CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

7. def rapport MKBA warmtetransitie West-Brabant en Hart van Brabant 2020-71 SEO.pdf

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 8: Regionale Energiestrategie 1.0 RES29.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bij de kolommen regionaal, lokaal en gas en elektriciteit gaat het om het aandeel van de kosten voor de warmtebronnen die gebruikmaken van respectievelijk het regionaal warmtenet, lokale warmtenetten en de energienetten voor gas en elektriciteit. Bij de kolommen distributie en transport gaat het om de kosten van de aanleg en onderhoud van respectievelijk distributienetten warmte en het regionale warmtenet.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

48

HOOFDSTUK 5

verzwaring van de aansluiting en aansluitkabel kennen hogere kosten dan de variant op basis van zonthermie en groengas (3A). Is het potentieel aan groengas voldoende? Bij de variant op basis van groengas (3A) komt de vraag naar voren of de regio voldoende groengas kan produceren om deze variant in de praktijk te realiseren. Figuur 5.3 geeft de ontwikkeling in de vraag naar groengas weer in projectalternatief 3A. De totale vraag naar groengas ligt rond 2044 op 1,8 TWh en daalt daarna door de invloed van energiebesparing. Figuur 5.4 vergelijkt de warmtemix van projectalternatief 3A met het nulalternatief voor het eindjaar 2050. Het totaal verbruik aan warmte in het nulalternatief bedraagt 6,3 TWh. Het verbruik in 3A is 3,4 TWh lager door de investeringen in energiebesparing. Het aandeel groengas in het verbruik in 3A bedraagt 1,7 TWh. Bijna de helft van de warmtelevering in 3A verloopt via andere warmtebronnen zoals all-electric (0,3 TWh) en zonthermie (0,3 TWh) alsmede warmte geleverd via het regionale warmtenet (0,3 TWh) en lokale warmtenetten (0,3 TWh). Figuur 5.3

In 2050 is het totale verbruik van groengas 1,7 TWh*

* Projectalternatief 3A; verbruik in TWh Bron: SEO Economisch Onderzoek

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schat het volume groengas dat op lange termijn beschikbaar komt voor de gebouwde omgeving op 2 bcm. 25 Op basis van het aandeel van WestBrabant en Hart van Brabant in het landelijk gasverbruik zou het potentieel groen gas in deze twee regio’s circa 1,3 TWh kunnen bedragen. Dit potentieel is met een lijn aangegeven in Figuur 5.4.

25

Bcm staat voor biljoen kubieke meter.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

49

Het verschil met het verbruik in projectalternatief 3A houdt in dat voor dit projectalternatief substitutie plaatsvindt van groengasverbruik in andere sectoren voor groengasverbruik in de gebouwde omgeving. 26 Figuur 5.4

In 2050 is het verbruik van groengas in projectalternatief 3A 1,7 Twh

7 6 5 4 3 2

potentieel aanbod

1 0

Nulalternatief

Projectalternatief 3A

aardgas

groengas

all-electric

zon-thermie

regionaal warmtenet

lokaal warmtenet

energiebesparing Bron: SEO Economisch Onderzoek

Lokale warmtenetten hebben hogere kosten dan warmtelevering via een regionaal net De twee varianten van projectalternatief 2 – inzet op lokale warmtebronnen via lokale warmtenetten – hebben hogere investeringskosten van de andere alternatieven. Tabel 5.2 laat zien dat het aandeel van de lokale warmtebronnen in de investeringskosten in projectalternatief 2 groter is dan in projectalternatief 1. Dit verschil laat zien dat een regionaal warmtenet ontsluiting van enkele warmtebronnen mogelijk maakt zoals hoge temperatuur geothermie en –restwarmte met een relatief gunstig kostenprofiel. De mix van lokale warmtebronnen in projectalternatief 2 kent per saldo hogere kosten en is dus van betekenis voor de bronnenstrategie. De te realiseren kostenbesparingen in de warmtebronnen wegen volgens deze MKBA ruimschoots op tegen de extra kosten van de aanleg van een regionaal warmtenet in projectalternatief 1. De impact van de kosten van het regionale net blijkt ook tussen de varianten voor alternatief 2. In variant 2A wordt het regionale net voor een deel uitgebreid. Deze variant heeft een beter MKBAsaldo dan variant 2B waarin het regionale net verdwijnt en een groter deel van de warmtelevering verloopt via lokale warmtenetten. Het verschil tussen deze varianten is circa € 0,5 miljard en is volledig te verklaren door de hogere investeringskosten in variant 2B (zie Tabel 5.1).

Lokale warmteoplossingen hebben relatief hoge kosten.

26

Partijen betrokken bij Routekaart Groen Gas stellen dat op lange termijn 10-12 bcm groengas beschikbaar komt in Nederland. Daarvan zou circa 2 bcm beschikbaar zijn voor de gebouwde omgeving, de rest voor de industrie, vrachtverkeer en personenvervoer. PBL veronderstelt in de Herziene startanalyse aardgasvrij wijken dat 2 bcm beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. Zie PBL (2020).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

50

HOOFDSTUK 5

Kleine verschillen tussen varianten regionaal net De verschillen tussen de varianten van projectalternatief 1 (regionaal net) zijn beperkt. Variant 1B kent toepassing van hoge temperatuur geothermie, waar in variant 1A meer biomassa wordt gebruikt. Variant 1A kent per saldo hogere kosten, maar dit verschil wordt veroorzaakt door de kosten van de warmtevoorziening voor woningen die niet kunnen worden aangesloten op een regionaal warmtenet. In variant 1A worden meer woningen uitgerust met een all-electric oplossing, wat relatief duur is. 27 De kosten van de bronnen die warmte leveren aan een regionaal net zijn redelijk in evenwicht. Bij de afweging tussen hoge temperatuur geothermie, restwarmte of biomassa als bron voor het regionale warmtenet hoeven de investeringskosten niet doorslaggevend te zijn. Extra energiebesparing betekent per saldo hogere kosten In variant 1C wordt dezelfde mix van warmtebronnen gebruikt als in variant 1B. Het verschil tussen deze varianten is de investering in extra energiebesparing in 1C. Deze variant heeft daarom fors hogere kosten voor energiebesparing, die worden gecompenseerd door lagere investeringskosten een kleinere warmtevraag maakt de opgave voor verduurzaming kleiner - en lagere energiekosten. Ook de emissiekosten zijn kleiner vanwege het lagere warmtegebruik.

