CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Kerkcluster Hoeven Toelichting (4) Novelle.pdf

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Vaststelling bestemmingsplan ‘Kerkcluster Hoeven’15.897 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bedrijfshinderveroorzakende functie De milieucategorie voor de bedrijfshinderveroorzakende functie horeca betreft milieucategorie 1. Hierbij geldt een richtafstand voor geluid, geur en stof van 10 meter. De pastorie ligt aan de Sint Janstraat die zich kenmerkt door verschillende centrumfuncties zoals detailhandel, dienstverlening en horeca. Hierdoor kan worden gesproken van een gemengd gebied. Omdat sprake is van en gemengd gebied kan een afstandsstap terug gehanteerd worden, waardoor de richtafstand 0 meter wordt. De horecagelegenheid wordt gerealiseerd op de begane grond van de huidige pastorie. In dit zelfde gebouw

42/66

direct grenzend worden op de 1e verdieping ook woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn maatgevend en voldoen aan de richtafstand van 0 meter ten opzichte van de horeca-functie. Hiermee wordt ten aanzien van de geplande bedrijfshinderveroorzakende en bedrijfshindergevoelige functies voldaan aan de richtafstanden. Bedrijfshindergevoelige functie Wat betreft de te ontwikkelen bedrijfshindergevoelige functies is de (eventuele) aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving van belang. In figuur 4.5 zijn de afstanden tot bedrijfshinderveroorzakende functies weergegeven.

Figuur 4.5 - Omliggende bedrijfshinderveroorzakende functies (www.ruimtelijkeplannen.nl) Het gedeelte waar het appartementengebouw en de patiowoningen worden gerealiseerd, kan ook getypeerd worden als een gemengd gebied. Het ligt tussen het centrumgebied en de begraafplaats in, dichtbij de Sint Jan de Doperkerk dat wordt herontwikkeld tot een multifunctioneel dorpshuis inclusief nieuwe aanbouw. Ten noorden van het plangebied is een begraafplaats gelegen, hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De afstand tussen het bouwvlak van de woningen en de begraafplaats bedraagt circa 6 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Voor een kerkgebouw en ook voor buurt- en clubhuizen geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van de aanbouw van de Sint Jan de Doperkerk tot aan het bouwvlak van het appartementengebouw bedraagt circa 5 meter. In de omgevingsvergunning die is verleend voor de Sint Jan de Doperkerk d.d. 25 mei 2023 is aangegeven dat isolatie wordt toegepast om geluidoverlast naar buiten te voorkomen en dat de locatie is niet bedoeld voor commerciële evenementen of feesten. Daarnaast wordt het appartementengebouw zelf op ruim 10 meter afstand gerealiseerd en zit de entree aan die zijde van het gebouw. Derhalve kan worden

43/66

geconcludeerd dat bij de appartementen in het appartementen- gebouw sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De realisatie van de woningen levert geen beperkingen voor de gewenste functies in de kerk. In het zuidelijke gedeelte van het plangebied grenst het plangebied ten oosten en ten westen aan centrumfuncties. De maximale richtafstand hiervoor in een gemengd gebied betreft die van maatschappelijke voorzieningen met een richtafstand van 10 meter. Het bouwvlak van de meest zuidelijke patiowoning ligt tegen de centrumbestemming aan. Aan de richtafstand wordt derhalve niet voldaan. Er is onderzocht welke feitelijke activiteiten plaatsvinden op de percelen Sint Janstraat 44 en 46. Op beide percelen zijn woningen aanwezig. Op het perceel Sint Janstraat 46 is in een gebouw op de achterzijde van het perceel een kapsalon aanwezig. Voor kappersbedrijven geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. De afstand van het bouwvlak van de meest zuidelijke woning tot de kapsalon bedraagt 20 meter. Hierdoor kan gesteld worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd ter plaatse van het plangebied en dat de nieuwe woningen geen belemmeringen vormen voor omliggende bedrijvigheid. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.

