Bijlage 3; Statutenwijziging Stichting OBO West-Brabant (Concept).pdf
Tekst van het document
Stoktstraat 2 5961 TN Horst
info@novitas.nl www.novitas.nl
Tel. 077 - 3971515
KvK nummer 75429063 IBAN NL60 RABO 0147 2076 30
Ontwerp van 22 oktober 2024
27538.01 / AB
STATUTENWIJZIGING STICHTING OPENBAAR BASISONDERWIJS WEST-BRABANT Op + komt bij mij, mr. Annemarie Jacqueline Pauline Beijers-Willems, notaris in Horst aan de Maas: + handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de stichting: Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant. Deze heeft als zetel Roosendaal. Het adres is Gastelseweg 142, 4705 RB Roosendaal. Het inschrijfnummer bij de Kamer van Koophandel is 20116029. De volmacht is aan deze akte gehecht. De voormelde stichting wordt hierna ook genoemd: de stichting. De aanwezige persoon verklaart vooraf het volgende.
INLEIDING 1. 2. 3.
4.
De stichting werd opgericht bij akte verleden op achtentwintig juli tweeduizend vier voor een waarnemer van mr. G.H.H.J. Janssen, notaris te Rotterdam. De statuten werden voor het laatst gewijzigd bij akte getekend op tien juli tweeduizend twintig voor mr. A.J.P. Beijers-Willems, notaris te Horst aan de Maas. In de vergadering van het bestuur van de stichting, heeft het bestuur op + besloten tot wijziging van de statuten. Volgens de nog geldende statuten was voor het besluit tot statutenwijziging voorafgaande goedkeuring (instemming) vereist van de gemeenteraden van de gemeenten Roosendaal, Halderberge, Rucphen, Moerdijk en Drimmelen. De gemeenteraad van Roosendaal heeft zijn goedkeuring verleend op +. De gemeenteraad van Halderberge heeft zijn goedkeuring verleend op +. De gemeenteraad van Rucphen heeft zijn goedkeuring verleend op +. De gemeenteraad van Moerdijk heeft zijn goedkeuring verleend op +. De gemeenteraad van Drimmelen heeft zijn goedkeuring verleend op +. De stukken waaruit dit blijkt zijn aan deze akte gehecht. Het besluit tot statutenwijziging werd overeenkomstig de statutaire voorschriften (artikel 16) genomen. De notulen van dit besluit zijn aan deze akte gehecht.
STATUTENWIJZIGING Ter uitvoering van het besluit worden de statuten geheel gewijzigd en luiden zij met ingang van een januari tweeduizend vijfentwintig als volgt:
BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1. In deze statuten wordt verstaan onder: a. gemeenteraad: de gemeenteraden van de gemeenten Roosendaal, Halderberge, Rucphen, Moerdijk en Drimmelen;
2
b.
regiegroep: portefeuillehouders van de deelnemende gemeenten en de voorzitter van het college van bestuur en de voorzitter van de raad van toezicht. c. het college van bestuur: de bestuurder(s) van de stichting; d. de raad van toezicht: de interne toezichthouder van de stichting; e. de stichting: Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant; f. de scholen: de scholen binnen Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant ; g. de Wet of WPO: de Wet op het primair onderwijs; h. bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet, zijnde de stichting; i. leidinggevende: de functionaris die belast is met de leiding van één of meerdere scholen van de stichting als bedoeld in artikel 29 lid 1 van de WPO; j. het directieoverleg (DOO): adviserend overleg van het college van bestuur met de leidinggevenden van de scholen: k. managementstatuut: statuut met beschrijving van taken en verantwoordelijkheden van de leidinggevenden: l. (G)MR: de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad. m. schriftelijk: bij brief of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen.
NAAM, ZETEL EN DUUR Artikel 2. 1. De stichting draagt de naam Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant en heeft zijn zetel in de gemeente Roosendaal. 2. De stichting is ingesteld voor onbepaalde tijd.