Deze vermeden kosten compenseren echter niet de extra kosten voor energiebesparing. Per saldo zijn de maatschappelijke kosten van variant 1C € 500 miljoen hoger dan van variant 1B. Vermeden emissies vormen een maatschappelijke baat Het doel van de verduurzaming is de besparing op de emissiekosten. Dit vormt de maatschappelijke baat van de projectalternatieven. Alle alternatieven kennen lagere emissiekosten dan in het nulalternatief waarin gas nog lang een belangrijke rol blijft spelen. De maatschappelijke waarde van de vermeden emissies weegt echter niet op tegen de kosten van de investeringen. Het MKBA-saldo vormt in zekere zin de maatschappelijke ‘prijs’ die de samenleving zou moeten betalen om de verduurzaming van de warmtevoorziening mogelijk te maken. Deze prijs is mede afhankelijk van de inschatting die verschillende generaties maken van de risico’s van klimaatverandering en de waarde van een gezond leefklimaat voor mens en dier. De impact van biomassa op de emissiekosten In de huidige discussie over de warmtetransitie wordt de rol van biomassa kritisch bezien, mede in het licht van de subsidies die biomassatoepassingen ontvangen (SER 2020). De projectalternatieven maken op diverse manieren gebruik van biomassa, bijvoorbeeld als brandstof voor de Amercentrale. De CO2-emissies van biomassa zijn conform Europese afspraak gelijk aan nul.

Deze emissies maken dan ook geen deel uit van de emissiekosten zoals opgenomen in Tabel 5.1. In werkelijkheid produceert verbranding of vergisting van biomassa wel CO2. De vraag is daarom of de emissies van biomassa van invloed zijn op de resultaten van deze MKBA. Voor dat doel zijn in Tabel 5.1 de emissies van biomassa apart opgenomen. 28 Hieruit blijkt dat het op nul stellen van de emissies van biomassa alleen een positieve invloed heeft op het resultaat van projectalternatief

27 28

Zie hiervoor Tabel 5.2. Het kostenaandeel “gas en elektriciteit” in 1A is met 30 procent groter dan in 1B (25%). Dit betreft alleen de emissies van de biomassa die wordt verbrand in de Amercentrale en het biogene deel van het afval uit de centrales van Attero en Suez. De andere biomassatoepassingen zoals vergisting als methode voor de productie van groengas zijn niet opgenomen bij de explicitering van de aan biomassa toe te rekenen CO2-emissie.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

51

1A dat inzet op biomassatoepassingen. De extra kosten van deze emissies zijn echter relatief beperkt, omdat biomassa ook een rol speelt in het nulalternatief. Deze bijdrage van biomassa in het nulalternatief verklaart waarom in de overige alternatieven de emissie van biomassa per saldo voor een beter MKBA-saldo zou zorgen. De omvang van dit effect is echter klein. De verklaring hiervoor is dat de emissiekosten in alle projectalternatieven vooral worden gegenereerd door het gasgebruik. In 2050 wordt er geen aardgas meer gebruikt, maar de uitfasering hiervan zorgt ook in de projectalternatieven nog voor veel CO2-emissies in de jaren tussen 2020 en 2050. Aanvullende kosten en baten De MKBA kwantificeert diverse kosten en baten om het saldo en dus de impact op de welvaart te berekenen. Bij de beoordeling van het resultaat moet ook rekening worden gehouden met aanvullende kosten en baten die niet gekwantificeerd kunnen worden, maar die mogelijk wel invloed kunnen hebben op het saldo. Bij de kosten is rekening gehouden met eventuele versterking van laagspanningsnetten, omdat het elektriciteitsgebruik kan toenemen. Dit speelt vooral een rol in projectalternatief 3B dat inzet op all-electric.

De toename van het elektriciteitsgebruik kan dermate fors zijn zodat ook op hogere netvlakken versterkingen nodig zijn, bijvoorbeeld als het gaat om extra verbindingen tussen middenspanning en hoogspanning. De kosten hiervan kunnen aanzienlijk zijn. Enexis heeft een netimpactanalyse uitgevoerd in West-Brabant. Om de groei in zonne- en windenergie te kunnen verwerken is tot 2030 in West-Brabant uitbreiding nodig van 8 hoogspanning-/middenspanningsstations (HS/MS-stations) en de bouw van 3 nieuwe stations. De kosten hiervan bedragen in totaal € 133 tot 153 miljoen. Bij deze berekening is echter geen rekening gehouden met de elektrificatie van de gebouwde omgeving en ook niet met eventuele aanpassingen in het hoogspanningsnet. Er is vooralsnog geen kostenschatting bekend van de aanpassingen in het elektriciteitsnet als gevolg van mogelijke elektrificering van de gebouwde omgeving. Dit is een PM-post die bijdraagt aan de kosten van zowel nulalternatief als projectalternatieven. De invloed zal het sterkst zijn in projectalternatief 3B (all-electric) en kan in beide regio’s mogelijk enkele honderden miljoenen euro’s aan investeringen vragen voor de periode 2020-2050. 29 Het gebruik van aardgas kent een sterk seizoenspatroon wat mogelijk wordt gemaakt door gebruik van buffers (gasopslag) en aanpassing van de productie.

Bij andere warmtebronnen kan aanpassing aan een seizoenspatroon mogelijk extra kosten voor opslag en op- en afregeling met zich meebrengen, die niet zijn meegenomen in deze MKBA. Wanneer de warmtevoorziening sterker afhankelijk wordt van elektriciteit, kan op- en afregelen van centrales bijvoorbeeld een grotere rol gaan spelen. Dit brengt extra kosten met zich mee omdat piekvermogen hogere kosten kent dan basislast. De mate waarin opslag kan voorzien in het opvangen van pieken en dalen in het warmteverbruik is momenteel nog onzeker. De eventuele kosten hiervan zijn dan ook een PM-post, die vooral betrekking zullen hebben op de projectalternatieven met een relatief hoog elektriciteitsverbruik (met name projectalternatief 3B).

29

Om de potentiële impact van de investeringen in hogere netvlakken te demonstreren, kunnen we de volgende berekening maken. Stel dat de versterking van het elektriciteitsnet op midden- en hoogspanning in West-Brabant en Hart van Brabant € 300 miljoen gaat kosten. Veronderstel verder dat de investeringen in 2025-2035 worden uitgevoerd. De contante waarde van deze investeringen bedraagt dan € 200 miljoen bij een discontovoet van 4,5 procent. Het MKBA-saldo van alternatief 3B zou door deze extra kosten veranderen van € 3,5 miljard negatief naar € 3,7 miljard negatief.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

52

HOOFDSTUK 5

Bij aansluiting op een warmtenet verliest de consument de mogelijkheid om van energieleverancier te veranderen. Waar bij aardgas geswitcht kan worden tussen leveranciers kan dat bij het warmtebedrijf niet en dat zal in de nabije toekomst niet veranderen, aangezien de concept-Warmtewet 2.0 gemeenten opdraagt concessies te verlenen aan een geïntegreerd warmtebedrijf. Het verlies van keuzevrijheid kan voor consumenten een verlies van welvaart inhouden. Afhankelijk van toekomstige tariefregulering kan er ook een prijseffect optreden als warmtebedrijven onvoldoende concurrentiedruk ervaren met prijsverhogingen tot gevolg. Onder de huidige Warmtewet treedt dit effect niet op doordat het warmtetarief gebonden is aan een maximum. Het verlies van keuzevrijheid kan in de MKBA dus een mogelijk negatieve PM-post betekenen (extra kosten) voor projectalternatieven 1 en 2. Een mogelijk extra baat kan optreden bij diversificatie van de warmtebronnen. Thans is de warmtevoorziening sterk afhankelijk van aardgas. In de warmtetransitie is de warmtelevering niet langer afhankelijk van één bron, maar worden meerdere warmtebronnen gebruikt, zoals blijkt uit de warmtemixen voor de projectalternatieven. Bij afhankelijkheid van één energiebron loopt de economie een risico.

