CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Definitieve versie RPE-WBEB (met zichtbare aanpassingen).pdf

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 10: Regionaal plan Energiesysteem (RPE) - West-Brabant Energie in Balans (WBEB)25.898 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Communicatie en participatie is een belangrijk onderdeel binnen de gebiedsaanpak. Het informeren en betrekken van inwoners is belangrijk voor het begrip en draagvlak vanuit de samenleving. De RES West-Brabant zal binnen de gebieden de trekkersrol vervullen.

-

We vormen gebiedscoalities met bedrijven, Enexis Netbeheer, woningcorporaties, energiecoöperaties en andere partijen om gezamenlijk te werken aan oplossingen die de netcongestie verzachten. Deze partijen werken nauw samen en maken gebruik van elkaars kennis en middelen. Bij oplossingen kan het bijvoorbeeld gaan om de plaatsing en gebruik van batterijopslag en de afstemming tussen maatregelen als congestiemanagement en energiehubs.

4.1.1

Cyclus gebiedsaanpak

Het energiesysteem verandert snel in alle gebieden. Daarom is het belangrijk om de ontwikkelingen goed in de gaten te houden. We gebruiken hiervoor een speciale 'Uitvoeringsmatrix'. In deze matrix volgen we de drie hoofdpunten van de Landelijke Aanpak Netcongestie (LAN). We kijken daarbij vooral naar elektriciteit, maar houden ook rekening met warmte, groen gas en waterstof.

26

Tabel 4: Uitvoeringsmatrix

Elke zes weken komen we als werkgroepen Gebiedsaanpak bij elkaar. In deze bijeenkomsten gebruiken we de Uitvoeringsmatrix als onderdeel van het proces van Programmeren en Prioriteren (PeP-proces). Dit zie je in figuur 4 hieronder. Als we kijken naar het onderdeel 'Programmeren Energie en Ruimte', dan gebruiken we deze informatie ook voor het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (pMIEK). Zo zorgen we ervoor dat onze regionale plannen goed aansluiten bij de plannen van de provincie.

Figuur 4: Cyclus Gebiedsaanpak

27

Het PeP-proces, dat elke zes weken plaatsvindt, is onderdeel van een grotere beleidscyclus van de gebiedsaanpak (zie figuur). Deze cyclus bestaat uit vier stappen: 1. Overzicht: Elk jaar brengen we in kaart hoeveel energie er nodig is en hoeveel we kunnen opwekken (NP RES foto). We kijken ook naar wat dit betekent voor het elektriciteitsnet. De netbeheerders Enexis Netbeheer en TenneT maken elke twee jaar een uitgebreide analyse, die ze jaarlijks bijwerken. Deze analyse nemen we ook mee. 2. Inzicht: Elke vijf jaar vernieuwen we onze energiesysteemverkenning. Hierin onderzoeken we hoe vraag en aanbod van energie zich ontwikkelt, zowel voor de korte, middellange als lange termijn. Dit doen we voor de hele regio én per gebied. 3. Vooruitzicht: Na de energiesysteemverkenning maken we belangrijke keuzes. Deze leggen we vast in de RES. Wijzigingen in de investeringen voor energie-infrastructuur, dragen we aan bij het provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (pMIEK) dat wordt vastgesteld in Gedeputeerde Staten. Dit doen we voor de hele regio West-Brabant en voor elk gebied apart. 4. Uitvoering: Elke zes weken bespreken we per gebied hoe de uitvoering verloopt. Als het nodig is, kunnen we dan bijsturen. Keuzes hierover worden voorgelegd in de stuurgroep RES West-Brabant. In het uitvoeringsprogramma werken we de gebiedsaanpak verder uit.

28

4.1.2

Bestuurlijke keuze

4.2

Energiehubs Definitie energiehubs In een kamerbrief wordt de volgende definitie van energiehubs gegeven: “Vanuit het perspectief van het energiesysteem is er sprake van een energiehub als er in een afgebakend gebied vraag en aanbod van energie op elkaar worden afgestemd. Dit gebeurt door slim te ontwerpen en sturen op publieke infrastructuur. Behalve elektriciteit betreft dit ook andere energiedragers zoals warmte en (duurzame) gassen. In zo’n hub is opslag en omzetting van de ene energievorm in een andere mogelijk en kunnen netwerken van verschillende energiedragers met elkaar in verbinding staan.” Rijksoverheid, Kamerbrief over Stimuleringsprogramma energiehubs (2024)

29

Bij een energiehub gaat het dus om: • • • •

Lokaal opwekken van energie; Ter plekke gebruiken; Opslaan van energie; Omzetten van energie van de ene vorm naar de andere.

In een energiehub wordt intensief samengewerkt door de deelnemende partijen en veelal ook met de netbeheerder en de gemeente. Een belangrijke maatschappelijke meerwaarde van een energiehub is dat door onderlinge levering en afspraken over het gebruik van energie het bovenliggende energiesysteem ontlast kan worden. Bij energiehubs is er een onderscheid tussen hubs bij bedrijventerreinen, grootschalige verbruikers (CES 6 bedrijven), mobiliteit (oplaadpleinen) en de gebouwde omgeving.12 Wij volgen deze indeling. Onze regio wil bij energiehubs inzetten op twee doelen: 1. We willen energiehubs actief ontwikkelen Energiehubs zijn belangrijke knooppunten in ons toekomstige energiesysteem. Ze helpen onze regio zich te ontwikkelen. Met een gerichte aanpak voor deze hubs (bijvoorbeeld door ruimte te reserveren en investeringen te doen) bereiken we drie belangrijke dingen: • We kunnen verschillende soorten energie beschikbaar maken; • We weten beter hoe ons regionale energiesysteem zich ontwikkelt; • We worden minder afhankelijk van anderen. 2. Vraag en aanbod samenbrengen in energiehubs Energiehubs dragen bij aan een beter gebruik van duurzame energie. Daarom zijn het ook aantrekkelijke plekken voor bedrijven om zich te vestigen. Het is slim om op deze locaties energiegebruik en energieproductie te combineren.

Voor de regio zijn vooral die energiehubs belangrijk die helpen om het elektriciteitsnet minder te belasten. Een energiehub is dus niet alleen waardevol voor de bedrijven die er direct bij betrokken zijn. Het opzetten van een energiehub is ingewikkeld. Er zijn veel technische installaties nodig die complex zijn om te bouwen en te beheren. Ook moeten er soms grote investeringen worden gedaan voor het opslaan en omzetten van energie. Daarnaast is het een uitdaging om alles goed te organiseren en aan te sturen. De provincie wil helpen, en start daarom in 2025 een speciaal programma om de opzet van energiehubs te stimuleren. Dit programma loopt tot 2030 en heeft verschillende doelen. Het biedt ondersteuning aan lokale initiatieven, zorgt ervoor dat kennis wordt gedeeld tussen verschillende projecten en helpt bij het oplossen van problemen die zich voordoen. We verwachten dat verschillende energiehubs in West-Brabant hulp kunnen krijgen uit dit programma. De RES West-Brabant werkt mee aan dit provinciale programma om ervan te leren en deze kennis te delen in de regio.

12

Royal HaskoningDHV (in opdracht van Topsector Energie en RVO) (2024)

30

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft een handleiding gemaakt voor deze programma's. Voor het verdelen van subsidies wordt naar drie belangrijke punten gekeken: 1. Wat levert het op voor de samenleving? De energiehub moet helpen bij het verduurzamen van bedrijven, woningen en/of vervoer. 2. Past het in het energiesysteem? De energiehub moet het elektriciteitsnet ontlasten en goed passen in het energienetwerk en de beschikbare ruimte. 3. Is de organisatie goed? Er moet een sterke wil zijn om samen te werken en een goede organisatie om dit te leiden.

