10. BIJLAGE 5. Bodemonderzoek - Rapport verkennend bodem-asfalt-fundatieonderzoek en onderzoek asbest in bodem-puin (21541.001-D1) Kortejacht 1 te Dedemsvaart
Tekst van het document
RAPPORTAGE Verkennend asfalt-, fundatie-, bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem/puin Kortejacht 1 Dedemsvaart
Rapport verkennend asfalt-, fundatie-, bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem/puin Kortejacht 1 Dedemsvaart Opdrachtgever
Arom Laan door de Veste 1 5708 ZZ Helmond
Rapportnummer
21541.001
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
21 juli 2023
Opsteller1
De heer drs. M.S.H. Niemarkt
Kwaliteitscontrole
De heer M. Zandvliet, MSc
1
AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadvies- en -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. GELDIGHEID ONDERZOEK Het bodemonderzoek betreft een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Onze rapportage is opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en BRL protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder KWALIBO regelgeving uit het de regeling bodemkwaliteit, prevaleert boven de AVG. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ......................................................................................................... 2
3
VOORONDERZOEK ..................................................................................................................................... 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
4
UITVOERING ONDERZOEKEN ..................................................................................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie ...................................................................... 8 Onderzoeksopzet en -uitvoering .................................................................................................... 8 Toetsingskader ............................................................................................................................... 8 Laboratoriumonderzoek ................................................................................................................ 9 Classificatie vrijkomend asfalt ...................................................................................................... 10
FUNDATIEONDERZOEK ............................................................................................................................ 12 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Voorbereiding ................................................................................................................................ 7 Kwaliteitsborging veldwerk en laboratoriumonderzoek ................................................................ 7 Uitvoering veldwerk ....................................................................................................................... 7 Resultaten ...................................................................................................................................... 7
ASFALTONDERZOEK ................................................................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................................ 3 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................................ 4 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 5 Calamiteiten ................................................................................................................................... 5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ..................................................... 5 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................................ 5 Terreininspectie ............................................................................................................................. 5 Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................................................. 6
Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie .................................................................... 12 Onderzoeksopzet en -uitvoering .................................................................................................. 12 Aard en opbouw aanwezige fundatie .......................................................................................... 12 Analyseprogramma fundatie........................................................................................................ 13 Toetsingskader ............................................................................................................................. 13 Onderzoeksresultaten fundatie ................................................................................................... 14
MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK ...................................................................................................... 15 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie .................................................................... 15 Onderzoeksopzet en -uitvoering .................................................................................................. 16 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen ............................................................................ 17 Analyseprogramma grond en grondwater ................................................................................... 19 Toetsingskader ............................................................................................................................. 21 21541.001
7.6 8
Resultaten grond- en grondwatermonsters ................................................................................. 23
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES .............................................................................................. 27 8.1 8.2 8.3 8.4
Asfalt ............................................................................................................................................ 27 Fundatie ....................................................................................................................................... 28 Bodem .......................................................................................................................................... 28 Resumé......................................................................................................................................... 30
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 2c. 3a. 3b. 3c. 4a. 4b. 4c. 4d. 5a. 5b. 5c. 6.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets (met recente luchtfoto) - Foto’s onderzoekslocatie - Kadastrale gegevens - Boorprofielen - Foto’s asbestinspectiegaten en opgegraven en gezeefd materiaal - Detailfoto’s fundatiemateriaal - Analysecertificaten - Toetsingstabellen grond en grondwater (Circulaire bodemsanering) - Toetsingstabellen grond (Regeling bodemkwaliteit) - Toetsingstabellen fundatiemateriaal (Regeling bodemkwaliteit) - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit (grond en baggerspecie) - Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit (bouwstoffen) - Informatie vooronderzoek (rapportage Milon, 20222296, 25 januari 2023 en beoordeling door OD-IJ) 21541.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Arom opdracht gekregen voor het uitvoeren van een verkennend asfalt-, fundatie-, bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem/puin ter plaatse van de Kortejacht 1 te Dedemsvaart. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, waarbij (op termijn) de openbare weg binnen het plangebied mogelijk opnieuw wordt ingericht. Bij deze werkzaamheden kunnen (verhardings)materialen en grond vrijkomen. Het onderzoek richt zich op de (asfalt)verhardingslagen, eventueel aanwezige fundatielagen, de (onderliggende) bodem en het grondwater. Het doel van het asfalt- en funderingsonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de opbouw van de wegconstructie/-fundatie en de milieuhygiënische kwaliteit/hergebruiksmogelijkheden van de materialen. Het bodemonderzoek heeft tot doel vast te stellen of op de onderzoekslocatie bodemverontreiniging aanwezig is. Tevens heeft het onderzoek tot doel na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest van het terrein terecht is en (zo nodig) een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem en/of het puin. Op basis van de resultaten wordt bepaald of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In relatie tot de doelstelling van het onderzoek zijn de in onderstaande tabel 1.1 weergegeven onderzoeken te onderscheiden. Tabel 1.1
Benodigde onderzoeken
Onderzoeksdiscipline
Protocol
Doelstelling per discipline
Vooronderzoek en terreininspectie
CROW 210
- beoordelen homogeniteit van de verhardingen.
Asfaltonderzoek
CROW 210
- inzicht verkrijgen in de asfaltconstructie; - het bepalen van de dikte, de gelaagdheid en de teerhoudendheid van de asfaltverharding.
Fundatieonderzoek
indicatief
- het bepalen van de dikte en de fysische samenstelling van de wegfundatie (mits aanwezig); - het verkrijgen van een indicatie omtrent de milieuhygiënische hergebruiksmogelijkheden (incl. asbest) van het fundatiemateriaal (mits aanwezig).
Milieukundig bodemonderzoek
NEN 5740 NEN 5707
- inzicht verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit (incl. asbest) en hergebruiksmogelijkhe den van de grond; - inzicht verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater.
Econsultancy is gecertificeerd voor onder meer de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden. Het onderzoek is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd.
21541.001 versie D1
1 / 30
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
De onderzoekslocatie (2.112 m2) betreft de Kortejacht 1 te Dedemsvaart (zie figuur 2.1 en bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Avereest, sectie L, nummer 4008. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 6,8 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 228.200, Y = 513.900.
Figuur 2.1
Globale ligging onderzoekslocatie,
De onderzoekslocatie betreft een deel van de rijbaan van de Kortejacht te Dedemsvaart. Op de locatie bevinden zich verder ook de aangrenzende parkeerstrook en groenberm, alsmede de erfverharding. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de te onderzoeken terreindelen. Tabel 2.1
Gegevens te onderzoeken terreindelen.