Bij een plotselinge onderbreking van de energielevering is er geen alternatief voorhanden wat tot uitval kan leiden van productie en consumptie op grote schaal. Dergelijke kosten worden verminderd bij diversificatie van de bronnen. De warmtetransitie levert een bijdrage aan deze diversificatie en kan dus een maatschappelijke baat opleveren. Op buurt- of wijkniveau kan wel weer een nieuwe afhankelijkheid optreden wanneer het lokale net wordt gevoed door één warmtebron. Doordat lokale omstandigheden de mate van diversificatie bepalen, is een generieke schatting van de omvang van deze maatschappelijke baat niet mogelijk. Er is in alle projectalternatieven sprake van een PM-post met een mogelijk positief effect op het MKBA-saldo. De verschillen tussen West-Brabant en Hart van Brabant Tabel 5.3 en Tabel 5.4 laten het saldo zien van de maatschappelijke kosten en baten voor de twee RES-regio’s West-Brabant en Hart van Brabant. In grote lijnen komen de resultaten per regio overeen met het gecombineerde beeld. Zo is in beide regio’s projectalternatief 3A (groengas) de variant met het relatief beste saldo van kosten en baten. In beide regio’s zijn de lokale oplossingen in projectalternatief 2 relatief duur, net als de variant op basis van all-electric (3B).

Ook is te zien dat extra energiebesparing in 1C in beide regio’s per saldo voor hogere kosten zorgt, wanneer we deze variant vergelijken met 1B. Tabel 5.3

MKBA-saldo per projectalternatief in West-Brabant (in € mln.).

Resultaat MKBA WB

Nulalt.

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

Investeringskosten

€ 3.413

€ 4.040

€ 4.040

€ 3.860

€ 4.367

€ 4.695

€ 2.523

€ 3.435

Energiekosten

€ 2.473

€ 1.537

€ 1.534

€ 1.504

€ 1.548

€ 1.513

€ 1.376

€ 1.484

Emissiekosten

€ 1.070

€ 481

€ 481

€ 473

€ 477

€ 450

€ 482

€ 508

Energiebesparing

€0

€ 3.099

€ 3.099

€ 3.608

€ 3.099

€ 3.099

€ 3.608

€ 3.608

Arbeidsmarkt

€0

-€ 58

-€ 59

-€ 64

-€ 65

-€ 70

-€ 43

-€ 55

€ 6.955

€ 9.098

€ 9.094

€ 9.381

€ 9.425

€ 9.686

€ 7.946

€ 8.979

€0

-€ 2.143

-€ 2.139

-€ 2.426

-€ 2.470

-€ 2.731

-€ 991

-€ 2.024

Totaal Verschil met nulalternatief

Bron: SEO Economisch Onderzoek

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

Figuur 5.5

53

In West-Brabant heeft projectalternatief 3A relatief de beste verhouding tussen maatschappelijke kosten en baten

Nul

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

-€ 1,0

-€ 2,0

-€ 2,1

-€ 2,1

-€ 2,4

-€ 2,5

-€ 2,7

Bron: SEO Economisch Onderzoek

Wat opvalt is het verschil tussen het saldo voor varianten 1A en 1B in Hart van Brabant, waar deze saldo’s in West-Brabant vrijwel gelijk zijn. De verklaring voor dit verschil tussen de regio’s ligt bij de invulling van de warmtemix. In Hart van Brabant verschuift tussen 1A en 1B de warmtemix voor woningen die niet op een warmtenet worden aangesloten van een mix van groengas en allelectric in 1A naar groengas in 1B. All-electric heeft hogere kosten dan groengas, en dit verschil verklaart de hogere kosten in 1A voor Hart van Brabant. Tabel 5.4

MKBA-saldo per projectalternatief in Hart van Brabant (in € mln.).

Resultaat MKBA HVB

Nulalt.

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

Investeringskosten

€ 1.870

€ 2.453

€ 2.222

€ 2.155

€ 2.791

€ 2.891

€ 1.160

€ 2.150

Energiekosten

€ 1.261

€ 935

€ 712

€ 702

€ 738

€ 768

€ 691

€ 808

Emissiekosten

€ 557

€ 310

€ 241

€ 238

€ 228

€ 227

€ 258

€ 285

Energiebesparing

€0

€ 1.705

€ 1.705

€ 1.985

€ 1.705

€ 1.705

€ 1.985

€ 1.985

Arbeidsmarkt

€0

-€ 36

-€ 31

-€ 34

-€ 41

-€ 44

-€ 16

-€ 36

€ 3.688

€ 5.366

€ 4.850

€ 5.047

€ 5.421

€ 5.547

€ 4.079

€ 5.193

€0

-€ 1.678

-€ 1.161

-€ 1.358

-€ 1.732

-€ 1.859

-€ 390

-€ 1.504

Totaal Verschil met nulalternatief

Bron: SEO Economisch Onderzoek

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

54

HOOFDSTUK 5

Figuur 5.6

In Hart van Brabant heeft projectalternatief 3A relatief de beste verhouding tussen maatschappelijke kosten en baten (in € mrd).

Nul

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

-€ 0,4

-€ 1,2 -€ 1,4 -€ 1,7

-€ 1,5 -€ 1,7

-€ 1,9

Bron: SEO Economisch Onderzoek

De MKBA-saldo’s kunnen ook worden berekend voor andere regionale verdelingen. Op gemeentelijk niveau is bijvoorbeeld van belang of aansluiting op een regionaal of lokaal warmtenet een optie is. Wanneer dat niet kan zal een duurzame warmteoptie gerealiseerd moeten worden op basis van groengas of all-electric. Tabel 5.5 geeft de uitsplitsing van het relatieve MKBA-saldo voor drie groepengemeenten. 30 Dit zijn • Gemeenten met alle opties (die grotendeels aan het regionale net zijn gekoppeld): • West: Breda, Bergen op Zoom, Geertruidenberg, Oosterhout, Roosendaal • Hart: Dongen, Waalwijk, Heusden, Tilburg • Gemeenten op het zand, zonder aansluiting op regionaal net: • West: Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Rucphen, Woensdrecht en Zundert • Hart: Gilze-Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Haaren, Oisterwijk • Gemeenten op de klei, met geen of beperkte aansluiting op het regionale net (alleen in WestBrabant): • Altena, Drimmelen, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Steenbergen De relatieve saldo’s voor de groepen gemeenten zijn vergeleken met het relatieve MKBA-saldo voor West-Brabant en Hart van Brabant samen waar het de woningen betreft.

