CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek.pdf

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 9: Vaststelling bestemmingsplan Ruimte voor ruimte Bornhemweg ong. naast nr 129a, Oudenbosch. ZIE TOELICHTING14.959 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bornhemweg, Oudenbosch rapport 5137

Bornhemweg, Oudenbosch (gemeente Halderberge) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

R.M. van der Zee

2

Colofon ADC Rapport 5137 Bornhemweg, Oudenbosch (gemeente Halderberge) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteur: R.M. van der Zee In opdracht van: De Roever Omgevingsadvies, handelend namens Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 16 september 2020 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie: A. Müller

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E-mail info@archeologie.nl

3

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methodiek 2.3 Resultaten 2.4 Gespecificeerde verwachting en conclusie 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Plan van Aanpak 3.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.3 Conclusies 4 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlage 1 Boorbeschrijvingen

5 7 9 9 9 9 15 17 17 18 19 20 21 22 22 45

4

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Afkorting

Tijd in jaren

Nieuwe tijd:

NT

1500 - heden

Middeleeuwen:

XME

450 – 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen

LME

Vroege Middeleeuwen

VME

Romeinse tijd:

ROM

1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.

Laat-Romeinse tijd

ROML

270 - 450 na Chr.

Midden-Romeinse tijd

ROMM

70 - 270 na Chr.

Vroeg-Romeinse tijd

ROMV

12 voor Chr. - 70 na Chr.

IJzertijd:

IJZ

Late IJzertijd

IJZL

250 - 12 voor Chr.

Midden-IJzertijd

IJZM

500 - 250 voor Chr.

Vroege IJzertijd

IJZV

Bronstijd:

BRONS

Late Bronstijd

BRONSL

800 – 12 voor Chr.

800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr.

Midden-Bronstijd

BRONSM

1800 - 1100 voor Chr.

Vroege Bronstijd

BRONSV

2000 - 1800 voor Chr.

Neolithicum (Jonge Steentijd):

NEO

Laat-Neolithicum

NEOL

5300 – 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr.

Midden-Neolithicum

NEOM

4200 - 2850 voor Chr.

Vroeg-Neolithicum

NEOV

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

MESO

5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.

Laat-Mesolithicum

MESOL

6450 - 4900 voor Chr.

Midden-Mesolithicum

MESOM

7100 - 6450 voor Chr.

Vroeg-Mesolithicum

MESOV

8800 - 7100 voor Chr.

Paleolithicum (Oude Steentijd):

PALEO

Laat-Paleolithicum

PALEOL

35.000 - 8800 voor Chr.

Midden-Paleolithicum

PALEOM

300.000 – 35.000 voor Chr.

Vroeg-Paleolithicum

PALEOV

tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

tot 8800 voor Chr.

5

Samenvatting In opdracht van De Roever Omgevingsadvies, handelend namens Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV, heeft ADC ArcheoProjecten in maart en april 2020 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Bornhemweg in Oudenbosch, gemeente Halderberge. De resultaten hiervan zijn beschreven in voorliggend rapport, dat in juli en augustus 2020 in verband met een wijziging van het stedenbouwkundig plan op enkele onderdelen is geactualiseerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het gebied ten behoeve van woningbouw. Hiervoor dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied landschappelijk gezien is gelegen op de flank van een dekzandrug. Op grond van de iets hogere ligging kan het plangebied in de vroege prehistorie in gebruik zijn geweest voor bewoning, landbouw en andere menselijke activiteiten. In de top van het dekzand dient dan ook rekening te worden gehouden met archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum, het Mesolithicum en het Neolithicum. Hierbij moet worden opgemerkt dat er in het onderzoeksgebied tot op heden geen steentijdvindplaatsen bekend zijn.

Een reden kan zijn dat dergelijke vindplaatsen vaak klein van omvang zijn en/of uit een dunne spreiding van vondsten bestaan, waardoor ze vaak niet worden opgemerkt. Veiligheidshalve wordt daarom aan de periode Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum een middelhoge verwachting toegekend. Resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum kunnen bestaan uit restanten van kampementen van jager-verzamelaars en zullen zich manifesteren in de vorm van vuursteen- en houtskoolconcentraties en haardkuilen. Resten uit het Neolithicum kunnen bestaan uit restanten van nederzettingen van landbouwers en zullen zich manifesteren in de vorm van vondststrooiingen en grondsporen. Organische resten en bot zullen door de thans relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Aardewerk en (vuur)steen zullen redelijk tot goed geconserveerd zijn. Hoewel in West-Brabant vanaf de Bronstijd een sterke vernatting van het landschap optrad, zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied veenbedekking heeft gekend. De hogere delen van de dekzandrug staken waarschijnlijk als een veenvrij ‘eiland’ boven het natte landschap uit en moeten in potentie bewoonbaar zijn gebleven.

Gezien het volledig ontbreken van vondsten op genoemde dekzandrug en ook elders in het buitengebied van Oudenbosch kan het evenwel niet worden uitgesloten dat de terreinomstandigheden in de praktijk toch minder gunstig waren en dat bewoning en/of beakkering vanaf de Bronstijd, of mogelijk eerder, hierdoor werden verhinderd. Ook kan de enigszins geïsoleerde ligging van de dekzandrug een rol hebben gespeeld. Hierbij dient wel aangetekend te worden dat in het gebied geen proefsleuven of opgravingen zijn uitgevoerd, waardoor mogelijk sprake is van een kennislacune. Daarom wordt aan de periode Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen eveneens een middelhoge verwachting toegekend. In de 13e eeuw ontstond het huidige Oudenbosch. Vanaf deze periode werden de hogere delen van het dekzandlandschap in gebruik genomen voor de landbouw. Om de vruchtbaarheid van de gronden te optimaliseren, werd plaggenbemesting toegepast. Naar mate de goede landbouwgronden schaarser werden, werd de ophoging ook gebruikt om lager gelegen nattere stukken grond geschikte te maken voor de landbouw. Op oude kaarten maakt het plangebied deel uit van een akkercomplex (‘De Buiten Loos’) dat zich op de westelijke flank van de dekzandrug ten noorden van het huidige Oudenbosch uitstrekt. Gelet op het kaartbeeld zijn in het plangebied geen resten van bebouwing te verwachten.

Aangenomen moet worden dat het plangebied sinds de ontginning een agrarisch grondgebruik had. Op grond van bodemkundige gegevens moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van een plaggendek. Het hierin aanwezige vondstmateriaal kan inzicht geven in de periode van het agrarisch grondgebruik. De aanwezigheid van een plaggendek komt de gaafheid van eventuele vindplaatsen en de conservering van grondsporen ten goede, omdat door afdekking met een plaggendek onderliggende archeologische resten buiten het bereik van latere agrarische grondbewerking zijn gebleven.