Figuur 5: Energiehubs

4.2.1

Bestuurlijke keuze

4.3

Water en bodem sturend

In ons toekomstige energiesysteem houden we rekening met wat gezond is voor het water en de bodem. Het streven is om zo veel mogelijk aan te sluiten bij een natuurlijk functionerend watersysteem. Hoe meer technische ingrepen er nodig zijn om het watersysteem te laten functioneren, hoe kwetsbaarder het wordt. Nieuwe ontwikkelingen passen niet goed op locaties die essentieel zijn voor waterberging of op laaggelegen, kwetsbare gronden. Ook willen we voorkomen dat ingrepen in het watersysteem in onze regio, buiten onze regio leiden tot problemen. 31

Het RPE-WBEB richt zich op een toekomstbestendig energiesysteem. De uitwerking van water en bodem sturend wordt verder uitgewerkt in de gebiedsgerichte aanpak. De koers en beleidsvoornemens in het Addendum van het Regionaal Water en Bodem Programma, opgesteld door de provincie, zijn hierin leidend. Het eigen Handelingsperspectief Water en Bodem Sturend van het waterschap Brabantse Delta is hier ook mee in lijn. We houden daarbij rekening met In de gebiedsgerichte aanpak houden we daarom ook rekening met drie typen water- en bodemsystemen: 1. Veerkrachtige/ robuuste gebieden: Deze gebieden zijn vanuit het water- en bodemsysteem geschikt voor uitbreiding en aanpassing van het energiesysteem. Hier kunnen energieprojecten verantwoord worden ontwikkeld met minimale impact op het water- en bodemsysteem. 2. Adaptieve gebieden: Dit zijn locaties waar de maatschappelijke en economische baten van energieontwikkeling opwegen tegen de kosten van klimaatbeschermings- en adaptatiemaatregelen. Hier is enige aanpassing mogelijk, mits de voordelen zwaarder wegen dan de kosten. 3. Kwetsbare gebieden: De kwetsbaarheid van het water- en bodemsysteem maakt het risicovol om hier energieinfrastructuur te ontwikkelen of aan te passen. Aandachtspunten bij deze typen water- en bodemsystemen zijn: -

-

4.4

Gebieden kunnen zich ontwikkelen van kwetsbaar naar adaptief of van adaptief naar veerkrachtig, afhankelijk van de mate waarin de water- en bodemgesteldheid zich verbetert of waarin er beschermingsmaatregelen worden genomen. Bij nationale infrastructuurprojecten wordt vermeden om kwetsbare gebieden te belasten, hoewel lokale infrastructuur in sommige gevallen wel haalbaar kan zijn. Het is belangrijk breder te kijken dan alleen naar de locatie van het project. Het is goed om ook de bredere regionale effecten en mogelijkheden mee te nemen. ‘Water en bodem sturend’ kan worden gehanteerd als één van de principes om projecten te prioriteren. Hoe beter iets past, hoe kansrijker het is om vlot en ‘goedkoop’ te realiseren.

Omgevingskwaliteit en gezonde leefomgeving

Als we zoeken naar locaties voor onderdelen van het energiesysteem, zoals infrastructuur of energieopslag, letten we goed op de kwaliteit van de omgeving en een gezonde leefomgeving. Met kwaliteit van de omgeving bedoelen we verschillende dingen: hoe goed mensen het kunnen gebruiken, of het klaar is voor de toekomst, hoe mensen het ervaren, en of het de omgeving mooier maakt. We kijken hierbij goed naar wat er al in de buurt is en houden rekening met de mensen die er wonen. Ook is het belangrijk dat nieuwe projecten passen bij het landschap. Met een gezonde leefomgeving bedoelen we dat mensen er veilig en gezond kunnen wonen. We kijken ook of we meerdere doelen tegelijk kunnen bereiken. Zo kunnen we bijvoorbeeld zorgen dat er niet alleen ruimte is voor energie, maar ook voor biodiversiteit met voor natuur en verschillende soorten natuur, planten en dieren. Zo faciliteert de RES West-Brabant dat gemeenten gebruik kunnen maken van het door het Rijk ingestelde kwaliteitsbudget om ecologie en

32

biodiversiteit bij duurzame energieprojecten te versterken.13 Het is wel belangrijk dat de voordelen van nieuwe energieprojecten opwegen tegen wat het kost om ze te bouwen en wat de invloed is op de omgeving.

4.5

Solidariteit met Powerport

Een rechtvaardig energiesysteem houdt rekening met de omgevingskwaliteit en een gezonde leefomgeving. In onze regio zien we in de Powerport een stapeling van landelijke en regionale energieprojecten, die een grote impact heeft op de gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg. Het gaat hierbij om projecten die van groot maatschappelijk en economisch belang zijn voor de gehele regio. In de Ontwerptafel Moerdijk is inmiddels duidelijk geworden dat er te weinig ruimte is voor alle geplande energieprojecten.14 De gemeenten in de Powerport stellen de hulpvraag: Hoe kunnen wij in ieder geval voor een deel van de ruimtelijke vraag ontlast worden door de andere gemeenten in de regio? Om op deze vraag in te spelen onderzoekt de RES West-Brabant de mogelijkheden om in de regio een deel van de ruimtelijke vraag in de Powerport op te vangen. Dit in afstemming met de Ontwerptafel Moerdijk, de stedelijke regio’s West-Brabant en Breda-Tilburg en de Provincie Noord-Brabant. Wij realiseren ons dat de Powerport en de regio een sterke verwevenheid kennen. De realisatie van de Powerport in West-Brabant creëert, met regionale steun, economische en maatschappelijke (o.a. nabijheid energiebron) ontwikkelkansen voor de gehele regio. Solidariteit met de Powerport gemeenten kan alleen in regionaal en integraal verband ingevuld worden. In RES verband willen we dit in samenhang zien.

Ook landelijke solidariteit is essentieel bij de ruimtelijke inpassing van energieprojecten van nationaal belang. Bij bovenregionale of landelijke projecten moet worden beoordeeld of deze daadwerkelijk een regionaal belang dienen of inpassing elders beter is. Wij zien als regio de contacten, die het Rijk zoekt met de Powerport-gemeenten om daar energie-infrastructuur te laten landen, ook als te benutten kans zien om wensen vanuit de regio bij het Rijk onder de aandacht te brengen. We volgen nauwgezet de besluitvorming in het Bestuurlijke Overleg van de Powerport gemeenten met de provincie en het Rijk. Dit is een belangrijk overleg om solidariteit te agenderen in de regio en om gaandeweg de opgave te concretiseren. Bij iedere locatiekeuze voor de Powerport stellen wij onszelf de vraag of een deel van de ruimtevraag elders in de regio overgenomen kan worden.

13

Zie voor meer info link De Ontwerptafel Moerdijk is een samenwerkingsinitiatief tussen het Rijk, provincie Noord-Brabant en de gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg. 14

33

4.5.1

Bestuurlijke keuze

Met opmerkingen [Rd1]: Als 1e bullet bij “welke acties volgen uit deze keuze” invoegen: “Bijdragen aan de visievorming op de maatschappelijke en economische toekomst van de stedelijke regio’s West-Brabant en BredaTilburg. Hierbij focust de RES West-Brabant op de rol van het energiesysteem.”

34

5

Energiedragers

Voor een toekomstbestendig energiesysteem is het nodig om het elektriciteitsnet waar mogelijk te ontlasten. Waar we in de RES 1.0 volop aandacht gaven aan de duurzame opwek van elektriciteit, kijken we in het RPE-WBEB ook naar de inzet van drie andere soorten energiedragers: warmte, groen gas en waterstof. Daarnaast blijft energiebesparing van belang.

5.1

Elektriciteit

5.1.1

Bijdrage aan opgave

De vraag naar elektriciteit neemt toe. We bouwen het gebruik van fossiele energie af en daarvoor in de plaats maken we vooral gebruik van (duurzaam opgewekte) elektriciteit. Als we de komende jaren niets zouden doen (geen keuzes zouden maken en de autonome ontwikkeling volgen) is het aandeel elektriciteit in de West-Brabantse energiemix in 2050 maar liefst 91%. Dit zou grote gevolgen hebben voor ons landschap. We zouden dan heel veel nieuwe infrastructuur moeten aanleggen, zoals plekken om energie op te wekken, elektriciteitskabels, transformatorstations en batterijen. Om dit te voorkomen, moeten we twee dingen doen: naast elektriciteit ook andere vormen van energie gebruiken én slimme keuzes maken over het elektriciteitsnetwerk.

5.1.2

Opwek

In de toekomst zal elektriciteit de belangrijkste vorm van energie worden in onze regio. We proberen vraag en aanbod van elektriciteit zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen om het elektriciteitsnet minder te belasten. Uit ons onderzoek naar het energiesysteem blijkt dat we in 2050 meer dan twee keer zoveel elektriciteit nodig hebben als nu. We kunnen niet al deze elektriciteit zelf opwekken in onze regio, dus moeten we ook energie van buiten de regio halen. Hoe snel we kunnen verduurzamen, hangt af van hoe snel we het elektriciteitsnet kunnen aanpassen. Dit gaat om het opwekken en opslaan van energie, maar ook om nieuwe kabels en installaties.