31 Tabel 5.5 laat een vergelijking toe tussen de projectalternatieven voor elk van de groepen gemeenten (horizontaal) alsmede een vergelijking van het relatieve MKBA-saldo per projectalternatief voor de drie groepen ten opzichte van het saldo voor West-Brabant en Hart voor Brabant samen (verticaal). Bij deze vergelijkingen moet worden opgemerkt dat de projectalternatieven deels hun betekenis verliezen, omdat ze specifiek zijn ontworpen voor de warmtevoorziening in West-Brabant en Hart van Brabant samen. Zo heeft de groep gemeenten op het zand in geen enkele variant een aansluiting op 30

31

Voor deze vergelijking is het MKBA-saldo relatief gemaakt. Dit houdt in dat het saldo (het verschil tussen de kosten in het projectalternatief en het nulalternatief) is uitgedrukt als percentage van de kosten in het nulalternatief. De reden voor deze selectie is dat de drie groepen gemeenten alleen de woonkernen bevatten en geen rekening houden met de glastuinbouwgebieden. Bij de vergelijking met het totale saldo is het dus verstandig de glastuinbouwgebieden ook buiten beschouwing te laten.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

55

het regionale net. Strikt genomen is een beschouwing over projectalternatief 1 – nadruk op warmetvoorziening via een regionaal net – voor deze groep gemeenten dan ook zinloos, omdat de warmte wordt geleverd via een mix van lokale warmtebronnen, groengas en elektriciteit, net als in projectalternatieven 2 en 3. 32 Dit verklaart mede waarom projectalternatief 1 relatief beter scoort voor de gemeenten op het zand en op de klei dan voor West-Brabant en Hart van Brabant samen: in dit alternatief zijn deze gemeenten aangesloten op de warmteopties met een relatief gunstig kostenprofiel zoals groengas. Uit de ‘horizontale’ vergelijking blijkt dan ook dat de voorkeursvolgorde van de projectalternatieven voor drie onderscheiden groepen gemeenten grosso modo gelijk is aan de voorkeursvolgorde van de projectalternatieven voor West-Brabant en Hart van Brabant als geheel. Zo is projectalternatief 3A relatief het beste saldo, en projectalternatief 2B het minst gunstige saldo. Dit houdt in dat er een gemeenschappelijk belang is om als regio in overleg de regionale warmtestrategie verder uit te werken. De ‘verticale’ vergelijking laat vooral de verschillen zien tussen de warmtemixen zoals die per projectalternatief zijn ingevuld voor de gemeenten.

Voor de gemeenten op het zand is projectalternatief 3A met -9% relatief gunstiger dan voor de gemeenten met alle opties waar het relatieve saldo -20% bedraagt. Dit verschil komt doordat in deze variant er relatief meer woningen in de gemeenten op het zand gebruik maken van groengas dan in de gemeenten met alle opties waar een deel van de woningen ook in dit projectalternatief is aangesloten op het regionale warmtenet (wat relatief duurder is). Tabel 5.5

Relatieve MKBA-saldo voor drie groepen gemeenten* 1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

West-Brabant en Hart van Brabant (alleen woningen)

-45%

-40%

-45%

-49%

-53%

-17%

-39%

Gemeenten met alle opties (grotendeels aan het regionale net gekoppeld)

-48%

-43%

-48%

-52%

-58%

-20%

-43%

Gemeenten op het zand, zonder aansluiting op regionaal net

-41%

-29%

-34%

-45%

-45%

-9%

-34%

Gemeenten op de klei, met geen of beperkte aansluiting op het regionale net

-42%

-42%

-46%

-46%

-46%

-17%

-35%

Bron: SEO Economisch Onderzoek * Dit betreft het saldo van de MKBA (netto kosten projectalternatief minus netto kosten nulalternatief) uitgedrukt als percentage van de netto kosten van het nulalternatief.

Gevoeligheidsanalyse Met een gevoeligheidsanalyse zijn enkele modelparameters aangepast om te kijken wat de invloed is op het saldo van de MKBA en de voorkeursvolgorde van de projectalternatieven. 33 Tabel 5.6 laat zien dat het rekenen met lagere investeringskosten een groot effect heeft op de uitkomsten met deels contra-intuïtieve resultaten. De lagere investeringskosten betreffen alle duurzame maatregelen en raken daarmee ook het nulalternatief waar circa 25 procent van de huishoudens uiteindelijk 32

33

De invulling van deze warmtebronnenmixen verschilt overigens wel per projectalternatief en is dus niet constant tussen projectalternatieven 1, 2 en 3. Zie bijlagen B en C voor gedetailleerde informatie per gemeente. Het gaat hier om de volgorde op basis van de baten-kosten ratio (aangegeven in Tabel 5.5 met een cijfer in superscript).

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

56

HOOFDSTUK 5

overstapt van aardgas naar een all-electric toepassing. De verlaging van de investeringskosten raken het nulalternatief in enkele gevallen sterker dan het projectalternatief waardoor het MKBA-saldo verbetert bij hogere investeringskosten en verslechtert bij lagere investeringskosten. Dit gebeurt in alle projectalternatieven behalve 2B en 3B. In 3A verbetert het MKBA-saldo bij 30 procent hogere investeringskosten met circa € 200 miljoen. Bij lagere investeringskosten gebeurt het omgekeerde en verslechtert het MKBA-saldo voor dit alternatief met circa € 200 miljoen. Ook de arbeidsmarkteffecten spelen een rol bij de verklaring van dit contra-intuïtieve effect. Hogere investeringen genereren via de arbeidsmarkt een maatschappelijke baat doordat meer mensen een baan vinden. Dit effect (en dus de baat) verdwijnt deels bij verlaging van de investeringskosten. Bij hogere of lagere kosten voor energiebesparing zien we deze wisselwerking niet. Deze kosten hebben een aanzienlijk effect op het MKBA-saldo. Bij 30 procent lagere kosten voor energiebesparing is het MKBA-saldo voor projectalternatief 3A met -€ 190 miljoen bijna kostenneutraal in maatschappelijk opzicht. Bij 30 procent hogere kosten voor energiebesparing is het saldo voor dit alternatief -€2,6 miljard negatief. De invloed van de kosten van energiebesparing op het resultaat van de MKBA is dus aanzienlijk.

Hogere of lagere energieprijzen hebben te verwachten effecten. De kosten van de warmtevoorziening stijgen dan wel dalen hierdoor waardoor het MKBA-saldo negatiever respectievelijk positiever wordt. Gezien de flexibiliteit van de groengas-oplossing – ook toepasbaar in de mobiliteit en in wijken waarvoor geen andere warmteoplossingen is te realiseren – bestaat het risico dat de vraag sterker stijgt dan het aanbod, wat de prijs van groen gas zal doen stijgen. De MKBA rekent echter niet met de marktprijs van groengas maar met de kosten van groengas. Bij wijze van gevoeligheidsanalyse zijn de kosten van groengas verdubbeld. De idee hierachter is dat bij schaarste aan groengas het ook voor producenten met duurdere productiemethoden zoals monovergisting rendabel wordt om groengas te gaan produceren. De vaste kosten van monovergisting zijn circa 80 procent hoger dan de kosten van grootschalige vergisting. Bij verdubbeling van de kosten voor groengas in het model daalt het MKBA-saldo van projectalternatief 3A van -1,4 €-mrd naar -2,1 €-mrd (niet opgenomen in Tabel 5.6). Dit projectalternatief is dus gevoelig voor veranderingen in de kosten van de productie van groengas. Maar ook bij een verdubbeling van de kosten blijft de verhouding batenkosten van dit alternatief het meest gunstige ten opzichte van de andere warmteopties.