6

In de jaren negentig van de vorige eeuw was het plangebied in gebruik voor de boomsierteelt. Als gevolg hiervan moet rekening worden met bodemverstoring door de aanplant van bomen. Teneinde bovengenoemde verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het verkennend booronderzoek wijst uit dat de ondergrond van het plangebied uit matig siltig, zeer fijn dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel) bestaat. In enkele boringen zijn sterk zandige leem of leemlagen (Formatie van Boxtel) aangetroffen. Het onverstoorde dekzand gaat direct of via een 10 tot 30 cm dikke verploegde laag (A-/C-horizont) over in een 25 tot 100 cm dikke humushoudende bovengrond, die is ontstaan door landbouwkundig gebruik van de locatie (Aap-horizont). Bodemkundig gezien is er sprake van gooreerd- of enkeerdgronden. De top van het dekzand (afhankelijk van locatie in het plangebied minimaal 0,14 m –NAP en maximaal 1,26 +NAP) wordt in beginsel beschouwd als een potentieel archeologisch niveau. Uit het ontbreken van sporen van bodemvorming en de plaatselijk aanwezige verploegde laag blijkt evenwel dat de top niet meer intact aanwezig is en opgenomen in de bovengrond. Bovendien duidt de aanwezigheid van gleyverschijnselen in de top van het dekzand en roestvlekken de humushoudende bovengrond op relatief ondiepe grondwaterstanden.

Op basis van de aangetroffen bodemverstoring dient de verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum naar laag te worden bijgesteld. De middelhoge verwachting voor resten uit de periode Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen dient vanwege de natte, voor permanente bewoning ongunstige, omstandigheden eveneens naar laag te worden bijgesteld. Enkel ontginningssporen uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd kunnen aanwezig zijn. Deze hebben een geringe archeologische betekenis. ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

7

1

Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van De Roever Omgevingsadvies, handelend namens Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte CV, heeft ADC ArcheoProjecten in maart en april 2020 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Bornhemweg in Oudenbosch, gemeente Halderberge (afb. 1 en 2). De resultaten hiervan zijn beschreven in voorliggend rapport, dat in juli en augustus 2020 in verband met een wijziging van het stedenbouwkundig plan op enkele onderdelen is geactualiseerd. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het gebied ten behoeve van woningbouw. Hiervoor dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en is de Monumentenwet 1988 komen te vervallen. De bepalingen van een deel van de Monumentenwet zijn opgenomen in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op grond van de Erfgoedwet moeten archeologische (verwachtings)waarden gewaarborgd zijn in het bestemmingsplan.

Een bestemmingsplanwijziging zal worden getoetst aan de gemeentelijke archeologische beleidskaart (afb. 3).1 Op deze kaart ligt het plangebied in archeologisch beleidsadviesgebied 1. In deze gebieden is sprake van een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit één of meer van de onderscheiden perioden (Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen). Voor bestemmingswijzigingen geldt een onderzoeksplicht voor plangebied van 1000 m2 of meer.2 Omdat de archeologische vrijstellingsgrens wordt overschreden dient de initiatiefnemer in het kader van vergunningsprocedure een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende in beeld is gebracht. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1).3 Behalve de protocollen van de vigerende KNA zijn de uitvoeringskaders van Programmabureau Regio West-Brabant gevolgd.

1

Molenaar et al. 2005.

2

https://www.halderberge.nl/archeologie, Moonen 2011.

3

SIKB 2018.

8

De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:

De Roever Omgevingsadvies Dhr. R. Keetels Postbus 64 5480 AB Schijndel Tel.: 073 – 594 10 11 E-mail: r.keetels@deroever.nl handelend namens: Ontwikkelingsmaatschappijk Ruimte voor Ruimte CV Dhr. G. Kersten Brabantlaan 3 5216 TV ‘s-Hertogenbosch

fasen AMZ-cyclus:

bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek

aanleiding:

bestemmingsplanwijziging ten behoeve van woningbouw

locatie:

Bornhemweg ongenummerd

plaats:

Oudenbosch

gemeente:

Oudenbosch

provincie:

Noord-Brabant

kadastrale gegevens:

gemeente Oudenbosch sectie E nummer 80 en 589 (beide

kaartblad:

43H (1:25.000)

oppervlakte plangebied:

circa 2,2 ha

coördinaten:

NW: 95.482 / 401.444

gedeeltelijk)

ZO: 95.626 / 401.338 NO: 95.634 / 401.491 ZW: 95.489 / 401.302 bevoegde overheid met contactgegevens:

Gemeente Halderberge Postbus 5 4730 AA Oudenbosch Tel.: 14 0165

deskundige namens de bevoegde overheid met

regioarcheologen Programmabureau RWB

contactgegevens:

Postbus 503 4870 AM Etten-Leur Tel.: 076 - 502 72 29 E-mail: regioarcheologie@west-brabant.eu

goedkeuring rapport door bevoegde overheid:

verondersteld, geadviseerde wijzigingen zijn doorgevoerd

Archis-zaaknummer:

4804380100

ADC-projectcode:

4210680

auteur:

R.M. van der Zee

projectmedewerker(s):

n.v.t.

autorisatie:

A. Müller

periode van uitvoering:

maart, april, juli t/m september 2020

beheer en plaats documentatie:

ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort

9

2

Bureauonderzoek 2.1

Doelstelling en vraagstelling

Het bureauonderzoek vormt de eerste stap in het vaststellen van de archeologische waarde van het gebied. Het doel van bureauonderzoek is het aan de hand van schriftelijke bronnen verwerven van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in het plangebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?

2.2

Methodiek

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek. Tijdens het bureauonderzoek worden diverse bronnen geraadpleegd, wat leidt tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. De gespecificeerde verwachting kan worden beschouwd als de conclusie van het bureauonderzoek, omdat hierin wordt aangegeven of archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. Als dit het geval is, zal zo mogelijk de aard, de omvang, de diepteligging en de datering van deze waarden worden beschreven. Indien relevant zal de omvang worden weergegeven op een kaart.