Repowering windmolens In de RES 1.0 hebben we een bijzonder onderdeel opgenomen: repowering windmolens. Hierbij vervangen we oude, kleine windmolens door nieuwe, grotere exemplaren. Deze nieuwe windmolens kunnen meer duurzame elektriciteit opwekken dan de oude. Windmolens gaan ongeveer 20 jaar 35

mee. Daarna moeten ze vervangen worden. We hebben vijf plekken aangewezen waar we dit willen doen. Maar omdat we nog niet zijn begonnen met deze projecten, zullen we pas na 2030 meer energie kunnen opwekken op deze plekken. Er zijn wel twee uitdagingen: ten eerste weten we niet zeker of nieuwe wetten nog wel toestaan dat we grotere windmolens plaatsen. Ten tweede heeft het ministerie van Defensie extra ruimte nodig voor vliegtuigen. Deze vliegroutes gaan deels over plekken waar nu windmolens staan of waar we nieuwe willen plaatsen.

Wind na 2030 In de RES 1.0 staan ook plannen voor windmolens die we pas na 2030 willen bouwen. Zoekgebied voor deze windmolens is onder andere het gebied van de Zuidelijke Zandgronden. Plannen voor de bouw van deze windmolens moeten nog worden opgestart. Bovendien moeten die eerst nog door de gemeenteraden worden goedgekeurd, voordat windmolens kunnen worden gerealiseerd. Het gebied van de Zuidelijke Zandgronden heeft bijzondere kenmerken: er wordt weinig energie gebruikt, maar er staan ook weinig installaties die duurzame energie opwekken. We willen een goede balans in het energiesysteem. Daarom moeten we goed nadenken over waar we nieuwe windmolenparken plaatsen en hoe groot ze worden. Ook hier speelt dezelfde uitdaging als bij andere windmolenparken: het ministerie van Defensie wil mogelijk meer ruimte voor vliegtuigen, en dat kan invloed hebben op waar we windmolens mogen plaatsen.

OER projecten Rijkswaterstaat is begonnen met het project: Opwek Energie op Rijksgronden (OER). Het doel is om zonnepanelen te plaatsen op grond die van de overheid is, bijvoorbeeld langs snelwegen. RES WestBrabant heeft in 2024 twee plekken voorgesteld voor dit project: langs de snelweg A27 en rond de vliegbasis Woensdrecht. Rijkswaterstaat begint in 2025 met het uitwerken van deze plannen. Uit onderzoek blijkt dat er nog meer kansrijke plekken zijn langs snelwegen in West-Brabant. We verwachten daarom dat er nog meer plekken aan de lijst met OER-projecten worden toegevoegd.

Kaart 2: Overzicht opweklocaties wind- en zon op veld energie. Bron: &Flux (2024)

36

5.1.3

Elektriciteitsnet

De netbeheerders TenneT en Enexis Netbeheer maken plannen voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet voor de komende tien jaar. Ze bepalen welke investeringen nodig zijn en wanneer deze gedaan worden. Voor de periode na deze tien jaar is het belangrijk dat we twee dingen goed op elkaar afstemmen: onze plannen voor de ruimte in de regio én de ontwikkeling van het elektriciteitsnet. Dit betekent dat we het energiebeleid van de landelijke overheid moeten combineren met het ruimtelijke beleid van gemeenten en regio's. Soms moeten we hiervoor ook nieuwe regels en werkwijzen ontwikkelen. Het versterken van ons regionale elektriciteitsnet hangt af van verschillende factoren15: -

-

-

-

Kernenergie is een vorm van opwekking van elektriciteit. Landelijk beleid stimuleert de inzet van kernenergie. Het geringe ruimtebeslag en de CO2 vrije productie zijn voordelen. Nadelen zijn het ernafval, stralingsgevaar, behoefte aan koelwater en de ruimtelijke inpassing. De introductie van de Small Modular Reactor (SMR lijkt een regionale toepassing van kernenergie mogelijk te maken. De lange ontwikkeltijd (ontwerp, MER, vergunning, bouw) van een kerncentrale zorgt ervoor dat kernenergie pas ver na 2035 zal bijdragen aan ons energiesysteem. RES West-Brabant volgt de landelijke ontwikkelingen nauwgezet

Allereerst is het belangrijk hoeveel elektriciteit er van buiten onze regio komt, bijvoorbeeld van windmolens op zee of van kerncentrales. Als we meer elektriciteit van buiten krijgen, hoeven we minder zelf op te wekken. Wel hebben we dan meer grote elektriciteitskabels nodig. Ook de snelheid waarmee het landelijke elektriciteitsnet wordt aangepast is belangrijk. Daarnaast moeten we in West-Brabant genoeg ruimte hebben voor nieuwe elektriciteitskabels en plekken om energie op te wekken. De regels en wetten voor zonne- en windparken spelen ook een grote rol. Net als wat mensen in de buurt ervan vinden. Als we nieuwe windparken ontwikkelen, moeten we goed rekening houden met de omgeving. Het helpt als mensen uit de buurt mede-eigenaar kunnen worden van deze projecten. Verder is het belangrijk dat particulieren en bedrijven zonnepanelen op hun dak willen leggen. Hierbij speelt mee hoe snel ze hun investering kunnen terugverdienen. Ten slotte moeten we vraag en aanbod van elektriciteit goed op elkaar afstemmen. Dit doen we door energie op te slaan in batterijen of om te zetten in waterstof.

Als maatschappelijke instellingen of bedrijven een aansluiting op het elektriciteitsnet willen, of meer stroom nodig hebben, moeten ze rekening houden met nieuwe regels (codebesluit maatschappelijk prioriteren). Deze regels bepalen wie het eerst aan de beurt komt. De volgorde is als volgt: eerst krijgen projecten voorrang die helpen om het elektriciteitsnet minder vol te maken. Daarna komen belangrijke voorzieningen voor onze veiligheid, zoals de brandweer en ziekenhuizen. De derde groep bestaat uit basisvoorzieningen, zoals drinkwater en woningen. Alle andere aanvragen komen in de laatste groep 'overige'. Voor elke groep maken de netbeheerders een wachtlijst. Binnen deze groepen

15

Naast deze technische factoren zijn er vele anderen factoren van belang, zoals regelgeving, overheidsbeleid, beschikbaarheid arbeidskrachten, financiering, etc.

37

geldt: wie het eerst komt, die het eerst maalt. Zodra er ruimte is op het elektriciteitsnet, kunnen de aanvragen in deze volgorde worden uitgevoerd.

Hoogspanning, middenspanning en laagspanning Het Nederlandse elektriciteitsnet werkt als een wegennetwerk. TenneT beheert het hoogspanningsnet, dat werkt als een snelweg voor elektriciteit. TenneT is als landelijke netbeheerder bezig haar hoogspanningsnet op te knippen in zogeheten deelnetten (voorheen ‘pockets’ genoemd). Voor onze regio wordt gewerkt aan de uitbreiding van het 380 kV-station Geertruidenberg en de nieuwbouw van vergelijkbare stations in Halsteren en Moerdijk. De afslagen op de snelweg worden gevormd door de HS/MS-stations of 150-20/10 kV-stations. Daar wordt hoogspanning (HS) omgezet naar middenspanning (MS). Dat zijn ook de stations waar Enexis Netbeheer verbinding maakt met TenneT. Enexis Netbeheer maakt plannen voor uitbreiding op basis van wat provincie, gemeenten en de regio verwachten nodig te hebben. Via twaalf stations gaat de elektriciteit naar kleinere verdeelstations in industriegebieden en woonwijken. Om de overstap naar duurzame energie mogelijk te maken, moet ook dit deel van het net worden versterkt.

Figuur 6: Werking elektriciteitsnet

Vanuit de middenspanningstations gaat de elektriciteit naar wijktransformatoren. Deze werken als kleine verdeelstations in de buurt. Van daaruit gaat de stroom via het laagspanningsnet naar huizen en andere gebruikers. Als we dit vergelijken met wegen, dan zijn dit de gewone straten in wijken en buurten. Omdat we steeds meer elektriciteit gebruiken, hebben we veel meer wijktransformatoren nodig. We moeten er drie tot vier keer zoveel plaatsen als er nu zijn. Enexis Netbeheer praat hierover met alle gemeenten in West-Brabant om dit goed voor te bereiden. Dit noemen we de buurtaanpak.