4.6

(Spoor)wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. Onderzoek Binnen het plangebied worden 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling het realiseren van geluidsgevoelige functie(s) en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden). De beoogde nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van de Halderbergselaan (N640). Hierdoor is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast is voor het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening ook onderzoek gedaan naar de 30 km/h wegen in en rondom het plangebied. Door Rho Adviseurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de geluidbelasting vanwege de N640 wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting is 51 dB op het appartementencomplex en 49 dB op de levensloopbestendige woningen. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

44/66

De geluidbelasting vanwege de Sint Janstraat (niet gezoneerde weg) bedraagt 53 dB. Dat is ruimschoots onder de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB. De geluidbelasting vanwege de Akkerlingen is ten hoogste 38 dB. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 48 dB. Omdat de voorkeursgrenswaarde door niet meer dan één geluidbron wordt overschreden is het wettelijk (Wgh) niet nodig de gecumuleerde geluidbelasting te bepalen. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen exclusief aftrek artikel 110g Wgh berekend. Het blijkt dat er geen relevante samenloop van geluid is. De geluidbronnen N640 en Sint Janstraat zijn aan weerzijden de ontwikkeling gelegen. De geluidkwaliteit op de noordgrenzen van de noordelijk gelegen bouwvlakken wordt als matig tot redelijk beoordeeld en aan de kant van de Sint Janstraat als matig. Naarmate de woningen verder liggen van de geluidbron wordt de geluidkwaliteit als redelijk tot zeer goed beoordeeld. Er is sprake van een akoestisch (wegverkeer) aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aanvullende eisen vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van de gevelgeluidwering zijn aan de orde voor de woningen met een hogere waarde. Het gaat om een karakteristieke geluidwering van tenminste GA;k = 59 – 33 = 26 dB(A), gebaseerd op de geluidbelasting exclusief aftrek o.b.v. art. 110g Wgh en het Bouwbesluit 2012.

De geluidbelasting ten gevolge van de N640 op het plan is hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Omdat er geen doelmatige maatregelen zijn om de geluidbelasting te verminderen is het laten vaststellen van hogere waarden nodig. Uitgaande van de inrichtingstekening van de woningen en het appartementengebouw wordt voorgesteld om de hogere waarden vast te laten stellen . Het akoestisch rapport is opgenomen in Bijlage 2. Conclusies Het aspect geluid van wegverkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het laten vaststellen van hogere waarden vanwege de N640 is nodig.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling Wet milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

45/66

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) Onderzoek Wet milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML) hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Halderbergselaan (zie figuur 4.6).

Hieruit blijkt dat zowel in 2021 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.1. Toetsing aan grenswaarden maatgevende Wmb stof grenswaarde stikstofdioxide (NO2) ) fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

46/66

40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

maximale waarden maximale waarden in jaar 2021 in jaar 2030 17,1 µg/m³ 12,3 µg/m³ 16,6 µg/m³ 14,1 µg/m³ 6 6 9,3 µg/m³ 7,2 µg/m³

Figuur 4.6 - Luchtkwaliteit, rood omkaderd het plangebied (bron: CIML-monitoringstool) Onderzoek NIBM De ontwikkeling maakt de realisatie van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Deze verkeersaantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf (4.2) en bedraagt 371 motervoertuigbewegingen per weekdaggemiddelde. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald en weergegeven in figuur 4.7.

47/66

Figuur 4.7 - Uitkomst NIBM Tool De uitkomst van de NIBM-tool laat zien dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan is derhalve uitvoerbaar voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8

Archeologie

Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan. Gemeenten moeten bij het vaststellen van

48/66

bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. Archeologiebeleid gemeente Halderberge Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. Beleidsnota Archeologie 2011 In de gemeente Halderberge is dit vastgelegd in de gemeentelijke beleidsnota archeologie uit 2011. Deze beleidsnota heeft als doel het gemeentelijke beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vast te leggen. Deze beleidsnota heeft als doel het gemeentelijke beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vast te leggen.

De gemeente Halderberge streeft naar een gedegen, proactief en geïntegreerd gemeentelijk archeologiebeleid. Hierdoor kan de gemeente zorgen voor maatwerk, kwaliteit, beleefbaarheid, kostenbesparing, vermeerdering van kennis en een betere kennisoverdracht. Onderzoek In de archeologische advieskaart is de archeologische verwachtingswaarde opgenomen. In figuur 4.8 is een uitsnede opgenomen uit de archeologische advieskaart. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in stedelijk gebied en daarmee een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. Het plangebied bevat daarentegen wel historische bebouwing. De pastorie is aangewezen als gemeentelijk monument. Net buiten het plangebied bevindt zich het rijksmonument de Sint-Jan de Doperkerk. Door de ligging in stedelijk gebied en de lage verwachtingswaarde is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

49/66

Figuur 4.8 - Archeologische advieskaart (Gemeente Halderberge, 2011) Omdat er sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, geldt er geen archeologische onderzoeksplicht voor de locatie. Indien er tijdens graaf- en inrichtingswerkzaamheden archeologische sporen en vondsten aan het licht komen, dan moeten deze worden gemeld aan het bevoegd gezag. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Cultuurhistorie

Beleid en normstelling

50/66

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. Beleidsnota Cultureel Erfgoed In deze nota uit 2011 wordt de huidige stand van zaken m.b.t. monumentenzorg besproken en worden voorstellen gedaan om te komen tot een adequaat, integraal en actief gemeentelijk beleid op het gebied van monumentenzorg.

