1. Zienswijzennota
Tekst van het document
Zienswijzennota Bij het raadsvoorstel tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug
Deze zienswijzennota hoort bij het raadsvoorstel over de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan conform het TAM-omgevingsplan Oud Avereest 31 Balkbrug. Dat plan heeft tot doel: -
het wijzigen van de natuurbestemming in een agrarische bestemming op een
-
het wijzigen van de agrarische bestemming in een natuurbestemming op het
deel van het naastgelegen perceel aan de noordkant van Oud Avereest 31;
te ruilen perceel 4060 aan Oud Avereest (ter oriëntatie: het tweede perceel ten zuiden van Oud Avereest 2).
1. Terinzagelegging Op 23 december 2025 is bekend gemaakt dat een ontwerp wijziging van het omgevingsplan is voorbereid. De ontwerp wijziging lag ter inzage van woensdag 24 december 2025 tot en met
dinsdag 3 februari 2026. Gedurende deze termijn kon iedereen een zienswijze indienen.
2. Zienswijzen Er zijn drie reacties ontvangen. Ze zijn allen binnen de termijn ingediend. 2.1 Zienswijzen Natuurbeschermingswacht. Samengevat voert de Natuurbeschermingswacht aan: 1. Dat het advies van het waterschap niet volledig is en niet is overgenomen;
2. Dat onvoldoende invulling is gegeven aan de verslechteringsverboden van de Kaderrichtlijn Water en de Habitatrichtlijn;
3. Dat het plan passend moet worden beoordeeld, zowel qua stikstof als qua gevolgen van gebruik of aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen die kunnen komen uit machines, spoelinrichtingen, en plantmateriaal als qua overige planologische mogelijkheden (kampeermiddelen, verkeer, emissies);
4. Dat bestrijdingsmiddelen zich over een afstand van ten minste 7 kilometer kunnen verspreiden;
5. Dat een aantal toegelaten bestrijdingsmiddelen PFAS bevatten, die zich over zeer grote afstanden kunnen verspreiden;
6. Dat het bedrijf geen toekomst heeft, omdat sierteelt met name door het gebruik van
bestrijdingsmiddelen nu en in de toekomst verboden is. Een vergunning kan niet worden 1 van 5
gegeven. In Overijssel staat nu nog een vrijstelling in de Natura 2000-beheerplannen, maar
die vrijstelling kan niet blijven bestaan in de volgende beheerplannen. Reactie
a. Deze zienswijzen betreffen met name het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit gebruik hoort landelijk gereguleerd te worden of eventueel op het niveau van het
waterschap, maar niet op het postzegelniveau van deze wijziging. Als er een landelijk verbod komt op het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zal
initiatiefnemer daaraan moeten voldoen. Hij heeft aangegeven daaraan dan ook te willen voldoen.
b. In relatie tot gewasbeschermingsmiddelen verwacht de rechtspraak wel sturing van de
gemeente in situaties waarbij gevoelige objecten worden geplaatst naast agrarische grond
waar wordt gespoten met bepaalde gewasbeschermingsmiddelen. Dat is hier niet het geval. Dit plan ziet enkel op een vergroting van het bedrijfsperceel van het bedrijf, met als eerste doel om meer manoeuvreerruimte te krijgen en op termijn meer bebouwde ruimte te hebben.
c. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn milieueisen opgenomen. Denk aan regels voor
de opslag van mest, brandstoffen en gewasbeschermingsmiddelen, regels over lozingen op oppervlaktewater, bodem en riool, regels over het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen, regels over bodembeschermende voorzieningen en
zorgplichten. De milieueisen die gelden voor het huidige bouwperceel gelden ook voor het vergrote bouwperceel.
d. Gelet op de kenmerken van het project (meer manoeuvreerruimte en een schuur erbij met
gelijkblijvende milieuregels) en op de plaats van het project (een strook agrarisch gebruikte grond ten noorden van het huidige bouwperceel op dezelfde afstand tot oppervlaktewater als het huidige bouwvlak) zijn de potentiële effecten niet anders dan in de huidige situatie.
e. Het gemeentelijk beleid is niet gericht op het beperken van agrarische bedrijven, ook niet f.
van een bloembollenbedrijf.
De toekomst van het bedrijf speelt bij de afweging over de toelaatbaarheid slechts een
beperkte rol. Alleen als het plan evident niet uitvoerbaar is, is dat voor de gemeente reden om af te zien van medewerking. Dat is niet het geval. Ook als de regelgeving over gewasbeschermingsmiddelen strenger wordt zullen er toegelaten
gewasbeschermingsmiddelen blijven, bijvoorbeeld biologische. Het hoeft niet het einde van het bollenteeltbedrijf te betekenen.