All-electric is een relatief dure warmteoptie en de kosten hiervan hebben invloed op het resultaat. We variëren de kosten van all-electric met +/- 30 procent om de gevoeligheid van deze kostenparameter te testen. Dit levert contra-intuïtieve resultaten op vanwege het grote aandeel all-electric in het nulalternatief: tot 25 procent in 2050. Als gevolg hiervan verbetert het MKBA-saldo voor de meeste projectalternatieven bij hogere kosten voor all-electric en vice versa. Alleen in alternatief 3B verslechtert het MKBA-saldo bij hogere kosten, omdat dit alternatief sterk inzet op all-electric. De invloed van de 30 procent in kosten is uiteindelijk beperkt tot circa +/- € 260 miljoen, omdat de kosten van het nulalternatief meebewegen. De gevoeligheid voor de kostenparameter van allelectric is aanzienlijk groter in de overige projectalternatieven.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

Tabel 5.6

57

Gevoeligheidsanalyse per projectalternatief (in € mln.).*

Gevoeligheidsanalyse

1A

1B

1C

2A

2B

3A

3B

Basisanalyse (verschil met nulalt.)

-€ 3.8214

-€ 3.3012

-€ 3.7845

-€ 4.2026

-€ 4.5907

-€ 1.3821

-€ 3.5293

Investeringskosten -30%

-€ 4.2824

-€ 3.8752

-€ 4.3906

-€ 4.1455

-€ 4.9887

-€ 1.9581

-€ 3.6413

Investeringskosten +30%

-€ 4.0534

-€ 3.4642

-€ 3.9223

-€ 4.6406

-€ 5.1027

-€ 1.5331

-€ 4.1435

Kosten energiebesparing -30%

5

-€ 3.162

3

-€ 2.664

4

-€ 2.918

6

-€ 3.605

7

-€ 4.040

1

-€ 507

-€ 2.6542

Kostenenergiebesparing +30%

-€ 5.1733

-€ 4.6752

-€ 5.3945

-€ 5.6166

-€ 6.0507

-€ 2.9831

-€ 5.1314

Hoge energieprijzen

-€ 4.3524

-€ 3.8712

-€ 4.3675

-€ 4.7716

-€ 5.1677

-€ 1.9901

-€ 4.0633

Lage energieprijzen

-€ 3.5345

-€ 2.9902

-€ 3.4624

-€ 3.9346

-€ 4.3617

-€ 1.0201

-€ 3.2583

Kosten all-electric +30%

4

-€ 3.550

2

-€ 2.838

3

-€ 3.288

5

-€ 4.140

7

-€ 4.514

1

-€ 865

-€ 4.2526

Kosten all-electric -30%

-€ 4.5004

-€ 4.1173

-€ 4.6235

-€ 4.8646

-€ 5.3317

-€ 2.2191

-€ 3.6992

CO2-prijs WLO laag

-€ 4.6864

-€ 4.2312

-€ 4.7245

-€ 5.1886

-€ 5.6457

-€ 2.2901

-€ 4.4133

CO2-prijs WLO 2 graden ondergrens

-€ 3.3735

-€ 2.8042

-€ 3.2804

-€ 3.7336

-€ 4.1367

-€ 9181

-€ 3.0993

Autonome daling energievraag 1%

5

-€ 3.538

2

-€ 3.040

4

-€ 3.526

6

-€ 3.981

7

-€ 4.416

1

-€ 1.116

-€ 3.2633

Discontovoet infrastructuur 3%

-€ 4.5505

-€ 4.0393

-€ 4.4394

-€ 5.0806

-€ 5.5927

-€ 1.5801

-€ 4.0022

Discontovoet natuur en milieu 1,0%

-€ 3.9795

-€ 3.4652

-€ 3.9494

-€ 4.4096

-€ 4.8407

-€ 1.5491

-€ 3.7053

Bron: SEO Economisch Onderzoek * De bedragen betreffen verschil tussen projectalternatief en nulalternatief (MKBA-sald0). Het cijfer in superscript geeft de plaats in de rangorde aan.

De emissiekosten zijn een belangrijke post voor de MKBA, omdat de vermeden emissies de belangrijkste maatschappelijke baat vormen bij verduurzaming van de warmtevoorziening. De maatschappelijke waardering voor de vermeden kosten van klimaatverandering en degradatie van de leefomgeving komt tot uitdrukking in de CO2-prijs. Door variatie in deze prijs kunnen we de invloed zien van deze maatschappelijke waardering. We gebruiken hiervoor de CO2-prijzen uit de scenario’s Welvaart en Leefomgeving van de planbureaus, zoals voorgeschreven in de MKBA-richtlijnen. Een lage CO2-prijs betekent een lagere baat qua emissiekosten en dus een relatief slechter MKBA-saldo. 34 Bij een hoge CO2-prijs verbetert het MKBA-saldo. De invloed van deze veranderingen is stevig met extra kosten/baten van circa € 600 à 700 miljoen, afhankelijk van het projectalternatief. Ook bij een hoge CO2-prijs kent geen van de alternatieven een positief MKBA-saldo. De overige varianten in de gevoeligheidsanalyse leveren te verwachten resultaten: • Bij een hogere autonome daling van de warmtevraag verbetert het MKBA-saldo; • Bij een lagere discontovoet voor investeringen in de infrastructuur (3 procent in plaats van 4,5 procent) verslechtert het MKBA-saldo; • Bij een lagere discontovoet voor milieueffecten (hier: emissies) (1 procent in plaats van 2 procent) verbetert het MKBA-saldo.

34

Deze gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd met de onderkant van de bandbreedte van het WLO-tweegradenscenario. Dit scenario kent een grote bandbreedte: de waarde van CO2 is aan de bovenkant van de bandbreedte vijf keer de waarde van de onderkant. Toepassing van deze waarde zou een te grote impact hebben op het MKBA-saldo. Het betreft een extreem kleine kans op zeer grote klimaatschade.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

58

HOOFDSTUK 5

Ook de tijdhorizon (tot en met 2050) kan een aanknopingspunt zijn voor een gevoeligheidsanalyse. Een langere tijdhorizon heeft door de werking van de discontovoet echter een beperkte invloed op het saldo van kosten en baten en beïnvloedt de resultaten niet. 35 De gevoeligheidsanalyse heeft beperkte gevolgen voor de rangorde van de projectalternatieven. In alle gevallen blijft 3A (groengas) het alternatief met de meest gunstige verhouding tussen baten en kosten en 2B is in alle gevallen het minst gunstige projectalternatief. Dit onderstreept de robuustheid van het MKBA-resultaat. Bij de overige ‘plekken’ in de rangorde vinden beperkte wisselingen plaats. Alternatief 3B (all-electric) is het meest variabel als het gaat om de plek in de rangorde. Meestal staat dit alternatief op plaats 2 of 3 in de rangorde. Alleen bij een verhoging van de kosten van all-electric met 30 procent staat 3B op plaats 6 in de rangorde. Projectalternatief 1C ‘scoort’ tussen plaats 3 en 6 (meestal plaats 4). Voor de andere alternatieven is het aantal wisselingen onder invloed van de veranderingen in de parameters beperkt: 1B 2e of 3e, 1A 4e of 5e en 2A 5e of 6e. Eindverbruikerskosten De MKBA kijkt naar de maatschappelijke kosten en baten van de warmtetransitie.