Bij het maken van beleidskeuzen moet het cultuurhistorisch aspect meer dan tot nu toe het geval is geweest een prominentere rol krijgen, die verder gaat dan alleen de zorg voor een bepaald monumentaal object. Deze gedachte sluit tevens aan op internationale, nationale en provinciale ontwikkelingen. Onderzoek Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) Op de CHW van de provincie Noord-Brabant is de Sint-Jan de Doperkerk aangeduid (met de rode stip) als Rijksmonument. Ter plaatse van de pastorie is de kerkelijke dienstwoning (met de blauwe stip onder de kerk) aangeduid als overige bouwkunst. De kerk en het bijgebouw van de kerk (blauwe stip ter hoogte van de kerk) zijn ook aangeduid als overige bouwkunst. De Sint Janstraat (gele lijn) is op kaart met Historische geografie aangeduid als een route van redelijk hoge waarde. In figuur 4.9 is een uitsnede van de CHW weergegeven, hierin is het plangebied rood omlijnd.

51/66

Figuur 4.9 - Uitsnede CHW van de provincie Noord-Brabant Cultuurhistoriekaart De cultuurhistoriekaart voor de gemeente Halderberge biedt een actueel overzicht van het bovengronds cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente. De kaart omvat een inventarisatie van historisch-geografische en historisch-(steden)bouwkundige objecten en structuren en de landschappelijke (en stedenbouwkundige) gebieden met cultuurhistorische waarde. Aangegeven zijn relicten die daadwerkelijk nog in het landschap herkenbaar zijn en de ligging van de meest prominente verdwenen objecten en structuren (bijvoorbeeld kerken, kloosters, molens, vestingwerken). In figuur 4.10 is de cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge weergegeven. Hieruit blijkt dat naast het plangebied een begraafplaats is gelegen.

52/66

Figuur 4.10 - De cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge (gemeente Halderberge, 2011) De beoogde ontwikkeling voorziet in ontwikkelingen rondom cultuurhistorisch waardevolle elementen. In de planvorming is dan ook rekening gehouden met met name de situering van de kerk ten opzichte van de nieuwbouw. Er is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische elementen. Mochten er tijdens graaf- en inrichtingswerkzaamheden archeologische sporen en vondsten aan het licht komen, dan moeten deze worden gemeld aan het bevoegd gezag. De pastorie, ofwel kerkelijke dienstwoning, wordt wel verbouwd tot horeca gelegenheid en woongebouw. De uitwerking van de bouwplannen zal in nauw overleg plaatsvinden met de Monumentencommissie om te zorgen dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. Conclusie De ontwikkeling heeft geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden in en om het plangebied. De patiowoningen en het appartementengebouw worden op gepaste afstand van de Sint Jan de Doperkerk gerealiseerd. De aanpassingen aan de pastorie zullen in nauw overleg plaatsvinden met de Monumentencommissie. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Ecologie Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval

53/66

moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling

54/66

te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.11). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Hollands Diep' op minimaal 12 km ten noorden van het plangebied.

Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het stikstofonderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit bestemmingsplan vrijkomt in zowel de aanleg- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure. Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000-gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura-2000 gebieden.

55/66

Figuur 4.11 - Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied (groen) Onderzoek soortenbescherming De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd. verwijdering van begroeiing; bouwrijp maken; bouwwerkzaamheden. Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming zal kunnen worden verkregen. Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologische onderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 26-01-2022). Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat nader onderzoek benodigd is naar onder andere de boommarter, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, eekhoorn, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen benodigd, alvorens men met de werkzaamheden kunnen aanvangen.

Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. In tabel 4.1 is de onderzoeksperiode weergegeven.

