CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Klaverweide vastgesteld 1 Bestemmingsplan.pdf

Gemeenteraad 17 oktober 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Vaststelling bestemmingsplan Klaverweide32.836 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Personen binnen dit gebied zijn (ook in gebouwen) onvoldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Voor personen binnen 150 meter is vluchten dus de gewenste optie. Ontsluitingswegen die leiden in westelijke richting zijn geschikte vluchtroutes ten aanzien van een incident op de N268. Geadviseerd wordt om bij de bouw van nieuwe (grootschalige) kwetsbare functies rekening te houden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: Inpandige vluchtwegen van de risicobron africhten; Een drukbestendige gevel aan de risicozijde; Het glasoppervlak aan de zijde van de risicobron beperken; Het gebruik van brandwerende materialen; Het borgen van bluswatervoorzieningen; Risicocommunicatie en voorbereiding, waaronder het hebben van een verzamelplaats. Bestrijdbaarheid - Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt).

Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tankwagon, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen.

- BLEVE scenario Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van

29

primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een BLEVE is. Tijdige aankomst brandweer; Tijdige bereikbaarheid tankwagen; Tijdige beschikbaarheid bluswater. Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen of ketelwagon. Indien de BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is en blijft. Het bluswater dient conform het Beleid bereikbaarheid en bluswater de navolgende hoeveelheden te zijn: A-water 60 m3/h: Dit kan gerealiseerd worden door de waterleiding met een voldoende diameter door te trekken; B-water 120 m3/h: dit kan ook binnen 200 meter gerealiseerd worden omdat er leidingen zijn gelegen van 315, 250 en 200 mm. C water 240 m3/h: open water is binnen 2500 meter aanwezig (Roosendaalse Vliet). Er zijn twee bestaande brandkranen op het terrein aanwezig. Qua ligging en druk behelst dit voldoende capaciteit.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zijn in het standaardadvies 2019 tevens richtlijnen opgenomen waaraan voldaan dient te worden.

4.7

Flora en fauna

Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten.

30

Figuur 4.1 Natuur Netwerk Nederland

Beoordeling Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een Natura2000-gebied zoals aangewezen in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied bevindt zich op minimaal 10 km afstand. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van het overige Nationaal Natuurnetwerk. Voorliggend plan dient enkel voor gewijzigde bouw- en gebruiksregels. De bestemming luidt reeds bedrijventerrein. Gelet op de afstand en de minimale wijziging in functies (het is reeds een bedrijventerrein) hebben de functies geen directe invloed op het Natura2000-gebied. Wel wordt de Vaccaweg opengesteld voor meer verkeer en verschillende bedrijven. Hierdoor zal een toename zijn van het verkeer. Zoals reeds uit paragraaf 4.3 is gebleken is hiervoor een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten verkeersgeneratie. Deze te verwachten verkeersgeneratie is meegenomen in de stikstofdepositieberekening welke als Bijlage 13 is toegevoegd aan het bestemmingsplan. Op basis van de uitgevoerde verschilberekening is geconcludeerd dat ter plaatse van de Natura2000-gebieden in de beoogde situatie geen bijdrage > 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Beschermde soorten Bij toekomstige sloop van gebouwen zal een nadere toets plaatsvinden ten aanzien van de Wet natuurbescherming (beschermde soorten). Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning sloop en/of bouwen zal een quickscan overlegd moeten worden waarin de op dat moment aanwezige potentiële ecologische waarden inzichtelijk gemaakt moeten worden.

31

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische en archeologische elementen aangegeven.

Figuur 4.2 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant

Beleidsnota cultureel erfgoed gemeente Halderberge 'Inspirerend verleden' Een belangrijke pijler van de gemoderniseerde monumentenzorg is de verankering van de zorg voor het cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. Die verankering is noodzakelijk voor een zorgvuldige omgang met het erfgoed binnen de snelle en omvangrijke veranderingen in de inrichting van stad en land. De gemeente heeft op 22 september 2011 een beleid vastgesteld waarin sprake is van zorgvuldig omgaan met de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen Halderberge. De Cultuurhistoriekaart vormt een basisinstrument dat ertoe kan dienen dat de waarden op het gebied van cultuurhistorie in de vroegste fase van ruimtelijke planvorming kunnen worden ingebracht en meegewogen. In navolgende figuur is een uitsnede van deze kaart

32

opgenomen. De kaart is gebaseerd op en sluit aan bij de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De Halderbergse kaart is toegespitst op het gemeentelijk grondgebied en is daardoor meer gedetailleerd en bruikbaar voor de gemeentelijke praktijk.

Figuur 4.3 Uitsnede cultuurhistorie kaart gemeente Halderberge (plangebied rood omcirkeld)

Beleidsnota archeologie gemeente Halderberge 'Ons ongeschreven verleden' Het archeologiebeleid van de gemeente Halderberge heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Bij alle ruimtelijke plannen en ruimtelijke ontwikkelingen, op structuur-, bestemmings- en vergunningsniveau, dienen de archeologische waarden volwaardig te worden meegewogen.