DOEL EN MIDDELEN Artikel 3. 1. Het doel van de stichting is het in stand houden, geven en bevorderen van openbaar onderwijs in de zin van artikel 46 en 48 van de WPO en andere onderwijswetten in de regio West-Brabant, meer in het bijzonder in de gemeenten Roosendaal, Halderberge, Rucphen, Moerdijk en Drimmelen. 2. Om het doel te verwezenlijken kan de stichting gebruik maken van alle middelen die daaraan dienstbaar zijn. 3. De stichting ziet erop toe, dat in de scholen onderwijs wordt gegeven overeenkomstig de wettelijke verplichtingen en in overeenstemming met de doelstellingen van het openbaar onderwijs. 4. De stichting ziet erop toe, dat het openbaar onderwijs dat wordt verzorgd door de stichting in stand gehouden scholen, bijdraagt aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke
3
5.
waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. De door de stichting in stand gehouden openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst en levensovertuiging. De stichting streeft ernaar een zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau van de scholen in breedste zin te bevorderen, zodat het onderwijs zo goed mogelijk aansluit bij de ontwikkeling van de kinderen.
BEVOEGD GEZAG Artikel 4. De stichting oefent alle taken en bevoegdheden uit die ingevolge de Wet berusten bij het bevoegd gezag.
ORGANISATIE VAN DE STICHTING Artikel 5. 1. De stichting wordt bestuurd door het college van bestuur, bestaande uit een door de raad van toezicht te bepalen aantal van maximaal twee natuurlijke personen. 2. De stichting kent een raad van toezicht, die toezicht houdt op het beleid van het college van bestuur, het functioneren van het college van bestuur en de algemene gang van zaken binnen de stichting. 3. Ten aanzien van elke door de stichting in stand gehouden school stelt het college van bestuur een leidinggevende aan als bedoeld in de Wet.
COLLEGE VAN BESTUUR; BENOEMING, SCHORSING EN ONTSLAG, BELET EN ONTSTENTENIS Artikel 6. 1. De leden van het college van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht voor de periode gedurende welke hun benoeming bij de stichting van kracht is. De raad van toezicht benoemt de voorzitter van het college van bestuur. Indien het college van bestuur slechts uit een persoon bestaat, is deze persoon automatisch voorzitter. 2. De leden van het college van bestuur zullen hun werkzaamheden voor de stichting verrichten op basis van een benoeming, waarbij de benoemingsvoorwaarden worden vastgesteld door de raad van toezicht in het reglement. De uit de benoemingsvoorwaarden voortvloeiende hoogte van de bezoldiging en kostenvergoedingen worden in de jaarrekening verantwoord. 3. Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt, onverminderd het in de volgende leden bepaalde, gelet op de diverse facetten die de aandacht van het college van bestuur vragen, waarbij het college van bestuur in ieder geval wordt samengesteld op basis van algemene bestuurlijke kwaliteiten, affiniteit met de doelstelling van de stichting en met een spreiding van deskundigheden en achtergronden. De benoeming van een lid van het college van bestuur gebeurt op basis van een
4
4.
5. 6.
7.
8.
vooraf openbaar gemaakt profiel. Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld waarvan in elk geval deel uitmaken: a. een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de GMR dat uit en door het personeel is gekozen, en b. een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de GMR dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen. De GMR wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de benoeming of ontslag van de leden van het college van bestuur en het vaststellen van de competentieprofielen van de leden van het college van bestuur. Elk lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad van toezicht met inachtneming van het bepaalde in het reglement raad van toezicht. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ontslaan met inachtneming van het bepaalde in het reglement raad van toezicht. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de raad van toezicht te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. Een lid van het college van bestuur defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); c. door zijn ontslag verleend overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden of op grond van het bepaalde in de wet, en; d.
door het verstrijken van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde periode. e. als hij toetreedt tot de raad van toezicht. In vacatures in het college van bestuur wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Bij ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur of van het enige (overgebleven) lid van het college van bestuur wordt het college van bestuur waargenomen door één persoon, niet uit het midden van de raad van toezicht, die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen. Gaat de raad van toezicht niet binnen zes weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het college van bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de gemeenteraad bij gelijkluidend besluit wordt aangewezen.