56/66

Tabel 4.1 - Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties De quickscan ecologie is opgenomen in Bijlage 5. Nader onderzoek Het volledig nader onderzoek ecologie is opgenomen in Bijlage 6. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat. In het projectgebied is een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld en is er een baltsterritorium van een individu van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, waarvan het paarverblijf in het projectgebied verwacht wordt. In de directe omgeving is één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn geen andere beschermde functies van vleermuizen aangetroffen binnen het projectgebied. Er zijn binnen het projectgebied geen nestlocaties van de huismus of andere vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 (Vogelrichtlijn) aangetroffen. In het projectgebied zijn geen individuen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel waargenomen, tevens zijn er geen verblijfplaatsen vastgesteld. Binnen de grenzen van het projectgebied is een individu van de eekhoorn waargenomen. Een verblijfplaats van de eekhoorn is niet in het projectgebied vastgesteld. Bij de pastorie aan de Sint Janstraat 38 is een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, waarvan de paarverblijfplaats zich vermoedelijk in de oostelijke gevel bevindt.

In dezelfde gevel is tevens een paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis vastgesteld. Door de bouwwerkzaamheden kunnen de paarverblijfplaatsen worden verstoord. Hiermee wordt een verbodsbepaling uit artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden. Voor de genoemde soorten dient ontheffing aangevraagd te worden. Omdat de verbouwplannen van de pastorie nog niet concreet zijn, wordt ontheffing van de Wet Natuurbescherming pas aangevraagd voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor bouwen. Er is een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied. Deze bevindt zich aan de westelijke zijde van de Sint Jan de Doperkerk. In het algemeen is aan te bevelen geen gebruik te maken van aanvullende nachtelijke verlichting. Vleermuizen kunnen door aanvullende

57/66

nachtelijke verlichting worden verstoord tijdens het foerageren en passeren. Indien toch gebruik wordt gemaakt van aanvullende verlichting, dient vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast met amberkleurig licht en richtarmaturen die uitstraling naar de omgeving voorkomen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er zich een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis in de kerk bevindt. Deze soort is zeer lichtgevoelig. Herinrichting van de omgeving van de kerk kan mogelijk leiden tot een dermate zware verstoring van de gewone grootoorvleermuis dat dit het in onbruik raken van de kraamverblijfplaats tot gevolg kan hebben. Indien gebruik wordt gemaakt van aanvullende verlichting, wordt vleermuisvriendelijke verlichting toegepast. Wanneer heiwerkzaamheden plaatsvinden, dient rekening te worden gehouden met de beschermde functies van vleermuizen in de kerk. Afhankelijk van de werkzaamheden kan dit ontheffingsplichtig zijn. Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor broedgevallen van algemene broedvogels. De verstorende bouwwerkzaamheden worden grotendeels buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uitgevoerd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd.

Voor de werkzaamheden die tijdens het broedseizoen plaats vinden, wordt het projectgebied vooraf ongeschikt gemaakt of dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Voor de realisatie van het plan is grondverzet noodzakelijk, dus worden maatregelen getroffen om het doden van (algemene) amfibieën, en zoogdieren te voorkomen. Hierbij wordt in één richting gewerkt om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten. Conclusie Enkel voor de verbouwwerkzaamheden aan de pastorie dient ontheffing aangevraagd te worden. Omdat de verbouwwerkzaamheden nog niet concreet zijn, wordt pas voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor bouwen ontheffing aangevraagd. Op grond van de Wet natuurbescherming worden mitigerende maatregelen getroffen.

4.11 Externe veiligheid Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde

58/66

omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

59/66

Onderzoek

Figuur 4.12 - Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omcirkeld Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook vindt er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg of het water met een externe werking. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuiden bevindt zich de hogedrukaardgasleiding Z-520-37 in beheer van de Gasunie. De grootte van de buisleiding is 6 inch en de maximale werkdruk 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied bedraagt 70 meter. De afstand van het plangebied tot de buisleiding bedraagt minimaal 1.700 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Het spoortraject Roosendaal Oost - Breda bevindt zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 1.730 meter. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Omdat de afstand groter is dan 200 meter hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik, wel dient in een beknopte verantwoording te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten zuiden bevindt zich de A58 op een afstand van circa 2.338 meter. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door stofcategorie GT4 en bedraagt 4 kilometer. Ook hiervoor geldt dat de afstand groter is dan 200 meter, waardoor kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Uit het onderzoek uit 2018 in het kader van het 'project vervoer gevaarlijke stoffen' door de OMWB blijkt dat het initiatief binnen het invloedsgebied valt van de transportbewegingen met gevaarlijke stoffen die over de N640/ Palingstraat te verwachten zijn. Er dient te worden getoetst aan artikel 7 van het BEVT. Er kan worden volstaan

60/66

met een standaardbrief (Bijlage 7) en een standaardverantwoording (Bijlage 8) van de veiligheidsregio. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Sint Janstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Hoeven. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Roosendaal Oost - Breda en de A58. Door de ligging van het plangebied op meer dan 200 meter van deze bronnen, zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico.