33

Figuur 4.4. Uitsnede archeologische advieskaart gemeente Halderberge (plangebied blauw omlijnd)

Beoordeling Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt geconcludeerd dat er geen cultuurhistorische waarden of archeologische elementen aanwezig zijn. Het gebied kent, op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart, geen hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarden. De Neerstraat, welke ten zuiden van het plangebied loopt, heeft zowel provinciaal als gemeentelijk de waarde 'historische geografie - waarde redelijk hoog' meegekregen. De Neerstraat maakt geen onderdeel uit van het plangebied en ook als gevolg van voorliggende bestemmingsplan wordt de historische waarde van de Neerstraat niet aangetast. De woning Neerstraat 35 is in de gemeentelijke cultuurhistoriekaart tevens aangeduid als 'historische bouwkunst'. Deze woning is buiten het plangebied gelegen en blijft derhalve behouden. Op basis van de gemeentelijke cultuurhistoriekaart blijkt daarnaast dat ten noorden van het plangebied een trambaan was gelegen welke een grote rol speelde in het goederenvervoer. De trambaan is gelegen buiten het plangebied en volgt een reeds bestaand wegtracé waardoor er geen sprake is van een negatief effect op deze cultuurhistorische waarde.

Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Halderberge wordt geconcludeerd dat in het gebied een tweetal locaties zijn met een verhoogde archeologische waarde. Voor deze locaties is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is als Bijlage 14 aan het bestemmingsplan toegevoegd.

Conclusie Uit het veldonderzoek blijkt dat de ondergrond in beide deelgebieden dermate verstoord is, dat geen intacte archeologische resten in het plangebied worden verwacht. Daarom wordt geadviseerd de huidige bestemming Waarde – Archeologie niet meer in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen. In het kader van de toekomstige ontwikkelingen is ook geen vervolgonderzoek nodig. Indien er tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch

34

archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke plicht deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Halderberge). Op 28 mei 2019 heeft de Regio West-Brabant het archeologisch onderzoek beoordeeld en geadviseerd in te stemmen met het rapport. De dubbelbestemming is derhalve komen te vervallen.

4.9

Waterhuishouding / watertoets

In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

Beleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente Halderberge. Het waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap Brabantse Delta. Het waterschap stelt ter concretisering van het waterhuishoudkundig beleid kaartmateriaal vast. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren derhalve ook dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 500 m2 is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag.

35

Verbreed Gemeentelijke RioleringsPlan (vGRP) Halderberge 2014 - 2019 Gemeenten hebben de wettelijke taak voor het inzamelen en transporteren van afvalwater en overtollig hemelwater toegewezen gekregen op basis van de Wet Milieubeheer. De daarbij horende zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Door invulling te geven aan de nieuwe, verbrede, zorgplichten wordt daarom gesproken van een verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Het gemeentelijke beleid met betrekking tot het stedelijk waterbeheer is gebaseerd op de drie wettelijke zorgplichten zoals opgenomen in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. In de kern komen die zorgplichten op het volgende neer: 1. Het inzamelen en het transporteren van (stedelijk) afvalwater, waarbij overlast voor de gemeenschap en vuilemissie naar andere deelsystemen van het (stedelijke) watersysteem tot een minimum worden beperkt. 2. Het doelmatig inzamelen en transporteren van afvloeiend hemelwater, waarbij hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt vastgehouden, geborgen en afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater. 3. Het treffen van doelmatige maatregelen indien de grondwaterstand in de openbare ruimte structureel nadelige gevolgen heeft voor de bestemming van een perceel en dit bij nieuwbouwlocaties en inbreidingen voorkomen.

Voor een doelmatig en toekomstbestendig functioneren van het afvalwatersysteem wordt het huishoudelijke en bedrijfsmatige afvalwater zoveel mogelijk afzonderlijk van hemel- en grondwater ingezameld en afgevoerd naar een zuivering. Schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk lokaal vastgehouden en wordt teruggebracht in het milieu. Als uitgangspunt bij ontwikkelingen geldt dat wanneer het verhard oppervlak meer dan 2000 m2 vergroot wordt het water binnen het plangebied geborgen dient te worden.

Situatie plangebied Door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. is een geohydrologisch grondonderzoek uitgevoerd met als doel om meer inzicht te krijgen in de waterdoorlatendheid en de waterhuishouding van de bodem. De rapportage is als Bijlage 15 aan het bestemmingsplan toegevoegd. De hierna opgenomen gegevens zijn afkomstig uit dit onderzoek. Bodem De lokale bodemopbouw kan, tot de maximaal verkende diepte, als volgt worden gekarakteriseerd: 1,00 tot 1,50 meter t.o.v. NAP: zand, humushoudend; 0 meter t.o.v. NAP: zand, schoon, matig fijn; - 1,70 meter t.o.v. NAP: afwisseling zand en klei Grondwater Gedurende de monitoring van de peilbuizen zijn op de locatie grondwaterstandfluctuaties geregistreerd van ca. 0,5 m, waarbij het grondwater aan de zuidzijde van het terrein globaal fluctueerde tussen 1,5 m + en 2 m + NAP. Aan de noordzijde van het terrein fluctueerde de grondwaterstand globaal tussen 0,25 m + en 0,75 m + NAP. Op basis van het totaal aan voorhanden zijnde gegevens grondwaterregime worden afgeleid :

kan het

volgende

Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG):

