CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting vastgesteld bp Sint Annastraat.pdf

Gemeenteraad 16 februari 2023, gemeente HalderbergeBij agendapunt: Vergaderstukken COMMISSIE B&O 1.2.2317.922 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De gemeente zal de inrichting van de openbare ruimte van het Sint Annaplein voor haar rekening nemen. De ontwikkelaar en de gemeente zijn ook overeengekomen dat de gemeente zal voorzien voor voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de overige nog aanwezige functies op het Sint Annaplein (die geen deel uit maken van voorliggend bestemmingsplan). Er is een parkeer(druk)onderzoek uitgevoerd. Deze is als Bijlage 8 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Voor de benodigde parkeerplaatsen van de toekomstige bewoners van Sint Anna komt uit het onderzoek en de berekening dat het op de momenten dat er veel bewoners geparkeerd staan (zaterdagavond en nacht) het in de bestaande situatie ook al druk is in het gebied binnen 100 meter loopafstand van Sint Anna. Daarnaast wil de gemeente de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeteren en daarvoor parkeerplaatsen inruilen voor groen. Met de nieuwe parkeerlocaties op het Sint Annaplein en aan de Lollestraat zijn er in de toekomstige situatie ook nog voldoende parkeerplaatsen om ervoor te zorgen dat alle bewoners van Sint Anna een parkeerplaats hebben binnen de 100 meter loopafstand zonder dat de bezettingsgraad boven de 90% komt. In de planregels (artikel 11.1) is de parkeerregeling opgenomen om zodoende te waarborgen dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.

4.5

Waterhuishouding

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

Waterbeleid Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen de ‘uitgangspunten watertoets’:

32

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Voorkomen van vervuiling. Wateroverlast vrij bestemmen. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO). Vuil water en hemelwater scheiden. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. Waterschapsbelangen. Meervoudig ruimtegebruik. Water als kans.

In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De waterschappen hebben bij de Keurregels enkele hydrologische uitgangspunten opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist.

GRP Halderberge, 2020-2023 Op 29 mei 2020 is het Gemeentelijk RioleringsPlan Halderberge (GRP) in werking getreden. In dit plan wordt beschreven hoe de gemeente het stedelijk watersysteem in de huidige situatie functioneert en met welke uitdagingen en ontwikkelingen men in de nabije toekomst te maken krijgt. Dit dient als vertrekpunt voor de visie op lange termijn en de strategie op korte termijn. Zorgplicht Hemelwater De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is

33

primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren. Bergingseisen voor nieuwe ontwikkelingen:

Toelichting: Voor iedere ontwikkeling die leidt tot nieuwe verharding, ongeacht de omvang van deze ontwikkeling, geldt een bergingseis van 7 mm voor de eerste 1.000 m2. Voor verharding boven de 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de keur. Voor ontwikkelingen op bestaande verharde locaties (inbreidingen, verbouwingen, herstructureringen) met een oppervlak groter dan 1.000 m2 geldt een bergingseis van 60 mm voor het totale oppervlak. Voorkeursvolgorde: De voorkeur bij retentievoorzieningen gaat uit naar vasthouden. De gemeente heeft een voorkeur voor retentievoorzieningen die infiltratie van regenwater bevorderen of realisatie van oppervlaktewater (sloten, greppels en vijvers). Slechts in het geval dat bovengrondse retentie niet mogelijk blijkt te zijn, kunnen maatregelen zoals ondergrondse bergingskelders (bergen) of verruimen van de (regenwater)riolering (afvoeren) worden toegepast.

Situatie plangebied Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland wordt het maaiveld gekenmerkt door een hoogteverloop van circa 5,3 m +NAP ten hoogte van de Markt in het zuiden tot circa 1,5 m +NAP ten hoogte van het Doelpad in het noorden. Bodem In 2017 is, op het binnenterrein van het Sint Annagebouw, door Kragten een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het locatie specifiek onderzoek, uitgevoerd op 12 april 2017, blijkt de bovengrond voornamelijk te bestaan uit zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand. Grondwater Tijdens het locatie specifiek onderzoek (bodemonderzoek) is een peilbuis (filterstelling 4,6-5,6 m -mv) geplaatst. De grondwaterstand is voorafgaand aan de bemonstering op 19 april 2017 gemeten en bedraagt 3,8 m-mv. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen grondwatermeetnet in beheer waarin op meerdere locaties de grondwaterstand wordt gemonitord. In de omgeving van het plangebied zijn in het meetnet enkele grondwatermeetpunten beschikbaar. De GHG hiervan varieert tussen de 2,40 en 4,90 m + NAP. Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 2 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ± 3,3 m -mv bevinden ten hoogte van de Markt in het zuiden en op ± 0,5 m -mv ten hoogte

34

van het Doelpad in het noorden. Op basis van gegevens uit de Klimaateffectatlas is de GHG in het zuidelijk deel van de planlocatie dieper gelegen dan 2 m -mv. In het noorden van de planlocatie is de GHG gelegen tussen de 0,8 - 1 m -mv. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Brabantse Delta is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen.