2.2 Zienswijzen omwonenden Samengevat voeren omwonenden aan: 1. Dat zij zich zorgen maken over het overmatig gebruik van spuitmiddelen voor gewassen,
waarvan algemeen bekend is dat zij invloed hebben op de gezondheid van mens en dier;
2 van 5
2. Dat andere gemeenten (Westerveld en Twenterand) om die reden besloten hebben deze sector niet verder te laten groeien. Het is dan vreemd als Hardenberg dit bedrijf wel laat groeien en zelfs bereid is een stuk natuurterrein hiervoor op te offeren.
3. Dat bollen een sierproduct zijn en geen enkele maatschappelijke diepgang hebben. 4. Dat het daarom onwenselijk dat het bedrijf zijn activiteiten uitbreidt. Reactie a. Deze zienswijzen betreffen met name het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Wij begrijpen de zorgen over de gezondheidseffecten, maar het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen hoort landelijk gereguleerd te worden, niet op het
postzegelniveau van deze wijziging. Als er een landelijk verbod komt op het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen en biociden, zal initiatiefnemer daaraan moeten voldoen. Hij heeft aangegeven daaraan dan ook te willen voldoen.
b. In relatie tot gewasbeschermingsmiddelen verwacht de rechtspraak wel sturing van de
gemeente in situaties waarbij gevoelige objecten worden geplaatst naast agrarische grond
waar wordt gespoten met bepaalde gewasbeschermingsmiddelen. Dat is hier niet het geval. Dit plan ziet enkel op een vergroting van het bedrijfsperceel van het bedrijf, met als eerste doel om meer manoeuvreerruimte te krijgen en op termijn meer bebouwde ruimte te hebben.
c. De beoogde locatie heeft een natuurbestemming maar wordt feitelijk agrarisch gebruikt.
Daardoor gaan er feitelijk geen natuurwaarden verloren, in de zin van beschermde planten
of dieren. Een agrarisch perceel met bijvoorbeeld rogge kan ook worden ervaren als natuur. Echter, in de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied wordt er een onderscheid
gemaakt tussen een agrarische functie en een natuurfunctie. Door de beoogde verharding en bebouwing gaat er wel onbebouwde ruimte verloren, maar dit wordt aanvaardbaar geacht. De natuurbestemming wordt elders gecompenseerd.
d. Het gemeentelijk beleid is niet gericht op het beperken van agrarische bedrijven, ook niet van een bloembollenbedrijf. De gemeente heeft geen mening over de maatschappelijke diepgang van bloembollen. De gemeente laat dit over aan vraag en aanbod.
e. Zoals gezegd moeten regels over gewasbeschermingsmiddelen van de landelijke overheid komen. Overigens is de groei van een akkerbouwbedrijf met wisselteelt maar deels
afhankelijk van de grootte van het bedrijfsperceel. Die groei wordt ook bepaald door de (on)mogelijkheden om grond in te zetten voor teelt. Nederland is een land waar veel
functies om ruimte vragen. Om die reden zitten er sowieso grenzen aan de groei. Dat in dit geval wordt meegewerkt is omdat, alles afwegend, er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (voorheen een goede ruimtelijke ordening). 2.3 Zienswijzen Waterschap Drents Overijsselse Delta Samengevat voert het waterschap aan: 1. Dat bij extreme neerslag wateroverlast verwacht kan worden. Dit aandachtspunt is niet terug te vinden in de toelichting. Verzocht wordt hier wel rekening mee te houden.
3 van 5
2. Dat een onjuiste waterbergingseis is opgenomen in de voorwaardelijke verplichting. De
waterbergingseis is 80 mm per vierkante meter toename aan verhard oppervlak. Dit komt neer op 8 m3 per 100 m2 toename verhard oppervlak, niet 80 m3.
Reactie a. Initiatiefnemer is ervan op de hoogte.
b. Dank voor de opmerkzaamheid. Dit wordt aangepast. In artikel 6.7.3 lid 1 wordt “80 m3 per 100 m2 verhard oppervlak” veranderd in “8 m3 per 100 m2 verhard oppervlak”.
Conclusie De zienswijze van het waterschap geeft aanleiding om het plan aan te passen ten opzichte van het ontwerp. In artikel 6.7.3 lid 1 wordt “80 m3 per 100 m2 verhard oppervlak” veranderd in “8 m3 per 100 m2 verhard oppervlak”.
4 van 5
5 van 5