Bijlage 6; Was-wordt lijst verordening en beleidsregel leerlingenvervoer.pdf
Tekst van het document
vindplaats van nieuwe situatie Verwijzing naar het artikel in de nieuwe verordening.
vindplaats van oude situatie Verwijzing naar het artikel, lid en sub in de huidige verordening.
naam
naam
wetgeving
wetgeving
1
1
Toelichting
beleidsregel
Er is geen toelichting opgenomen wanneer er geen of zeer beperkte veranderingen zijn ten opzichte van de oude situatie. Ook wanneer de verandering veranderingen in de volgordelijkheid van artikelen of leesbaarheid van de artikelen betreffen zijn deze niet nader toegelicht.
Verwijzing naar aanvullende lokale beleidsregel.
Lokale veranderingen/beleidskeuzes zijn groen gemaakt. Bij de nieuwe verordening is de term ‘bekostiging’ uit de naamgeving gehaald. In 2017 is deze term al in de wetgeving vervallen en vervangen door ‘vergoeding’ (Stb. 2017, 80). De reden hiervoor is dat het bij leerlingenvervoer niet gaat om bekostiging, nu er geen verstrekking van financiële middelen aan het schoolbestuur plaatsvindt, maar aan ouders (Kamerstukken II 2016/17, 34 607, nr. 3, p. 4, 7 en 11). Omdat de verordening (potentieel) meer regelt dan alleen het verstrekken van een vergoeding is bij de naamgeving gekozen voor ‘leerlingenvervoer’. De Wet op het voorgezet onderwijs is sinds 2020 vervangen door de Wet Voortgezet onderwijs 2020. Het leerlingenvervoer betreffende artikel 4 heeft een andere nummering gekregen: de artikelen 8.28 en 8.29. De inhoud van de wetsartikelen waarop deze verordening is gebaseerd zijn niet veranderd. Dit zijn: - artikel 4, van de Wet op het primair onderwijs; - artikel 4, van de Wet op de expertisecentra; - artikel 8.29, van de Wet voortgezet onderwijs 2020; De definities sluiten waar mogelijk aan bij de omschrijving in de genoemde onderwijswetten. Als een begrip niet in de wetten wordt genoemd, wordt het in de definitie zo feitelijk mogelijk omschreven. Een aantal definities zijn toegevoegd omdat ze niet in de wetten
worden genoemd maar voortvloeien uit gemeentelijke keuzes in de uitvoering van het leerlingenvervoer.
afstand: In de oude situatie was de routeplanner die gebruikt wordt om de afstand te bepalen benoemd in de verordening. In de nieuwe situatie wordt deze benoemd in de beleidsregel. buitenschoolse opvang: In de oude situatie was 'buitenschoolse opvang' niet nader gedefinieerd. De nieuwe definitie van buitenschoolse opvang maakt vervoer naar een niet officiële-buitenschoolse opvanglocatie (bijvoorbeeld grootouders) onder voorwaarden mogelijk. Dit past bij de normaliserende beweging die gaande is. eigen verantwoordelijkheid: In de nieuwe situatie is 'eigen verantwoordelijkheid' niet meer als definitie opgenomen in de verordening. De verantwoordelijkheid wordt expliciet benoemd in artikel 8. leerling: In de nieuwe situatie is aan de definitie toegevoegd ‘of voor een proefplaatsing een school bezoekt’. Dit maakt leerlingenvervoer ook mogelijk wanneer de leerling nog niet definitief ingeschreven staat bij een school. ouders: Om de tekst van de verordening leesbaarder te houden is in de nieuwe situatie aan de begripsbepaling van ouders 'of, indien van toepassing de meerderjarige en handelingsbekwame leerling'. persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: In de oude situatie was 'persoonlijk vervoersontwikkelingsplan' niet nader gedefinieerd.