COLLEGE VAN BESTUUR; TAAK, BEVOEGDHEDEN EN MEERJARENBEGROTING Artikel 7. 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting. Het college van bestuur zet zich in voor handhaving van het karakter van het openbaar onderwijs. 2. Het college van bestuur kan (indien het college uit twee personen bestaat) onderling vaststellen welk lid met welke taak in het bijzonder zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het college van bestuur voor het gehele college van bestuur onverlet. 3. Het college van bestuur is voorts belast met de aansturing van de leidinggevenden
5
en de taken en uitoefening van bevoegdheden welke het college van bestuur als bevoegd gezag zijn toebedeeld. 4. Het college van bestuur legt voor de door hem uitgevoerde bestuurlijke taken en bevoegdheden verantwoording af aan de raad van toezicht en draagt zorg voor een goede en tijdige informatievoorziening aan de raad van toezicht, waarbij hij ten minste vier keer per jaar de raad van toezicht informeert over de algemene gang van zaken binnen de stichting. Het college van bestuur is gehouden terstond door de raad van toezicht gevraagde inlichtingen en gegevens te verstrekken. 5. Het college van bestuur stelt jaarlijks, in overleg met de raad van toezicht, een meerjarenbegroting op. Na de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht wordt de meerjarenbegroting vervolgens vastgesteld door het college van bestuur. Het college van bestuur zendt binnen twee weken na vaststelling van de meerjarenbegroting, doch uiterlijk voor een februari een afschrift daarvan aan de gemeenteraad. 6. Indien het college van bestuur de meerjarenbegroting wijzigt, wordt deze wijziging, nadat die is goedgekeurd door de raad van toezicht en vastgesteld door het college van bestuur, ter kennisneming aan de gemeenteraad gezonden. 7.
Het college van bestuur stelt een keer in de vier jaar een strategisch beleidsplan op en formuleert hierin concrete doelstellingen voor de scholen die door de stichting in stand worden gehouden, daarbij rekening houdend met de belangen van hen die bij die scholen zijn betrokken. 8. Het college van bestuur legt in het jaarverslag verantwoording af over de mate waarin de vastgestelde missie en doelstellingen worden gehaald. 9. Het college van bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen, daaronder met name ook begrepen het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. De in dit lid bedoelde besluiten zijn onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. 10. Voorts heeft het college van bestuur voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: a.
het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht in het reglement van de raad van toezicht vastgesteld en aan het college meegedeeld bedrag; b. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek; c. ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers in dienst van de stichting; d. een aanvraag tot faillissement of van surseance van betaling; e. opheffing, fusie of afsplitsing van (een deel van) door de stichting in stand gehouden scholen; f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen;
6
g.
fusie met een andere stichting, overname of afsplitsing van een deel van de stichting; h. het vaststellen of wijzigen van het strategisch meerjarenplan; i. wijziging van het managementstatuut en het reglement college van bestuur. 11. Tegen de achtergrond van de in het college van bestuur benodigde deskundigheid draagt ieder lid van het college van bestuur zorg voor voortdurende persoonlijke ontwikkeling. Het functioneren van het college van bestuur wordt jaarlijks door de raad van toezicht beoordeeld.
COLLEGE VAN BESTUUR; WERKWIJZE EN BESLUITVORMING Artikel 8. 1. De werkwijze en besluitvorming van het college van bestuur wordt bij reglement geregeld. Het college van bestuur stelt het reglement vast na voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht. Indien de stemmen in een bestuursvergadering hebben gestaakt, wordt hiervan melding gemaakt aan de raad van toezicht. 2. Een lid van het college van bestuur neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie. Een lid van het college van bestuur meldt een (potentieel) tegenstrijdig belang aan de voorzitter van de raad van toezicht en verschaft alle relevante informatie. De raad van toezicht beslist of sprake is van een tegenstrijdig belang. Het besluit wordt genomen door de overige leden van het college van bestuur. Indien alle leden of het enig lid van het college van bestuur een direct of indirect persoonlijk belang hebben/ heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie, wordt het besluit genomen door de raad van toezicht. 3. Het college van bestuur zal advies inwinnen bij het directieoverleg als het besluiten betreft zoals genoemd in artikel 7 lid 5, 7 en 10 a t/m i. 4.
Daar waar advies en/of instemming vereist zijn vanuit de Wet medezeggenschap op scholen zal het college van bestuur tijdig een voorgenomen besluit voorleggen aan de GMR, dan wel aan een betrokken MR indien de GMR hiertoe niet bevoegd is. 5. De vergaderingen van het college van bestuur zijn openbaar voor zover het college van bestuur niet - gemotiveerd per agendapunt - beslist dat openbaarheid tegen het belang van de stichting is of een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen oplevert. De opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen die bij de behandeling aanwezig waren als door degenen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen, totdat het college van bestuur de geheimhouding opheft.
TOEZICHT OP HET COLLEGE VAN BESTUUR Artikel 9.
7
1. 2.
3. 4.