Terreindeel
Verharding
Globale oppervlakte (m2)
gehele plangebied
asfalt | klinkers | tegels
2.112
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
asfalt
90
erfverharding Kortejacht 1
klinkers en tegels
± 840
21541.001 versie D1
2 / 30
Asfalt Uit navraag bij de opdrachtgever blijkt dat het asfalt ter plaatse van de Kortejacht voor 1995 is aangebracht. De exacte aanlegperiode is niet bekend. Het is bij de opdrachtgever niet bekend of c.q. welke fundatiematerialen zijn toegepast.
3
VOORONDERZOEK
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen/percelen binnen een afstand van 25 meter.
3.1 Geraadpleegde bronnen Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is door Milon een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd op basis van de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek" (zie bijlage 7) en is aanvullend tevens een veldinspectie conform CROW publicatie 210 "Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt" (juni 2015), protocol 1 uitgevoerd. In tabel 3.1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, aanleg- en onderhoudsgegevens van de wegconstructie, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie en kabels en leidingen. Tabel 3.1
Geraadpleegde bronnen
Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Opdrachtgever, mei 2023
Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, Milieuhygiënisch vooronderzoek Kortejacht 1 te Dedemsvaart , Milon, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek rapport 20222296, d.d. 25 januari 2023 Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen
www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion
Terreininspectie
Uitgevoerd door medewerkers Econsultancy, d.d. 2 t/m 17 mei 2023
In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.
21541.001 versie D1
3 / 30
3.2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie Recent heeft Milon op de onderzoekslocatie een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (projectnummer 20222296, d.d. 25 januari 2023). In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: Bedrijfsactiviteiten Op de onderzoekslocatie is een transportbedrijf en garagebedrijf met een benzinepomp en later een tankstation aanwezig geweest. In 1992 zijn de ondergrondse tanks en tankinstallatie verwijderd. In 1993 is ten behoeve van verkoop van het terrein een verkennend bodemonderzoek verricht. Hierbij zijn geen concentraties verontreinigende stoffen in de bodem aangetoond welke risico’s vormen voor de toekomstige gebruikers van het terrein. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien waren er geen belemmeringen voor de voorgenomen verkoop en het toekomstig gebruik als bedrijfsterrein. Vanaf 1996 is het garagebedrijf meer hobby matig in bedrijf (volgens milieuverslag). Niet bekend is vanaf wanneer de locatie in gebruik is genomen voor opslag en onderhoud van elektrische apparaten. Tijdens het locatiebezoek lijkt er geen (hobbymatig) garagebedrijf actief te zijn. Asbestverdachte materialen en afvoer hemelwater van asbesthoudend dak Tijdens de inspectie is geconstateerd dat er asbestverdachte golfplaten aanwezig zijn op een gedeelte van de werkplaats.
Aan de daken hangen wel dakgoten welke het hemelwater afvoeren richting de sloot in de noordwestelijk hoek van het perceel. Het dak vertoond wat schade en stukken van het dak liggen op het maaiveld. Daarnaast is er puin waargenomen op het maaiveld. Loodverontreiniging In een eerder uitgevoerd bodemonderzoek voor het aanleggen van een leidingtracé is op de locatie, in deelmonster B01-3 van de ondergrond (traject: 0,5 – 1,0 m –mv), een loodgehalte aangetoond boven de interventiewaarde. De loodverontreiniging is niet nader onderzocht, de verontreiniging is niet afgeperkt en de omvang is niet bepaald. Voor de aanleg van het leidingtracé is de grond tijdelijk uitgeplaatst. Na het leggen van de kabel is de ontgraven grond in hetzelfde bodemprofiel herschikt. Er is geen grond afgevoerd. Op basis van voorgaande informatie kan niet vastgesteld worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik zijnde wonen met tuin. Een bodem- en asbestonderzoek is noodzakelijk. Ter plaatse van het voormalige garagebedrijf en het buitenterrein kan worden verricht volgens de strategie voor een heterogeen verdachte locatie (VED-HE). Geadviseerd wordt het overige terrein ook mee te nemen in het bodemonderzoek.
Ter plaatse van de aangetoonde loodverontreiniging dient een nader bodemonderzoek volgens NTA 5755 te worden uitgevoerd waarbij de ernst en omvang van de loodverontreiniging wordt vastgesteld. Afhankelijk van de resultaten en eventuele risico’s is kan een bodemsanering noodzakelijk zijn. Ter plaatse van afwatering van hemelwater vanaf een asbesthoudend dak en daar waar asbesthoudend materiaal op de bodem aanwezig is dient een asbestonderzoek conform NEN 5707 verricht te worden. Indien in de bodem asbesthoudende of asbestverdachte materialen (bijvoorbeeld puin) op of in de bodem of andere bronnen voor asbestverontreiniging worden aangetroffen dan is hier ook asbestonderzoek nodig.
21541.001 versie D1
4 / 30
3.3 Toekomstige situatie De toekomstige inrichting van het plangebied is vooralsnog niet bekend.
3.4 Calamiteiten Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan.
3.5 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie Voor een overzicht en een bespreking van voorgaande onderzoeken op de onderzoekslocatie wordt verwezen naar bijlage 7.
3.6 Aangrenzende terreindelen/percelen In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een woonhuis met bijbehorende siertuin. In de overige richtingen grenst de onderzoekslocatie aan weilanden. De huidige eigenaar van de onderzoekslocatie is niets bekend omtrent potentieel bodembedreigende activiteiten op aangrenzende percelen. Er vinden geen industriële activiteiten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie plaats. Uit de verzamelde informatie blijkt niet, dat er vanuit de omliggende percelen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten.
3.7 Terreininspectie Op 2 mei 2023 is door Econsultancy een terreininspectie uitgevoerd. Tijdens deze inspectie is beoordeeld hoe de werkzaamheden veilig uitgevoerd kunnen worden en of in het werk bijzondere kenmerken (bijvoorbeeld spoorvorming, overgangen in het wegdek) aanwezig zijn en of er sprake is van bijzondere weggedeelten. De inspectie is tevens gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een bodemverontreiniging. Deze is gericht op het vaststellen van de homogeniteit van het asfaltvak en de aanwezigheid van eventuele reparatievakken. Het oppervlak van de gehele asfaltconstructie is als homogeen beoordeeld. Er zijn geen reparatievakken waargenomen.
21541.001 versie D1
5 / 30
De inspectie is tevens gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een bodemverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt grotendeels overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Afgezien van de potentiële bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging, die in de voorgaande paragrafen zijn beschreven, zijn er tijdens de terreininspectie geen aanvullende potentiële bronnen aangetroffen. Op het maaiveld zijn, behalve de reeds bekende, verder geen andere asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de terreininspectie blijkt dat er, ten opzichte van het recent uitgevoerde vooronderzoek, geen wezenlijke veranderingen hebben plaatsgevonden die mogelijk geleid kunnen hebben tot verslechtering van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem Op basis van de inspectie kan tijdens de uitvoer van het onderzoek, ten aanzien van de verkeersveiligheid volstaan worden met, conform de CROW96b, eenvoudige verkeersmaatregelen bestaande uit een veldwerkbus, pylonnen en eventueel een actiewagen.