Op het niveau van de eindverbruiker kunnen de kosten anders zijn dan berekend in de MKBA doordat bepaalde kosten maatschappelijk gezien neutraal zijn en dus geen plek hebben in een MKBA. Dit betreft bijvoorbeeld belastingen, die wel door eindverbruikers worden betaald maar die als inkomsten gelden voor de overheid. Het maatschappelijke saldo is dan nul. Om dus de eindverbruikerskosten te kunnen bepalen moet worden gekeken naar de kosten die uiteindelijk bij de eindverbruiker terechtkomen verhoogd met de belastingen en subsidies die in de MKBA niet zichtbaar zijn. Volgens de eindverbruikersmethodiek moeten in de eindverbruikerskosten worden opgenomen: Investeringskosten energieapparatuur, inclusief BTW; • Energiekosten op basis van netto-effect (rekening houdend met verdringing van energiedragers); • Overige operationele kosten; • Investeringssubsidies (bij warmte: SDE++ en ISDE-KA); • Heffingen (bij warmte: energiebelasting op aardgas en elektriciteit). Figuur 5.7 vergelijkt de eindverbruikerskosten per huishouden in West-Brabant en Hart van Brabant voor de projectalternatieven met de eindverbruikerskosten in het nulalternatief (aardgas). 36 De figuur laat het verschil zien van de eindverbruikerskosten in het betreffende projectalternatief ten opzicht van het nulalternatief in de jaren 2030, 2040 en 2050.

In 2030 zijn de eindverbruikerskosten per jaar voor alle duurzame warmteopties relatief hoger met € 800 tot €1000 per huishouden per jaar. Dit is het gevolg van de investeringen die nodig zijn om de warmtevoorziening te verduurzamen. Het verschil loopt snel terug en in 2040 resteert nog maar een klein verschil van circa € 100 euro per jaar met het nulalternatief. In 2050 zijn de eindverbruikerskosten gelijk aan de aardgasvoorziening en hebben huishoudens in diverse projectalternatieven lagere verbruikerskosten dan met aardgas het geval zou zijn. •

35

36

Ter illustratie: een bedrag van € 100 heeft bij een discontovoet van 3 procent na dertig jaar een contante waarde van €41 en na vijftig jaar van € 22. De verschillen tussen kosten en baten worden bij disconteren over een lange termijn (> dertig jaar) navenant geringer. Voor deze berekening zijn de investeringskosten, energiekosten en kosten van energiebesparing toegerekend aan de huishoudens. De invloed van heffingen en subsidies kan voor 2050 genegeerd worden, aangezien aardgas in dit jaar is uitgefaseerd. Dit geldt niet voor het nulalternatief waardoor Figuur 5.7 waarschijnlijk een overschatting geeft voor de relatieve eindverbruikerskosten in de projectalternatieven.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

Figuur 5.7

59

In 2050 zijn de eindverbruikerskosten van duurzame warmte per huishouden gelijk aan aardgas

Bron: SEO Economisch Onderzoek

Beantwoording onderzoeksvragen De hoofdvraag van deze MKBA betreft het overzicht van de maatschappelijke kosten en baten van diverse transitiepaden naar duurzame warmte in West-Brabant en Hart van Brabant. Voor dit doel zijn in dit rapport zeven concrete alternatieven voor de warmtetransitie doorgerekend. De kosten en baten van deze alternatieven zijn vergeleken met de situatie waarin niet expliciet wordt ingezet op verduurzaming van de gebouwde omgeving. De MKBA laat zien dat voor elk van de alternatieven omvangrijke investeringen nodig zijn. Waar aansluiting op een nieuw warmtenet nodig is, bestaat circa 50 procent van de kosten uit de aanleg van warmteleidingen en aansluiting van de woning. De investeringen realiseren het beoogde doel, lagere emissies. Deze vermeden emissies vormen de belangrijkste maatschappelijke baat van de transitie. De maatschappelijke waarde van de vermeden emissies is lager dan de maatschappelijke kosten waardoor het MKBA-saldo voor elk van de projectalternatieven negatief is. Het alternatief op basis van groengas (3A) heeft relatief de beste verhouding tussen kosten en baten; de hoogste netto kosten worden gemaakt in het alternatief dat inzet op lokale bronnen en lokale warmtenetten (2B). De vraag is wat op basis van deze MKBA geconcludeerd kan worden over de toekomst van het bestaande warmtenet, het Amernet.

De MKBA laat zien dat warmtevoorziening via een regionaal warmtenet relatief gunstiger is dan de aanleg van lokale warmtenetten. De reden hiervoor ligt bij de mogelijkheid om via een regionaal net grootschalige warmtebronnen zoals hoge temperatuur geothermie en restwarmte te kunnen benutten. De kosten van de bronnen zijn per saldo lager dan lokale warmtebronnen. Het kostenvoordeel van de “regionale” bronnen is groter dan de kosten van de infrastructuur voor een regionaal net. Dit pleit voor behoud en uitbreiding van het regionale net. Voor de bronnenstrategie is van belang dat er geen grote verschillen zijn tussen de warmtebronnen die geschikt zijn voor aansluiting op een regionaal net. Het alternatief met inzet hoge temperatuur geothermie en restwarmte (1B) kent ongeveer gelijke kosten als het alternatief dat inzet op biomassa

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

60

HOOFDSTUK 5

(1A). Bij de beoordeling van de strategie voor de bronnen kan een rol spelen dat de emissies voor biomassa officieel niet meetellen in de emissiekosten. De daadwerkelijke emissies voor biomassa verhogen de relatieve emissiekosten voor dit alternatief. Bij de lokale warmtebronnen zijn de kostenverschillen groter dan de bronnen die invoeden op een regionaal net. LTA kent voor de lokale netten een relatief gunstig kostenprofiel net als toepassing van MT- en LT-restwarmte. Warmte opgewekt met lokale biomassa is circa 40 procent duurder dan restwarmte en LTA. Aquathermie is circa 80 procent duurder per GJ dan biomassa. Zonthermie is de duurste optie van de warmtebronnen die invoeden op lokale netten. Voor de bronnenstrategie voor lokale bronnen is dus van belang dat lokaal beschikbare restwarmte optimaal wordt benut en dat vervolgens wordt gekeken op LTA kan worden toegepast. Voor de bronnenstrategie is verder van belang dat groengas een relatief kostenefficiënte energiedrager is. Bij deze energiedrager is van belang of het aanbod in de regio voldoende zal zijn om aan de vraag naar groengas voor de warmtevoorziening te voldoen. Er zijn opportuniteitskosten voor de aanwending van groengas in de gebouwde omgeving. Een sterke toename van de vraag naar groengas kan de marktprijs bovendien opdrijven waardoor de kosten van dit alternatief hoger kunnen uitpakken dan hier is berekend.