36

a. 1,1 m + NAP (noordzijde) b. 2,4 m + NAP (zuidzijde) Gemiddelde grondwaterstand (GMG): a. 0,5 m + NAP (noordzijde) b. 1,7 m + NAP (zuidzijde) Gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG): a. 0,1 m - NAP (noordzijde) b. 1,0 m + NAP (zuidzijde) Oppervlaktewater Behalve enkele gegraven vijvers zijn er geen omvangrijke oppervlaktewateren aanwezig in de direct omgeving van de planlocatie.

Infiltratiemogelijkheden Teneinde de geschiktheid van de bodem voor infiltratie van hemelwater vast te stellen zijn de onderzoeksgegevens getoetst aan de richtlijnen uit ISSO-publicatie nr. 70-1, hemelwater binnen de perceelsgrens. Deze richtlijn stelt dat de bodem mogelijkheden biedt voor infiltratie indien de k-waarde van de zandige bodem groter is dan 0,4 m/dag èn de gemiddeld hoogte grondwaterstand dieper is dan 0,7 m - mv. Uitgaande van deze richtlijnen biedt de bodem op de planlocatie slechts mogelijkheden voor infiltratie van regenwater, indien het terrein wordt opgehoogd. Enkel indien het terrein kan worden afgewerkt op een niveau (van zuid naar noord) van 3,1 m + NAP naar 1,8 m + NAP, wordt geadviseerd infiltratie van regenwater op de locatie te overwegen. Voornoemde niveaus worden tevens geadviseerd met het oog op de benodigde ontwateringsdiepte.

Waterhuishouding en -bergingsopgave Hieronder is het verhard oppervlak in zowel de bestaande (feitelijke) situatie als de nieuwe situatie weergegeven. Bestaand Nieuw Uitgeefbare grond, incl. bebouwing 42.000 m2 Wegen 3.600 m2 Inritten (50% verhard van groenstrook) 725 m2 Totaal verhard oppervlak 17.0000 m2 46.325 m2 Tabel 4.2 Weergave verhard oppervlak (Bron: Hoefnagels Civiel)

In totaal zal sprake zijn van een toename van het verhard oppervlak met 29.325 m2. Conform de eis van het waterschap resulteert dit in een bergingseis van 29.325 m2 * 0,06 = 1.759,50 m3. Om aan deze bergingsopgave te kunnen voldoen is in het noorden van het plangebied een wadi voorzien. Op de verbeelding is deze locatie dan ook specifiek aangeduid met de aanduiding 'specifiek vorm van groen - waterberging'. De oppervlakte van de aanduiding bedraagt 3.650 m2. De wadi dient boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) gerealiseerd te worden. Op basis van de hiervoor genoemde GHG (1,1 m + NAP in het noordelijk van het plangebied (= circa 0,6 m-mv)) kan worden geconcludeerd dat er voldoende ruimte is om een wadi aan te leggen waarmee voldaan kan worden aan aan bergingseis. Bij de verdere civieltechnische uitwerking van het gebied zal gedetailleerd ingegaan worden op het ontwerp en de waterbergingsoplossing. Er zal bij de verdere uitwerking aandacht geschonken worden aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen,

37

zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

4.10

Beoordeling Milieueffectrapportage

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c.

Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling De activiteit die met voorliggend plan mogelijk wordt gemaakt, is de herinrichting van een bestaand bedrijventerrein. Deze activiteit valt binnen onderdeel D. (D11.2 de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen). Er is geen definitie gegeven voor een 'stedelijk ontwikkelingsproject'.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de aard, de omvang en het ruimtebeslag van belang zijn. In voorliggende situatie is reeds de bestemming bedrijventerrein aanwezig. De nu reeds toegestane milieucategorieën worden niet gewijzigd. Er is enkel sprake van gewijzigde gebruiksmogelijkheden waarbij op enkele plaatsen een bedrijfsverzamelgebouw en een sportschool mogelijk is gemaakt, alsmede kleine wijzigingen in bouwhoogten. Op de locatie is reeds een bedrijventerrein mogelijk. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zal het maximaal te bebouwen oppervlakte afnemen met ruim 5.000 m2. Er is dan ook geen sprake van extra bebouwd ruimtebeslag. Er is derhalve geen sprake van een stedelijk

38

ontwikkelingsproject. Er hoeft dan ook geen m.e.r.-beoordeling te worden verricht. Ook op grond van de stappen 2 en 3 is geen directe aanleiding voor een m.e.r.-plicht. Daarnaast zijn in voorgaande paragrafen de mogelijke effecten ten aanzien voor de diverse (milieu)aspecten reeds beoordeeld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatsen. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht.