Waterbergingsopgave In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

In het planvoornemen worden twee bestaande gebouwen enkel inpandig verbouwd. Op deze locaties is geen sprake van sloop en/of nieuwbouw. Dit betekent dat het nieuw toekomstig verhard oppervlak 2.000 m2 (3.045 m2 - 1.045 m2) bedraagt. In de toekomstige situatie is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een afname van het verhard oppervlak. Conform het beleid van gemeente Halderberge geldt voor het nieuw toekomstig verhard oppervlak een bergingseis van 60 mm. Ten aanzien van de ontwikkeling en het nieuw verhard oppervlak is een compenserende berging benodigd van 120 m3 (2.000 m2 x 0,06 m). In overeenstemming met de gemeente is afgesproken dat 122,7 m3 wordt gerealiseerd in een waterbergende voorziening in openbaar gebied. De initiatiefnemer koopt deze waterbergende voorziening eenmalig af. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Hemelwatervoorziening Binnen de planlocatie is geen ruimte beschikbaar om hemelwater boven- of ondergronds te bergen.

Gezocht moet worden naar berging van hemelwater in de openbare ruimte. De gemeente neemt de ontwikkeling van het openbare gebied voor haar rekening. Een mogelijkheid is om de benodigde berging te verwerken in de beoogde vijvers in het westen. In overeenstemming met de gemeente is afgesproken dat 122,7 m3 wordt gerealiseerd in een waterbergende voorziening in openbaar gebied. De initiatiefnemer koopt deze

35

waterbergende voorziening eenmalig af. Bij de bouwwerkzaamheden wordt verzocht om het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen toe te passen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

4.6

Flora en fauna

Voor de bescherming van plant- en diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. In het kader van meerdere ontwikkelingen in de gemeente is in 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als Bijlage 10 bijgevoegd. Hieronder worden de conclusies weergegeven.

4.6.1

Quickscan 2017

Beschermde soorten Algemeen voorkomende diersoorten – rekening houden met zorgplicht Het plangebied bestaat grotendeels uit verharding en bevat enkel ter plaatse van de vegetatie een onverharde bodem. Het plangebied biedt derhalve geen geschikt leefgebied voor algemeen beschermde diersoorten, zoals mol, egel en diverse muizensoorten. Het valt echter niet uit te sluiten dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden individuen van algemeen voorkomende diersoorten worden aangetroffen binnen het plangebied. Het is derhalve mogelijk dat kleine zoogdiersoorten gedood worden (Wnb artikel 3.10.a.). De mogelijk voorkomende zoogdiersoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.

Broedvogels – rekening houden met broedseizoen Het rooien van de bomen en vegetatie binnen het plangebied en het slopen van de muziekschool leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij het rooien van de bomen en vegetatie binnen het plangebied en het slopen van de muziekschool. Er dient derhalve gerooid en gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.

36

Indien niet mogelijk is om te rooien en slopen buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de te rooien bomen en vegetatie en/of in de te slopen bebouwing. Indien nesten afwezig zijn, kunnen de bomen en/of de bebouwing vrijgegeven worden voor de rooi-/sloopwerkzaamheden. Huismus en Gierzwaluw Beide gebouwen binnen het plangebied bieden in potentie geschikte nestplaatsen voor de huismussen en gierzwaluwen. Het slopen van de muziekschool leidt derhalve mogelijk tot het het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) of het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Tijdens het veldbezoek kon echter niet uitgesloten worden of dat nesten van de huismus of gierzwaluw aanwezig zijn binnen het plangebied. Middels aanvullend onderzoek conform de Soortenstandaard Huismus en de Soortenstandaard Gierzwaluw (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland), dient in kaart gebracht te worden of dat nesten van huismus of gierzwaluw aanwezig zijn in de te slopen muziekschool. Voor het St. Annagebouw is momenteel enkel een inpandige verbouwing voorzien. Wanneer hierbij de uitwendige constructies van het gebouw (buitenmuren, pannendak, boeiboorden, dakkapellen, etc.) behouden blijven en niet aangetast worden, kunnen effecten op huismus en gierzwaluw uitgesloten worden.