38

5.1.4

Opslag

Zonnepanelen en windmolens wekken soms meer elektriciteit op dan we op dat moment nodig hebben. Deze extra elektriciteit kunnen we opslaan in batterijen. Deze batterijen hebben meerdere voordelen: ze kunnen stroom leveren wanneer dat nodig is, en helpen om vraag en aanbod van energie in balans te houden. Zo maken ze ons energiesysteem betrouwbaarder. We moeten vanuit het belang van de samenleving goed bepalen waar we batterijen plaatsen en wanneer we ze gebruiken. Als we dit niet goed regelen, kunnen ze juist voor meer problemen zorgen op het toch al overvolle elektriciteitsnet. Batterijen leveren een bijdrage aan het verminderen van netbelasting wanneer deze op de juiste momenten worden geladen en ontladen. Om die reden sluiten netbeheerders batterijen alleen met voorrang aan wanneer deze bijdragen aan vermindering van de netcongestie. Grote batterijen kunnen geplaatst worden op belangrijke punten in het elektriciteitsnetwerk. Dit kan bij de grote hoogspanningsstations van 380 kV in Geertruidenberg, Halsteren en Moerdijk, en bij de tien kleinere stations van 150 kV. Ook industriegebieden, waar veel stroom wordt gebruikt, zijn geschikte plekken voor batterijen. Bedrijven kunnen zelf een batterij plaatsen voor eigen gebruik, of ze kunnen samenwerken en een gezamenlijke batterij delen in een energiehub.

In het RPE-WBEB kijken we naar systeembatterijen (>70 MW, directe aansluiting op het Tennet netwerk) batterijen die tussen de 20 en 70 MW groot zijn (aansluiting op het netwerk van Enexis Netbeheer). Deze hebben een oppervlakte nodig van een halve tot drie hectare. Volgens TenneT is er in West-Brabant behoefte aan twee tot drie grote (>70 MW) systeembatterijen. Enexis Netbeheer is voorzichtig met het aanmoedigen van thuisbatterijen. Deze kunnen namelijk voor extra problemen zorgen in het elektriciteitsnet van buurten en wijken. Kleinere buurtbatterijen, die minder dan 20 MW opslaan, kunnen wel nuttig zijn om het lokale energiesysteem in balans te houden. Deze kunnen in wijken of op industrieterreinen worden geplaatst. We hebben voor West-Brabant onderzocht waar we grote batterijen kunnen plaatsen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft gemeenten al geholpen met een handreiking voor het afgeven van vergunningen voor batterijen. Voor onze regio werken we ook aan een speciaal afwegingskader. In Q1-2025 zal dit afwegingskader ambtelijk en bestuurlijk worden behandeld. Met dit afwegingskader kunnen gemeenten beter beslissen of ze een grote batterij op hun grondgebied willen toestaan. RES West-Brabant is één van de eerste regio's die zo'n afwegingskader maakt. We hopen dat andere regio's ons voorbeeld zullen volgen. 5.1.5

Conversie

Er zijn naast batterijen nog andere manieren om elektriciteit op te slaan. We kunnen hiervoor elektrolysers en e-boilers gebruiken. Een elektrolyser kan overtollige elektriciteit omzetten in waterstof. Later kunnen we deze waterstof weer terug omzetten naar elektriciteit. Wel gaat bij elke omzetting ongeveer 30% van de energie verloren. Dit energieverlies komt vrij als warmte, die we kunnen gebruiken in warmtenetten. We kunnen overtollige elektriciteit ook gebruiken om water op te warmen in e-boilers. Deze verwarmde e-boilers kunnen dan weer worden gebruikt voor warmtenetten. Het omzetten van de ene energievorm naar de andere noemen we conversie. De elektrolysers kunnen we plaatsen bij plekken waar windenergie van zee aan land komt (zoals bij de projecten Nederwiek 3 en VAWOZ (Verkenning Aanlanding Wind op Zee)). Ook kunnen ze komen bij grote windmolen- en zonnepark-locaties.

39

5.1.6

Flexibiliteit

Nu we steeds meer elektriciteit opwekken, hebben we meer flexibiliteit nodig in hoe we deze energie gebruiken en opslaan. Dit geldt voor korte periodes, maar ook voor verschillen tussen seizoenen. We kunnen dit op verschillende manieren aanpakken: met batterijen en elektrolysers voor opslag, maar ook door slimme afspraken te maken. Zo kunnen fabrieken hun productie aanpassen en transportbedrijven hun laadtijden. Ook gewone huishoudens kunnen hun energiegebruik afstemmen op momenten dat er veel zon en wind is. Een belangrijke rol is weggelegd voor energiehubs, waar we deze flexibiliteit kunnen organiseren (zie 4.2). Batterijen zijn hierin belangrijk: ze kunnen zorgen voor back-up stroom en helpen het netwerk stabiel te houden. Het verzwaren van het elektriciteitsnet is meestal wel goedkoper dan batterijopslag, maar dat is niet altijd snel genoeg te realiseren of niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld doordat vergunningen niet te krijgen zijn in kwetsbare gebieden of er geen uitbreidingsruimte is rondom bestaande infrastructuur en trafo’s). Tot 2040 blijft er een tekort aan capaciteit op het elektriciteitsnet. Daarom is het belangrijk dat we goed nadenken over waar we wat willen bouwen en hoe dit past bij de mogelijkheden van het elektriciteitsnet. Dit betekent dat we energiebeleid en ruimtelijke plannen beter op elkaar moeten afstemmen. Soms moeten we hiervoor nieuwe regels maken.

In paragraaf 4.5.2 staat meer over hoe we de flexibiliteit willen vergroten, niet alleen voor elektriciteit maar ook voor andere vormen van energie.

5.1.7

Innovatie

Het elektriciteitssysteem kan op verschillende manieren vernieuwen: bij het opwekken, opslaan en gebruiken van energie. Er zijn al veel interessante voorbeelden: • • • • • • •

Zonnepanelen die op water drijven; Transparante zonnepanelen; Het combineren van landbouw met zonnepanelen, agri PV; Zonnepanelen die in gevels van gebouwen worden verwerkt; Buigzame zonnepanelen; Kleine windmolens bij boerenbedrijven; Batterijen die werken op basis van zout.

Voor het RPE-WBEB zijn vooral innovaties relevant die in de praktijk zijn getest. Het kan dan zowel gaan om innovaties die nog beperkte aanpassingen nodig hebben, dan wel innovaties die al op grote schaal kunnen worden toegepast.

40

5.1.8

Bestuurlijke keuze

5.2

Warmte

5.2.1

Bijdrage aan opgave

De regio West-Brabant wil graag gebruikmaken van (boven)lokale warmtesystemen waar dit gunstig is. Waar het gunstig is, wordt bepaald op basis van publieke belangen en leidende principes. Zo kunnen we de beschikbare warmtebronnen in onze regio optimaal benutten. We hebben al globaal in kaart gebracht waar we deze collectieve warmte kunnen gebruiken. Het gaat dan om restwarmte van bedrijven, warmte uit de diepe aarde (geothermie) en warmte uit water (aquathermie). We kijken hierbij naar de warmtebehoefte van wijken, industriegebieden en glastuinbouw. De komende twee jaar maken gemeenten nog preciezere plannen voor hun lokale warmtebronnen en leggen deze plannen vast in een gemeentelijk warmteprogramma als verplicht programma onder de Omgevingswet. Door klimaatverandering hebben we in Nederland niet alleen warmte nodig, maar ook steeds meer koeling in de zomer. We kunnen naast warmte, ook koude leveren. Dit doen we door gebruik te maken van zeer lage temperatuur-warmtenetten, warmte-koude opslag in de bodem, en opslag van

41

koude uit de lucht voor gebruik in de zomer. De mogelijkheid om naast warmte ook koude te kunnen leveren in de zomer is een aspect dat kan meewegen in de keuze tussen warmtestrategieën. Door samen warmtesystemen te gebruiken, belasten we het elektriciteitsnet minder dan wanneer iedereen een eigen warmtepomp zou hebben. Dit neemt niet weg dat ook voor warmtenetten goed moet worden gekeken naar de elektriciteitsvraag. Op plekken waar gezamenlijke warmtesystemen niet mogelijk zijn, worden huizen in de toekomst wel elektrisch verwarmd, soms aangevuld met groen gas. Warmte zal in 2050 ongeveer 11% van onze totale energie uitmaken. We streven naar een flexibel energiesysteem dat zich kan aanpassen naar wisselende vraag en aanbod. We kunnen ons energiesysteem flexibeler maken door warmte op te slaan voor gebruik in een ander seizoen. Ook kunnen we overtollige elektriciteit omzetten in warmte. Er moet nog veel ontwikkeld worden op het gebied van techniek, financiering en regels voordat we dit breed kunnen toepassen. Toch ziet het ernaar uit dat warmteopslag in combinatie met het omzetten van elektriciteit naar warmte veel mogelijkheden biedt. Dit kan warmtenetten ook rendabeler maken. De RES West-Brabant blijft deze ontwikkelingen en kansen voor onze regio nauwlettend volgen.