Conclusie Er bestaat geen noodzaak tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

39

Hoofdstuk 5

Financiële uitvoerbaarheid

Op basis van artikel 6.12 tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening is verplicht om een exploitatieplan vast te stellen. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het bestemmingsplan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De voorgestane ontwikkelingen worden op eigen risico door de initiatiefnemer ontwikkeld, investeringen vanuit de gemeente zijn niet noodzakelijk. Omdat de plankosten anderszins zijn verzekerd is een exploitatieplan niet noodzakelijk.

40

Hoofdstuk 6 6.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening jo artikel 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht is overleg voorgeschreven met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Begin oktober 2021 is het voorontwerpbestemmingsplan naar de vooroverlegpartners gestuurd. Onderstaande instanties hebben gereageerd: Brandweer Midden West Brabant: Het plangebied en de ontwikkeling voldoen aan de criteria van het standaardadvies. Ook voldoet het aan de beleidsregels ten aanzien van bereikbaarheid. Ten aanzien van bluswater wordt het volgende advies meegegeven: het bluswater wordt benoemd als voldoende bij bepaalde scenario's maar dienen wel op de juiste plaats beschikbaar te zijn ook na herinrichten en de nieuwe bebouwing. We geven hier het advies dat tijdens de uitvoering geborgd wordt dat minimale hoeveelheden bluswater aanwezig zijn voor alle nieuwe en bestaande objecten. A water 60 m3/h B water 120 m3/h binnen 200 m C water 240 m3/h binnen 3000 m (voldoet)

Reactie: Dit wordt meegenomen in de verdere uitwerking

Waterschap Brabantse Delta: De belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap zijn naar wens opgenomen in het bestemmingsplan. Er wordt derhalve een positief wateradvies gegeven. Onderstaande nog wel enkele aandachtspunten: In de waterparagraaf van de toelichting van het voorontwerp bestemmingsplan wordt gesproken over wanneer het waterschap retentie eist bij toename aan verhard oppervlak. Er wordt gesproken over de oude ondergrens van het waterschap. Sinds april 2021 is de ondergrens gewijzigd van 2.000 m2 naar 500 m2. Reactie: Dit is in het ontwerpbestemmingsplan aangepast Er lopen gesprekken tussen het waterschap en de gemeente Halderberge over het wijzigen van de afwatering van het plangebied. Bij de huidige situatie gaat het water van het plangebied onder de Kruislandseweg door via een duiker. Deze situatie wordt in de toekomst anders. Reactie: Dit wordt bij de verdere uitwerking meegenomen en afstemd Wij verzoeken u in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Reactie: Dit is in het ontwerpbestemmingsplan aangepast Provincie Noord-Brabant

41

In de toelichting wordt een onderbouwing gemist van de in artikel 3.42 van de IOV genoemde punten. Met name rondom 'zorgvuldig ruimtegebruik' met betrekking tot milieucategorisering, toestane bedrijfsverzamelgebouwen, zelfstandig kantoor, sportschool en PDV/GDV met voluminieuze detailhandel > 500 m2. Reactie: In het ontwerpbestemmingsplan is een milieuzonering opgenomen waarbij rekening is gehouden met nabijgelegen woningen. De mogelijkheden voor een sportschool en PDV/GDV met voluminieuze detailhandel zijn komen te vervallen. Een zelfstandig kantoor is nog steeds mogelijk, echter met een maximum van 750 m2 bvo.

6.2

Ontwerpfase

Na het vooroverleg en de verwerking van de eventuele vooroverlegreacties wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook zijn de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er is aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving). Zienswijzen Er één zienswijze ontvangen van de Provincie Noord-Brabant. Deze is in de bijlage opgenomen en hieronder samengevat. Regionale afstemming Aangezien we hier in dit bestemmingsplan spreken over de herontwikkeling van een bedrijventerrein (>5000m2), dringen wij er bij u op aan de ontwikkeling regionaal af te stemmen. De verschuiving van grootschalige naar kleinschalige bedrijvigheid in lagere milieu categorieën is bovendien van regionaal belang vanwege de schaarste aan grootschalige locaties. Beantwoording Het betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling welke past binnen de regionale afspraken die er gemaakt zijn. Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een herindeling van het bestaande bedrijventerrein waardoor het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak afneemt.