Indien er echter wel werkzaamheden aan de uitwendige constructie van het St. Annagebouw plaatsvinden, is ook voor dit gebouw een aanvullend onderzoek noodzakelijk om in kaart te brengen of dat de werkzaamheden een effect hebben op huismussen en gierzwaluwen. Vleermuizen De muziekschool binnen het plangebied is geschikt bevonden als kraam-, zomer-, paaren/of winterverblijf voor vleermuizen. Holten in de muur, ruimte tussen boeiboorden en stootvoegen geven toegang tot de spouw voor kleine gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis. De spouw is als geïsoleerde ruimte uitermate geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Indien vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing kan de sloop van het gebouw leiden tot het doden van vleermuizen (Wnb artikel 3.5.1.), verstoren van vleermuizen (Wnb artikel 3.5.2.) en/of het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen (Wnb artikel 3.5.4.). Doordat tijdens het veldbezoek niet uitgesloten kon worden dat vleermuizen gebruik maken van de muziekschool, dient een aanvullend vleermuizenonderzoek met batdetectors plaats te vinden conform het Vleermuisprotocol 2017 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus). Voor het St. Annagebouw is momenteel enkel een inpandige verbouwing voorzien.

Wanneer hierbij de uitwendige constructies van het gebouw (buitenmuren, pannendak, boeiboorden, dakkapellen, etc.) behouden blijven en niet aangetast worden, kunnen effecten op vleermuizen uitgesloten worden. Indien er echter wel werkzaamheden aan de uitwendige constructie van het St. Annagebouw plaatsvinden, is ook voor dit gebouw een vleermuizenonderzoek noodzakelijk om in kaart te brengen of dat de werkzaamheden een effect hebben op vleermuizen. Steenmarter Tot slot biedt het St. Annagebouw potentieel geschikt nestgebied voor de steenmarter. De inpandige verbouwing van het gebouw leidt derhalve mogelijk tot het doden van steenmarters (Wnb artikel 3.5.1.), verstoren van steenmarters (Wnb artikel 3.5.2.) en/of het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van steenmarters (Wnb artikel 3.5.4.). Tijdens het veldbezoek kon echter niet uitgesloten worden dat de steenmarter gebruik maakt van het St. Annagebouw. Middels een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van een steenmarterverblijf in het St. Annagebouw dient onderzocht te worden of de steenmarter van het gebouw gebruikt maakt als verblijfplaats. Beschermde gebieden Negatieve effecten op Natura2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en bomen

37

beschermd volgens de Wet natuurbescherming worden niet verwacht. omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is evenmin aan de orde.

4.6.2

Een

Vervolg

In verband met het mogelijk aantreffen van beschermde soorten is een aanvullend onderzoek uitgevoerd, deze is als Bijlage 11 toegevoegd. Als gevolg van negatieve effecten op de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis dienen compenserende maatregelen te worden genomen als ook ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Deze ontheffing is op 15 juni 2020 verleend. De ontheffing is als Bijlage 12 toegevoegd. Vervolgens hebben zich wijzigingen voorgedaan in de voormalige beoogde plannen. Zo wordt de muziekschool, in tegenstelling tot waar de ontheffing voor is verleend, niet meer gesloopt. Wel wordt de recente westelijke vleugel bij het Sint Annagebouw gesloopt. Hierdoor verdwijnt een zomerverblijf. De voorwaarden met betrekking tot verstoren van vleermuizen blijven behouden. De compenserende en mitigerende maatregelen blijven ook onveranderd in de toekomstige situatie. Door Kragten is hiervoor een wijzigingsverzoek op de ontheffing ingediend. Deze is als Bijlage 13 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Omdat voornoemde onderzoeken reeds verouderd zijn en derhalve niet meer actueel en omdat het huismussen onderzoek destijds niet volledig is afgerond heeft een actualisatie plaatsgevonden van de eerder uitgevoerde quickscan.

4.6.3

Actualisatie quickscan 2022

Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek 2022, blijkt dat met de voorliggende werkzaamheden negatieve effecten veroorzaakt kunnen worden op een aantal beschermde diersoorten. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. In de onderstaande tabel zijn alle soorten opgenomen die uit het verkennend onderzoek naar voren zijn gekomen en waar aanvullend onderzoek en/of aanvullende maatregelen voor getroffen dienen te worden.

38

Op basis van de gewijzigde plannen is een wijzigingsverzoek ingediend ten aanzien van de eerder verleende ontheffing. Het wijzigingsverzoek en daarmee de gewijzigde ontheffing is begin augustus 2022 verleend. De ontheffing is als Bijlage 14 toegevoegd aan het bestemmingsplan. De ontheffing heeft betrekking op de verstoring van vleermuizen. Voor de overige beschermde soorten zijn geen vervolgacties benodigd, dan wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Ten aanzien van de gebiedsbescherming dient een stikstofdepositieonderzoek te worden uitgevoerd. Deze komt in paragraaf 4.7 aan bod.