Het expliceren van deze definitie draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van de leerling en aan het verlagen van de hoeveelheid aangepast vervoer (chauffeurstekort) en daarmee de kosten voor
2 3
3.1 en 3.2 4.1, 4.2, 4.3, 4.4 en 4.5
4
4.2.
leerlingenvervoer. stage: In de oude situatie was 'stage' niet nader gedefinieerd. De opgenomen definitie maakt het mogelijk om leerlingenvervoer naar een stageadres enkel toe te kennen wanneer het een verplicht onderwijsonderdeel is bij een arbeidsgericht uitstroomprofiel (er is geen wettelijke grondslag voor leerlingenvervoer naar een stageadres). structureel gehandicapte leerling: In de oude situatie werd het begrip ‘gehandicapte leerling’ gebruikt. In de nieuwe situatie is dit aangepast naar ‘structureel gehandicapte leerling’ waarvan sprake is wanneer een handicap ten minste drie maanden duurt. tijdelijke opstapplaats: In de nieuwe situatie wordt gesproken van een 'tijdelijke opstapplaats' waar voorheen van 'opstapplaats' werd gesproken. In de praktijk wordt geen gebruik gemaakt van structurele opstapplaatsen. schoolvakantie: In de oude situatie was 'schoolvakantie' niet nader gedefinieerd. vervoersvoorziening: In de nieuwe situatie is de volgordelijkheid waarin een vervoersvoorziening wordt toegekend benadrukt. ontwikkelingsperspectief, OOGO en vervoer: In de nieuwe situatie zijn deze begrippen niet meer in de verordening opgenomen.
In de oude situatie kon een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opgesteld worden vanaf een leeftijd van 9 jaar. Omdat dit in de praktijk nooit vanaf 9 jaar gebeurt is in de nieuwe situatie ‘vanaf een leeftijd van 9 jaar’ aangepast naar ‘Wanneer de leerling groep zeven van de basisschool, speciale school voor basisonderwijs of school voor speciaal onderwijs bereikt’. In de nieuwe situatie is de mogelijke inzet van een
5 6
3.4 en 3.5 3.6
7 8
6.5 en 6.6 6.1, 6.3 en 7.5
9
9
deskundige in een separaat artikel opgenomen en een lid toegevoegd: 'De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige. In de nieuwe situatie is sub a veranderd ten opzichte van de oude situatie: De ingangsdatum van een vergoeding ligt, in de nieuwe situatie, maximaal één maand voor de datum van ontvangst van de aanvraag. In de oude situatie lag de ingangsdatum niet voor de datum van ontvangst van de aanvraag. Hiervoor is gekozen vanuit een dienstverlenend oogpunt. In de nieuwe situatie is 'eigen verantwoordelijkheid' niet meer als definitie opgenomen in de verordening. De verantwoordelijkheden van ouders worden expliciet benoemd in artikel 8. Zo ook de verantwoordelijkheid om, waar nodig, te zorgen voor een begeleider. In de nieuwe situatie benadrukt lid 5 de volgordelijkheid waarin een vervoersvoorziening wordt toegekend. Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 8 inzake algemene uitgangspunten voor toekenning van de vervoersvoorziening. In de nieuwe situatie wordt duidelijker benoemd dat geen vervoersvoorziening wordt toegekend naar voortgezet onderwijs, tenzij de leerling door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
In de oude situatie verviel op het moment dat een leerling zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets kon reizen het recht op leerlingenvervoer. Gekozen is om de voorwaarde 'door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer' in de nieuwe situatie (lid 2, sub a) te laten vervallen voor voortgezet speciaal onderwijs. Op deze manier wordt het mogelijk om ook een vergoeding
De verantwoordelijkheid van ouders om, waar nodig, te zorgen voor een begeleider wordt in de aanvullende beleidsregel geëxpliceerd. Ook wordt hier duiding gegeven van wat verstaan wordt onder 'ernstige benadeling'. De routeplanner die gebruikt wordt om de afstand te bepalen wordt benoemd in de beleidsregel (om discussies over verschillende uitkomsten tussen verschillende routeplanners te voorkomen). Dit voorkomt dat er een wijziging van de verordening moet plaatsvinden op het moment dat de routeplanner een ander naam krijgt of buiten gebruik wordt gesteld.
10 11
12 10
12
8
13
13
14
14
15
23
op basis van de kosten van het vervoer per fiets of openbaar vervoer toe te kennen aan deze leerlingen. De mogelijkheid tot een vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets of openbaar vervoer stimuleert de verschuiving van aangepast vervoer naar vervoer per fiets of openbaar vervoer, zo wordt veronderstelt. Tevens kan dit bijdragen aan het vergroten van de zelfredzaamheid van de leerling en aan het verlagen van de hoeveelheid aangepast vervoer (chauffeurstekort) en daarmee de kosten voor leerlingenvervoer. In de nieuwe situatie wordt gesproken van een 'tijdelijke opstapplaats' waar voorheen van 'opstapplaats' werd gesproken. In de praktijk wordt geen gebruik gemaakt van structurele opstapplaatsen. In de nieuwe situatie wordt verwezen naar de wetsartikelen waarop dit artikel is gebaseerd. Het 'OGOO' is in de nieuwe situatie niet meer in de verordening opgenomen.