5.2.2

Publieke regie in de warmtetransitie

De Wet gemeentelijk instrumentarium warmtetransitie (Wgiw) Gemeenten hebben de regie bij de overstap naar duurzame warmte. Alle zestien gemeenten in WestBrabant hebben in 2021 een eerste plan vastgesteld voor deze overgang: de Transitievisie Warmte. Naar verwachting treedt in juli 2025 de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in werking. Deze wet geeft gemeenten nieuwe taken om hun plannen uit de Transitievisies Warmte verder uit te werken in warmteprogramma's. Deze programma's moeten eind 2026 klaar zijn. Met deze nieuwe wet kunnen gemeenten ook gebieden aanwijzen die in de toekomst van het aardgas af gaan en overstappen op een duurzame manier van verwarmen. In de warmteprogramma's beschrijven gemeenten per wijk verschillende zaken: • • • •

Hoe gebouwen geïsoleerd gaan worden; Hoeveel warmte er in de toekomst nodig is; Welke warmtebronnen beschikbaar zijn, waar ze liggen en hoeveel warmte ze kunnen leveren; Hoeveel elektriciteit er nodig is.

De programma's moeten voor elke wijk duidelijk maken hoe de overgang naar duurzame warmte gaat verlopen en welke warmteoptie daarbij in beeld is: • • •

Aansluiten op een gezamenlijk warmtenet; Overstappen op volledig elektrische verwarming; Het gebouw eerst geschikt maken voor een aardgasvrije toekomst, mogelijk met een hybride warmtepomp.

Gemeenten moeten bij het maken van deze plannen nauw samenwerken met verschillende partijen. Ze moeten gebouweigenaren, inwoners en bedrijven actief betrekken bij de plannen. Ook moeten ze overleggen met Enexis Netbeheer: wat betekenen de warmtekeuzes voor het elektriciteitsnet en hoe gaan we om met het oude gasnet? Daarnaast zoeken gemeenten naar slimme combinaties. Bijvoorbeeld door een warmtenet aan te leggen op het moment dat oude rioleringen of waterleidingen toch al vervangen moeten worden.

42

Figuur 7: Tijdslijn warmteprogrammering

De nieuwe Wet Collectieve Warmte (Wcw) In 2026 komt er waarschijnlijk een nieuwe wet: de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Deze wet moet de huidige Warmtewet vervangen. De Wcw moet nog worden voorgelegd en goedgekeurd door het parlement. Het hoofddoel is om gezamenlijke warmtenetten duurzamer te maken en uit te breiden als alternatief voor aardgas. De wet moet zorgen dat warmtenetten betaalbaar, betrouwbaar en duurzaam zijn. De wet maakt het ook mogelijk dat bewoners zelf een warmtegemeenschap oprichten om een rol te spelen in hun warmtevoorziening. Ook is in de Wcw overgangsrecht opgenomen, wat het voor private warmtebedrijven mogelijk maakt om bestaande warmtenetten (in ieder geval voor de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de Wcw) te blijven exploiteren. Een warmtenet kan duur zijn voor gebruikers. Bij het elektriciteitsnet worden de kosten verdeeld over het hele land. Bij een warmtenet moeten de gebruikers van dat specifieke net alle kosten betalen. De nieuwe wet moet consumenten beschermen tegen te hoge tarieven. Op dit moment wordt er onderzocht of er een maximumtarief moet komen, en of de kosten beter verdeeld kunnen worden. Met de nieuwe wet krijgen gemeenten meer zeggenschap over de warmtevoorziening in hun gebied. Ze kunnen warmtekavels aanwijzen: gebieden waar één warmtebedrijf het alleenrecht krijgt om warmte te leveren.

Voor grote warmtenetten, met meer dan 1.500 aansluitingen, geldt dat ze voor meer dan de helft in publieke handen moeten zijn. De provincie Noord-Brabant verkent samen met staatsbedrijf Energie Beheer Nederland (EBN) en Enexis Netbeheer of de oprichting van een provinciaal warmtebedrijf financieel en juridisch haalbaar is. Dit warmtebedrijf moet warmtenetten ontwikkelen en beheren voor verschillende gemeenten. De RES West-Brabant staat positief tegenover dit plan en wil, samen met de gemeenten in de regio, graag meedenken. Ondersteuning gemeenten bij de regierol in de warmtetransitie De West-Brabantse gemeenten staan de komende jaren voor een grote uitdaging bij het leiden van de overstap naar duurzame warmte. Dit komt onder andere door nieuwe wetten en regels. Door samen te werken en van elkaar te leren, kunnen we deze overgang in goede banen leiden. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) stelt geld beschikbaar om regionaal samen te werken. Dit geld is bedoeld voor het delen van kennis, het opbouwen van expertise, het versterken van uitvoeringskracht en het afstemmen van plannen in de regio. Als voorbereiding op het RPE-WBEB hebben we onderzocht welke kennis en ondersteuning gemeenten nodig hebben. Hieruit zijn viervijf hoofdpunten naar voren gekomen: •

Het maken van warmteprogramma's; 43

• • • •

5.2.3

Het ontwikkelen van kleinschalige lokale warmtenetten; Meer kennis over de regierol van de gemeente en de bijbehorende kaders; Het verbeteren van hulp aan bewoners bij het verduurzamen van hun woning en het organiseren van regionale samenwerking hiervoor. De samenwerking tussen gemeenten, en energiecoöperaties en/of warmtegemeenschappen bij ontwikkelinitiatieven voor collectieve warmtevoorzieningen voor duurzame warmte Isoleren en energie besparen

Als we huizen zonder aardgas willen verwarmen, moeten we ze meestal eerst isoleren. Een goed geïsoleerd huis heeft minder warmte nodig en is makkelijker op temperatuur te houden met nieuwe verwarmingstechnieken. Ook wordt het huis comfortabeler. Wel is het belangrijk om bij het isoleren te zorgen voor goede ventilatie. Er zijn nog meer manieren om energie te besparen bij het verwarmen en koelen van gebouwen. Denk aan zonwering, natuurlijke schaduw, groene daken en muren, en natuurlijke isolatiematerialen. In Nederland loopt het Nationaal Isolatieprogramma (NIP). Het doel is om voor 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren. Gemeenten helpen hierbij eigenaren van koopwoningen, en er zijn landelijke afspraken met woningcorporaties over huurwoningen. Sinds 2021 is er een nieuwe standaard die aangeeft wanneer een huis goed genoeg geïsoleerd is om te verwarmen zonder aardgas. Als gemeenten deze standaard gebruiken in hun warmteplannen voor naoorlogse wijken, heeft dit invloed op hoe ze de wijk gaan verwarmen. Voor bedrijven gelden verschillende regels voor energiebesparing. Ze moeten bijvoorbeeld verplicht energie besparen en hierover informatie delen. Voor de warmtevraagontwikkeling van bedrijventerreinen of glastuinbouw is het van belang dat in kaart wordt gebracht op welke wijze ondernemingen invulling gaan geven aan energiebesparingsdoelstellingen.