4.6.4

Schouw 12 september 2022

In het kader van het zorgvuldig handelen (zorgplicht) heeft Kragten, conform de bepalingen in de verkregen ontheffing, ten behoeve van de start van sloopwerkzaamheden nog een schouw (naar de vleermuis) uitgevoerd. Hieruit zijn de volgende conclusies getrokken: Vleermuizen zijn in dezelfde aantallen en soorten aanwezig als destijds gerapporteerd in de onderzoeken welke ten grondslag liggen aan de verkregen ontheffing. Het veldbezoek geeft géén aanleiding om aan te nemen dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de binnentuin en is daarmee in lijn met het vleermuisonderzoek in 2018. De vervallen staat van bebouwing (met name de lekkende dakgoten ter plaatse van de binnentuin) versterken het beeld dat er in deze binnentuin géén verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De uitgevoerde schouw is daarmee geheel in lijn van de eerdere bevindingen in de opgeleverde rapportages welke ten grondslag liggen aan de verkregen ontheffing.

Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing voor alle andere (al dan niet beschermde) soorten: een ieder dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende planten en dieren. Schadelijke handelingen zoals het doden, opzettelijk verontrusten, verstoren of vernietigen van dieren en hun vaste rust- en verblijfplaatsen, hun

39

holen, nesten, eieren rapen, net als het uitgraven, plukken en vernietigen van groeiplaatsen van planten, zijn verboden.

4.7

Stikstofdepositie

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De uitspraak van de Raad van State betekent dat de PAS niet langer voldoet. Hiermee is de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar komen te vervallen. De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000- gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatie typen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen of buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstelling van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Hieronder vallen ook (bouw)activiteiten die mogelijkerwijs leiden tot een toename stikstofdepositie in een beschermd natuurgebied. Sinds 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden.

Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit. Hierin is geregeld dat een vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Derhalve dient aangetoond te worden dat een nieuwe ontwikkeling géén negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000 gebieden. Indien een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee kan het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden. Beoordeling en conclusie In voorliggende situatie betreft het 51 wooneenheden.

Het dichtstbijzijnde natura 2000-gebied waarbij sprake is van stikstofgevoelige habitattypen, is gelegen op een afstand van meer dan 10 km van het plangebied. De berekening van de stikstofdepositie in de gebruiks- en aanlegfase is uitgevoerd met de Aerius calculator (versie 2021.1.1). De rapportages zijn opgenomen in respectievelijk Bijlage 15 en Bijlage 16. Op basis van de uitgevoerde berekening is geconcludeerd dat bij de te beschermen gebieden geen bijdrage [0,00 mol/ha/jaar] wordt berekend.

40

4.8

Cultureel erfgoed

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

4.8.1

Cultuurhistorie

Provincie Noord-Brabant Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt geconcludeerd dat in het plangebied zelf het Pensionaat is aangewezen als 'overige bouwkunst'. Dit betreft panden die zijn pand aangewezen als MIP-object. Dit zijn objecten die tijdens het Monumenten Inventarisatie Project van het RCE (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) als bouwkundig waardevol zijn aangemerkt. Het Pensionaat wordt enkel inpandig verbouwd en behoudt zijn monumentale uitstraling en status. In de nabije omgeving zijn meer panden aangeduid als 'overige bouwkunst', en zo is de Basiliek aangeduid als 'rijksmonument'. De Markt is daarnaast aangeduid als historische geografische lijn met een redelijke hoge waarde. De beoogde ontwikkeling wijzigt niks aan de Markt en deze zal zijn historische waarden ook behouden. Het gehele plangebied maakt tevens uit van een gebied dat is aangeduid als 'historische stedenbouw'. Deze aanduiding is in het vigerende bestemmingsplan doorvertaald met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie historische bebouwing' en is daarnaast overeenkomstig het welstandbeleid van de gemeente Halderberge. Naast bovenstaande is het gebied ook aangeduid als 'West-brabantse Venen'. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden.

De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. De strategie voor deze gebieden luidt: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio. 2. De relicten van de veenontginningsgeschiedenis gebruiken als inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen zodat deze structuren weer zichtbaar worden in het landschap. Dit kan onder andere door: in te zetten op het behoud dan wel het herstel van het zicht op de grote kerken als de basiliek van Oudenbosch. De bouwplannen zullen worden voorgelegd aan de monumenten- en welstandscommissie ter waarborging van de bouwkunst.

