachting wordt als volgt gespecificeerd: 1.
Datering
In het plangebied kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit alle perioden vanaf het Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. 2.
Complextype
In de periode Paleolithicum tot en met de Bronstijd is het plangebied niet of niet geheel met veen overgroeid. Archeologische resten uit deze periode kunnen bestaan uit resten van bewoning, economie, infrastructuur, rituelen en begravingen. Uit de periode daarna (IJzertijd tot en met Nieuwe tijd B) kunnen complextypen aanwezig zijn gerelateerd aan het verzamelen van voedsel, de jacht en visvangst. Mogelijk zijn resten van infrastructuur aanwezig (Frieze Dijk,
oude loop Zwarte Dijk). Uit de vroege 19° eeuw kunnen resten gerelateerd aan de veenontginning aanwezig zijn. 3.
Omvang
De verwachting is breed. Archeologische resten kunnen worden beschouwd als vlakelementen met variabele omvang (klein tot groot). Sommige complextypen kunnen zich ook als puntelementen manifesteren (begravingen, depots) of als lijnelementen (wegen, watergangen, percelering).
4.
Diepteligging
Archeologische resten kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Als sprake is van een veenkoloniaal dek dan is het sporenniveau in de top van het 19 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2017 Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
43
onderliggende dekzand mogelijk aanwezig. 5.
Gaafheid en conservering (fysieke kwaliteit)
Over de gaafheid en conservering van eventuele sporen en artefacten zijn nog weinig gegevens bekend. De grondwatertrap is hoofdzakelijk V en VI. Dit betekent dat de conservering van organische archeologische resten (zoals hout, textiel, leer en bof) vaak slecht zal zijn, uitgezonderd diepe humeuze sporen. 6.
Locatie
Hele plangebied.
7.
Uiterlijke kenmerken (prospectie kenmerken):
Archeologische resten van jager-verzamelaars bestaan uit vondsten zonder bodemkundige context zoals vuurstenen werktuigen (pijlpunten, bijlen) en wildvallen. Archeologische resten van landbouwsamenlevingen kunnen bestaan uit sporen in de natuurlijke ondergrond zoals resten van beer- en/of waterputten of afvalkuilen, paalsporen en greppels. Daarnaast kunnen fragmenten aardewerk
(urnen), crematieresten en inhumaties aanwezig zijn. Fragmenten hiervan kunnen door ploegwerkzaamheden ook de bouwvoor terecht zijn gekomen. Archeologische resten van staatssamenlevingen bestaan overwegend uit kuilen of putten, greppels, sporen van het planten en rooien van vegetatie en losse voorwerpen die verloren zijn (munten, spijkers en afval). Archeologische resten kenmerken zich door de aanwezigheid van sporenniveau of een strooïing van vondsten.
8.
Mogelijke verstoringen
Door bouw- en sloopactiviteiten kunnen archeologische resten zijn vergraven. Dit geldt met name voor plandeel 1 (ter hoogte van het 19° eeuwse erf) en plandeel 2 (ooit al ontwikkeld met recreatiewoningen).
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
44
Booronderzoek 3.1
Inleiding De ligging van het plangebied staat afgebeeld in fig. 1. In het plangebied is een ontwikkeling met grondwerkzaamheden voorzien. Daardoor worden mogelijk
archeologische resten verstoord. Voor de beoogde ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd (zie hoofdstuk 2 van dit rapport) waarbij een gespecificeerde archeologische verwachting is opgesteld. Op basis daarvan is een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd. Het veldonderzoek is uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm
Nederlandse Archeologie 4.1,2 in het bijzonder het hoofdstuk ”protocol 4003 inventariserend veldonderzoek overig”. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens specificatie “VS03 Uitvoeren booronderzoek”. Het onderzoek is gerapporteerd volgens specificatie “VS05 Opstellen standaardrapport IVO - O/P”. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek bestaat uit de drie plandelen waar graafwerkzaamheden zijn voorzien. De boringen zijn gezet met het doel de bodemopbouw te verkennen. Hiermee
kan de aard en intactheid van het bodemprofiel nader worden bepaald. Tevens wordt zo inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee kunnen kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd. Deze methode is toegepast omdat nog onvoldoende informatie over de bodemopbouw beschikbaar is om te kunnen beslissen of en welk type karterend onderzoek eventueel uitgevoerd kan worden.