In de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan is te zien dat een klein deel van het meest zuidelijk gelegen bedrijfsverzamelgebouw milieucategorie 1 mogelijk is. Naar aanleiding van de zienswijze is dit bedrijfsverzamelgebouw enkele meters oostwaarts opgeschoven. Daardoor is het niet meer mogelijk om bedrijven in milieucategorie 1 te vestigen. Daardoor is er geen sprake meer van een verschuiving van milieucategorieen. In het vigerende bestemmingsplan zijn bedrijven in een lagere milieucategorieen 2, 3.1 en 3.2 namelijk ook mogelijk. De aanduiding voor een zuivelbedrijf geeft enkel aan dat ter plaatse óók een zuivelbedrijf mogelijk is. Desalnietemin zijn omliggende gemeenten geïnformeerd over het bestemmingsplan. Hierop is geen reactie gekomen waardoor mag worden aangenomen dat men akkoord is met het bestemmingsplan. Kantoorvoorzieningen In de regionale kantoren afspraken wordt nadrukkelijk benoemd dat gemeenten de realisatie van solitaire kantoren op bedrijventerreinen planologisch niet mogelijk mogen maken. Door het toelaten van zelfstandige kantoren is het bestemmingsplan in tegenstrijd met de regionale kantoren afspraken en dienvolgens met de IOV (artikel 3.42 lid 1). We

42

verzoeken u het plan op dit onderdeel aan te passen. Beantwoording In het regionale convenant kantorenbeleid West-Brabant (RWB) is het voor de 5 grote gemeenten niet toegestaan om zelfstandige kantoren toe te voegen. Voor de overige gemeenten, waaronder de gemeente Halderberge, geldt dat het toevoegen van zelfstandige kantoren tot maximaal 750 m2 wel is toegestaan. Deze maximale maatvoering is dan ook opgenomen in het bestemmingsplan. In het conventant kantorenbeleid West-Brabant is daarnaast afgesproken om solitaire kantoren op bedrijventerreienen planologisch niet mogelijk te maken. In voorliggende situatie is er echter geen sprake van het opnieuw mogelijk maken van een kantoorfunctie omdat het kantoor reeds aanwezig was. De gemeente Halderberge stuurt in haar beleid aan op herstructurering van bestaande bedrijventerreinen. Bij de herstructurering van bedrijventerrein Klaverweide is mede vanuit het oogpunt duurzame stedelijke ontwikkeling gekeken welke gebouwen konden worden hergebruikt. Het bestaande pand was van dien aard dat deze behoudenswaardig is. Het pand is inmiddels verbouwd met duurzame materialen en heeft een hoogwaardige uitstraling gekregen. Het behoud van een bestaand kantoorpand draagt bij aan het uitvoeren van het concept 'herstureren bestaande bedrijventerreinen'.

In dit geval is er sprake van concept versterking in de zin van 3.42 lid 3 sub b onder 3 van de interim omgevingsverordening. Daarnaast streeft de gemeente naar een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein. De aanwezigheid van een kantoor werkt ook voor dat concept versterkend. De aanwezigheid van een kantoorpand op een bedrijventerrein leidt vooral tot meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Doordat kantoren over het algemeen meer streven naar representativiteit dan bedrijven, stijgt de ruimtelijke kwaliteit van het terrein. De intentie is om een kwalitatief hoogwaardig bedrijventerrein te creëeren, waar de aanwezigheid van een kantoorlocatie positief aan bijdraagt. Het bestaande pand is inmiddels verbouwd met duurzame materialen en heeft daardoor een hoogwaardige uitstraling. Dit betreft een voorbeeld voor de overige bebouwing. Dit past binnen het gemeentelijke beleid om bestaande terreinen te herontwikkelen. Omdat er sprake is van een herontwikkeling van een bedrijventerrein van meer dan 5.000m2 is het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de werkgroep bedrijventerrein van stedelijke reio West-Brabant west en zijn de omliggende gemeenten gevraagd te reageren op de voorgenomen wijzigingen. Hier zijn geen reacties op ontvangen.

Bedrijfsverzamelgebouwen & milieucategorieën In artikel 3.42 lid 3 van de IOV staat dat het bestemmingsplan regels dient op te nemen om ontwikkelingen die het effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken tegen te gaan. Met de toelating van bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, worden bedrijven toegelaten die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden. Met name de bedrijven die toegelaten worden binnen de aanduiding bedrijfsverzamelgebouwen beperken het effectief gebruik van het bedrijventerrein, omdat ze ook een publieksaantrekkende werking hebben (sportscholen, bowling, klimhal, etc.). Een onderbouwing om dergelijke bedrijven toe te staan met een blik op zorgvuldig ruimtegebruik wordt in de toelichting gemist. Derhalve is het bestemmingsplan in tegenstrijd met artikel 3.42 lid 3 van de IOV. Wij dringen er bij u op aan dit onderdeel aan te passen in het bestemmingsplan. Beantwoording Het bestemmingsplan is aangepast met dien verstande dat de functies sportscholen, bowling en klimhal niet meer zijn toegestaan. Daarnaast waren bedrijven in de milieucategorie 2 reeds toegestaan binnen het vigerend

43

bestemmingsplan Kom Oud Gastel, dit beteft dan ook geen wijziging ten opzichte van de bestaande mogelijkheden. Het bedrijfsverzamelgebouw was in het ontwerpbestemmingsplan wel zodanig gepositioneerd dat daarin deels bedrijven in milieucategorie 1 mogelijk zouden zijn. Naar aanleiding van de zienswijze is het bouwvlak van het bedrijfsverzamelgebouw in het zuiden van het plangebied dusdanig opgeschoven dat deze volledig in de specifieke functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' is gelegen.