41

Figuur 4.2 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant (plangebied is oranje omlijnd)

Gemeente Halderberge Het gemeentebestuur van Halderberge wil met de Beleidsnota cultureel erfgoed Halderberge - Inspirerend verleden (2011) naar een beleid waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. Hoeven kan gekenmerkt worden als een middeleeuwse randhoevennederzetting, met een systematische lineaire opzet. De stedenbouwkundige ontwikkelingen in de periode 1850-1940 die zich in Hoeven hebben voorgedaan zijn over het algemeen zeer kleinschalig van karakter. De cultuurhistorische waarde van het centrum van Oudenbosch schuilt voor een belangrijk deel in de monumentale religieuze gebouwen en complexen die herinneren aan het „rijke Roomse leven" van de negentiende en twintigste eeuw. Oudenbosch was daardoor uitgegroeid tot een van de meest vooraanstaande onderwijscentra van Noord-Brabant. In 1837 werd in Oudenbosch een zusterhuis, het latere Sint Anna, gevestigd. Deze instelling ontwikkelde zich in korte tijd tot meisjesschool en ook de meisjescongregatie vond er onderdak. Zeker is, dat (religieuze) onderwijsactiviteiten hun stempel hebben gedrukt op het gebied dat wordt begrensd door de Markt, de Lollestraat, de spoorlijn en de Molenstraat. De gebouwen van St. Anna hebben nog lange tijd onderdak geboden aan het gemeentehuis. De kapel was toen als raadszaal in gebruik.

42

Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Halderberge (plangebied met gele pijl aangegeven)

4.8.2

Archeologie

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische en archeologische elementen aangegeven. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is de locatie gelegen niet voorzien van een archeologische verwachtingswaarde. Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden', 2011 Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Bij alle ruimtelijke plannen en ruimtelijke ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen.

43

Figuur 4.3 Uitsnede archeologische advieskaart (kaartbijlage 4a, buitegebied), Gemeente Halderberge (plangebied is geel omlijnd)

Figuur 4.4 Uitsnede archeologische advieskaart (kaartbijlage 5a, kern Oudenbosch), Gemeente Halderberge (plangebied is paars omlijnd)

Op basis van bovenstaande archeologische advieskaart ligt het plangebied in een gebied dat is aangeduid als 'historische bebouwing' (figuur 4.3) en 'kern en verspreide bebouwing' (figuur 4.4). Tevens is het voormalige klooster (OGM32 in figuur 4.4) aangeduid als gemeentelijk monument. In het vigerende bestemmingsplan 'Kom Hoeven' is het e.e.a vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie Historische Bebouwing'. Hierin is aangegeven dat vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing enkel is toegestaan wanneer het oppervlakte op of onder peil niet wordt uitgebreid. Daarnaast geldt dat wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 60 cm-mv of er

44

vindt verstoring plaats over een oppervlak van meer dan 30 m2 er archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Zoals in bovenstaande figuur is te zien is voor een gedeelte van het plangebied in het verleden reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Door Transect is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied. De rapportage is als Bijlage 17 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Beoordeling en conclusie Uit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Bronstijd vanwege de ligging op een hoge (dek)zandrug die relatief laat onder veen zal zijn verdwenen. Totdat het terrein vernatte gedurende de Bronstijd heeft het een gunstige locatie voor bewoning gevormd. In de omgeving van het plangebied zijn nog geen vindplaatsen bekend uit deze periodes, maar dit sluit de aanwezigheid ervan in het plangebied niet uit. Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied in de historische kern van Oudenbosch. Oudenbosch is op deze locatie na de Sint Elisabethsvloed in 1421 gesticht. Op basis van topografische kaarten is het plangebied in met name het zuiden bebouwd geweest en in het noorden in gebruik geweest als moestuin. In het plangebied geldt hierom een hoge verwachting op de aanwezigheid van bebouwingresten en resten van landgebruik uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Advies Op basis van onderhavig archeologisch onderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. In het plangebied bestaat het voornemen om woningen en appartementen te realiseren. Hiervoor zijn in delen van het plangebied sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden voorzien.

De funderingen van de nieuwbouw worden op circa 90 cm -peil aangelegd en zullen voor een bodemverstoring zorgen. Ook de sloopwerkzaamheden kunnen voor een (verdere) verstoring van archeologische waarden in de ondergrond zorgen. Er wordt daarom geadviseerd om de archeologische verwachting aanvullend te toetsen door middel van het uitvoeren van een verkennend en karterend vervolgonderzoek. Dit kan gezien de verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd en het gegeven dat het plangebied grotendeels bebouwd is, kan dit het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd ná de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing. Voor het uitvoeren van een gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat door de gemeente is beoordeeld en goedgekeurd. Voor de delen van het plangebied waar alleen een renovatie plaatsvindt wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd aangezien hier geen nieuwe bodemingrepen plaatsvinden.