2.3

Resultaten

2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied, beschrijving huidig gebruik en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik Het plangebied strekt zich uit aan de rand van de bebouwde kom van Oudenbosch, op 0,8 km ten noorden van de dorpskern (afb. 1 en 2). Het betreft delen van de kadastrale percelen ‘gemeente Oudenbosch sectie E nummer 80’ en ‘gemeente Oudenbosch sectie E nummer 589’. De locatie wordt aan de noordzijde begrensd door een agrarisch perceel en een erf (Bornhemweg 131a), aan de oostzijde door de openbare weg (Bornhemweg) en aan de zuidzijde door het terrein van een hoveniersbedrijf (Bornhemweg 129a). De westzijde is niet fysiek begrensd. De totale omvang bedraagt circa 2,2 ha. Het plangebied is momenteel in gebruik als akkerland (afb. 4). In het plangebied is een milieukundig verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn door de opdrachtgever niet beschikbaar gesteld. In het kader van het onderzoek zijn gegevens met betrekking tot de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen opgevraagd bij het KLIC.4 Uit de ontvangen gegevens blijkt dat het oostelijk deel van het plangebied wordt doorsneden door een tracé van een datakabel. In het overige deel zijn geen kabels en leidingen aanwezig.

Van het plangebied zelf zijn onvoldoende archeologische en aardkundige gegevens beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over de archeologische verwachting. Daarom zijn tevens gegevens betrokken uit de directe omgeving, waarmee het onderzoeksgebied kan worden gedefinieerd als het gebied binnen een straal van circa 500 m rondom het plangebied. De begrenzing van deze zone is gebaseerd op het gegeven dat hierbinnen sprake is van voldoende informatie om een uitspraak te doen over de archeologische verwachting die representatief is voor het plangebied. 4

meldingsnummer 20G166371.

10

De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied bestaat uit de aanleg van 18 bouwkavels (omvang: 789 tot 1.149 m2), verdeeld over twee clusters (zie stedenbouwkundig plan, afb. 5). De om- en tussenliggende gebieden zijn bestemd voor groen en waterberging en vallen deels buiten de reikwijdte van het archeologisch onderzoek. Volgens het vigerend bestemmingsplan ‘Kom Oudenbosch’ dat op 20 juni 2013 door de raad van de gemeente Halderberge is vastgesteld, is aan de gronden de bestemming ‘Agrarisch’ toegekend. De herontwikkeling van het gebied ten behoeve van woningbouw is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Om dit juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. De consequentie van de voorgenomen ontwikkeling kan zijn dat eventuele aanwezige waardevolle archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. 2.3.2 Beschrijving van de aardwetenschappelijke waarden De volgende aardwetenschappelijke informatie is bekend van het plangebied: Bron

Informatie

Geologische kaart van Nederland 1:50.000

5

centrale deel van het plangebied: dekzand dunner dan 2 m op de Formatie van Kedichem (kaartcode: Kd) uiterste oosten: dekzand dikker dan 2 m (kaartcode: Tw3) b

uiterste westen: Afzettingen van Duinkerke III op b

Pleistoceen (kaartcode: DP0.3 ) terrasafzettingswelvingen (kaartcode: L41)

Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie)

6

Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie; afb. 6)

westelijk en centrale deel: gooreerdgronden; lemig fijn 7

zand (bodemcode: pZn23) oostelijk deel: hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (bodemcode: zEZ23)

Turf op Kaart8 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; afb. 7)

geen veenbedekking 9

circa 0,7 tot 1,7 m +NAP

Geologie en geomorfologie De diepere ondergrond van het onderzoeksgebied bestaat uit vroeg- en middenpleistocene afzettingen, hoofdzakelijk uiterst fijn tot zeer grof zand, die volgens de huidige lithogenetische indeling10 behoren tot de Formatie van Stramproy. De afzettingen zijn ten dele eolisch gevormd, deels onder periglaciale condities.11 Verder komen kleinschalige fluviatiele afzettingen voor. De Formatie van Stramproy wordt afgedekt door een pakket dekzand, dat behoort tot het Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel. Dit dikte neemt, afgaande op het kaartbeeld van de Geologische Kaart van Nederland 1:50.00012, van west naar oost toe tot meer dan 2 m. Dit zand is gevormd tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 11.700 jaar geleden). In begin van het Weichselien was er nog vrij veel vegetatie, waardoor de zandverstuivingen slechts een lokaal karakter hadden.13 In het Pleniglaciaal (Midden-Weichselien) was de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving kon optreden. Het dekzand uit deze periode is 5

Rijks Geologische Dienst 1980.

6

Alterra 2008.

7

Alterra 2014.

8

https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html

9

ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer.

10

TNO 2013.

11

De Mulder et al. 2003.

12

Rijks Geologische Dienst 1980.

13

Stouthamer et al. 2015.

11

veelal horizontaal gelaagd en er komen lemige banden in voor, die mogelijk het resultaat van verspoeling zijn. In het Laat-Glaciaal (Laat-Weichselien) werd opnieuw op grote schaal dekzand afgezet. De gronden van deze afzettingen hebben in het landschap meer reliëf dan het eerder gevormde dekzand. De dikte is meestal minder dan 1 m, alleen op enkele vrij hoge ruggen en koppen is de afzetting dikker. Aan het eind van het Weichselien en in het begin van het Holoceen, het huidige geologische tijdvak dat 11.700 jaar geleden aanving, nam de vegetatie toe, waardoor de verplaatsing van zand door de wind steeds minder werd en het dekzandreliëf gefixeerd raakte. De hoogteverschillen weerspiegelen soms nog het reliëf van de oudere afzettingen in de ondergrond.14 Door het geleidelijk vochtiger worden van het klimaat steeg de grondwaterspiegel. Daardoor werden de omstandigheden gunstig voor veenvorming. De vernatting en de daarmee samenhangende veenvorming werd bevorderd door de relatief lage ligging van het dekzandoppervlak, de aanwezigheid van slecht doorlatende en slecht wateropnemende (leem)lagen dicht aan de oppervlakte en de veelal haaks op de natuurlijke afwateringsrichting gelegen dekzandruggen.

Gezien de lage ligging van het onderzoeksgebied (0,2 tot 1,6 m +NAP) moet worden aangenomen dat delen ervan ook veenbedekking hebben gekend.15 Mogelijk hebben de hogere delen van de dekzandrug ter plaatse van het plangebied als veenvrij ‘eiland’ boven het natte landschap uitgestoken (afb. 8a t/m 8e). Vanaf het begin van de Late Middeleeuwen werden de veengebieden op grote schaal afgegraven voor de turfwinning. Deze ontwikkeling was ingegeven door de sterke vraag naar brandstof, die nodig was voor de groeiende bevolking en nijverheid in de Vlaamse en later ook Hollandse steden. In de loop der eeuwen werden steeds meer veengebieden ontgonnen. Nadat het veen was afgegraven, bleven de onderliggende zandgronden over. In de laagste delen van het gebied raakte tijdens overstromingen het dekzand en het eventueel aanwezige veen afgedekt door mariene zanden en kleien (afb. 8f). Deze werden in het verleden gerekend de Afzettingen van Duinkerke IIIb (volgens de huidige lithostratigrafische indeling: Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). Bodemkunde Op de Bodemkaart van Nederland 1:50.00016 ligt het plangebied, met uitzondering van de oostrand, in een zone met gooreerdgronden in lemig fijn zand (bodemcode: pZn23; afb. 5). Dit zijn zandgronden, die op de lagere delen van het landschap voorkomen. Ze worden gekenmerkt door een humushoudende bovenlaag van 20 à 40 cm.