Informatieavond Gedurende ter inzage legging heeft ook een informatieavond plaatsgevonden op 21 november 2023. Een verslag hiervan is als Bijlage 16 aan het bestemmingsplan toegevoegd.

6.3

Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking. Gewijzigde vaststelling Naar aanleiding van de zienswijze zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan: Toelichting: paragraaf 3.2 (onderdeel interim omgevingsverordening) is tekstueel aangepast; Toelichting: Paragraaf 6.2 en 6.3 zijn tekstueel aangepast; Verbeelding: het bouwvlak van het zuidelijk gelegen bedrijfsverzamelgebouw is oostwaarts opgeschoven; Bijlage regels: In de staat van bedrijfsactiviteiten is de mogelijkheid om de volgende bedrijfsactiviteiten in een bedrijfsverzamelgebouw te vestigen geschrapt: Klimhal, muziekschool, dansschool, sportschool en bowling; Bijlage bij toelichting: Verslag van informatieavond 21 november 2023 als bijlage 16 toegevoegd.

44

Hoofdstuk 7

Juridische planopzet

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de wijze waarop de ontwikkeling is vertaald in juridisch bindende regels, met hieraan gekoppeld een verbeelding. De regels bevatten het juridische instrumentarium ten aanzien van de toelaatbaarheid van het gebruik en van bebouwing. De verbeelding staat gelijk aan de regels en heeft een ondersteunende rol voor de visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

7.1

Planverbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en opmaak van de regels en verbeelding. De verbeelding is opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehoren kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen en dergelijken. Op de planverbeelding zijn de volgende onderdelen opgenomen: de plangrens; de verschillende bestemmingen; bouwvlakken; maatvoeringsvlakken; functie- en bouwaanduidingen; De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleuraanduiding op de planverbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

7.2

Regels

Indeling planregels De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel dat de wijze van meten regelt. Hoofdstuk 2 bevat de bepalingen die direct verband houden met de bestemmingen die op de planverbeelding zijn aangegeven. Bij een bestemming geldt in beginsel het volgende stramien: 1. een bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gronden worden gebruikt?; 2. bouwregels: waaraan moet worden voldaan op de gronden? Voorbeelden zijn regels over soort bebouwing, hoogte, oppervlakte, bebouwingsdichtheid; Hoofdstuk 3 bevat een aantal bepalingen, te weten: 1. anti-dubbeltelregel: met dit artikel dient voorkomen te worden dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag; 2. algemene bouw- en gebruiksregels: hierin is een aanvullende regeling voor het gebruik van gronden (anders dan bouwen) en opstallen opgenomen; 3. algemene afwijkingsregels: deze bepaling geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid een omgevingsvergunning voor het afwijken te verlenen;

45

4. algemene wijzigingsregels: in het bestemmingsplan is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen. 5. Overige regels; regeling ten behoeve van het parkeren. Hoofdstuk 4 omvat twee artikelen: 1. overgangsregels: deze bepaling houdt in dat bouwwerken, die op het moment van tervisielegging van het plan bestaan (of die op grond van de Woningwet mogen worden gebouwd) mogen blijven bestaan hoewel zij strijdig zijn met de bebouwingsregels van het plan. Bovendien bepaalt de overgangsrechtbepaling dat het gebruik van de gronden en opstallen dat afwijkt van de regels zoals die gelden op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt gehandhaafd mag blijven. De overgangsregels zijn uiteraard niet van toepassing op bouwwerken en gebruik waarvoor geen vergunning is verleend; 2. slotregel: hierin is de titel van het bestemmingsplan opgenomen. Artikelsgewijze toelichting In deze paragraaf wordt per artikel uiteengezet op welke wijze het beleid, de regelgeving is vertaald in de regels.

Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aansloten bij het normale taalgebruik.

Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden. In de regels is bepaald dat alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming mogen worden opgericht. Een aantal meetwijzen is door de SVBP 2012 voorgeschreven.

Artikel 3 Bedrijventerrein Binnen de bestemming zijn bedrijven in de milieucategorie 2, 3.1 en 3.2 toegestaan, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten. In deze Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn alle bedrijfsfuncties vanuit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' overgenomen inclusief de richtafstanden met de bijbehorende milieucategorie. Op de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn verschillende bedrijfsfuncties aangeduid die, ondanks dat ze behoren tot de juiste milieucategorie, niet gewenst zijn binnen de bestemming. Deze bedrijfsactiviteiten vindt de gemeente niet passen bij de functie van een bedrijventerrein bij een kern als Oud Gastel. De toegestane bedrijven zijn vervolgens zo generiek mogelijk. Binnen de bestemming Bedrijventerrein zijn bedrijfsverzamelgebouwen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfsverzamelgebouw'. Hierbij zijn zelfstandige kantoren nadrukkelijk uitgezonderd in verband met de regionale afspraken die momenteel van toepassing zijn. Zelfstandige kantoren zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifiek vorm van bedrijventerrein - zelfstandig kantoor' met een maximum van 750 m2 bvo.