De raad van toezicht houdt toezicht op het college van bestuur. Dit geschiedt op de wijze en binnen de kaders als omschreven in deze statuten en de Wet. De raad van toezicht is in ieder geval belast met de taken als omschreven in artikel 17c van de Wet. Per vandaag staat in dat artikel: a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de stichting; b. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 165 lid 1 sub a WPO, en de afwijkingen van die code; c. het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de stichting die zijn verkregen op grond van de WPO; d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad van toezicht, en e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met d, in het jaarverslag. De raad van toezicht zal ten minste tweemaal per jaar overleg voeren met de GMR.
De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren van het college van bestuur in strijd met de Wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 48 lid 11 van de Wet.
RAAD VAN TOEZICHT; BENOEMING Artikel 10. 1. Onverminderd het bepaalde ten aanzien van de gemeenteraad in deze statuten en de Wet is het toezicht op het beleid van het college van bestuur, het functioneren van het college van bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting opgedragen aan een raad van toezicht. De raad van toezicht bestaat uit vijf natuurlijke personen. 2. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad. Benoeming van de leden van de raad van toezicht geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht vastgestelde profielschets en werving- en selectieprocedure. In de profielschets worden de noodzakelijke competenties, specifieke kennis en kwaliteiten van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van de raad van toezicht beschreven. De profielschets en wervingselectieprocedure worden openbaar gemaakt. De GMR wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over het vaststellen van de competentieprofielen van de leden van het raad van toezicht. 3. De raad van toezicht doet aan de gemeenteraad een voordracht voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht. 4. Ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van de leden van de raad van toezicht wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken scholen.
De in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde voordrachten worden voorbereid door
8
een benoemingsadviescommissie. In de benoemingsadviescommissie hebben in elk geval twee leden van de raad van toezicht en twee leden van de GMR zitting. De werkwijze van de benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. De voordracht wordt opgemaakt met inachtneming van het profiel bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Voorts stelt de raad van toezicht de GMR in de gelegenheid een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht. De overige leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht. 5. De raad van toezicht benoemt uit haar midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De raad van toezicht kan bepalen dat een lid meer in het bijzonder met een specifieke taak zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle leden van de raad van toezicht onverlet. 6. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftreden geschiedt volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. Een volgens het rooster van aftreden aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar. Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk. 7.
Een lid van de raad van toezicht kan te allen tijde worden geschorst of ontslagen door de raad van toezicht bij besluit genomen met twee/derde van de overige leden van de raad van toezicht. Een schorsing vervalt als niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing is besloten tot opheffing of handhaving van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in de vergadering waarin schorsing of verlenging daarvan, of het ontslag aan de orde is, te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 8. Disfunctioneren of het niet voldoen aan de in artikel 12 genoemde eisen inzake belangenverstrengeling en onafhankelijkheid kunnen reden zijn voor schorsing en ontslag als bedoeld in het vorige lid van dit artikel. 9. Een lid van de raad van toezicht defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn vrijwillig aftreden; c. door zijn ontslag verleend overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid van dit artikel, en d. door het verstrijken van de termijn waarvoor hij is benoemd, behoudens zijn eventuele herbenoeming. e. door zijn ontslag verleend door de rechtbank; f. als hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest; g. als hij lid van het college van bestuur wordt. 10.
De raad van toezicht stelt op basis van een door de raad van toezicht vast te stellen reglement de eventuele honorering van leden van de raad van toezicht vast, gehoord het college van bestuur. De hieruit voortvloeiende hoogte van de kostenvergoedingen worden in de begroting en de jaarrekening verantwoord.
9
11. De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. 12. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallige raad van toezicht houdt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door gelijkluidend besluit van de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van één of meer belanghebbende(n), is of wordt/en aangewezen.
RAAD VAN TOEZICHT; WERKWIJZE Artikel 11. 1. In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten van de raad van toezicht worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, behalve als in deze statuten een andere meerderheid is voorgeschreven. Een blanco stem geldt als een niet uitgebrachte stem. Bij staking van stemmen (niet zijnde een verkiezing tussen personen) is het voorstel verworpen. Indien bij verkiezing tussen personen door niemand een volstrekte meerderheid is verkregen, wordt herstemd tussen de twee personen, die het grootste aantal stemmen kregen, zo nodig na tussenstemming. Stemmen bij volmacht is niet toegestaan. 2. Een lid van de raad van toezicht neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie. Een lid van de raad van toezicht meldt een (potentieel) tegenstrijdig belang aan de voorzitter van de raad van toezicht en verschaft alle relevante informatie. De raad van toezicht beslist of sprake is van een tegenstrijdig belang. Het besluit wordt genomen door de overige leden van de raad van toezicht.