De ondergrond bestaat uit grijs, niet roestig zand. Soms is de ondergrond zwak gekleurd door ingespoelde humusstoffen. De oostrand van het plangebied bevindt zich in een zone met hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand (bodemcode: zEZ23). Dit zijn eveneens zandgronden. Ze bevinden zich hoofdzakelijk rond de oude bewoningskernen, op de hogere delen in het landschap en worden gekenmerkt door een humushoudende bovenlaag van tenminste 50 cm dikte. 17 De bovenlaag wordt ook wel plaggendek genoemd en is veelal ontstaan door langdurige intensieve bemesting, met als doel het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid van de van nature arme zandgronden. De bemesting was voornamelijk afkomstig uit potstallen. Het bestond uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel, heideplaggen en/of zand. Vaak werd ook het nederzettingsafval vermengd met de plaggen, waardoor in plaggendekken vaak zogenaamd mestaardewerk voorkomt.

14

Stichting voor Bodemkartering 1967.

15

https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html

16

Alterra 2014.

17

De Bakker 1966, Molenaar et al. 2015.

12

Opgemerkt dient te worden dat niet bij alle enkeerdgronden de gehele humushoudende bovengrond door plaggenbemesting is ontstaan.18 Sommige gronden zijn bij de ingebruikname of in een latere periode omgewerkt en gehomogeniseerd. Onder de humushoudende bovenlaag kunnen, afhankelijk van de ontstaanswijze, nog resten van het oorspronkelijke bodemprofiel aanwezig zijn.19 Dit is vaak een podzolbodem. De aanwezigheid van een podzol is het resultaat van uitspoeling, verplaatsing en neerslag van organische stof en ijzer- en aluminiumoxiden. Door grondbewerking is het bovenste deel opgenomen in het bovenliggende plaggendek en is er sprake van een zogenoemd ‘onthoofd podzolprofiel’. 2.3.3 Beschrijving van bekende archeologische waarden In 2011 is voor het grondgebied van de gemeente Haldeberge een archeologische verwachtingsen beleidskaart vervaardigd (afb. 3). Deze is gebaseerd op verschillende periode-specifieke verwachtingskaarten. Op de archeologische verwachtingskaart voor nederzettingslocaties van jagers-verzamelaars (Laat-Paleolithicum-Neolithicum) ligt het plangebied in een zone met een lage verwachting, met de toevoeging paleo-reliëf gemaskeerd (enkeerdgronden aanwezig).

Op de archeologische verwachtingskaart voor nederzettingslocaties van vroege landbouwers (Neolithicum-Vroege Middeleeuwen) ligt het plangebied in een zone met een onbekende verwachting (enkeerdgronden grondwatertrap VI of VII). Op de archeologische verwachtingskaart voor nederzettingslocaties van landbouwers (Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd) ligt het plangebied in een zone met enkeerdgronden (plaggendekken). Op de Cultuurhistorsiche Waardenkaart (CHW, herziening 2016)20 van de provincie Noord-Brabant maken het plan- en onderzoeksgebied deel uit van een zone die is aangeduid als van provinciaal cultuurhistorisch belang (West-brabantse Venen). De huidige Bornhemweg en de Oudlandweg zijn aangeduid als lijnelementen van redelijk hoge historisch-geografische waarde. Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME1.2) is in en rond het plangebied geen militair erfgoed aangegeven.21 Op de Archeologische MonumentenKaart (AMK, 2014)22 maakt het plangebied geen deel uit van een archeologisch (rijks)monument (afb. 9). Ook in het gedefinieerde onderzoeksgebied zijn dergelijke terreinen niet aanwezig. Ten behoeve van archeologische informatie over het plan- en onderzoeksgebied is het Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) geraadpleegd. Hieruit kwam naar voren dat in en rondom het plangebied geen waarnemingen zijn geregistreerd.

Wel is een aantal onderzoeksmeldingen gedaan (zie voor de ligging afb. 9). De resultaten van de onderzoeken worden in het onderstaande besproken. Voor een terrein dat zich direct ten westen van het plangebied uitstrekt, is een bureauonderzoek uitgevoerd naar de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden.23 De aanleiding van het onderzoek is de vervanging van de riolering, de aanleg van een retentievijver en de herinrichting van de doorgaande weg naar Standdaarbuiten. Genoemde retentievijver was direct ten westen van het plangebied voorzien. Vanwege de relatief lage ligging werd aan deze locatie een lage tot middelhoge verwachting op sporen uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen toebedeeld. Omdat de locatie zich op enige afstand van een doorgaande weg bevindt en het eeuwenlang in gebruik is geweest als bouwland en weiland werd de kans op archeologisch resten

18

Stichting voor Bodemkartering 1967.

19

Stouthamer et al. 2015.

20

https://www.brabant.nl/onderwerpen/kunst-cultuur-en-erfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-in-brabant

21

http://www.ikme.nl

22

Sinds 2014 wordt de Archeologische Monumentenkaart niet meer bijgehouden door de Rijksdienst voor het Cultureel

Erfgoed. De huidige AMK moet daarom als een statisch bestand worden beschouwd. 23

zaakidentificatie 4758495100, Melis 2020.

13

uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd als laag ingeschat. Geadviseerd werd om ter toetsing van de archeologische verwachting een booronderzoek uit te voeren. Voor een terrein aan de Wolvenstraat, op circa 150 m ten zuiden van het plangebied, is een beknopt bureauonderzoek uitgevoerd naar de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden.24 Dit werd gevolgd door de uitvoering van een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek. De aanleiding van het onderzoek betrof de aanleg van een retentievijver. Op basis van het bureauonderzoek werd gesteld dat de ondergrond van het terrein uit dekzandafzettingen bestaat, die mogelijk door een plaggendek zijn afgedekt. In de top van de dekafzettingen werd rekening gehouden met archeologische resten uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd. Indien er inderdaad sprake is van een plaggendek, werd in en op dit dek rekening gehouden met resten vanaf de 16e eeuw. Oude kaarten van het gebied gaven geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een vindplaats uit de periode vanaf 1820. Tijdens het karterend booronderzoek werd het op basis van het bureauonderzoek verwachte bodemprofiel vastgesteld. In geen van de boringen werden echter relevante archeologische indicatoren gevonden. Wel bleken in het plaggendek archeologische indicatoren uit de Nieuwe tijd voor te komen.