Artikel 4 Groen De bestemming betreft gronden waarop uitsluitend groenvoorzieningen, paden, sport- en spelvoorzieningen, water e.d. zijn toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke

46

vorm van groen - waterberging' dient tevens een waterbergingsopgave gerealiseerd te worden conform de waterbergingsopgave (zie paragraaf 4.9).

Artikel 5 Verkeer Deze bestemming is opgesteld voor de openbare verkeersruimte binnen het bedrijfsterrein. De straten, aanliggende trottoirs, parkeerplaatsen, bermen en beplantingen zijn in deze bestemming opgenomen. Een algemene bestemming voor zowel de verharding als het aanliggende groen maakt een eventuele herinrichting van het openbare gebied eenvoudiger te regelen.

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning tot bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Op deze wijze wordt het bijvoorbeeld onmogelijk om percelen te splitsen en een tweede woning te bouwen. Dit artikel is door artikel 3.2.4 Bro voorgeschreven.

Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel is een afwijkingenregeling, een regeling voor ondergeschikte bouwdelen en een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (raam- en straat-)prostitutie is expliciet uitgesloten.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingsregels opgenomen, zoals een afwijking van de maatvoering van 10 %.

Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft de overgangsbepalingen met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Daarnaast is een regeling t.b.v. bestaande maten opgenomen.

Artikel 11 Slotregel Dit is de Slotregel met de titel; Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Klaverweide" van de gemeente Halderberge.

47

Regels

Inhoudsopgave

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

5 5 11

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Bestemmingsregels Bedrijventerrein Groen Verkeer

12 12 17 19

Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

21 21 22 24 25

Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

26 26 27

Hoofdstuk 1

Artikel 1

1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan:

Het bestemmingsplan Klaverweide met identificatienummer NL.IMRO.1655.BP3020-C001 van de gemeente Halderberge;

1.2

bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1655.BP3020-C001 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden opgesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5

aan- of uitbouw:

een aan een hoofdgebouw gebouwde, en vanuit dat hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijke ruimte, die in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijke (door zijn constructie en/of afmetingen) ondergeschikt is - maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap - met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is;

1.6

aangebouwd of vrijstaand bijgebouw:

een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie en/of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde ubouwperceel gelegen hoofdgebouw maar vanuit daaruit niet rechtstreeks toegankelijk is en ten dienste staat van dat hoofdgebouw;

1.7

afhaalcentrum:

detailhandelsbedrijf in ter plaatse bereide etenswaren zonder zitgelegenheid;

1.8

archeologische waarden:

de aan gebieden toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;

1.9

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde;

5

1.10

bebouwingspercentage:

het percentage van de gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste bebouwd mag worden;

1.11

bedrijf:

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren, en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

1.12

bedrijfsverzamelgebouw:

een gebouw waarbinnen ten minste twee bedrijven zijn gevestigd;

1.13

bedrijfsvloeroppervlakte (bvo):

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten;

1.14

bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw op een terrein, enkel en alleen bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvestiging daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.15

begane grond:

de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1 m boven peil is gelegen

1.16

bestaand:

bij gebruik: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van dit plan; bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.17

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.18

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.19

Bevi-inrichtingen:

inrichtingen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.20

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, of een ander bouwwerk, met een dak;

1.21

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

6

1.22

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.23

bouwlaag:

een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. Bij de bepaling van het aantal bouwlagen worden de ruimten in de kap (zolder) en de bouwlagen die onder de begane grond zijn gelegen (kelder e.d.) niet meegerekend;

1.24

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.25

bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.26

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.27

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of een ander materiaal, die hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.28

detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.29

detailhandel, productiegebonden:

qua oppervlakte beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van (streek)eigen goederen / producten vanuit een bedrijf dat die goederen / producten vervaardigt / produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.30

dienstverlening:

dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksaantrekkende functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, hypotheekvertrekker, postkantoor, telefoon-/telegraaf-/telexdienst, internetdiensten, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, alsmede door naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven;

1.31

erfafscheiding:

een bouwwerk dat dient ter gehele of gedeeltelijke omheining van een bouwperceel, bouwvlak of ander stuk grond;

7

1.32

erotisch getint bedrijf c.q. inrichting:

bedrijf c.q. inrichting, waarvan voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard plaatsvinden. Hieronder worden mede begrepen: seksautomatenhal: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid, waarin door middel van automaten filmvoorstellingen van porno-erotische aard wordt gegeven; seksbioscoop: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid, waarin filmvoorstellingen van porno-erotische aard worden gegeven; seksclub: een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid, waarin vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven c.q. gelegenheid wordt geboden voor het verrichten van handelingen van porno-erotische aard, al dan niet gecombineerd met het bedrijfsmatig ten behoeve van gebruik ter plaatse verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken en/of kleine etenswaren;