32
Methode De werkwijze in het veld was als volgt:
Boortype:
7 cm Edelmanboor.
Aantal boringen:
61.
Boordiepte:
De boringen zijn gezet tot in de C-horizont. De einddieptes
Grid:
lagen tussen 100 en 180 cm -mv.
De boringen zijn geplaatst in een regelmatig verspringend 40
x 50 m grid. Het grid is plaatselijk aangepast aan de vorm van het plangebied, bebouwing, begroeiing en kampeerplaatsen die in gebruik waren.
Waarnemingswijze: Het sediment is met de hand bemonsterd en met het blote o00g onderzocht door het te versnijden en te verbrokkelen. De
opgeboorde grond is systematisch uitgelegd op een plastic zeil. Representatieve uitgelegde boorprofielen zijn gefotografeerd. Intacte A- en B-horizonten zijn gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm om aanvullende informatie te verzamelen over eventuele bijmengingen.
20
SIKB
2018
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
45
Classificatie bodemtextuur en archeologische indicatoren: De opgeboorde grond is beschreven op basis van de Archeologische Standaard
Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1 (ASB 1.1), dit omvat NEN
5104.%
Locatie bepaling X en Y: De X en Y coördinaten van de boringen zijn bepaald met een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. Hoogte bepaling:
De Z coördinaat is na afloop van het veldwerk bepaald aan de hand het
AHN.?
De gegevens zijn digitaal in het veld geregistreerd. Het veldwerk is uitgevoerd op
woensdag 25 mei en woensdag 1 juni 2022 door (geanonimiseerd) B (KNA Senior Prospector) en en C. de Jong (junior Prospector).
Voorgaand aan het veldwerk is een plan van aanpak opgesteld. Het Plan van Aanpak is geregistreerd in ARCHIS3.
3.3
Resultaten met bodemkundige en geologische interpretatie De locaties van de boringen zijn in fig. 24 weergegeven.
De boorgegevens staan
in Bijlage 1. De resultaten wat betreft bodemkundige horizonten zijn in kaart weergegeven en geprojecteerd op topografie en op een hoogte-reliëfkaart. Deze kaarten staan in fig. 25 tot en met 28. Met de gegevens zijn ook schematische doorsnedes gemaakt. Deze zijn weergegeven in fig. 29 en 30. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op een vindplaats. Er zijn geen vondsten verzameld. Het grondwater stond tussen ongeveer 6,5 en 7 m NAP. Dat betekent dat het grondwater alleen is bereikt in de laagste delen van het plangebied, in plandeel 2; daar stond het grondwater op circa 80 cm-mv. Al het bodemmateriaal
is kalkloos.
Op basis van de textuur, kleur en bijmengingen kunnen de volgende natuurlijke grondlagen worden onderscheiden, van onder naar boven: 1: Fluvioperiglaciale afzettingen De onderste grondlaag bestaat uit (uiterst) grof grindig zand. De korrelgrootte verdeling heeft soms een zeer grote spreiding en het zand is vaak matig afgerond. Het zand is zwak tot sterk siltig. Dit bodemmateriaal is geïnterpreteerd als een pakket fluvioperiglaciale afzettingen uit de laatste IJstijd. De top van deze afzettingen ligt tussen 40 en 120 cm -mv, tussen 819 en 695 cm NAP. Deze
afzettingen worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. Deze afzettingen liggen vermoedelijk in het hele onderzochte gebied, maar zijn in de meeste boringen niet bereikt binnen de onderzochte diepte.
21
Bosch
22
Kadaster
2008;
Nederlands
en PDOK
Normalisatie
Instituut 1989
2014
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
S
aa
Figuur 24: Boorpuntenkaart.