All-electric is relatief duur ten opzichte van groengas vanwege de versterking van de elektriciteitsnetten die hiervoor benodigd is. Maar gezien eventueel schaars aanbod van groengas is all-electric een belangrijke warmtebron voor gemeenten die geen directe toegang kunnen krijgen tot een regionaal of lokaal warmtenet. Om die reden speelt all electric in vrijwel iedere variant in deze MKBA een rol. Bij de bronnenstrategie zou eerst moeten worden gekeken of verbinding van lokale netten met een regionaal net mogelijk is. Vervolgens zou de aanleg van lokale overwogen moeten worden. Waar aansluiting op een lokaal of regionaal net vanwege de afstand tot de warmtebron niet realistisch is verdient warmtelevering op basis van groengas de voorkeur. Pas wanneer het regionale productiepotentieel voor groengas onvoldoende blijkt zou toepassing van all-electric overwogen moeten worden. Energiebesparing is onlosmakelijk verbonden met de warmtetransitie. 50 procent reductie van de warmtevraag in 2050 ten opzichte van 1990 is een ambitieus doel met aanzienlijke kosten. De MKBA heeft enkele varianten doorgerekend met een nog sneller tempo van energiebesparing. Deze extra energiebesparing brengt meerkosten met zich mee die niet opwegen tegen de daling van de energiekosten en de emissies die hierdoor mogelijk wordt.

Hieraan kan de conclusie worden verbonden dat een hoger tempo van energiebesparing niet automatisch rendabel is in maatschappelijk opzicht. De regio’s zouden moeten streven naar een energiebesparingsdoel dat aansluit bij de bredere doelstelling van de warmtetransitie, maar redelijk kosten-efficiënt kan worden gerealiseerd. Voorbij dit optimum zullen de maatschappelijke kosten van energiebesparing sneller oplopen dan de maatschappelijke baten. De MKBA is opgesteld voor twee RES-regio’s. De uitsplitsing van de maatschappelijke kosten en baten per regio maakt duidelijk dat de afwegingen niet wezenlijk verschillen. De hier geschetste opties voor de bronnenstrategie en de aanbeveling tot uitbreiding van het regionale net gelden voor

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

RESULTATEN EN CONCLUSIES

61

beide regio’s. De verschillen die optreden in de MKBA tussen West-Brabant en Hart van Brabant zijn vooral terug te voeren tot inzet van all-electric als warmtevoorziening. Dit onderstreept het relatieve kostennadeel van deze warmtetechnologie ten opzichte van groengas.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

63

Literatuur Aalbers, R., G. Renes en G. Romijn (2016), WLO-klimaatscenario’s en de waardering van CO2-uitstoot in MKBA's, Centraal Planbureau: Den Haag. CE Delft (2014), MKBA Warmte Zuid-Holland, Delft. CE Delft (2015), Emissiekentallen elektriciteit. Kentallen voor grijze en ‘niet-geoormerkte stroom’ inclusief upstream-emissies, Delft. CE Delf (2016), Ketenemissies warmtelevering Directe en indirecte CO2-emissies van warmtetechnieken, Delft. CE Delft (2017), Handboek milieuprijzen, Delft. CE Delft (2019), Overzicht aanpassingen Vesta MAIS, Delft. Centraal Planbureau en Planbureau voor de leefomgeving (2015), Nederland in 2030-2050: twee referentiescenario’s – Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving, Den Haag. Ecofys (2016), Collectieve warmte naar lage temperatuur, Utrecht. Menkveld, M., M. de Nooij en H. Rösler (2016), MKBA Tracé 2 Warmtenet Nijmegen, ECN: Petten en Amsterdam. Planbureau voor de leefomgeving (2019), Klimaat- en Energieverkenning 2019, Den Haag. Planbureau voor de leefomgeving (2020), Eindadvies basisbedragen SDE++ 2020, Den Haag. Planbureau voor de leefomgeving (2020), Startanalyse aardgasvrije buurten, herziene versie. RES Hart van Brabant (2020), Concept-bod voor de Regionale Energie- en Klimaatstrategie. RES West-Brabant (2020), Achtergrondrapport bij de Concept RES, onze nieuwe energie in 2030. Romijn, G., & Renes, G. (2013).

Algemene leidraad voor maatschappelijke kosten-batenanalyse. Centraal Planbureau (CPB) en Planbureau voor de leefomgeving (PBL). Smeekens, K., R. Meijer en M. Cremers (2017), Kostenonderzoek verbranding en vergassing van biomassa SDE+ 2018, ECN en DNV GL. TKI Urban Energy (2020), Warmteopslag. Geraadpleegd van https://www.topsectorenergie.nl/tkiurban-energy/kennisdossiers/warmteopslag Verhaegh, N.A.M. e.a. (2019), Warmte infrastructuur Nederland met verlaagde systeem temperatuur, TKI Urban Energy.

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

65

Bijlage A De warmte-infrastructuur Projectalternatief 1 – Regionaal net RES-regio

Gemeente / Gebied

Regionaal

Lokaal

Individueel

West-Brabant

1. Alphen-Chaam

0%

60%

40%

2. Altena

0%

70%

30%

3. Baarle-Nassau

0%

60%

40%

4. Bergen op Zoom

60%

20%

20%

5. Breda

70%

10%

20%

6. Drimmelen

20%

20%

60%

7. Etten-Leur

0%

30%

70%

8. Geertruidenberg

60%

10%

30%

9. Halderberge

20%

50%

30%

10. Moerdijk

30%

40%

30%

11. Oosterhout

70%

20%

10%

12. Roosendaal

70%

20%

10%

13. Rucphen

0%

60%

40%

14. Steenbergen

10%

5%

85%

15. Woensdrecht

0%

60%

40%

16. Zundert

0%

60%

40%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

100%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

100%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

100%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

100%

0%

0%

1. Dongen

80%

10%

10%

2. Gilze en Rijen

0%

60%

40%

3. Goirle

0%

60%

40%

4. Heusden

80%

10%

10%

5. Haaren

0%

60%

40%

6. Hilvarenbeek

0%

40%

60%

7. Loon op Zand

0%

40%

60%

8. Oisterwijk

0%

40%

60%

9. Tilburg

60%

20%

20%

10. Waalwijk

80%

10%

10%

A tuinbouwgebied Dongen

100%

0%

0%

B tuinbouwgebied Heusden

100%

0%

0%

Hart van Brabant

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

66

BIJLAGE A

Projectalternatief 2a – Lokale netten met beperkte uitbreiding van bestaande regionaal net RES-regio