Hierbij werd echter verondersteld dat deze door bemesting op het terrein terecht zijn gekomen. Daarom vormden ze geen aanwijzing voor de aanwezigheid van een vindplaats ter plaatse. Archeologisch vervolgonderzoek werd daarom niet noodzakelijk geacht. In het onderzoeksgebied is één gebouwd monument aanwezig. Dit betreft een aan de Oudlandweg 23 gelegen woonhuis uit 1920.25 2.3.4 Beschrijving van de historische situatie, mogelijke verstoringen en bouwhistorische waarden Bewoningsgeschiedenis Over de vroegste bewoning van het gebied in en rond het huidige Oudenbosch is niets bekend. Uit het ‘Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied’26 blijkt dat vindplaatsen uit alle perioden tot aan de volle Middeleeuwen volledig ontbreken. Toch is het niet uit te sluiten dat delen van het gebied bewoonbaar zijn geweest. De vraag is of de ‘leegte’ in genoemde perioden een onderzoekslacune betreft of dat het gebied in werkelijkheid natter is geweest dan wordt verondersteld. Het ontstaan van het huidige Oudenbosch gaat terug tot in de 13e eeuw. In 1275 schonken Arnoud van Leuven en zijn echtgenote Elisabeth, heer en vrouwe van Breda, het Baerlebosch en tweehonderd bunder moeras aan de Sint-Bernardusabdij te Hemiksem.27 De monniken lieten het gebied ontginnen.

Het is mogelijk dat hierbij ook de ontginning ‘De Buiten Loos’ waartoe het plangebied behoort ontstond. Omstreeks 1300 werd door hen een kanaal gegraven, de huidige Oudenbossche Haven (Oost-Vaardeke en West-Vaardeke). Aan het havenhoofd werd het Oude Baerlebosch (later Oudenbosch genoemd) gesticht.

24

zaakidentificatie 2127743100 (Archis2 onderzoeksmeldingsnummer 18549), Ras 2006.

25

CHW-code ZB086-000879.

26

Ball & Van Heeringen (red.) 2016.

27

https://nl.wikipedia.org/wiki/Oudenbosch

14

Oude kaarten De historische situatie is op verschillende kaarten als volgt: Bron

Jaartal

Historische situatie

Kopie van de kaart van Jan Symonszoon

1565

nabij doorgaande weg?

1636

nabij doorgaande weg?

Indervelde (afb. 10)28 ‘Comitatis Zelandiae nova descriptio :, Anno 1636, N. Visscher excudebat’, Claes Jansz. Visscher29 Kadastrale minuut (afb. 11)30

1811-1832

percelen 440, 441, 442 en 449 (alle gedeeltelijk): bouwland

Topografische Militaire Kaart (TMK)

31

~1849

blokvormige percelen in gebruik als bouwland en weiland, onbebouwd

Bonnekaart (afb. 12) Bonnekaart

32

33

Bonnekaart (afb. 13)

34

Topografische kaart (afb. 14)

35

1870

idem

1897

idem

1911

idem, weg met houtwal in het centrale deel

1940

percelen samengevoegd tot twee grotere blokvormige percelen

Topografische kaart

1959

idem

Topografische kaart (afb. 15)

1968

twee blokvormige percelen in gebruik als

Topografische kaart

1980

Topografische kaart

1989

idem

Topografische kaart (afb. 16)

1999

percelen samengevoegd tot één groot perceel

Topografische kaart

2010-2018

boomgaard idem

in gebruik als boomsierteelt perceel in gebruik als weiland

Op de vroegste kaarten van het gebied, zoals een kopie van de kaart van Jan Symonszoon Indervelde (1565) en de kaart ‘Comitatis Zelandiae nova descriptio :, Anno 1636, N. Visscher excudebat’ van Claes Jansz. Visscher’ (1636), worden de verschillende dorpskernen, polders, doorgaande wegen en waterlopen afgebeeld (afb. 10). Op deze kaarten moet het plangebied in de nabijheid van een doorgaande weg, van ‘Dorp van Oudenbosch’ naar ‘Nieuwen Bosch’, gezocht worden. Mogelijk betreft dit de voorloper van de huidige Bornhemweg. Vanwege de geringe mate van detail kan dit echter niet met zekerheid vastgesteld worden. Op een kopie van de vesting van Oudenbosch (1747) valt het plangebied net buiten het bereik van de kaart.36 Wel is ter plaatse van de huidige Bornhemweg een doorgaande weg (‘Weg na Sevenbergen’) ingetekend. De oudste kadasterkaart, het minuutplan van de gemeente Oudenbosch uit 1811-183237, geeft in tegenstelling tot de 16e-18e eeuwse kaarten meer specifieke informatie over het plan- en onderzoeksgebied (afb. 11). Op het minuutplan is te zien dat het plangebied zich in een grotendeels onbebouwd gebied (‘De Buiten Loos’) bevindt, dat is opgedeeld in grote blokvormige percelen. Uit de bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels (OAT) wordt het ‘soort der eigendommen’ als bouwland omschreven.

Direct ten oosten bevindt zich de voorloper van de huidige Bornhemweg (‘Bommers Kous Straatje’). Verspreid langs deze weg bevinden zich enkele erven, onder meer ten noorden van het plangebied.

28

http://www.geschiedkundigekringboz.nl/de-oudste-kaarten-van-west-brabant/

29

https://www.uvaerfgoed.nl/beeldbank

30

Kadaster 1811-1832.

31

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990.

32

Bureau Militaire Verkenningen 1870.

33

Bureau Militaire Verkenningen 1897.

34

Bureau Militaire Verkenningen 1911.

35

http://www.topotijdreis.nl

36

https://www.archieven.nl

37

Kadaster 1811-1832.

15

De Topografisch Militaire Kaart (TMK) uit omstreeks 184938 en de Bonnekaarten uit 1870 en 189739 geven een grotendeels met het minuutplan uit 1811-1832 vergelijkbaar beeld van het plan- en onderzoeksgebied (afb. 12). Op de Bonnekaart van 191140 wordt het plangebied doorsneden door een pad met daarlangs een houtwal (afb. 13). Het perceel ten noorden hiervan is in gebruik als weiland, het perceel ten zuiden hiervan als bouwland. Op de topografische kaart van 194041 worden het pad en de houtwal niet meer afgebeeld en maakt plangebied deel uit van twee grote percelen, waarvan het westelijke als bouwland in gebruik is en het oostelijke als weiland (afb. 14). Op de topografische kaart van 196842 is het landgebruik van beide percelen veranderd in boomgaard (afb. 15). Op de topografische kaart van 199943 zijn de percelen samengevoegd tot één groot perceel dat in gebruik is voor de boomsierteelt (afb. 16). Op de topografische kaart van 201044 is het plangebied weer in gebruik als weiland.