In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig met een externe werking. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

61/66

Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

62/66

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven. Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting.

Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

Het bestemmingsplan is opgebouwd uit de volgende bestemmingen: Wonen: Met de bestemming 'Wonen' worden de grondgebonden woningen en het appartementencomplex mogelijk gemaakt. Gemengd: Met de bestemming 'Gemengd' wordt een horeca gelegenheid op de begane grond en woningen op de verdiepingen van de pastorie toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming zijn op de verdiepingen 3 wooneenheden toegestaan. Verkeer: De bestemming 'Verkeer' maakt onder andere wegen, parkeerplaatsen, groen, waterbergingsvoorzieningen, speelvoorzieningen, kunstwerken en nutsvoorzieningen mogelijk. Groen: De bestemming 'Groen' is opgenomen aan de westzijde van het plangebied ten zuiden van de patiowoningen en maakt onder andere groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen mogelijk.

63/66

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan de vooroverlegpartners voorgelegd. Onderstaande reacties zijn binnengekomen op het plan. De reactie van het waterschap heeft geleid tot een aanpassing van paragraaf 4.4. De overige reacties hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Provincie Noord-Brabant De provincie geeft aan dat ze geen zienswijzen hebben op het plan. Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat geeft aan dat het plan niet in hun beheersgebied ligt en dat het hun raakt.

belangen niet

Waterschap Brabantse Delta In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt nog verwezen naar het Waterbeheerplan 2016-2021 "Grenzeloos verbindend". Inmiddels is er een nieuw waterbeheerprogramma. Het waterschap ziet graag een verwijzing opgenomen naar het Waterbeheerprogramma 2022-2027 "Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap". Het waterschap verzoekt in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan geeft het waterschap een positief wateradvies. Het waterschap wijst op mogelijke maatregelen voor klimaat adaptief bouwen. Het waterschap wijst erop dat de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024 van toepassing is op onder andere het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/ infiltreren van grondwater. Brandweer Met betrekking tot externe veiligheid heeft de brandweer geen opmerkingen. en standaardverantwoording en brief zijn afdoende. De brandweer geeft aan dat bij de verdere uitwerking van de buitenruimte van het plan aandacht moet worden besteed aan de bereikbaarheid en aan bluswatervoorzieningen.

Er moet worden voldaan aan de beleidsregel 'Bereikbaarheid en bluswater.

64/66

Nederlandse Gasunie De Gasunie heeft het plan getoetst en komt tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Kaan-TSF ondergrondse infrastructuur Kaan-TSF heeft het plan getoetst en geeft aan dat zij, namens Zeeland Refinery, Dow Benelux en Leidingstraat Nederland, geen inhoudelijke reactie heeft op het ontwerpbestemmingsplan. TenneT Tennet geeft aan dat zij binnen de grenzen van dit plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer hebben en dat zij dan ook geen opmerkingen hebben op genoemd plan. Informatieverstrekking In 2019 heeft de gemeente in samenwerking met het stedenbouwkundig bureau Wissing een presentatie gegeven over het deelgebied 'Kerk' met gelegenheid voor vragen en opmerkingen. Het verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in Bijlage 9. De geplande ontwikkeling is tevens gedeeld met de verschillende stakeholders door middel van een (digitale) informatieavond in 2019 voor alle geïnteresseerde uit de kern Hoeven. Zie Bijlage 10 voor het verslag van de informatieavond. In januari 2024 is nogmaals een inloopavond georganiseerd voor geïnteresseerden. Zie bijlage 11 voor de ingekomen reacties op deze avond.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn 3 zienswijzen ingediend. Zie bijlage 12 voor de nota zienswijzen. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid

65/66

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen en horeca. Hierdoor wordt het bestemmingsplan financieel haalbaar geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt. Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade er is tevens is een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.

66/66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/588/documents/17266