3.8 Bodemopbouw en geohydrologie De onderzoekslocatie ligt volgens de bodemkaart van Nederland in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een Veldpodzolgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 5,3 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in westelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
21541.001 versie D1
6 / 30
4
UITVOERING ONDERZOEKEN
4.1 Voorbereiding Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het vooronderzoek en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat een locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten. In bijlage 3a zijn de boorprofielen opgenomen. Bijlage 3b bevat enkele foto’s van de (asbest)inspectiegaten en het opgegraven en gezeefde materiaal. Alle veldwerkzaamheden zijn, waar mogelijk, gecombineerd uitgevoerd.
4.2 Kwaliteitsborging veldwerk en laboratoriumonderzoek Tenzij anders vermeld is het veldwerk en de bemonstering uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001, 2002 en/of 2018. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. Alle te analyseren (meng)monsters zijn, tenzij anders vermeld, ter analyse aangeboden aan een laboratorium, dat erkend is door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek en voor asfaltonderzoek.
4.3 Uitvoering veldwerk Het veldwerk is op 9 en 10 mei 2023 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer A. Bruil. Deze medewerker van Econsultancy is geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Het opgeboorde materiaal is onderzocht in het kader van de diverse onderzoeksdisciplines. De grondwaterbemonstering is op 17 mei 2023 uitgevoerd door de heer A. Bruil. Deze medewerker van Econsultancy is geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". Op 16 juni 2023 zijn aanvullende grondbemonsteringen verricht onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer A.G.C. Rondeel. Deze medewerker van Econsultancy is geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek"..
4.4 Resultaten In de navolgende hoofdstukken worden per onderzoeksdiscipline onder meer de volgende onderdelen besproken: onderzoeksstrategie, uitgevoerde veldwerkzaamheden, zintuiglijke waarnemingen, analyseprogramma, toetsingskaders onderzoeksresultaten.
21541.001 versie D1
7 / 30
5
ASFALTONDERZOEK
Het asfaltonderzoek is uitgevoerd conform de CROW publicatie 210 "Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt" (juni 2015), protocollen 2 t/m 4. De uitvoering van de PAK-markertesten, de laagdiktebepalingen (conform RAW 2020, proef 77.1 en 77.2) en de PAK-analyses zijn uitgevoerd door een laboratorium, dat erkend is door de Raad voor Accreditatie.
5.1 Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie Uit het vooronderzoek blijkt dat de asfaltverharding ter plaatse van de onderzoekslocatie vóór 1995 is aangebracht en derhalve teerhoudende lagen kan bevatten. Indien blijkt dat selectief frezen van teervrije asfaltlagen kosteneffectief is, is onderzoek naar de homogeniteit en de teerhoudendheid van het asfalt benodigd. In tabel 5.1 is de onderzoeksstrategie die van toepassing is op de weg weergegeven. Tabel 5.1
Onderzoeksstrategie asfaltonderzoek
Terreindeel
Globale oppervlakte (m2)
Onderzoeksstrategie
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
90
asfalt aangelegd vóór 1995
Onderzoeksstrategieën conform CROW 210: Asfalt aangelegd vóór 1995: teerverdacht
5.2 Onderzoeksopzet en -uitvoering Tabel 5.2 geeft de uitgevoerde (veld)werkzaamheden weer. Tabel 5.2
Uitgevoerde velwerkzaamheden asfaltonderzoek
Terreindeel
Globale oppervlakte (m2)
Aantal boringen
Boornummers
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
90
2
A01, A02
5.3 Toetsingskader De analyseresultaten van het asfalt zijn getoetst aan de eisen volgens het “Formulier Acceptatie Asfaltgranulaat ten aanzien van Milieuhygiënische eigenschappen” (NCOB versie 5.1, mei 2016) en aan de maximale samenstellingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage A, tabel 2 | zie bijlage 5c). Indien het PAK-gehalte groter is dan de maximale samenstellingswaarde voor bouwstoffen (75 mg/kg d.s.) dient het asfalt als teerhoudend te worden beschouwd.
21541.001 versie D1
8 / 30
5.4 Laboratoriumonderzoek PAK-markertesten De asfaltkern van boring A02 is in eerste instantie door middel van een PAK-markertest in het laboratorium beoordeeld op de aanwezigheid van teerhoudende asfaltlagen. Op basis van een positief resultaat van deze (zintuiglijke) test kan een uitspraak worden gedaan of de laag als teerhoudend is aan te merken (PAK-gehalte >75 mg/kg d.s.). Een negatief resultaat dient, indien de asfaltlagen voor 1995 zijn aangebracht, middels analytisch onderzoek geverifieerd te worden om de laag daadwerkelijk te mogen aanmerken als teervrij. Tabel 5.3 geeft een overzicht van de resultaten van de PAK-markertest. Voor de laagopbouw en soort asfalt wordt verwezen naar het betreffende analysecertificaat in bijlage 4a. Deze bijlage bevat tevens een foto van de geanalyseerde asfaltkern. Tabel 5.3
Opbouw wegconstructie en resultaat PAK-markertest
Terreindeel
Globale oppervlakte (m2)
rijbaan Kortejacht 90 (deel over het perceel)
DAB STAB
Boring
Dikte (mm)
Soort
Resultaat PAK-markertest (positief (teerhoudend)) (mm)
A02
60
STAB 0/16
nee
75
STAB 0/22
nee
74
DAB 0/8
nee
17
DAB 0/8
ja
17
DAB 0/8
nee
DichtAsfaltBeton SteenslagAsfaltBeton
Uit de resultaten blijkt dat het asfalt bestaat uit 1 homogeen vak (kernen A01 en A02) met een maximale dikte van circa 24,3 cm (kern A02). De bovenste 3-4 asfaltlagen (± 18 cm) zijn indicatief teervrij. Indeling weg-/laagvakken Tabel 5.4 geeft een overzicht van de herziene indeling in wegvakken en de omvang van de (gehele) asfaltverharding, op basis van vaste kubieke meters. Er is gerekend met een gemiddelde dikte op basis van de onderzoeksgegevens. Er is uitgegaan van een soortelijk gewicht van 2,5 ton/m3. Tabel 5.4
Overzicht omvang asfaltverharding
Homogeen asfaltvak
Kernboring
Oppervlakte (m2)
Gemiddelde asfaltdikte (mm)
Globaal volume (m3)
Globale massa (ton)
rijbaan Kortejacht (bovenste lagen)
A02
90
17,0
15,3
38,25
rijbaan Kortejacht (onderste lagen)
A02
90
7,3
6,6
16,43
21541.001 versie D1
9 / 30
Verificatie Het analyseprogramma is erop gericht om het PAK-gehalte van de asfaltlagen (aangebracht vóór 1995), die met behulp van de PAK-markertest als negatief zijn aangemerkt, te verifiëren. Voor de lagen die met behulp van de PAK-markertest als positief zijn aangemerkt geldt dat reeds afdoende is vastgesteld dat het PAK-gehalte in deze lagen zich boven de norm bevindt. Verificatie van het PAK-gehalte is derhalve niet nodig. In het laboratorium zijn de te onderzoeken lagen gemalen en geanalyseerd op de parameter polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Het PAK-gehalte is bepaald middels de kwantitatief GC-MS-methode. Bij de samenstelling van de mengmonsters is rekening gehouden met de resultaten van de PAK-markertesten en de laagdiktebepalingen en de asfaltsoorten. Tabel 5.5 geeft een overzicht van de asfalt(meng)monsters en een beoordeling van de analyseresultaten ten aanzien van de teerhoudendheid. Tabel 5.5
Overzicht van de samenstelling van de asfalt(meng)monsters en de teerhoudendheid
Homogeen asfaltvak
Globale massa (ton)
Monster
Monsters (mm-mv)
Asfaltsoort(en)
Teerhoudend (PAK-gehalte > 75 mg/kg d.s.)