Indien alle leden van de raad van toezicht een direct of indirect persoonlijk belang hebben dat tegenstrijdig is met het belang van de stichting en de daaraan verbonden organisatie, wordt het besluit genomen door de raad van toezicht onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. 3. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden van de raad van toezicht in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de in deze statuten voorgeschreven meerderheid van het aantal leden van de raad van toezicht zich voor het voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld. 4. Twee leden zijn tezamen bevoegd een vergadering van de raad van toezicht bijeen te roepen. Daarnaast kan de voorzitter van de raad van toezicht een vergadering van de raad van toezicht bijeenroepen. 5. De raad van toezicht vergadert ten minste vier keer per jaar. De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt - door de in het voorgaande lid bedoelde personen - schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder
10
opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig uur. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden van de raad van toezicht vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 6. De voorzitter leidt de vergaderingen. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt de vicevoorzitter de in dit artikel bedoelde taken over. 7. De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden. 8. Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. 9. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn openbaar voor zover de raad van toezicht niet beslist dat openbaarheid tegen het belang van de stichting is of een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen oplevert.
De raad van toezicht kan besluiten de hele vergadering besloten te houden of slechts een of meer agendapunten. De raad van toezicht moet motiveren waarom (een deel van) de vergadering niet openbaar is. De opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen die bij de behandeling aanwezig waren als door degenen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen, totdat het college van bestuur de geheimhouding opheft. 10. Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door de voorzitter (van de vergadering) ondertekend. 11. De raad van toezicht regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de wijze van vergaderen. In het reglement van de raad van toezicht wordt een artikel opgenomen over het opstellen van een rooster van aftreden van de leden van de raad van toezicht.
ONAFHANKELIJKHEID EN BELANGENVERSTRENGELING Artikel 12. 1. Elk lid van het college van bestuur of de raad van toezicht is verplicht zijn taak te vervullen zonder mandaat en onafhankelijk van bij de stichting dan wel haar instelling(en) betrokken deelbelangen. Deze verplichting geldt ook voor leden van de raad van toezicht die zijn benoemd op bindende voordracht van de GMR. 2. Een lid van het college van bestuur of de raad van toezicht mag in ieder geval niet: a. als advocaat, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de stichting dan wel ten behoeve van de wederpartij van de stichting; b. als lid van het college van burgemeester of wethouders of raadslid werkzaam
11
zijn in een van betrokken gemeenten. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de stichting of in hoedanigheid deelnemen aan het Decentraal Georganiseerd Overleg; d. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de stichting als bedoeld in onderdeel e hierna; e. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: het aannemen van werk ten behoeve van de stichting; het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de stichting; het doen van leveranties aan de stichting; het verhuren van roerende zaken aan de stichting; het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de stichting; het van de stichting onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; het onderhands huren van de stichting. f. deel uitmaken van een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad behorende tot een door de stichting in stand gehouden school; g. een duurzame relatie hebben met iemand die bij de stichting werkzaam is; h. deel uitmaken van een schoolleiding van een vergelijkbare school en/of rechtspersoon in de regio; en i. ten aanzien van de leden van de raad van toezicht: in dienst zijn van de stichting.
Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens lid zijn van het college van bestuur van de stichting en vice-versa. Een lid van het college van bestuur dient vooraf goedkeuring te krijgen van de raad van toezicht voor het verrichten van nevenwerkzaamheden. c.
3. 4.