Kantoren moeten minimaal energielabel C hebben. Ook zijn er Europese regels, en vanaf 2027 komt er waarschijnlijk een nieuw handelssysteem met certificaten voor CO2-uitstoot in gebouwen. Een gemeente kan energiebesparende maatregelen stimuleren door bijvoorbeeld eigenaren financiële ondersteuning te geven of afspraken te maken met woningcorporaties. Binnen een wijkaanpak kunnen gemeentelijke initiatieven bundelen en tot een collectieve inkoop van maatregelen komen. Veel gemeenten hebben energieteams opgezet om bewoners adviezen te geven over verduurzamingsmaatregelen of huishoudens te helpen die met energiearmoede te maken hebben. Europa heeft de richtlijn voor het verduurzamen van gebouwen vernieuwd. Deze richtlijn schrijft voor dat er één centrale plek moet komen waar huiseigenaren alle hulp kunnen vinden voor het verduurzamen van hun woning. Dit wordt een 'one-stop shop' genoemd, wat betekent dat mensen niet meer langs verschillende loketten hoeven voor hulp. Gemeenten willen deze 'one-stop shop' gebruiken om hun inwoners beter te kunnen helpen. Deze aanpak moet ook helpen bij de uitdaging dat er te weinig vakmensen zijn die het werk kunnen uitvoeren. Gemeenten moeten slim samenwerken met bedrijven om toch zoveel mogelijk woningen te kunnen verduurzamen.

44

5.2.4

Warmtestrategieën

De RES-regio West-Brabant heeft een ambitieus doel: in 2050 willen we 5,5 TWh aan warmte besparen of duurzaam opwekken. Om dit te bereiken moeten we niet alleen energie besparen, maar ook nieuwe duurzame warmtebronnen vinden. Omdat onze regio zo divers is, met verschillende gebieden en gebruikers, hebben we verschillende soorten warmtebronnen en technieken nodig. Bij het kiezen van warmtebronnen moeten we letten op: • • • • • •

Waar de bron ligt; Wanneer de warmte beschikbaar is; Hoeveel warmte de bron kan leveren; Hoe de leidingen in het landschap passen; Hoe warm de warmte is (hoog, midden of laag); Hoe de bron past bij het elektriciteitsnet.

In 2024 hebben we een regionale warmtebronnenstrategie gemaakt. Hierin staat hoeveel warmte we nu en in de toekomst verwachten nodig te hebben in wijken, bedrijventerreinen en voor de glastuinbouw, en hoeveel warmte er beschikbaar is in West-Brabant. We zien dat sommige gemeenten meer warmte beschikbaar hebben dan ze nodig hebben, terwijl andere gemeenten juist te weinig hebben. Als we warmtebronnen delen tussen gemeenten, moeten we goed nadenken over een eerlijke verdeling. We kijken dan waar een warmtebron het meest oplevert tegen de laagste kosten voor Nederland. In deze regionale warmtebronnenstrategie is ook onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor toepassing van bovenlokale warmte voor de verduurzaming van de warmtevoorziening in wijken: -

Powerport: In het gebied rond Moerdijk liggen er kansen voor warmte uit de diepe aarde (geothermie) en restwarmte van de industrie. De daadwerkelijke beschikbaarheid van deze warmtebronnen dient nader te worden onderzocht.

-

Stedelijk gebied: De provincie Noord-Brabant, Ennatuurlijk en RWE onderzoeken in samenspraak met de Amernet gemeenten in onze regio en de regio Hart van Brabant wat de toekomstige warmtebronnen kunnen zijn voor het bestaande Amernet.

-

West-Brabant-West: Bergen op Zoom heeft goede mogelijkheden voor het gebruik van restwarmte, met name het industriële binnenhavengebied met op korte afstand een woonwijk. Omdat er in deze stad veel huizen dicht bij elkaar staan met ook gestapelde bouw is het kansrijk om hier warmtenetten aan te leggen. In en rond Roosendaal zijn er belangrijke ontwikkelingen op het gebied van warmte. Het bedrijf PreZero produceert restwarmte die nuttig gebruikt kan worden. Er zijn concrete plannen om een warmteleiding aan te leggen van Steenbergen via PreZero naar Dinteloord. Deze warmte zal worden gebruikt voor de glastuinbouw in Steenbergen en Dinteloord. In Roosendaal zelf ligt al een warmtenet dat de restwarmte van PreZero gebruikt. Nu wordt onderzocht of het mogelijk is om dit warmtenet uit te breiden naar een woonwijk die ernaast ligt. Restwarmte kan in potentie ook gebruikt worden voor woonwijken in Dinteloord. 45

De potentie van restwarmte uit de Antwerpse haven als warmtebron is in de energiesysteemverkenning nog niet meegenomen. De mogelijkheden voor het gebruik van restwarmte vanuit Antwerpen zal nog worden onderzocht. -

Overige gebieden: Ook op andere plekken in onze regio zijn er mogelijkheden voor lokale warmtenetten. Deze netten kunnen soms ook gebruikt worden om gebouwen te koelen.

De regionale bronnenstrategie geeft een eerste beeld van de mogelijkheden. Op basis hiervan hebben we in het RPE-WBEB bepaald welke stappen we nu moeten zetten. Deze stappen moeten we afstemmen met de warmteplannen die gemeenten maken. Samenvattend zijn dit de belangrijke vervolgstappen: 1

2

3 4

De provincie Noord-Brabant, Ennatuurlijk en RWE onderzoeken in samenspraak met de Amernet gemeenten in onze regio en de regio Hart van Brabant wat de mogelijke toekomstige warmtebronnen zijn voor het bestaande Amernet. We onderzoeken of we grote warmtenetten kunnen aanleggen tussen Bergen op Zoom, Roosendaal, Steenbergen en Woensdrecht. Daarbij kijken we ook of we restwarmte uit de haven van Antwerpen kunnen gebruiken. We onderzoeken of een regionaal warmtenet mogelijk is tussen Moerdijk, Halderberge, Rucphen, Etten-Leur en Breda. We willen meer inzicht krijgen in: • Hoe we lokaal warmte lokaal kunnen delen via kleinschalige warmtenetten in gebieden die niet op een bovenlokaal warmtenet kunnen aansluiten; • Wat het elektriciteitsnet aankan voor de gemeentelijke warmteplannen; • Wat de kosten zijn voor gebruikers van warmtenetten en welke subsidies er zijn; • Of de kosten voor warmte voor (regionale) warmtenetten breder kunnen worden verdeeld op regionaal niveau.

Bij het onderzoeken van deze warmtenetten moeten we goed kijken naar grote warmtebronnen zoals restwarmte van industrie, aardwarmte en warmte uit water. We berekenen ook of het financieel haalbaar is, van de warmtebron tot aan de aansluiting in de huizen. Dit doen we tegelijk met de gemeentelijke warmteplannen die in 2025 worden gemaakt. Daarin onderzoeken gemeenten ook welke lokale warmtebronnen kansrijk zijn, zoals: -

(Zeer) lage temperatuur warmte uit de bodem Zonnewarmte Lokale restwarmte van bijvoorbeeld bedrijven

Al deze onderzoeken geven ons een beter beeld van wat er mogelijk is in onze regio en onder welke voorwaarden.

46

Nader onderzoek potentie geothermie Geothermie ook wel aardwarmte genoemd wordt gewonnen uit warmte dat zich vanaf 500 meter diepte in aardlagen bevindt. De temperatuur loopt op met de diepte: hoe dieper hoe warmer vanaf ca. 30 tot boven 100 graden Celsius. Onderzoeken naar geothermie voor de glastuinbouw in Plukmade en voor Oosterhout laten zien dat er potentie is. Gezien het achterblijven van de ontwikkeling van geothermieprojecten in de provincie is er vanuit de provincie Noord-Brabant, gemeenten en bedrijven behoefte om tot versnelling te komen. Landelijk wil ook Energie Beheer Nederland (EBN) de ontwikkeling van geothermie versnellen. De provincie en EBN hebben besloten om gezamenlijk op te trekken om met een actieplan tot de gewenste versnelling te komen voor geothermie in Noord-Brabant. Hierbij zijn ook de vier Brabantse RES-regio’s, de grootste gemeenten binnen de provincie en diverse private partijen aangesloten. Het actieplan kent als speerpunten: structurele kennisuitwisseling, provincie brede kansenkaart met het aardwarmtepotentieel, gekoppeld aan de bovengrondse warmtevraag en verminderen van financiële risico’s. Ook loopt er een landelijk programma SCAN dat wordt uitgevoerd door EBN in samenwerking met TNO. SCAN onderzoekt waar de Nederlandse ondergrond geschikt kan zijn voor de winning van aardwarmte.