2.4

Gespecificeerde verwachting en conclusie

De eerste, voor het bureauonderzoek opgestelde onderzoeksvraag “Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?” kan als volgt worden beantwoord: Het plangebied is landschappelijk gezien gelegen op de flank van een dekzandrug. Op grond van de iets hogere ligging kan het plangebiedgebied in de vroege prehistorie in gebruik zijn geweest voor bewoning, landbouw en andere menselijke activiteiten. In de top van het dekzand dient dan ook rekening te worden gehouden met archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum, het Mesolithicum en het Neolithicum. Hierbij moet worden opgemerkt dat er in het onderzoeksgebied tot op heden geen steentijdvindplaatsen bekend zijn. Een reden kan zijn dat dergelijke vindplaatsen vaak klein van omvang zijn en/of uit een dunne spreiding van vondsten bestaan, waardoor ze vaak niet worden opgemerkt. Veiligheidshalve wordt daarom aan de periode Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum een middelhoge verwachting toegekend. Resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum kunnen bestaan uit restanten van kampementen van jager-verzamelaars en zullen zich manifesteren in de vorm van vuursteen- en houtskoolconcentraties en haardkuilen.

Resten uit het Neolithicum kunnen bestaan uit restanten van nederzettingen van landbouwers en zullen zich manifesteren in de vorm van vondststrooiingen en grondsporen. Organische resten en bot zullen door de thans relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Aardewerk en (vuur)steen zullen redelijk tot goed geconserveerd zijn. Hoewel in West-Brabant vanaf de Bronstijd een sterke vernatting van het landschap optrad, zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied veenbedekking heeft gekend. De hogere delen van de dekzandrug staken waarschijnlijk als een veenvrij ‘eiland’ boven het natte landschap uit en moet in potentie bewoonbaar zijn gebleven. Gezien het volledig ontbreken van vondsten op genoemde dekzandrug en ook elders in het buitengebied van Oudenbosch kan het evenwel niet worden uitgesloten dat de terreinomstandigheden in de praktijk toch minder gunstig waren en dat bewoning en/of beakkering vanaf de Bronstijd of mogelijk eerder hierdoor werden verhinderd. Ook kan de enigszins geïsoleerde ligging van de dekzandrug een rol hebben gespeeld. Hierbij dient wel aangetekend te worden dat in het gebied geen proefsleuven of opgravingen zijn uitgevoerd, waardoor mogelijk sprake is van een kennislacune. Daarom wordt aan de periode Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen eveneens een middelhoge verwachting toegekend.

38

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990.

39

Bureau Militaire Verkenningen 1870, 1897.

40

Bureau Militaire Verkenningen 1911.

41

http://www.topotijdreis.nl

42

http://www.topotijdreis.nl

43

http://www.topotijdreis.nl

44

http://www.topotijdreis.nl

16

In de 13e eeuw ontstond het huidige Oudenbosch. Vanaf deze periode werden de hogere delen van het dekzandlandschap in gebruik genomen voor de landbouw. Om de vruchtbaarheid van de gronden te optimaliseren, werd plaggenbemesting toegepast. Naar mate de goede landbouwgronden schaarser werden, werd de ophoging ook gebruikt om lager gelegen nattere stukken grond geschikte te maken voor de landbouw. Op oude kaarten maakt het plangebied deel uit van een akkercomplex (‘De Buiten Loos’) dat zich op de westelijke flank van de dekzandrug ten noorden van het huidige Oudenbosch uitstrekt. Gelet op het kaartbeeld zijn in het plangebied geen resten van bebouwing te verwachten. Aangenomen moet worden dat het plangebied sinds de ontginning een agrarisch grondgebruik had. Op grond van bodemkundige gegevens moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van een plaggendek. Het hierin aanwezige vondstmateriaal kan inzicht geven in de periode van het agrarisch grondgebruik. De aanwezigheid van een plaggendek komt de gaafheid van eventuele vindplaatsen en de conservering van archeologische resten ten goede, omdat door afdekking met een plaggendek onderliggende archeologische resten buiten het bereik van latere agrarische grondbewerking zijn gebleven. In de jaren negentig van de vorige eeuw was het plangebied in gebruik voor de boomsierteelt.

Als gevolg hiervan moet rekening worden met bodemverstoringen. De beantwoording van de overige onderzoeksvragen is als volgt:  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Om de kans op de aanwezigheid van archeologische resten te bepalen is vooral het verwerven van inzicht in de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan van belang. Geadviseerd wordt daarom een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie hoofdstuk 3).

17

3

Inventariserend Veldonderzoek 3.1

Plan van Aanpak

3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting (par. 2.4). Het inventariserend veldonderzoek zal bestaan uit een verkennend booronderzoek. De werkwijze is gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw en het vaststellen van (grootschalige) verstoringen, waarbij tevens rekening is gehouden met aard en diepte van de geplande ingrepen, en is afgestemd op de uitvoeringskaders van de gemeente Halderberge. Op 16 maart 2020 is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek is vastgelegd. Het PvA is op 20 maart 2020 ter beoordeling voorgelegd aan de regioarcheoloog van Programmabureau RWB en op 24 maart 2020 goedgekeurd.

Het verkennende booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen:  Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied?  Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring?  Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied?  Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP?  Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren?  In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld?  In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling?  Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? 3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: aantal boringen:

23

boorgrid:

in raaien met onderlinge boorafstand van 35 m, afstand tussen de raaien is 30 m

diepte boringen:

tot tenminste 25 cm in de onverstoorde ondergrond (C-horizont)

boormethode:

Edelmanboor met diameter 7 cm (handmatig)

bemonstering:

versnijden en/of verbrokkelen

De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 510445 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus46 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten zijn ingemeten met een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden.

45

Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.

46

De Bakker 1989.

18

Hoewel een verkennend booronderzoek niet als primair doel het opsporen van archeologische vindplaatsen en indicatoren heeft, zullen eventuele archeologische vondsten wel worden verzameld en (indien mogelijk) worden gedetermineerd.