rijbaan Kortejacht (bovenste 3 lagen)
38,25
ASF-MM1
02-1 (0-60) 02-2 (60-135) 02-3 (135-170)
STAB STAB DAB
nee
Bijlage 4a bevat het door het laboratorium aangeleverde analysecertificaat.
5.5 Classificatie vrijkomend asfalt In tabel 5.6 is aangegeven of het vrijkomende asfalt als teervrij of teerhoudend wordt geclassificeerd. Tabel 5.6
Classificatie teerhoudendheid vrijkomend asfalt
Homogeen asfaltvak
Boringen
Globale oppervlakte (m2)
Gemiddelde Asfaltdikte (*A) (mm)
Globale omvang (ton)
Classificatie mend asfalt
rijbaan Kortejacht (bovenste 3 lagen)
A02
90
170 (toplaag)
38,25
teervrij
rijbaan Kortejacht (onderste 2 lagen)
A02
90
73 (onderlaag)
16,43
teerhoudend
vrijko-
(*A) Bij de vermeldde diktes is reeds rekening met de veiligheidsmarge conform CROW 210 van 20 mm
Bijlage 10 bevat een schematische weergave van de ligging van de verschillende (teerhoudende en teervrije) asfaltlagen per onderzoeksvak.
21541.001 versie D1
10 / 30
Toelichting kleeflagen versus asfaltonderzoek In een asfaltconstructie kunnen teerhoudende kleeflagen tussen de asfaltlagen voorkomen. Kleeflagen in de asfaltconstructie zijn vaak zo dun, dat in de dwarsdoorsnede van een asfaltkern de dikte daarvan bij benadering 0,1 mm bedraagt. Dit kan ertoe leiden dat, ondanks de aanwezigheid van een teerhoudend laagje ter plaatse, geen fluorescentie middels een PAK-detector (PAK-markertest) wordt waargenomen (laag wordt niet als verdachte laag opgemerkt). Alleen als het hechtvlak enigszins poreus is, zal de PAK-detector in de naad kunnen binnendringen en zal fluorescentie wel optreden. Bij het analytisch onderzoek ter verificatie van vermoedelijk teervrije asfaltlagen, zal het PAK-gehalte mogelijk verhoogd zijn, maar zich veelal onder de norm (75 mg/kg d.s.) bevinden. De partij asfalt zal derhalve aangemerkt worden als teervrij. Waarnemingen tijdens freeswerkzaamheden versus acceptatie asfaltcentrale Indien gefreesd wordt op een diepte op of net onder een kleeflaag, kunnen door de ontstane hitte teergeuren vrijkomen, waardoor tijdens de uitvoering vermoed kan worden dat de partij asfalt teerhoudend is, terwijl dit niet het geval is volgens het asfaltonderzoek. Daarnaast kan de betreffende kleeflaag door de impact van de frees onthechten. Daardoor ontstaat er een voorkeurbreukvlak.
Als dit een teerhoudende kleeflaag blijkt te zijn, kan dat tot afkeur door de asfaltcentrale leiden. Bij inname door een asfaltcentrale zullen bij een PAK-detectortest sterk verkleurende stukjes kunnen worden waargenomen. Ondanks dat het voorafgaand aan de werkzaamheden uitgevoerde asfaltonderzoek (conform CROW 210) heeft aangetoond dat het PAK-gehalte van de gehele partij vrijkomend asfalt zich beneden de norm bevindt, kan een asfaltcentrale zich het recht voorbehouden om de partij te weigeren of enkel als teerhoudend asfalt in te nemen.
21541.001 versie D1
11 / 30
6
FUNDATIEONDERZOEK
6.1 Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is het niet bekend of er onder de asfalt- of klinkerverhardingen een fundatielaag aanwezig is en indien aanwezig waar de fundatielaag zich bevindt en van welke aard. Het fundatie-onderzoek heeft een indicatief karakter. Daar waar een fundatielaag is aangetroffen, is per boring de dikte en de samenstelling vastgesteld en gefotografeerd. Het materiaal is tevens zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Voor het aantal fundatieboringen is aangesloten op de onderzoeksinspanning voor het asfalt- en milieukundig bodemonderzoek. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000.
6.2 Onderzoeksopzet en -uitvoering Tabel 6.1 geeft de uitgevoerde (veld)werkzaamheden weer. Tabel 6.1
Uitgevoerde veldwerkzaamheden fundatieonderzoek
Terreindeel
Verharding
Globale oppervlakte (m2)
Veldwerk
Boornummers
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
asfalt
90
- 2 (asbest)inspectiegaten *A)
A01, A02 (*B)
(*A)
De (asbest)inspectiegaten hebben een afmeting van Ø35 cm of 30 x 30 cm, zijn doorgezet tot 0,5 m -mv en zijn gecombineerd met de boringen van het milieukundig bodemonderzoek.
(*B)
De boringen zijn reeds verricht tijdens het asfalt- en milieukundig bodemonderzoek
Het opgeboorde en/of opgegraven materiaal is zintuiglijk beoordeeld en van het opgeboorde en opgegraven materiaal is een boorbeschrijving conform protocol 2001 gemaakt. Het fundatiemateriaal is per boorpunt bemonsterd. Tevens is de laagdikte en de samenstelling vastgesteld en gefotografeerd. Ten behoeve van asbestonderzoek is het opgegraven materiaal gezeefd over een 20 mm zeef en zintuiglijk beoordeeld.