1.33

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.34

geluidszoneringsplichtige bedrijven:

bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in artikel 2.4 van het inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet Milieubeheer (Staatsblad 1993, 50);

1.35

hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte ervan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is;

1.36

Internetverkoop:

een bedrijf dat via internet goederen aan derden te koop aanbiedt en deze vervolgens per post aan de eindgebruiker levert dan wel een afhaalservice hiervoor aanbiedt, met dien verstande dat verzenden of afhalen en afrekenen daarbij is toegestaan;

1.37

kantoren:

een gebouw, dat dient voor het verlenen van diensten met een administratief karakter en/of het verrichten van handelingen met een overwegend administratief karakter door bedrijven en (semi)overheidsinstellingen, met een al dan niet publieksgerichte baliefunctie;

1.38

maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van of ten dienste van: medische activiteiten; sociale activiteiten; culturele activiteiten; religieuze activiteiten; onderwijs; sport- en gymnastieklokalen; kinderopvang; scouting; de overheid en met een overwegend openbaar karakter; en waarvan de exploitatie (gedeeltelijk) door publieke middelen mogelijk wordt gemaakt;

8

1.39

niet-zelfstandige kantoren:

een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft;

1.40

nutsvoorzieningen:

gebouwde voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van water, elektriciteit, gas, e.d.;

1.41

ondersteunende horeca:

een openbare horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren;

1.42

open constructie:

constructie met een doorkijk, voor minimaal 80% voorzien van open delen, zoals een constructie met gaas;

1.43

overkapping:

een overdekt bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder dan wel ten hoogste met 1 wand;

1.44

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding;

1.45

retentievoorziening:

voorziening ten behoeve van het bergen van water;

1.46

seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.47

showroom:

een ruimte, of bij elkaar horende ruimten, die bedoeld zijn om te worden gebruikt voor het ten toon stellen van goederen en materialen met als doel de verkoop ervan;

1.48

Staat van Bedrijfsactiviteiten:

De Staat van Bedrijfsactiviteiten die deel uitmaakt van deze regels;

1.49

statische (binnen)opslag:

binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd voor handel en niet worden opgeslagen voor elders gevestigde niet-agrarisch bedrijf. Het betreft bijvoorbeeld (seizoens)stalling van (antieke)auto's, boten, caravans en dergelijke;

1.50

statische opslagactiviteiten:

de opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeve, zoals (antieke) auto's, boten, caravans en dergelijke;

9

1.51

telecommunicatiemast:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedradingen de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

1.52

verdiepingen:

de bouwlagen van een gebouw gelegen boven de begane grondlaag;

1.53

voorgevel:

een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw;

1.54

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

Wet van 6 november 2008 (Stb.496) houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.55

Wet milieubeheer:

Wet van 13 juni 1797 Stb. 442, houdende regels met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.56

Wet ruimtelijke ordening:

Wet van 20 oktober 2006, (Stb. 2006, nr 566), houdende nieuwe regels omtrent ruimtelijke ordening, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan

10

Artikel 2

2.1

Wijze van meten

De afstand van een gebouw tot aan de perceelsgrens:

de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens;

2.2

De diepte van aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw:

de diepte van een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw wordt loodrecht vanaf de gevel van het hoofdgebouw, waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, gemeten tot het uiterste punt van de achtergevel van de aanbouw;

2.3

De dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4

De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarbij gelijk te stellen constructiedeel;

2.5

De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6

De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.7

De oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.8

Peil:

a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; in andere gevallen: b. de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.

2.9

Ondergeschikte bouwdelen:

De in dit plan gegeven regels omtrent plaatsing, afstanden en maten van bouwwerken, zijn niet van toepassing op goot- en kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels, luifels, dakoverstekken, schoorstenen, lichtkoepels en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.

11

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Bedrijventerrein

3.1

Bestemmingsomschrijving

3.1.1

Algemene bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven; b. niet-zelfstandige kantoren; c. zelfstandige kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - zelfstandig kantoor'; d. bedrijfsverzamelgebouw, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - bedrijfsverzamelgebouw'; e. verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'; f. nutsvoorzieningen; g. geluidwerende voorzieningen; h. buitenopslag; i. water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, groen, parkeervoorzieningen e.d. en overeenkomstig de in artikel 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

3.1.2

Nadere detaillering van de bestemming

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in artikel 3.1.1: a Bedrijven Voor bedrijven geldt het volgende: a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1': bedrijven uit ten hoogste categorie 1 van de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven uit uitsluitend categorie 2 van de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten ; c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven uit categorie 2 t/m ten hoogste categorie 3.1 van de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten; d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven uit categorie 2 t/m ten hoogste categorie 3.2 van de als bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten; e. ter plaatse van de aanduidingen zoals hierna in de tabel genoemd tevens een bedrijfsactiviteit met de genoemde SBI-codes uit ten hoogste voor de bedrijfsactiviteit in de tabel aangegeven categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein': Bedrijf

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/591/documents/17326