In Heijningen is met een SCAN-boring een 45 miljoen jaar oude zandsteenlaag onderzocht. Deze laag heet het Zand van Brussel Laagpakket en ligt zo’n 630 meter diep. De nu beschikbare resultaten wijzen erop dat de laag in potentie geschikt is voor de winning van ondiepe, lage temperatuur (ca. 30 graden Celsius) aardwarmte. Verder onderzoek moet in 2025 uitwijzen wat de economische haalbaarheid is van geothermie en op welke locaties om geothermie indien kansrijk mee te kunnen nemen in als warmteoptie in de gemeentelijke warmteprogramma’s die in 2026 worden vastgesteld.

5.2.5

Afwegingskader voor warmtestrategieën

Gemeenten moeten voor elke wijk kiezen hoe ze de huizen gaan verwarmen. Er zijn verschillende mogelijkheden: een warmtenet voor de wijk zelf, de wijk aansluiten op een groter warmtenet dat meerdere wijken of gemeenten verbindt (bovenlokaal warmtenet), of elke woning apart elektrisch verwarmen (all electric). Bij deze keuze is het belangrijk om te weten hoeveel warmte een wijk of een bedrijventerrein in de toekomst nodig heeft. Dit hangt af van hoe goed de huizen geïsoleerd worden en de wijze waarop bedrijven invulling geven aan verduurzaming. Voor wijken die na de oorlog zijn gebouwd, moeten gemeenten beslissen of ze de nieuwe isolatiestandaard willen volgen, en vanaf wanneer. Deze keuze bepaalt welke temperatuur het warmtenet moet kunnen leveren, of dat elektrisch verwarmen een goede optie is. Ook voor bedrijventerreinen en glastuinbouw moet de warmtevraagontwikkeling op basis van de energiebesparingsambities in kaart worden gebracht. De gemeenten moeten ook rekening houden met zaken zoals: welke verwarmingsoplossing belast het elektriciteitsnet het minst? Of: is er genoeg ruimte om de gekozen oplossing aan te leggen? Mocht er sprake zijn van een verdelingsvraagstuk van bovenlokale warmte, dan is het belangrijk dat we in RES West-Brabant-verband besluiten hoe we de beschikbare warmte eerlijk verdelen.

Hierbij kan de situatie zich voordoen dat een lokale warmteoplossing moet worden afgewogen tegen een bovenlokale warmteoplossing. Om goede keuzes te maken en deze ook duidelijk uit te kunnen leggen, gaan we een afwegingskader maken. In dit kader staan de publieke belangen en leidende 47

principes uit 3.4 centraal. Het maken van dit afwegingskader is onderdeel van de bestuurlijke keuzes die we willen maken voor warmte. Meer hierover in 5.2.6.

Figuur 8: Proces warmteprogrammering

5.2.6

Bestuurlijke keuze

48

5.3

Groen gas

5.3.1 Bijdrage aan opgave Groen gas wordt verkregen uit de vergisting of vergassing van afval- en reststromen uit de landbouw (bijvoorbeeld mest), de voedingsindustrie en waterzuivering. Een groot voordeel is dat we dit groene gas kunnen gebruiken in het bestaande aardgasnet. We kunnen het ook gebruiken als brandstof voor vervoer. Groen gas voor de gebouwde omgeving wordt verhandeld met certificaten. Gebruik van biogas voor energieopwekking Dit hoofdstuk gaat over groen gas dat ontstaat door het opwaarderen van biogas. Biogas wordt vaak ook direct gebruikt voor opwekking van energie. Goed voorbeeld is het Waterschap Brabantse Delta. In 2023 is totaal 7.293.910 Nm3 biogas geproduceerd. Hiervan is het overgrote deel, namelijk 6.644.698 Nm3 nuttig ingezet in de WKK’s. In 2023 is 16.059 GJ aan warmte geleverd aan de gemeente Breda. Het Waterschap Brabantse Delta wil graag bijdragen aan een klimaatneutrale regio en wil verder inzetten op reductie van energie en broeikasgassen en toename van duurzame energieopwekking en opslagsystemen binnen het waterschap en de regio. Interessant hierbij is de vraag in hoeverre RWZI/AWZI locaties kunnen worden doorontwikkeld tot energiehubs.

Met de zogeheten 'bijmengverplichting' op komst zullen energieleveranciers groen gas moeten toevoegen aan het aardgas in het gasnet vanaf 2026. Naar verwachting volgt hierover een definitief besluit in het eerste halfjaar van 2025. Dit moet steeds meer worden, tot 1,1 miljard kubieke meter groen gas in 2030. Een groot deel van dit groene gas moet komen uit mest. Nu wordt maar vijf procent van alle beschikbare mest gebruikt om groen gas te maken. Dit moet groeien naar vijfenveertig procent om de doelen voor 2030 te halen. Groengas installatie Van Eijck in Alphen Het bedrijf Van Eijck in Alphen vergist in de installatie jaarlijks ca. 40.000 ton mest en produceert daarmee jaarlijks ca. 2 miljoen Nm3 groen gas dat naar het aardgasnet gaat.

49

Er is maar weinig groen gas beschikbaar. In de toekomst, richting 2050, wordt dit waarschijnlijk nog minder. Dit heeft verschillende redenen: we gaan materialen meer hergebruiken, er komen minder veehouderijen, en we willen biomassa voor andere belangrijke toepassingen gebruiken. Met groen gas kunnen we maar een klein deel van onze energiebehoefte in de regio invullen. We verwachten dat in 2050 maar 3 tot 4 procent van alle energie die we gebruiken uit groen gas zal bestaan.

Kaart 3: Theoretische potentie groen gas

De afbeelding hierboven laat zien hoeveel groen gas we in theorie zouden kunnen maken in WestBrabant. Maar om te weten hoeveel we echt kunnen maken, moeten we eerst meer onderzoek doen. Hiervoor moeten we gegevens verzamelen en controleren bij boeren in de regio. Ook bekijken we of afspraken kunnen maken met onder meer voedingsbedrijven, afvalverwerkers en waterschappen over hoeveel groen gas we willen produceren. Gemeenten kunnen in hun warmteplannen niet groen gas meenemen voor hele wijken of buurten. Hier zijn verschillende redenen voor. Er is weinig groen gas beschikbaar en de handel ervan gebeurt op Europees niveau. Er zijn geen regels die consumenten beschermen tegen hoge prijzen. Ook weten we niet zeker hoeveel groen gas er in de toekomst beschikbaar is en wat het gaat kosten. Bovendien is er concurrentie om het beschikbare groene gas. Energiebedrijven moeten het bijmengen in het gewone gasnet voor huizen en gebouwen, maar in de vervoerssector is ook behoefte aan groen gas. Gemeenten hebben ook weinig mogelijkheden om groen gas te regelen voor hun inwoners. Ze kunnen inwoners niet verplichten om groen gas te gebruiken, en ze kunnen energiebedrijven niet dwingen om groen gas te leveren. Omdat er maar weinig groen gas is, moeten we het gebruiken waar het de meeste waarde heeft voor de samenleving.

Bij het verwarmen van gebouwen kan groen gas als sluitstuk een (tijdelijke) 50

oplossing bieden bij de overstap naar duurzame energie in combinatie met goede isolatie en een hybride warmtepomp. Deze aanpak is vooral belangrijk voor gebouwen die moeilijk helemaal zonder aardgas kunnen. Denk aan oude gebouwen in historische stadscentra of verspreid liggende gebouwen in het buitengebied.