6.3 Aard en opbouw aanwezige fundatie De klinkerverhardingen zijn gefundeerd op zand. Ter plaatse van het wegdeel onder de asfaltverharding, komt fundatiemateriaal voor. Het materiaal bestaat voornamelijk uit baksteenresten, maar is daarnaast zwak betonkiezel- en asfalthoudend. In overleg met de opdrachtgever is de milieuhygiënische kwaliteit van de fundatie (organische parameters en uitloging) bepaald. In het opgegraven/opgeboorde materiaal is zintuiglijk géén asbestverdacht (plaat)materiaal (>20 mm) aangetroffen. Voor de beschrijving van de aangetroffen fundatiematerialen wordt verwezen naar bijlage 3a. Bijlage 3b bevat per asbestinspectiegat foto’s van het fundatiemateriaal. Bijlage 3c bevat detailfoto's van het fundatiemateriaal.
21541.001 versie D1
12 / 30
6.4 Analyseprogramma fundatie Het fundatiemateriaal is (per boorpunt) aangeleverd, waarna in het laboratorium (indien van toepassing) een mengmonster is samengesteld. Het fundatiemateriaal is in het laboratorium gemalen. Tabel 6.2 geeft een overzicht van de samenstelling van de fundatie(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 6.2
Overzicht van de samenstelling van de fundatie(meng)monsters en de analysepakketten
Terreindeel
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Materiaal
Analysepakket
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
mmFUN1
A01 (0,18-0,35) A02 (0,27-0,50)
baksteenpuin, organische parameters beperkt (samenstellingszwak beton- en waarden) + uitloging (emissiewaarden anorganische asfalthoudend parameters)
ASB-MMA1
A01 (0,18-0,35) A02 (0,27-0,50)
baksteenpuin, asbest in puin (indicatief obv NEN 5897) zwak beton- en asfalthoudend
De in tabel 6.2 genoemde analysepakketten bevat de volgende componenten: •
organische parameters beperkt (samenstellingswaarden; indicatief): droge stof, polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
•
uitloging (emissiewaarden anorganische parameters; indicatief): metalen (antimoon, arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, seleen, tin, vanadium en zink), bromide, chloride, fluoride en sulfaat;
•
asbest in puin (fractie < 20 mm): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel) en amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).
6.5 Toetsingskader De analyseresultaten van het fundatiemateriaal (niet zijnde grond) zijn getoetst aan de maximale samenstellings- en emissiewaarden voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage A, tabel 1 en 2 | zie bijlage 5c). De analyseresultaten zijn tevens getoetst aan het Beleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat) (kenmerk BWL 2004000321, VROM, Beleidsbrief 25 maart 2004). De resultaten met betrekking tot asbest in puin zijn getoetst aan de hergebruikswaarde uit de Regeling Bodemkwaliteit (bijlage A). Econsultancy merkt op dat de beoordeling van de analyseresultaten in het kader van het Besluit bodemkwaliteit indicatief is.
21541.001 versie D1
13 / 30
6.6 Onderzoeksresultaten fundatie Tabel 6.3 geeft een overzicht van de samenstelling van de mengmonsters, de parameters die de samenstellingswaarden voor bouwstoffen overschrijden, alsmede het resultaat van de indicatieve toetsing. Tabel 6.3
Overschrijdingen toetsingskader fundatie (chemisch analytisch)
Terreindeel
Monster
Materiaal
Klassenbepalende parameters(s)
Samenstelling rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
mmFUN1
baksteenpuin, zwak beton- en asfalthoudend
Resultaat indicatieve toetsing BBK (*A)(*B)
Uitloging -
Toepasbaar (< SW, <EW)
(*A)
De weergegeven indicatieve beoordeling voor de fundaties (niet zijnde grond) geldt voor niet-vormgegeven bouwstoffen SW = maximale samenstellingswaarde voor bouwstoffen EWnv = maximale emissiewaarde niet-vormgegeven bouwstoffen EWibc = maximale emissiewaarde IBC-bouwstoffen
(*B)
De weergegeven indicatieve beoordeling voor de stolfundaties geldt voor de situatie "Grond, toepassing op landbodem": AW = toepasbaar voldoet aan Achtergrondwaarde wonen = toepasbaar (functieklasse wonen) industrie = toepasbaar (functieklasse industrie) NT = niet toepasbaar
Tabel 6.4 geeft een overzicht van de samenstelling van de mengmonsters, het (berekende) asbestgehalte, alsmede het resultaat van de indicatieve toetsing. Tabel 6.4
Overschrijdingen toetsingskader fundatie (asbest)
Terreindeel
Monster
Materiaal
Asbestgehalte
rijbaan Kortejacht (deel over het perceel)
ASB-MMA1
baksteenpuin, zwak beton- en <2 mg/kg d.s. asfalthoudend
Resultaat indicatieve toetsing BBK als nietvormgegeven bouwstof AW
Bijlage 4a bevat de door het laboratorium aangeleverde analysecertificaten. Bijlage 4d bevat de getoetste analyseresultaten aan de Regeling bodemkwaliteit (indicatief). Op het analysecertificaat is een afwijking opgenomen daar in mengmonster ASB-MMA1 geen 25 kilogram drooggewicht monstermateriaal is aangeleverd. Dit vanwege de geringe dikte van de verdachte laag en het beperkte aantal gaten. Econsultancy acht het mengmonster, gezien het feit dat de monstername volgens monsternameplan is uitgevoerd alsmede er bij de analyse geen asbesthoudend materiaal is aangetoond derhalve als representatief. Op de beoordeling van de kwaliteit en het advies heeft deze afwijking geen invloed.
21541.001 versie D1
14 / 30
7
MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK
Het milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond" en de NEN 5707+/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond".