3.2

Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

3.2.1 Veldinspectie en uitvoering van het plan van aanpak Het plangebied bestaat uit een deel van een akker waar naar blijkt uit de aanwezige plantenresten verleden jaar snijmaïs is geteeld. Verspreid over het oppervlak zijn fragmenten bouwmateriaal, aardewerkscherven en (sub)recent afval aangetroffen. Er is geen systematische oppervlaktekartering uitgevoerd. De boringen zijn in overeenstemming met het Plan van Aanpak (PvA) uitgevoerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de verdeling van de boringen is gebaseerd op het stedenbouwkundig plan van 3 december 2019. Op 28 juli 2020 is een nieuw stedenbouwkundig plan opgesteld met een afwijkende locatie van de clusters met woonkavels. De begrenzing van het plangebied is naderhand hierop aangepast. De consequenties hiervan zijn dat twee boorlocaties nu buiten het plangebied vallen en dat in de noordwesthoek geen boring is verricht. 3.2.2 Lithologische beschrijving De locatie van de boringen is weergeven in afb. 17. Voor de boorgegevens wordt verwezen naar bijlage 1. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de ondergrond hoofdzakelijk wordt gevormd door kalkloos, humusarm, matig siltig zand. De korrels zijn matig goed gesorteerd en goed afgerond. De mediaanklasse van de korrelgrootte is zeer fijn (105-150 µm). Het sediment heeft een lichtgrijze tot lichtgele kleur en is bovenin roestig.

De roestvlekken zijn het resultaat van fluctuaties in de grondwaterstand (gleyverschijnselen). De bovenkant van het pakket bevindt zich op een diepte variërend van 25 tot 95 cm –mv (afhankelijk van locatie in het plangebied minimaal 0,14 m –NAP en maximaal 1,26 +NAP). Onderin de boringen 11, 12 en 16 t/m 18, die in het centrale deel van het plangebied zijn verricht, zijn sterk zandige leem of leemlagen aangetroffen. Op grond van de lithologische samenstelling wordt het beschreven zandpakket geïnterpreteerd als dekzand (C-horizont; Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel). De top hiervan is door agrarische grondbewerking opgenomen in de bovengrond. Dit verklaart het nagenoeg ontbreken van sporen van een oude bodem. Enkel in boring 3 is in de top een 10 cm dikke bruine laag aanwezig. Mogelijk is dit het resultaat van podzolering. Het dekzand gaat in de boringen 1, 3, 8 t/m 11, 13 t/m 23 via een scherpe overgang over in een 25 tot 100 cm dik pakket matig humeus zand met enkele roestvlekken. In de boringen 2, 4 t/m 7 en 12 worden beide pakketten van elkaar gescheiden door een 10 tot 30 cm dikke verploegde laag bestaande uit brokken humusarm en matig humeus zand (A-/C-horizont). Het humushoudende pakket is ontstaan door omwerking van de bodem en aanrijking met mest, dat verband houdt met het landbouwkundig gebruik van het plangebied (Aap-horizont).

De aanwezigheid van roestvlekken is een indicatie voor (periodiek) ondiepe grondwaterstanden. Verspreid in het pakket komen kleine fragmenten baksteen/puin en houtskool voor. Dit materiaal is van elders aangevoerd en duidt niet op een ter plaatse aanwezige vindplaats. 3.2.3 Interpretatie Het verkennend booronderzoek bevestigt dat in het plangebied sprake is van een voor relatief natte omstandigheden kenmerkende bodemopbouw. Op grond hiervan mag worden aangenomen dat het plangebied onaantrekkelijk was voor permanente bewoning. Verder is gebleken dat de oorspronkelijke top van het dekzand is opgenomen in de bovengrond. Het vondst- en sporenniveau uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum zal derhalve niet meer intact aanwezig zijn. Hooguit kan de basis van diep ingegraven sporen nog worden aangetroffen. Enkel

19

ontginningssporen uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd kunnen aanwezig zijn. Deze hebben een geringe archeologische betekenis. Hoewel in de noordwesthoek geen boring is verricht, zijn hier gezien de uniforme bodemopbouw die in het overige deel van het plangebied is vastgesteld geen afwijkende lagen te verwachten.

3.3

Conclusies

De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: 

Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied strekt zich over de flank van een dekzandrug uit. Het verkennend booronderzoek wijst uit dat de ondergrond van het plangebied uit matig siltig, zeer fijn dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel) bestaat. In enkele boringen zijn sterk zandige leem of leemlagen aangetroffen. Het dekzand gaat direct of via een 10 tot 30 cm dikke verploegde laag (A-/C-horizont) over in een 25 tot 100 cm dikke humushoudende bovengrond, die is ontstaan door landbouwkundig gebruik van de locatie (Aap-horizont). Bodemkundig gezien is er sprake van gooreerd- of enkeerdgronden.

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bovenste 25 tot 95 cm van het bodemprofiel bestaat uit een door agrarische grondbewerking gevormd pakket en is als verstoord aan te merken.

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De top van het dekzand (afhankelijk van locatie in het plangebied minimaal 0,14 m –NAP en maximaal 1,26 +NAP) wordt in beginsel beschouwd als een potentieel archeologisch niveau. Uit het ontbreken van sporen van bodemvorming en de plaatselijk aanwezige verploegde laag blijkt echter dat de top niet meer intact aanwezig is en opgenomen in de bovengrond. Bovendien duidt de aanwezigheid van gleyverschijnselen in de top van het dekzand en roestvlekken de humushoudende bovengrond op relatief ondiepe grondwaterstanden.

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? n.v.t.

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? n.v.t. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? n.v.t. Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? n.v.t. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? n.v.t.

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor resten uit de periode Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum dient naar laag te worden bijgesteld. De middelhoge verwachting voor resten uit de periode Bronstijd t/m Vroege Middeleeuwen dient vanwege de natte, voor permanente bewoning ongunstige, omstandigheden eveneens naar laag te worden bijgesteld. Enkel

20

ontginningssporen uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd kunnen aanwezig zijn. Deze hebben een geringe archeologische betekenis.

4

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Er is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden.

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied wordt als voldoende onderzocht beschouwd.

Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

21

Literatuur Alterra, 2008: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Alterra, 2014: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Bakker, H. de, 1966: De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade XV p. 25-41. Wageningen. Bakker. H. de, J. Schelling, D.J. Brus & C. van Wallenburg, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland : de hogere niveaus. Wageningen. Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016: Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Amersfoort. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport NITG 05-043-A). Bureau Militaire Verkenningen, 1870, 1897, 1911 & 1925: Oudenbosch, blad 622, 1:25.000. Kadaster, 1832: Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan gemeente Oudenbosch, Noord Brabant, sectie A, blad 03 (MIN10121A03). Melis, J., 2020: Archeologisch Bureauonderzoek Rioolvervanging en herinrichting Doorgaande route Standdaarbuiten, Oudenbosch, Gemeente Halderberge. Rapport SOB Research projectnummer 2723-1911. Heinenoord. Molenaar, S. & G.H. de Boer & D. Demey, 2005: Gemeente Halderberge; archeologische verwachtings- en advieskaart. RAAP-rapport 1129. Amsterdam.