E
Eaaa0
a
aa
EE
H
5E
TE
z
EE
r
Figuur 25: Resultaten booronderzoek in plandelen I en 2.
ET
a
EE
.
Figuur 26: Resultaten booronderzoek in plandelen 1 en 2 geprojecteerd op de hoogtekaart gemaakt met het AHN.
E
ZS
Figuur 27: Resultaten van het booronderzoek in plandeel 3.
am
51
(Lo.NmAn}Pogte xA(mh}ogte oMAPnogre \eonero
m
tho xgN(mt.}e
2
so
3
*
35
15
101
%o
teem.sig grnd, grindg e keig spoorhoustootrokten
[ms] =—= } -_ T E
fl eiang Enorzont dekzang B en BC-horzont
spoor baksteen
spoordas
ioperigicil afzetngen C horzont
wronenoter
o
Figuur 29: Getekende boorprofielen in schematische doorsnedesA tot en met D, plandelen 1 (nieuwe camping) en 2 (Banditoland). Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
52
r
E
57
E
3
s
&
Îe 5
10
p
7%
F
zt
52
z
55
EE
3
5
7o
c
z
o
ammenewen
E
E
3
190
7%
astan o eest borng (m}
a
2
3
alstand a
5
eerste bong
m}
zane, zondg veen,humeus
C B
omgeneitegrons bouwwoor Ahorzont
e
stig
CC
Gekzangehorzon
spoorbaksenen
E
ekzand Chorizont
|
fuxioperiaciie
|
atne, dg
DEE Geszang B en BChorzont
wenig saksen 7 sneis E
stzetingen Chorzont
Figuur 30: Getekende boorprofielen in schematische doorsnedes E tot en met H, plandeel 3 (raccoon Village 2).
Bureau voor Archeologie Rapport 1188
Slagharen Zwarte Dijk 37
53
2: Dekzand
Op de fluvioperiglaciale afzettingen ligt een pakket zwak of matig siltig zand met een matig fijne of matig grove mediane korrelgrootteklasse. Het zand heeft een matig kleine spreiding en is vaak afgerond. Dit bodemmateriaal is geïnterpreteerd als dekzand. Het dekzand wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel. Daar waar het dekzand in de vorm van ruggen en welvingen is afgezet, kon zich tot aan de veenbedekking in het Neolithicum onder natuurlijke omstandigheden een veldpodzolgrond ontwikkelen. Kenmerkend voor deze gronden zijn de uit- en inspoelingshorizonten (E- en B-horizonten). Bij het booronderzoek is vastgesteld dat de B-horizonten op veel plaatsen in plandelen 1 en 3 nog aanwezig zijn: Dit is
het geval in 12 van de 25 boorprofielen van plandeel 1 en in 16 van de 25 boorprofielen van plandeel 3. Zie fig. 25 en 27 voor de ligging van deze punten. In boorprofielen 23 en 42 is nog een E-horizont aanwezig. 3: Veen
In boorprofielen 26, 29 en 30 ligt op het dekzand of direct op de fluvioperiglaciale afzettingen een laag veen. Dit veen is 5 tot 30 cm dik en sterk amorf. Dit veen is een restant van de oorspronkelijke veenbedekking dit in de 19° eeuw is afgegraven. In een aantal boorprofielen zijn daarnaast in de A-horizont nog
veenbrokken aanwezig (boorprofielen 4, 17, 23, 27, 28, 31 en 55). 4: Bouwvoor
Op het dekzand in plandelen 1 en 3 ligt een zwarte humeuze laag van 15 tot 80 cm dik. Dit is de bouwvoor die is ontstaan door ploegwerkzaamheden voor akkerbouw in de 19° en 20° eeuw. In het westen van plandeel 1 vindt nog steeds akkerbouw plaats. Op sommige plaatsen is de bouwvoor zeer humeus en soms met veenbrokken, hetgeen erop wijst dat de bouwvoor deels van oorsprong een veenkoloniaal