In de nieuwe situatie is lid 3 toegevoegd. In de praktijk is het handig gebleken als de oorspronkelijke gemeente wel contact opneemt met de gemeente waar de leerling komt te verblijven en vraagt of daar al vervoer aanwezig is. Vaak is er al een rit vanuit de nieuwe gemeente naar de school beschikbaar. Het is met de huidige chauffeurstekorten onwenselijk dat de gemeente van oorsprong een taxibus inzet, terwijl er vanuit de nieuwe gemeente mogelijk ook al een taxi rijdt. De uitvoering zou dus bij voorkeur wel bij de nieuwe gemeente kunnen liggen. In de nieuwe situatie expliceert de naam van het artikel de voorwaarde dat een leerling in een pleeggezin of internaat moet verblijven om een vervoersvoorziening
In de aanvullende beleidsregel wordt een duiding gegeven van dat wat verstaan wordt onder 'meerdere uren'.
16
15
17
16
18
18
19 20
19 21
voor het weekend en vakanties aan te vragen. In de nieuwe situatie zijn tevens lid 4, 5 en 6 toegevoegd welke de volgordelijkheid benadrukken waarin een vervoersvoorziening wordt toegekend. In de nieuwe situatie is ‘Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.’ niet meer opgenomen. Hiervoor is gekozen vanuit een dienstverlenend oogpunt. Een aanvullende voorwaarde om in aanmerking te komen voor stagevervoer in de oude situatie was dat de stagetijden overeen moeten komen met de reguliere schooltijden. In de nieuwe situatie is deze voorwaarde geschrapt en als aangepaste variant -enkel van toepassing bij aangepast vervoer- opgenomen. In de nieuwe situatie zijn de voorwaarden voor het vervoer van en/of naar buitenschoolse opvang aangepast waardoor het vervoer naar een niet officiëlebuitenschoolse opvanglocatie (bijvoorbeeld grootouders) mogelijk wordt. Dit past bij de normaliserende beweging die gaande is. De vervoersvergoeding is wettelijk gebaseerd op minimaal de kosten van het OV, tenzij uit onderzoek blijkt dat de leerling (eventueel) onder begeleiding ook kan fietsen. De fietsvergoeding kan, als goedkopere optie, pas aan de orde zijn als in beginsel recht bestaat op de OV vergoeding. Dit artikel biedt het college een grondslag om een vergoeding te kunnen verstrekken voor door ouders zelf georganiseerd vervoer.
Het artikel stimuleert ouders om het vervoer zelf te regelen. Lid 2 beperkt zich in de nieuwe situatie tot een kilometervergoeding voor de eigen auto, daar een vervoersvergoeding voor de begeleider die reist per openbaar vervoer of fiets al in artikel 19 is opgenomen.
De applicatie die gebruikt wordt om de kosten van het openbaar vervoer te bepalen wordt benoemd in de beleidsregel (om discussies over verschillende uitkomsten tussen verschillende applicaties te voorkomen). Wanneer in de toekomst wordt gekozen voor een andere applicatie hoeft de verordening niet aangepast te worden.
21 22
20 22
23 24 25 26
24 25 7.2 7.4, 7.5 en 7.6
27 28 29 30
26 27 29 30
In de nieuwe situatie is het artikel 'Vervoersvergoeding op basis van kosten van door de ouders georganiseerd vervoer' voor het artikel 'Aangepast vervoer' opgenomen. Dit benadrukt nogmaals de volgordelijkheid waarin een vervoersvoorziening wordt toegekend. In de nieuwe situatie is de voorwaarde 'die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer' niet opgenomen. Dit omdat kostenbesparing op korte termijn een kostenstijging op lange termijn veroorzaken en bovenal in sommige gevallen lijnrecht tegenover het bevorderen van zelfredzaamheid staat.
In de aanvullende beleidsregel wordt duiding gegeven aan het protocol dat gevolgd wordt wanneer er sprake is van 'onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer'.