7.1 Resultaten vooronderzoek en onderzoeksstrategie Op basis van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet, dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem concludeert Econsultancy, dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de onderzoekslocatie is. Atmosferische depositie kan leiden tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water. Derhalve wordt voor wat betreft onderzoek naar PFAS aangesloten bij de strategie ‘onverdacht’ (ONVNL). Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op (delen van) de locatie te verwachten. Ten behoeve van het milieukundig bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem (zie hoofdstuk 3), een aantal deellocaties geïdentificeerd. In tabel 7.1 zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel 7.1
Onderzoeksstrategie milieukundig bodemonderzoek
Deellocatie
Oppervlakte
Verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
A
Buitenterrein inclusief garage
2.112 m2
metalen, minerale olie en asbest
VED-HE-NL
B
Afwateringspunt + asbest op <10 m2 maaiveld
asbest
VEP
C
Loodverontreiniging
lood
maatwerk NTA 5755
± 50 m
Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 / NEN 5707 en NTA 5755: VEP : Verdacht, plaatselijke bodembelasting, uitgezonderd ondergrondse opslagtanks VED-HE-NL: Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig NTA 5755 : Nader bodemonderzoek, onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging
21541.001 versie D1
15 / 30
7.2 Onderzoeksopzet en -uitvoering Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest Er zijn op het maaiveld achter de werkplaats enkele asbesthoudende materialen aangetroffen. In tabel 7.2 zijn enkele algemene gegevens met betrekking tot de visuele inspectie van de toplaag opgenomen. Tabel 7.2
Visuele inspectie toplaag
Aandachtsgebied
Opmerking
Oppervlakte van geïnspecteerde locatie
2.112 m²
Conditie toplaag
Vochtig
Beperkingen van de inspectie
Bebouwing, verhardingen en begroeiing
Weersomstandigheden
Neerslag < 10 mm/dag, zicht > 50 m
Zand, klei/leem en/of veen
Zand
Los of (deels) vastgereden
Vastgereden
Geen/matige vegetatie
Deels matige vegetatie
Geschatte inspectie-efficiëntie (tabel 2 NEN 5707)
50-70 %
Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?
Ja (positie op tekening aangeven)
Uitvoering veldwerk Tabel 7.3 geeft de uitgevoerde (veld)werkzaamheden weer. Tabel 7.3
Uitgevoerde veldwerkzaamheden milieukundig bodemonderzoek
Deellocatie, terreindeel
Maaiveldtype
A
Buitenterrein inclusief garage
asfalt | beton (*A), klinkers | tegels
B
Globale oppervlakte (m2)
Veldwerk (*A)
Boornummers
2.112
12 (1,0 m -mv) 2 (2,0 m-mv) 2 (3,0 m -mv) (*C) 1 (peilbuis) 13 (gaten) (*B)
A01 t/m A17
Afwateringspunt + asbest op maaiveld Onverhard
< 10
3 (gaten) (*B)
B01, B02, B03
C
Loodverontreiniging
± 50
6 (2,0 m -mv)
C01 t/m C06
(*A)
Door deze verharding is geboord: in totaal 5 asfalt-/betonboringen met een doorsnede van 30 cm en wisselende dikte
(*B)
De gaten hebben een afmeting van 0,3 x 0,3 x 0,5 m en worden gecombineerd uitgevoerd met de boringen.
(*C)
De voormalige tankinstallatie met ondergrondse tanks zijn in 1993 onderzocht. Omdat dit onderzoek plaatsgevonden heeft middels verouderde onderzoeksinspanningen en analysemethodieken, zijn ter plaatse van de voormalige tanks 2 diepe boringen ter verificatie geplaatst, waarvan er 1 is afgewerkt als peilbuis.
21541.001 versie D1
Klinkers
16 / 30
De boringen zijn geplaatst met behulp van een edelmanboor. Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest zijn met behulp van een schep 16 inspectiegaten gegraven met een afmeting van 30x30 cm tot een diepte van maximaal 0,5 m -mv. De boorpunten en gaten zijn gecombineerd. Van het opgeboorde en opgegraven materiaal is een boorbeschrijving conform protocol 2001 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. Ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest is het opgegraven materiaal gezeefd over een 20 mm zeef en zintuiglijk beoordeeld. Voor de geplaatste peilbuizen geldt dat het onderste gedeelte van de peilbuis (het peilfilter) is geperforeerd en de ruimte tussen de wand van het boorgat en het peilfilter is opgevuld met filtergrind. Boven het filtergrind is een laag zwelklei aangebracht, zodat er géén verontreinigingen van bovenaf in de peilbuis kunnen migreren. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 9 en 10 mei 2023 is ingeschat. De peilbuizen zijn direct na plaatsing afgepompt en na een wachttijd van minimaal een week is het grondwater bemonsterd.
7.3 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig grof zand. Plaatselijk is de grond bovendien zwak tot matig humeus. In de ondergrond is plaatselijk veen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk (baksteen-, beton-, en/of dakpan)puinhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak aardewerk-, metaal- en/of kolengruishoudend. In het opgeboorde materiaal zijn geen olie-waterreacties waargenomen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tabel 7.4 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgeboorde materiaal zijn aangetroffen. Tabel 7.4
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Terreindeel
Boornummer
Einddiepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen
Buitenterrein inclusief garage
A01
1,00
0,18 - 0,35
volledig baksteen, zwak betonhoudend
A02
1,10
0,00 - 0,27
2 lagen de tweede laag teerhoudend
0,27 - 0,50
volledig baksteen, zwak betonhoudend, zwak asfalthoudend
21541.001 versie D1
A03
1,00
0,11 - 0,30
matig betonhoudend, matig baksteenhoudend, zwak metaalhoudend
A04
1,00
0,15 - 0,40
sterk baksteenhoudend, zwak betonhoudend
A05
1,00
0,08 - 0,15
loze ruimte weg gezakt zand
0,15 - 0,35
sterk baksteenhoudend, zwak betonhoudend, brokken baksteen
17 / 30
Terreindeel
Boornummer
Einddiepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen
A10
3,10
0,60 - 2,00
zwak baksteenhoudend
A11
3,00
0,50 - 0,90
zwak baksteenhoudend
0,30 - 0,50
matig baksteenhoudend, zwak betonhoudend, grove baksteen brokken
0,08 - 0,20
matig betonhoudend
0,50 - 0,90
zwak baksteenhoudend
A13
1,40
A14
2,00
0,30 - 0,50
zwak dakpan houdend, zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend
A15(-b)
1,40
0,50 - 0,70
zwak steenhoudend, zwak baksteenhoudend
0,70 - 0,90
zwak baksteenhoudend
A16(-b)
2,00
0,30 - 0,80
matig baksteenhoudend, zwak dakpan houdend, zwak aardewerkhoudend, zwak betonhoudend
A17(-b)
2,00
0,20 - 0,50
sterk baksteenhoudend, matig dakpan houdend
Afwateringspunt + B01 asbest op maaiveld B02
0,50
0,00 - 0,10
zwak baksteenhoudend
0,50
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend
B03
0,50
0,00 - 0,10
zwak baksteenhoudend
0,10 - 0,50
zwak baksteenhoudend
Loodverontreiniging
C01
2,00
0,07 - 0,90
zwak baksteenhoudend
C02
2,00
0,07 - 0,90
zwak baksteenhoudend
C03
2,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
C04
2,00
0,00 - 0,50
zwak kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend
C05
2,00
0,00 - 0,50
matig baksteenhoudend, zwak kolengruishoudend
0,50 - 0,90
zwak baksteenhoudend
0,00 - 0,80
matig baksteenhoudend, zwak kolengruishoudend
C06
2,00
In het overige opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de bodem visueel geen asbestverdachte materialen (fractie >20 mm) aangetroffen (anders dan de reeds eerder tijdens het vooronderzoek aangetroffen asbestverdachte materialen). Van het asbestverachte materiaal op het maaiveld achter de werkplaats is 1 monster genomen (ASB-1) voor analyse.