Groen gas in West-Brabant -

-

-

In Nederland is Cosun Beet Company met een fabriek in Dinteloord één van de grootste producenten van groen gas. De installaties in Dinteloord en Vierverlaten (Groningen) verwerken elk jaarlijks ruim 100.000 ton plantaardig restmateriaal. Wanneer alle installaties op volle capaciteit draaien, produceert Cosun Beet Company per jaar ruim 25 miljoen kuub groen gas. Van Eijck in Alphen heeft een vergunning om ~45.000 ton mest te vergisten op jaarbasis. In Achtmaal is ook een monomestvergister operationeel, bij melkveebedrijf d’Hel Attero, BMC in Moerdijk en Rodenburg in Oosterhout ontwikkelen plannen voor de productie van groen gas op de eigen bedrijfsterreinen. In de gemeenten Altena en Etten-Leur loopt een verkenning naar groengashubs op basis van monomestvergisting uitgevoerd door ZLTO. Deze verkenning maakt onderdeel uit van het CIRCUS programma. CIRCUS staat voor “Connecting Initiatives for Rural Communities, Upscaling their Sustainable energy”. Hoofddoel van het CIRCUS programma is het versnellen van de energietransitie door 30 energiegemeenschappen in de EU te stimuleren en te ondersteunen en waarmee ook het landelijk gebied wordt versterkt. Waterschap Rivierenland produceert in Sleeuwijk jaarlijk 1,5 miljoen m3 groen gas wat direct op het gasnet wordt ingevoed.

5.3.2 Opschaling van groen gasproductie uit mestvergisting Voor het maken van groen gas zijn vooral twee bronnen belangrijk: restproducten van boerderijen en overgebleven materiaal uit de voedingsindustrie. De grootste uitdaging is om meer mest te gaan vergisten voor groen gas. Daarbij gaat het om meer dan alleen groen gas maken: de hele landbouw moet duurzamer worden. Een belangrijke techniek hierbij is het vergisten van alleen mest, wat we monomestvergisting noemen. Als we dit combineren met nieuwe stallen waar we mest dagelijks afvoeren en verwerken, en installaties gebruiken om stikstof en CO2 af te scheiden, bereiken we vier belangrijke voordelen: -

Belangrijke reductie in uitstoot van stikstof en methaan; Minder gebruik van kunstmest gemaakt van fossiele brandstoffen door gebruik van kunstmestvervanger dat kan worden gemaakt bij het afscheiden van stikstof; Betere mogelijkheden om mest te bewerken voor gerichte bemesting; Afvang van CO2 bij groen gasproductie dat gebruikt kan worden door de glastuinbouw.

We hechten waarde aan het welzijn van mensen en dieren, de kwaliteit van lucht, bodem en water. De aanpak om te komen tot verbeteringen van stallen en het verminderen van stikstof verloopt via andere lijnen dan dit plan. Daarbij wordt ook toegewerkt naar een kringlooplandbouw met oog voor dierenwelzijn en dierwaardigheid. Het is van belang dat boerenbedrijven toekomstgericht te werk gaan. Het maken van meer groen gas uit mest kan daar een bijdrage aan leveren. 51

5.3.3 Participatie Het is het beste als meerdere boerenbedrijven samen mest vergisten om groen gas te maken. Dit hoeft niet binnen één gemeente te blijven. Deze samenwerking heeft twee grote voordelen: het is goedkoper omdat ze de kosten kunnen delen, en ook kleinere boerenbedrijven kunnen zo meedoen. De boeren die samenwerken kunnen een coöperatie oprichten. De installatie die de mest vergist is dan gezamenlijk eigendom van alle deelnemende boeren. Als boeren samen een coöperatie vormen, is dat een vorm van participatie. Participeren kan ook door het uitgeven van aandelen of obligaties. Ook mensen uit de buurt kunnen zo meedoen aan projecten voor groen gas. Als mensen uit de omgeving mede-eigenaar kunnen worden van een groen gasproject, zorgt dit vaak voor meer steun vanuit de gemeenschap. Gemeenten en de provincie kunnen hier regels voor maken. Ze kunnen bijvoorbeeld in hun beleid opnemen dat initiatiefnemers hun best moeten doen om mensen uit de buurt te laten meedoen.

5.3.4 Ruimtelijke inpassing Een installatie voor het maken van groen gas bestaat uit diverse onderdelen: tanks voor het vergisten, apparatuur om groen gasproductie en opslagruimte voor grondstoffen. Omdat zo'n installatie invloed heeft op de omgeving, moeten we goed nadenken over waar we deze plaatsen. Als zoekgebieden voor locaties om groen gas te produceren kijken we naar havens, bedrijventerreinen, plekken waar rioolwater wordt gezuiverd en landbouwgebieden. Of een locatie geschikt is, hangt af van veel verschillende zaken. We moeten rekening houden met de afstand tot woningen en beschermde natuurgebieden. Ook is het belangrijk dat er een aansluiting op het elektriciteitsnet mogelijk is en dat het volgens de regels mag. Er moet natuurlijk genoeg ruimte zijn en mensen uit de buurt moeten het accepteren. Daarnaast moet het mogelijk zijn om het groene gas toe te voegen aan het bestaande gasnet. Ten slotte moet er ook gekeken worden naar hoeveel verkeer er van en naar de installatie zal rijden.

5.3.5 Rol gemeenten Gemeenten kunnen helpen om meer groen gas te maken uit mest. Ze kunnen boeren stimuleren om samen te werken in een coöperatie en mensen uit de buurt laten meedoen. Ook kunnen ze helpen bij het vinden van een geschikte plek voor een mestvergister en het regelen van vergunningen. Daarnaast is het belangrijk dat gemeenten helpen om steun te krijgen van inwoners. Ook kunnen ze zorgen voor deskundigen die verstand hebben van wetten en regels, geld en techniek. Soms werken boeren uit verschillende gemeenten samen aan één mestvergister. Dan moeten ook de gemeenten met elkaar samenwerken om het project te laten slagen.

52

5.3.6

Bestuurlijke keuze

Figuur 9: Toepassingsmogelijkheden voor biogas, waaronder groen gasproductie

53

5.4

Waterstof

5.4.1 Bijdrage aan opgave Waterstof is een energiedrager die vooral nuttig is voor zware industrie, glastuinbouwen zware mobiliteit (vrachtauto’s en schepen die lange afstanden afleggen). Er is nog veel onduidelijk over hoeveel waterstof er beschikbaar zal zijn, in welke vorm het beschikbaar komt en hoe we het kunnen transporteren. Ook is de overstap van 'grijze' waterstof (gemaakt met fossiele brandstoffen) naar 'groene' waterstof (gemaakt met duurzame energie) nog maar net begonnen. We kunnen wel waterstof maken door extra elektriciteit om te zetten met elektrolysers, maar dit gebeurt nog niet veel. Daarnaast ontstaat er ook waterstof bij chemische processen. Daarom kijken we nu alleen naar wat mogelijk is in 2035 en 2050. In een later stadium verwachten we steeds beter te kunnen aangeven welke rol waterstof kan spelen in ons regionale energiesysteem. Flexibiliteit Waterstof kan worden gebruikt om het aanbod en de vraag van duurzame elektriciteit in balans te brengen. Waterstof wordt gemaakt op momenten dat er te veel elektriciteit is. Om waterstof te kunnen gebruiken, moeten we eerst een kleine infrastructuur voor waterstof opbouwen, omdat er nog geen grote waterstoftransportleidingen zijn. Er moeten ook genoeg bedrijven in de buurt zijn die de waterstof kunnen gebruiken.

Op de lange termijn is het misschien mogelijk om waterstof te transporteren door het bestaande gasnetwerk (omdat we steeds minder aardgas gebruiken). Daardoor kan waterstof op meer plekken beschikbaar komen. Andersom kan de waterstof ook worden opgeslagen om op momenten met minder aanbod van elektriciteit toch elektriciteit te kunnen produceren. Waterstof kan dus helpen om de balans tussen aanbod en vraag van duurzame elektriciteit te regelen, maar daarvoor moeten we eerst nog wel de juiste infrastructuur opbouwen.

5.4.2 Bijdragen in 2035 en 2050 De bijdrage van waterstof aan het energiesysteem kan voor 2035 en 2050 als volgt worden geschetst. Situatie in 2035: - Waterstof wordt via schepen of vrachtauto’s gedistribueerd naar lokale waterstofhubs, totdat de waterstof transportleiding gereed is. Aanvoer door import of uit lokale elektrolysers. - Waterstof komt in de regio beschikbaar via het Waterstofnetwerk Nederland, waarvan het zuidwestelijke deel tussen Moerdijk en Antwerpen ligt en de verbinding naar het oosten via de Delta Rhine Corridor vanaf Moerdijk richting Venlo leidt. - Bij de aanlanding van Wind op Zee in Geertruidenberg en/of Moerdijk worden één of meerdere elektrolysers gevoed die waterstof produceren.16

16

Belangrijk bijproduct is warmte, die nuttig ingezet kan worden in de gebouwde omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/615/documents/72613