VERTEGENWOORDIGING Artikel 13. 1. Het college van bestuur alsmede ieder lid van het college van bestuur afzonderlijk vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. 2. Voorts kan de raad van toezicht, onverminderd het in lid 1 bepaalde, bij bestuursreglement - als intern werkend voorschrift – vaststellen voor welke rechtshandelingen de leden van het college van bestuur gezamenlijk zullen optreden indien overgegaan moet worden tot vertegenwoordiging van de stichting. Tegenover wederpartijen van de stichting kan geen beroep worden gedaan op een eventueel handelen in strijd met een dergelijk bestuursreglement. 3. Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van schriftelijke volmacht aan leidinggevenden, alsmede aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
BOEKJAAR, JAARSTUKKEN
12
Artikel 14. 1. Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar. 2. Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden door de raad van toezicht op grond van bijzondere omstandigheden, maakt het college van bestuur een jaarverslag (inclusief jaarrekening) op over dat boekjaar. Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met bepaalde in artikel 7 lid 7 (strategisch plan en doelstellingen) en legt het college van bestuur verantwoording af over het bepaalde in artikel 3 lid 3 en 4 (specifieke kenmerken openbaar onderwijs). Bij het opmaken van de jaarrekening houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 6 lid 2 en 10 lid 10 (bezoldiging en onkostenvergoeding college van bestuur en leden raad van toezicht). 3. Het jaarverslag moet vooraf worden goedgekeurd door de raad van toezicht. 4. Het jaarverslag wordt openbaar gemaakt. 5. De raad van toezicht draagt jaarlijks het college van bestuur op de jaarrekening te laten onderzoeken en valideren door een door de raad van toezicht aangewezen registeraccountant. 6. Na de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht wordt het jaarverslag vervolgens vastgesteld door het college van bestuur.
Het college van bestuur zendt binnen twee weken na vaststelling van de jaarrekening een afschrift daarvan aan de gemeenteraad. 7. De jaarrekening wordt ondertekend door ieder lid van het college van bestuur en, ten blijke dat de jaarrekening is goedgekeurd, door ieder lid van de raad van toezicht. Indien de ondertekening van één of meer van hen ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. Het college van bestuur zendt het jaarverslag met een verklaring van de registeraccountant omtrent rechtmatigheid en doelmatigheid, vóór één juli ter kennisneming aan de gemeenteraad.
EXTERN TOEZICHT GEMEENTEN Artikel 15. Conform de samenwerkingsovereenkomst tussen gemeenten en de stichting zal een regiegroep de coördinatie verzorgen op de wijze waarop de deelnemende gemeenten, specifiek zoals bedoeld in artikel 48 van de Wet op het Primair Onderwijs, extern toezicht uitoefenen op het bestuur van de stichting. Met de samenwerkingsovereenkomst wordt bedoeld de overeenkomst zoals die geldt bij het vaststellen van deze statuten, ongeacht mogelijke wijzigingen hiervan in de toekomst.
WIJZIGING VAN DEZE STATUTEN EN ONTBINDING VAN DE STICHTING Artikel 16. 1. Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de instemming
13
2.
3.
4. 5.
van de gemeenteraad. Indien sprake is van een meerhoofdig college van bestuur zal een besluit tot statutenwijziging worden genomen in een voltallige vergadering van het college van bestuur. Is de vergadering van het college van bestuur waarin een besluit tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan zal een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier werkweken na de bedoelde vergadering, waarin het besluit kan worden genomen, ongeacht het aantal aanwezigen. Het besluit wordt genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van het voorstel, bevattende de woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee weken. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Elk lid van het college van bestuur is bevoegd deze akte te doen verlijden. Het college van bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister.
ONTBINDING EN VEREFFENING Artikel 17. 1. Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 16 van deze statuten is van overeenkomstige toepassing op een besluit van het college van bestuur tot ontbinding van de stichting. 2. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de vereffening belast. 3. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 4. De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast. Een batig liquidatiesaldo na vereffening wordt besteed overeenkomstig de doelstelling van de stichting, of zal ten goede komen aan een ander algemeen nut beogende instelling met een doelstelling die zoveel mogelijk beantwoordt aan de doelstellingen van de stichting, een en ander als door de raad van toezicht te bepalen, voor zover hierin niet reeds bij het besluit tot ontbinding is voorzien. 5. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is.
Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden “in
14
6.
liquidatie”. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door de wet bepaalde termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het in het derde lid van dit artikel vermelde register.