21541.001 versie D1
18 / 30
De grondwaterbemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel 7.5 geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel 7.5
Overzicht gegevens peilbuizen en veldmetingen grondwater
Terreindeel
Peilbuisnummer
Filterstelling (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
Elektrisch Gelei- Troebelheid dingsvermogen (NTU) (µS/cm)
Zuurgraad (pH)
Buitenterrein nabij garage
A07
2,2 – 3,2
1,52
170
31
6,2
Buitenterrein nabij vml. tanks
A10
2,1 – 3,1
1,40
210
7
6,0
7.4 Analyseprogramma grond en grondwater Er zijn grond(meng)monsters samengesteld van de grond direct onder de verhardingen (bovengrond) en van de ondergrond. De zintuiglijk meest verontreinigde grondmonsters zijn gebruikt bij de samenstelling van de grondmengmonsters. Van zintuiglijk verontreinigde grond zijn conform strategie VED-HE uit de NEN 5740 mengmonsters van ten hoogste 4 deelmonsters samengesteld. Tabel 7.6 geeft een overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten. Tabel 7.6
Overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten
Terreindeel
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Bijzonderheden
Buitenterrein inclusief garage
ASB-MMA2-1
A03 (0,11 - 0,30) + A04 (0,15 - 0,40) + A05 (0,15 - 0,35)
verdachte laag (inpandig) asbest in grond matig baksteenhoudend, zwak metaalhoudend, matig betonhoudend
ASB-MMA3-1
A11 (0,50 - 0,90) + A12 (0,30 - 0,50) + A13 (0,07 - 0,20) + A14 (0,30 - 0,50)
verdachte laag (buiten) asbest in grond matig baksteenhoudend, matig betonhoudend
ASB-MMA4-1
A16 (0,30 - 0,50) + A17 (0,20 - 0,50)
verdachte laag (buiten) sterk baksteenhoudend, zwak betonhoudend
asbest in grond
ASB-MMA5-1
A06 (0,07 - 0,50) + A15 (0,07 - 0,50)
verdachte laag (buiten) zintuiglijk schoon
asbest in grond
21541.001 versie D1
Analysepakket
19 / 30
Terreindeel
Afwateringspunt + asbest op maaiveld
Loodverontreiniging
21541.001 versie D1
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Bijzonderheden
Analysepakket
mmA1
A03 (0,11 - 0,30) + A04 (0,15 - 0,40) + A05 (0,15 - 0,35)
verdachte laag matig baksteenhoudend matig betonhoudend zwak metaalhoudend
standaardpakket
mmA2
A07 (0,00 - 0,40) + A08 (0,00 - 0,50) + A16 (0,00 - 0,30) + A17 (0,00 - 0,20)
verdachte laag zintuiglijk schoon
standaardpakket
mmA3
A15 (0,50 - 0,70) + A16 (0,30 - 0,80) + A17 (0,20 - 0,50)
verdachte laag standaardpakket matig baksteenhoudend, zwak dakpanhoudend, zwak aardewerkhoudend, zwak betonhoudend
A15-b-3
A15-b (0,50 - 0,70)
uitsplitsing mmA3
koper, PAK, lutum en organische stof
A16-b-2
A16-b (0,30 - 0,80)
uitsplitsing mmA3
koper, PAK, lutum en organische stof
A17-b-2
A17-b (0,20 - 0,50)
uitsplitsing mmA3
koper, PAK, lutum en organische stof
mmA4
A10 (0,60 - 1,00) + A10 (1,00 - 1,50) + A11 (0,50 - 0,90) + A13 (0,50 - 0,90)
ondergrond (zwak baksteenhoudend)
standaardpakket
mmA5
A07 (0,60 - 1,00) + A09 (0,70 - 1,00) + A12 (0,50 - 0,80) + A13 (0,90 - 1,20) + A17 (0,50 - 0,80)
ondergrond (zintuiglijk schoon)
standaardpakket
ASB-1-1
B01/B02/B03) (0,00 - 0,01)
plaatmateriaal, maaiveld asbest (materiaal, kwalitatief) achter werkplaats
ASB-MMB1-1
B01 (0,00 - 0,10) + B03 (0,00 - 0,10)
verdachte laag zwak baksteenhoudend
asbest in grond
ASB-MB2-1
B02 (0,00 - 0,50)
verdachte laag zwak baksteenhoudend zwak betonhoudend
asbest in grond
C01-2
C01 (0,50 - 0,90)
verdachte laag zwak baksteenhoudend
lood, lutum en organische stof
C02-2
C02 (0,50 - 0,90)
verdachte laag zwak baksteenhoudend
lood, lutum en organische stof
C03-2
C03 (0,50 - 1,00)
verdachte laag zintuiglijk schoon
lood, lutum en organische stof
20 / 30
Terreindeel
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Bijzonderheden
Analysepakket
C04-2
C04 (0,50 - 1,00)
verdachte laag zintuiglijk schoon
lood, lutum en organische stof
C05-2
C05 (0,50 - 0,90)
verdachte laag zwak baksteenhoudend
lood, lutum en organische stof
C06-2
C06 (0,50 - 0,80)
verdachte laag matig baksteenhoudend zwak kolengruishoudend
lood, lutum en organische stof
De in tabel 7.6 genoemde analysepakketten bevat de volgende componenten: •
standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
•
asbest in grond/puin (fractie < 20 mm): droge stof, serpentijn asbest (chrysotiel) en amfibool asbest (amosiet, crocidoliet, anthophylliet, tremoliet en actinoliet).
Na bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit grondmengmonster mmA3 (verdachte bovengrond) is samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameters koper en PAK. De 2 grondwatermonsters zijn geanalyseerd op het volgende pakket: -
standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.