4.9

Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1

45

augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen. Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de Wet luchtkwaliteit als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd.

Beoordeling De ontwikkeling voorziet in realisatie van 51 wooneenheden en ligt daarmee ruim onder de hiervoor genoemde grenzen. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Desalniettemin dient de blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties van het meest nabijgelegen rekenpunten aan de Markt voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Figuur 4.4 Concentraties lok ale luchtkwaliteit

46

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden en in de toekomst af zal nemen.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het vaststellen van het voorliggende bestemmingplan. Er is, ten aanzien het aspect luchtkwaliteit, tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.10

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik gemaakt van de "Risicokaart Nederland".

Figuur 4.4 Uitsnede Risicok aart Nederland (plangebied is paars omcirkeld)

Beoordeling Bevi-inrichting

47

Zoals op bovenstaande afbeelding is te zien dat de dichtstbijzijnde inrichting met gevaarlijke stoffen op een afstand van circa 315 meter is gelegen.De risicocontouren van deze inrichtingen reiken niet tot aan het plangebied. Dit betreft tankstation JORA. Hier was in het verleden LPG aanwezig maar de gevaarlijke gas LPG wordt inmiddels niet meerverkocht waardoor geen sprake meer is van risicocontouren. Spoorlijn De spoorlijn die door de kern Oudenbosch loopt is gelegen op een afstand van 250 meter van het plangebied. Voor de trajecten van het doorgaande spoor, ter hoogte van het plangebied, geldt op grond van het Basisnet Spoor, dat er sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van 18 meter vanaf het hart van het doorgaand spoor. Het plaatsgebonden risico reikt niet tot aan het plangebied. Het plangebied is eveneens niet gelegen in het plasbrandaandachtsgebied (PAG), dat zich uitstrekt tot 30 meter vanaf het doorgaande spoor. Dit aspect is daarom niet aan de orde. Wanneer een locatie is gelegen op meer dan 200 meter van een transportroute is een berekening van het groepsrisico niet nodig aangezien de toevoeging van personen op deze afstand niet meer van invloed is op de hoogte van het groepsrisico. Als gevolg van de stofcategorie zeer toxische gassen (B3) en vloeistoffen (D4) bedraagt de maximale effectafstand echter wel 4 km.

Dat betekent dat bij een calamiteit iedereen en/of de gebouwen binnen 4 km van het spoor hier gevolgen van kan hebben. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan ook noodzakelijk. Hiervoor kan het standaard advies en standaard verantwoording van de gemeente Halderberge gebruikt worden. Deze zijn respectievelijk als Bijlage 18 en Bijlage 19 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Buisleidingen Op circa 1,2 km is een buisleidingenstraataanwezig. Deze straat bestaat enerzijds uit een aardgastransportleiding en anderzijds de pijpleiding Rotterdam - Antwerpen. De aardgastransportleiding kent de volgende kenmerken: Uitwendig diameter Maximale werkdruk Z-529-27 16 inch

66,2 bar

100% letaliteitsgrens 100 meter

1% letaliteitsgrens 210 meter

Hieruit is op te maken dat het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de aardgastransportleiding. De brandstofleiding Rotterdam-Antwerpen betreft een leiding waardoor petroleum getransporteerd wordt. Deze leiding kent de volgende kenmerken Stofnaam

PR 10-6

RAPL maatschappij Petroleum

34 meter

1% letaliteitsgrens Diameter Max. werkdruk 45 meter 34 inch 52 bar

De leiding heeft een PR 10-6 contour van 34 meter. Het invloedsgebied van leidingen waardoor aardolieproducten worden vervoerd is beperkt (45 meter) en reikt niet tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. De leiding is derhalve niet relevant voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

Beperkte verantwoording groepsrisico a. zelfredzaamheid

48

Gezien de afstand van de spoorlijn tot het plangebied dient rekening te worden gehouden met het risico van een toxische wolk. In geval van het zich voordoen van een scenario met een toxische wolk, dienen bewoners de ramen en deuren te sluiten en eventuele luchtbehandelingsystemen af te sluiten. Geadviseerd wordt bij de nieuwbouw maatregelen te treffen ten aanzien van luchtdichtheid (en toepassing van een centrale afzetmogelijkheid van ventilatie- en aircosystemen. Bij de nadere uitwerking van bouwplannen dient hiermee rekening gehouden te worden. Aangenomen word dat de bewoners zich zelfstandig kunnen voortbewegen en in veiligheid kunnen brengen bij eventuele calamiteiten. Er is geen sprake van een zorg gerelateerde zorgfunctie ter plaatse. b. bestrijdbaarheid Bij eventuele calamiteiten is de brandweer tijdig ter plaatse. In de omgeving van het plangebied moet een bluswatervoorziening aanwezig zijn die binnen drie minuten na aankomst van een tankautospuit deze van bluswater kan voorzien.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