Moonen, B.J., 2011: Ons ongeschreven verleden; beleidsnota archeologie gemeente Halderberge. RAAP rapport 2180. Weesp. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & Th.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Groningen/Houten. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Ras, J., 2006: Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen locatie retentievijver Wolvenstraat, Oudenbosch. Rapport SOB Research projectnummer 1284-0608. Heinenoord. Rijks Geologische Dienst, 1980: Geologische kaart van Nederland 1:50.000 43 Oost Willemstad. Haarlem. SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gouda. Stichting voor Bodemkartering, 1967: Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Toelichting bij kaartblad 43 Oost Willemstad. Wageningen. Stouthamer, E., K.M. Cohen & W.Z. Hoek, 2015: De vorming van het land. Geologie en geomorfologie. Utrecht. TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013. e Vos, P. & S. de Vries, 2013: 2 generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Utrecht Wolters-Noordhoff, Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000, deel 4 Zuid-Nederland 1838-1857. Groningen.

22

Geraadpleegde websites http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/amk-en-ikaw http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl http://www.brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/cultuur/erfgoed-enmonumenten/cultuurhistorische-waarden-in-brabant.aspx https://archis.cultureelerfgoed.nl/ https://bagviewer.kadaster.nl https://easy.dans.knaw.nl https://nl.wikipedia.org/wiki/Oudenbosch https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens https://www.halderberge.nl/archeologie https://www.kadaster.nl/ https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/ http://www.bodemdata.nl http://www.bodemloket.nl http://www.gahetna.nl http://www.ikme.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl http://www.topotijdreis.nl

Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Plangebied op een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Halderberge (naar Molenaar et al. 2005) Afb. 4 Foto van het plangebied genomen in noordwestelijke richting Afb. 5 Stedenbouwkundig plan Afb. 6 Plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (naar Alterra 2014) Afb. 7 Plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) Afb. 8a Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 9000 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 8b Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 3850 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 8c Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 2750 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 8d Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 1500 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 8e Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 500 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 8f Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 1500 n. Chr. (naar Vos & De Vries 2013) Afb. 9 Plangebied op een kaart met Archis-meldingen Afb. 10 Oudenbosch op een uitsnede van de kopie van de kaart van Jan Symonszoon Indervelde (1565) Afb.

11 Begrenzing van het plangebied geprojecteerd op het minuutplan van Oudenbosch (1811-1832) Afb. 12 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1870 Afb. 13 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1911 Afb. 14 Plangebied op een uitsnede van de topografische kaart van 1940 Afb. 15 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1968 Afb. 16 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1999 Afb. 17 Boorpuntenkaart Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.

23

Afb. 1 Locatie van het plangebied

24

Afb. 2 Detailkaart van het plangebied

25

Afb. 3 Plangebied op een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Halderberge (naar Molenaar et al. 2005)

26

Afb. 4 Foto van het plangebied genomen in noordwestelijke richting

27

Afb. 5 Stedenbouwkundig plan47

47

Stedenbouwkundig plan RvR Bornhemweg Oudenbosch, Compositie 5 Stedenbouw bv d.d. 28 juli 2020.

28

Afb. 6 Plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (naar Alterra 2014)

29

Afb. 7 Plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)

30

Afb. 8a Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 9000 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

31

Afb. 8b Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 3850 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

32

Afb. 8c Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 2750 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

33

Afb. 8d Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 1500 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

34

Afb. 8e Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 500 v. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

35

Afb. 8f Paleogeografische kaart van het onderzoeksgebied omstreeks 1500 n. Chr. (naar Vos & De Vries 2013)

36

Afb. 9 Plangebied op een kaart met Archis-meldingen

37

Afb. 10 Oudenbosch op een uitsnede van de kopie van de kaart van Jan Symonszoon Indervelde (1565)

38

Afb. 11 Begrenzing van het plangebied geprojecteerd op het minuutplan van Oudenbosch (1811-1832)

39

Afb. 12 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1870

40

Afb. 13 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1911

41

Afb. 14 Plangebied op een uitsnede van de topografische kaart van 1940

42

Afb. 15 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1968

43

Afb. 16 Plangebied op een uitsnede van de Bonnekaart van 1999

44

Afb. 17 Boorpuntenkaart

45

Bijlage 1 Boorbeschrijvingen

bijlage 1: boorgegevens

Boring: 4210680_1 Kop algemeen: Projectcode: 4210680, Boornummer: 1, Beschrijver(s): REINOUD, Datum: 30-03-2020, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 80 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 95547, Y-coördinaat in meters: 401449, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 1.22, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Noord-Brabant, Gemeente: Halderberge, Opdrachtgever: De Roever Omgevingsadvies, Uitvoerder: ADC Archeoprojecten 0 / 1.22 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 25, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: zeer fijn, Spreidingsklasse: matig goed gesorteerd, Afronding: afgerond, Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemhorizont: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont 25 / 0.97 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 25, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 35, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: zeer fijn, Spreidingsklasse: matig goed gesorteerd, Afronding: afgerond, Kalkgehalte:

kalkloos Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken 35 / 0.87 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 35, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 80, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-geel Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Mediaanklasse: zeer fijn, Spreidingsklasse: matig goed gesorteerd, Afronding: afgerond, Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemhorizont: C-horizont met roestvlekken, Ijzer/mangaan: veel Fe-vlekken Einde boring 80 / 0.42

1 bron: Oudenbosch - bornhemweg.geojson - 16-09-2020 13:02:48

bijlage 1: boorgegevens

Boring: 4210680_2 Kop algemeen: Projectcode: 4210680, Boornummer: 2, Beschrijver(s): REINOUD, Datum: 30-03-2020, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 100 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 95581, Y-coördinaat in meters: 401458, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 1.44, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Noord-Brabant, Gemeente: Halderberge, Opdrachtgever: De Roever Omgevingsadvies, Uitvoerder: ADC Archeoprojecten 0 / 1.44 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 55, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-grijs-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: zeer fijn, Spreidingsklasse: matig goed gesorteerd, Afronding: afgerond, Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemhorizont: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment 55 / 0.89 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 55, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 65, Aard ondergrens: diffuus (3-10 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Mediaanklasse: zeer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/507/documents/15183