7.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de grond zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en indicatief getoetst aan de normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem (Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Econsultancy merkt op dat de beoordeling van de analyseresultaten in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit, indicatief is en daarmee een te verwachten bodemkwaliteitsklasse betreft. Afhankelijk van de beoogde locatie van hergebruik is een partijkeuring noodzakelijk. Een partijkeuring geeft een definitief uitsluitsel omtrent de milieuhygiënische kwaliteit en de hergebruiksmogelijkheden van de partij. Het toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in het toetsingskader en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus:
21541.001 versie D1
21 / 30
•
achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;
•
streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;
•
tussenwaarde: deze waarde ("T") is de helft van de som van de achtergrondwaarde (of in het geval van grondwater de streefwaarde) en de interventiewaarde. De tussenwaarde is de concentratiegrens waarboven in beginsel nader onderzoek moet worden uitgevoerd, omdat het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat;
•
interventiewaarde: deze waarde ("I") geeft het niveau voor verontreinigingen in grond en grondwater aan waarboven ernstige vermindering of dreigende vermindering optreedt van de functionele eigenschappen, die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij gehalten en/of concentraties boven de interventiewaarde is er sprake van een sterke verontreiniging. Bij overschrijding van de interventiewaarde wordt vaak een nader onderzoek uitgevoerd om de ernst van de verontreiniging en de spoedeisendheid van de sanering te bepalen. Wanneer het boven de tussenwaarde of interventiewaarde gelegen gehalte een natuurlijke oorsprong heeft, is uitvoering van vervolgonderzoek meestal niet noodzakelijk.
In bijlage 5a is de toetsingstabel opgenomen uit de eerder genoemde circulaires. Deze bijlage bevat de achtergrondwaarden en de interventiewaarden voor een standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum). De gemeten gehalten zijn door middel van een BoToVa-toetsing, met behulp van de door het laboratorium bepaalde waarden voor het organische stof- en lutumgehalte, omgerekend naar gehalten in een standaardbodem en vervolgens getoetst. De gebruikte analysetechnieken zijn weergegeven op de certificaten in bijlage 4a. Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt de volgende terminologie gebruikt: Grond: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
gehalte < achtergrondwaarde en/of detectielimiet; gehalte > achtergrondwaarde en < tussenwaarde; gehalte > tussenwaarde < interventiewaarde; gehalte > interventiewaarde.
Grondwater: - niet verontreinigd: - licht verontreinigd: - matig verontreinigd: - sterk verontreinigd:
concentratie < streefwaarde en/of detectielimiet; concentratie > streefwaarde en < tussenwaarde; concentratie > tussenwaarde < interventiewaarde; concentratie > interventiewaarde.
De analyseresultaten met betrekking tot asbest in bodem zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering. Het toetsingskader voor de beoordeling met betrekking tot asbest is als volgt omschreven.
21541.001 versie D1
22 / 30
De interventiewaarde voor asbest is gelijk aan de maximale hergebruikswaarde uit de Regeling bodemkwaliteit, welke de hergebruiksmogelijkheden van grond bepaalt en is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. Indien sprake is van een overschrijding van de hergebruikswaarde voor asbest in bodem (“interventiewaarde”) is tevens sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming, onafhankelijk van het bodemvolume waarin deze asbestgehalten zijn aangetoond. Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de hergebruikswaarde (50 mg/kg d.s.) is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de hergebruikswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de hergebruikswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Van de (bodem)lagen waarin asbest is aangetoond, is een berekening gemaakt van het asbestgehalte. Hiertoe is gebruik gemaakt van de navolgende formule:
C
m,i
=
(MK %k,i /100) / V ns ds
waarin: V (in dm3) Mk (in mg) %k,i Ns (in kg/dm3) ds
: volume (V) van de sleuf of het gegraven gat. : massa van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type "k" (bijvoorbeeld asbestplaatjes). : gemiddeld % van asbestsoort "i" (bijv. chrysotiel) in de verzamelde asbesthoudende materialen van type "k". : (stort)gewicht van de grond/puin. : percentage droge stof
7.6 Resultaten grond- en grondwatermonsters Tabel 7.7 geeft een overzicht van de parameters in de grond die de geldende toetsingskaders overschrijden en een indicatie met betrekking tot de te verwachten bodemkwaliteitsklasse. Tabel 7.7
Overschrijdingen toetsingskaders grond (standaardpakket)
Terreindeel
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > tussenwaarde
Gehalte > interventiewaarde
Indicatie bodemkwaliteitsklasse Bbk (*A)
Buitenterrein inclusief garage
mmA1
A03 (0,11 - 0,30) + A04 (0,15 - 0,40) + A05 (0,15 - 0,35)
lood PCB minerale olie
-
-
Industrie
mmA2 (*B)
A07 (0,00 - 0,40) + A08 (0,00 - 0,50) + A16 (0,00 - 0,30) + A17 (0,00 - 0,20)
-
-
-
AW
mmA3
A15 (0,50 - 0,70) + A16 (0,30 - 0,80) + A17 (0,20 - 0,50)
kwik lood zink
PAK
koper
NT
21541.001 versie D1
23 / 30
Terreindeel
Loodverontreiniging
(*A)
Monster
Monster/traject (in m -mv)
Gehalte > AW
Gehalte > tussenwaarde
Gehalte > interventiewaarde
Indicatie bodemkwaliteitsklasse Bbk (*A)
A15-b-3
A15-b (0,50 - 0,70)
-
PAK
-
Industrie
A16-b-2
A16-b (0,30 - 0,80)
-
-
-
AW
A17-b-2
A17-b (0,20 - 0,50)
PAK
-
-
AW (Wonen)
mmA4
A10 (0,60 - 1,00) + A10 (1,00 - 1,50) + A11 (0,50 - 0,90) + A13 (0,50 - 0,90)
kwik lood PAK
-
-
Wonen
mmA5
A07 (0,60 - 1,00) + A09 (0,70 - 1,00) + A12 (0,50 - 0,80) + A13 (0,90 - 1,20) + A17 (0,50 - 0,80)
kwik lood PAK
-
-
Wonen
C01-2
C01 (0,50 - 0,90)
-
-
-
AW
C02-2
C02 (0,50 - 0,90)
-
-
-
AW
C03-2
C03 (0,50 - 1,00)
-
-
-
AW
C04-2
C04 (0,50 - 1,00)
-
-
-
AW
C05-2
C05 (0,50 - 0,90)
-
-
-
AW
C06-2
C06 (0,50 - 0,80)
lood
-
-
Wonen
De weergegeven indicatieve beoordeling geldt voor de situatie "Grond, toepassing op landbodem": AW = toepasbaar voldoet aan Achtergrondwaarde wonen = toepasbaar (functieklasse wonen) industrie = toepasbaar (functieklasse industrie) NT = niet toepasbaar De indicatieve beoordeling AW/Wonen/Industrie is gebaseerd op: - Er is geanalyseerd op het standaardpakket - Het aantal stoffen dat de achtergrondwaarde overschrijdt <= 2 is - De overschrijding(en) niet meer dan twee keer de Achtergrondwaarde betreffen - De overschrijdingen lager zijn dan de toetsingsgrens ‘Max. wonen’ Een partijkeuring (BRL SIKB 1000, protocol 1001) zal echter definitief uitsluitsel kunnen geven of er sprake is van grond klasse AW/Wonen/Industrie.