m.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot

49

m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die mogelijk wordt gemaakt (realisatie 51 wooneenheden) valt binnen onderdeel D. (D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Wanneer de drempelwaarden uit kolom 1 van onderdeel D (oppervlakte van 100 hectare of meer, op aaneengesloten gebied worden 2000 of meer woningen gebouwd, een bedrijfsvloeroppervlakte van minimaal 200.000 m2) worden vergeleken met de voorgestane ontwikkeling wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet tevens worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard, de omvang en het ruimtebeslag van belang zijn. In voorliggende situatie is enerzijds sprake van transformatie van bestaande gebouwen. Hierbij vindt geen extra ruimtebeslag plaats. Anderzijds worden nieuwe woningen gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied en binnen een bestaand centrum. Op de locatie is thans grotendeels bebouwing aanwezig is. Er is daardoor nauwelijks sprake van extra bebouwd ruimtebeslag. Bevoegd gezag heeft op basis van de aanmeldnotitie m.e.r. een separaat m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen.

Zowel de aanmeldnotitie als het m.e.r.-beoordelingsbesluit is als Bijlage 20 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan.

50

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Opzet regels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer Deze bestemming is toegekend aan gronden met een verkeersfunctie. Binnen de bestemming zijn ook groenvoorzieningen mogelijk waardoor het openbare gebied eenvoudig

51

in te richten is. Artikel 4 Wonen Deze bestemming is toegekend aan de locaties waar woningen worden gerealiseerd. Ter plaatse van de functieaanduiding 'religie' is uitsluitend een parochiecentrum toegestaan. De gebouwen mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd rekening houdend met de maatvoering in de regels. Bijgebouwen mogen daarnaast binnen het bouwvlak en/of binnen de aanduiding 'bijgebouwen' worden gerealiseerd. Middels bouwaanduidingen is aangegeven welke type woningen is beoogd. Met een binnenplanse afwijking is de mogelijkheid opgenomen om het parochiecentrum te wijzigen naar een woning. Het maximaal aantal wooneeheden voor het gehele plangeibed mag hiermee verhoogd worden 52 eenheden. De noodzaak en behoefte dient hiervoor wel aangetoond te worden. Artikel 5 Waarde - Archeologie historische bebouwing In zones met een hoge archeologische verwachting wordt de grootste kwantiteit aan archeologische vindplaatsen (historische bebouwing) verwacht. In deze zones is voorafgaand aan bodemingrepen adequaat archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie historische bebouwing’ waarvoor geldt dat voor bodemingrepen groter dan 30 m² archeologisch onderzoek dient plaats te vinden.

De onderzoeksplicht is echter niet van toepassing op grondroerende werkzaamheden tot 60 cm onder het bestaande maaiveld aangezien de gronden tot deze diepte veelal zijn verstoord.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing, ondergronds bouwen en vervangende nieuwbouw van woningen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding naar aanleiding van de luchtvaartverkeerzone opgenomen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen. Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van het voorzien in voldoende parkeerplaatsen alsmede bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht

52

Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is. Artikel 13 Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3

Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en opmaak van de regels en verbeelding. De verbeelding opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehoren kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen en dergelijken. Op de planverbeelding zijn de volgende onderdelen opgenomen: de plangrens; de bestemming; bouwvlakken; maatvoeringsvlakken; functie- en bouwaanduidingen; De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleuraanduiding op de planverbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

53

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn.

Beoordeling en conclusie Ten behoeve van dit plan is/wordt een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het kostenverhaal bestaat enerzijds uit de plankosten en bovenwijkse voorzieningen en anderzijds eventuele planschade. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk.