VRIJTEKENING EN VRIJWARING Artikel 18. 1. Definitie: Waar in dit artikel wordt gesproken over lid, wordt daaronder begrepen een lid van het college van bestuur of een lid van de raad van toezicht. 2. Vrijtekening: De stichting zal een lid niet aansprakelijk stellen voor schade die de stichting lijdt als gevolg van enig handelen of nalaten van een lid in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur respectievelijk lid van de raad van toezicht. 3. Vrijwaring: De stichting zal een lid schadeloos stellen voor het bedrag dat dit lid aan een derde dient te vergoeden voor de schade die derden lijden als gevolg van enig handelen en/of nalaten van een lid in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur of lid van de raad van toezicht van de stichting. De stichting zal tot vergoeding overgaan van het bedrag dat een lid gehouden is op grond van een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk of arbitraal vonnis of van een met die derde(n) overeengekomen vaststellingsovereenkomst, mits de verdediging in de desbetreffende procedure door of namens de stichting is gevoerd respectievelijk de desbetreffende vaststellingsovereenkomst is gesloten met de uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de stichting en het lid volledige medewerking aan de stichting heeft gegeven bij het voeren van de verdediging respectievelijk de desbetreffende schikkingsonderhandelingen. 4.
Geen vrijtekening en vrijwaring in bepaalde gevallen: Aan de in lid 2 van dit artikel omschreven vrijtekening en de in lid 3 van dit artikel opgenomen vrijwaring kan een lid geen rechten ontlenen indien de desbetreffende schade het gevolg is van diens opzettelijk handelen of nalaten. Van een zodanig handelen en/of nalaten is in ieder geval sprake wanneer dat handelen en/of nalaten het gevolg heeft of met dat handelen of nalaten werd beoogd het desbetreffende lid en/of anderen verbonden aan de stichting en/of derden, in welk opzicht dan ook onrechtmatig te bevoordelen. Ook kan een lid van het college van bestuur geen rechten ontlenen aan de in lid 2 van dit artikel omschreven vrijtekening als hij een handeling heeft verricht waarvoor hij eerst goedkeuring van de raad van toezicht nodig had, en die goedkeuring niet heeft gevraagd en gekregen. 5. Aan de in lid 2 omschreven vrijtekening en de in lid 3 omschreven vrijwaring kan een lid geen rechten ontlenen voor zover de schade als bedoeld in dit artikel is verzekerd en wordt vergoed door een verzekeraar. 6. Definitie schade:
15
7.
8.
9.
Onder schade in de zin van dit artikel wordt mede verstaan de over enig te vergoeden bedrag verschuldigde wettelijke rente, de proceskosten welke een lid gehouden is te voldoen en/of de ten behoeve van de verdediging van het lid gemaakte rechtsbijstandkosten, mits deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en in redelijke verhouding staan tot de omvang van de schade. Kosten: Kosten door een lid gemaakt voor het voeren van verweer zullen door de stichting worden voorgeschoten tijdens een actie of procedure, mits het betreffende lid zich schriftelijk en onherroepelijk jegens de stichting heeft verbonden tot terugbetaling daarvan indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis volgt dat hij geen aanspraak kan maken op de vrijwaring door de stichting. De stichting kan nadere voorwaarden aan de uitbetaling verbinden, zoals het stellen van zekerheid. Geldigheidsduur: De vrijtekening en vrijwaring als bedoeld in dit artikel blijven gelden voor een persoon die geen lid meer is en komen ook ten goede aan de erfgenamen of legatarissen van het lid. Wijziging artikel: Dit artikel kan zonder toestemming van de personen die aanspraak maken op vrijtekening en vrijwaring gewijzigd worden. Deze personen kunnen echter aanspraak blijven maken op de bescherming als geboden door dit artikel voor schade als gevolg van handelen of nalaten tijdens de periode dat dit artikel van kracht is.
SLOTBEPALINGEN Artikel 19. 1. In alle gevallen waarin de bepalingen van deze statuten in strijd blijken te zijn met de wet, prevaleert de wet. 2. In alle gevallen de stichting betreffende waarin deze statuten niet voorzien, beslist het college van bestuur na goedkeuring van de raad van toezicht. EINDE VAN DEZE AKTE Als notaris verklaar ik nog het volgende. Wij ondertekenen deze akte in de gemeente Horst aan de Maas. Dit doen wij op de datum die in het begin van deze akte staat. Ik heb de identiteit van de aanwezige persoon vastgesteld. Zij heeft op tijd voor het ondertekenen een ontwerp van de akte ontvangen. Ik heb de inhoud van deze akte aan haar verteld. Ook gaf ik een toelichting. De partij bij deze akte kent de gevolgen die voor haar uit deze akte voortvloeien. De aanwezige persoon vindt het goed dat ik de akte niet volledig voorlees. Daarom heb ik de akte gedeeltelijk voorgelezen. Meteen na de gedeeltelijke voorlezing hebben de aanwezige persoon en ik de akte ondertekend.