54

Hoofdstuk 7 7.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

Participatie wordt een belangrijke pijler onder de toekomstige Omgevingswet. Derden (waaronder omwonenden) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Van belang is dat de buurt betrokken wordt bij het planvoornemen. Als initiatiefnemer moet kennis worden genomen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden. In Q4 2020 zijn gesprekken gevoerd tussen de Belangengroep Hart van Oudenbosch en de gemeente Halderberge. Tevens heeft een vragenlijst online gestaan. De leden van het digitaal burgerpanel (ruim 600 leden) zijn per mail uitgenodigd om de vragenlijst in te vullen. Via andere kanalen zijn ook alle inwoners opgeroepen de vragenlijst in te vullen. De gesprekken en de vragenlijst zijn de basis geweest voor de randvoorwaarden voor de (her)ontwikkeling. Deze zijn door de gemeente om-armt. In april 2021 is een raadsbesluit genomen en zijn de randvoorwaarden opgelegd aan een marktpartij. Op 17 mei 2022 heeft een inloopavond plaatsgevonden waarbij het voorlopig ontwerp is gepresenteerd voor belanghebbenden. Over het algemeen werden vragen gesteld ten aanzien van het parkeren en privacy. Om de parkeersituatie goed in beeld te brengen wordt momenteel een parkeer(druk)onderzoek uitgevoerd. Dit zal de basis vormen voor de inrichting van de openbare ruimte.

Er zijn en worden individuele gesprekken gevoerd met enkele bewoners om onder andere de vraagpunten omtrent privacy te bespreken. Op 22 september 2022 is het Ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd door de gemeente en op 4 oktober 2022 heeft een inloopavond plaatsgevonden waarbij het Ontwerp Bestemmingsplan, de inrichtingsschetsen van het openbare gebied en het verkeeronderzoek is gepresenteerd aan belanghebbenden. De reacties die bezoekers hebben achtergelaten zijn beantwoord en in Bijlage 21 terug te vinden. Tevens worden deze antwoorden met een nieuwsbrief in december 2022 door de gemeente kenbaar gemaakt aan omwonenden en andere belanghebbenden. Separaat zal een participatietraject lopen over de inrichting van de openbare ruimte rond de kapel en het religieus erfgoed in het geheel. De inrichting van de openbare ruimte wordt verzorgd door de gemeente Halderberge. In de periode juni t/m september 2022 heeft initiatiefnemer meerdere individuele gesprekken gevoerd met omwonenden uit het Doelpad en de Markt die tijdens de inloopavond van 17 mei 2022 een reactie hebben achtergelaten. Het participatieverslag van deze overleggen is in Bijlage 22 bijgevoegd.

7.2

Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven.

55

Van de volgende partijen is een reactie ontvangen: 1. Brandweer Het plan is geheel gelegen buiten de 200 meter van de infrastructuur het standaard- advies is hierop van toepassing. Deze is als Bijlage 18 toegevoegd. Daarnaast is het plan getoetst aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswater. In de directe omgeving is voldoende bluswater. Dit geldt voor de grondgebonden woningen. Wel wordt opgemerkt als het gebouw uit meer dan 4 bouwlagen bestaat het noodzakelijk is dat de brandkranen bij de ingang van de appartementen dient te zijn. Op basis van de huidige plannen is niet geheel duidelijk waar de ingangen komen te liggen. Hier zal bij de vergunning aandacht voor zijn. 2. Evides waterbedrijf Geen bezwaren tegen het voorgenomen plan 3. Gasunie Het plangebied ligt buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. 4. Kaan Consultancy De buisleidingen, in beheer bij Kaan Consultancy, zijn op geruime afstand van deze locatie gesitueerd. 5. Rijkswaterstaat Dit plan ligt niet in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. 6. Waterschap Brabantse Delta Er wordt verzocht in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.

Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Deze vooroverlegreactie is volledigheidshalve opgenomen als Bijlage 23 aan het bestemmingsplan toegevoegd. 7. Provincie Noord-Brabant Het plan is in overeenstemming met onze provinciale belangen.

7.3

Zienswijzen

Na het wettelijk vooroverleg heeft dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegen als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen zijn samengevat en van commentaar voorzien en als Bijlage 24 toegevoegd. Deze zienswijzen hebben tot aanpassingen geleied. Daarnaast zijn er nog enkele ambtshalve wijzigingen gedaan. Het college zal de raad voorstellen het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Wijzigingen: Stikstofberekening aanlegfase (paragaaf 4.7 en Bijlage 16); Tekstuele toevoeging ten aanzien van verkeer en parkeren (paragraaf 4.4); Parkeerduuronderzoek toegevoegd als Bijlage 8; Afwijkingsmogelijkheid voor goot- en bouwhoogte met maximaal 3 meter verwijderd; Toevoeging analyses makelaars ten aanzien van de woningbehoefte (paragraaf 3.3.2 en Bijlage 4 en 5); De bestemming Groen is vervangen door Verkeer om voldoende flexibilteit te hebben bij de inrichting van de openbare ruimte. Binnen de bestemming Verkeer is ook groen mogelijk, andersom niet; Bezonningsstudies (Bijlage 3 en Bijlage 2); Beantwoording reactie bijeenkomst 4 oktober 2022 (Bijlage 21); Participatieverslag (Bijlage 22);

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/545/documents/15889