Gemeente / Gebied

Regionaal

Lokaal

Individueel

West-Brabant

1. Alphen-Chaam

0%

50%

50%

2. Altena

0%

70%

30%

3. Baarle-Nassau

0%

50%

50%

4. Bergen op Zoom

0%

60%

40%

5. Breda

50%

30%

20%

6. Drimmelen

10%

30%

60%

7. Etten-Leur

0%

45%

55%

8. Geertruidenberg

15%

45%

40%

9. Halderberge

0%

70%

30%

10. Moerdijk

5%

35%

60%

11. Oosterhout

20%

45%

35%

12. Roosendaal

0%

70%

30%

13. Rucphen

0%

70%

30%

14. Steenbergen

0%

30%

70%

15. Woensdrecht

0%

70%

30%

16. Zundert

0%

50%

50%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

100%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

100%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

100%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

100%

0%

0%

1. Dongen

0%

80%

20%

2. Gilze en Rijen

0%

80%

20%

3. Goirle

0%

80%

20%

4. Heusden

0%

80%

20%

5. Haaren

0%

80%

20%

6. Hilvarenbeek

0%

60%

40%

7. Loon op Zand

0%

60%

40%

8. Oisterwijk

0%

80%

20%

9. Tilburg

35%

45%

20%

10. Waalwijk

0%

80%

20%

A tuinbouwgebied Dongen

50%

25%

25%

B tuinbouwgebied Heusden

0

50%

50%

Hart van Brabant

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DE WARMTE-INFRASTRUCTUUR

67

Projectalternatief 2b – Lokale netten zonder behoud van het bestaand regionaal net RES-regio

Gemeente / Gebied

Regionaal

Lokaal

Individueel

West-Brabant

1. Alphen-Chaam

0%

50%

50%

2. Altena

0%

70%

30%

3. Baarle-Nassau

0%

50%

50%

4. Bergen op Zoom

0%

60%

40%

5. Breda

0%

80%

20%

6. Drimmelen

0%

40%

60%

7. Etten-Leur

0%

45%

55%

8. Geertruidenberg

0%

60%

40%

9. Halderberge

0%

70%

30%

10. Moerdijk

0%

40%

60%

11. Oosterhout

0%

65%

35%

12. Roosendaal

0%

70%

30%

13. Rucphen

0%

70%

30%

14. Steenbergen

0%

30%

70%

15. Woensdrecht

0%

70%

30%

16. Zundert

0%

50%

50%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

100%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

100%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

100%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

100%

0%

1. Dongen

0%

80%

20%

2. Gilze en Rijen

0%

80%

20%

3. Goirle

0%

80%

20%

4. Heusden

0%

80%

20%

5. Haaren

0%

60%

40%

6. Hilvarenbeek

0%

40%

60%

7. Loon op Zand

0%

40%

60%

8. Oisterwijk

0%

40%

60%

9. Tilburg

0%

80%

20%

10. Waalwijk

0%

80%

20%

A tuinbouwgebied Dongen

0%

75%

25%

B tuinbouwgebied Heusden

0%

50%

50%

Hart van Brabant

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

68

BIJLAGE A

Projectalternatief 3 – individuele oplossingen RES-regio

Gemeente / Gebied

Regionaal

Lokaal

Individueel

West-Brabant

1. Alphen-Chaam

0%

10%

90%

2. Altena

0%

15%

85%

3. Baarle-Nassau

0%

10%

90%

4. Bergen op Zoom

0%

10%

90%

5. Breda

20%

5%

75%

6. Drimmelen

0%

5%

95%

7. Etten-Leur

0%

10%

90%

8. Geertruidenberg

7%

10%

83%

9. Halderberge

0%

15%

85%

10. Moerdijk

0%

5%

95%

11. Oosterhout

3%

10%

87%

12. Roosendaal

0%

15%

85%

13. Rucphen

0%

15%

85%

14. Steenbergen

0%

5%

95%

15. Woensdrecht

0%

15%

85%

16. Zundert

0%

10%

90%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

0%

100%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

100%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

100%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

100%

0%

0%

1. Dongen

0%

10%

90%

2. Gilze en Rijen

0%

10%

90%

3. Goirle

0%

10%

90%

4. Heusden

0%

10%

90%

5. Haaren

0%

10%

90%

6. Hilvarenbeek

0%

10%

90%

7. Loon op Zand

0%

10%

90%

8. Oisterwijk

0%

10%

90%

9. Tilburg

27%

10%

63%

10. Waalwijk

0%

10%

90%

A tuinbouwgebied Dongen

50%

0%

50%

B tuinbouwgebied Heusden

0%

0%

100%

Hart van Brabant

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

Bijlage B

69

De warmtebronnen per projectalternatief (West-Brabant) Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Project- Alternatief 1 (regionaal) Variant A (Nadruk op biomassa en restwarmte) R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

R

R

L

L

Restwarmte (LT) L

Restwarmte water- Groengas stof I R

Allelectric I

1. Alphen-Chaam

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

2. Altena

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

3. Baarle-Nassau

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

4. Bergen op Zoom

2%

0%

0%

6%

6%

36%

4%

24%

1%

1%

0%

6%

14%

5. Breda

1%

0%

0%

3%

3%

42%

2%

28%

1%

1%

0%

6%

14%

6. Drimmelen

2%

0%

0%

6%

6%

12%

4%

8%

1%

1%

0%

18%

42%

7. Etten-Leur

3%

0%

0%

9%

9%

0%

6%

0%

2%

2%

0%

21%

49%

8. Geertruidenberg

1%

0%

0%

3%

3%

36%

2%

24%

1%

1%

0%

9%

21%

9. Halderberge

5%

0%

0%

15%

15%

12%

10%

8%

3%

3%

0%

9%

21%

10. Moerdijk

4%

0%

0%

12%

12%

18%

8%

12%

2%

2%

0%

9%

21%

11. Oosterhout

2%

0%

0%

6%

6%

42%

4%

28%

1%

1%

0%

3%

7%

12. Roosendaal

2%

0%

0%

6%

6%

42%

4%

28%

1%

1%

0%

3%

7%

13. Rucphen

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

14. Steenbergen

1%

0%

0%

2%

2%

6%

1%

4%

0%

0%

0%

26%

60%

15. Woensdrecht

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

16. Zundert

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

70

Project- Alternatief 1 (regionaal) Variant B (Nadruk op geothermie, restwarmte & biomassa) R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

BIJLAGE B

Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Biomassa R

L

Restwarmte (HT/MT) R

L

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

Groengas

All-electric

R

I

I

1. Alphen-Chaam

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

2. Altena

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

3. Baarle-Nassau

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

4. Bergen op Zoom

2%

0%

36%

6%

6%

18%

4%

0%

1%

1%

6%

6%

14%

5. Breda

1%

0%

42%

3%

3%

21%

2%

0%

1%

1%

7%

6%

14%

6. Drimmelen

2%

0%

12%

6%

6%

6%

4%

0%

1%

1%

2%

18%

42%

7. Etten-Leur

3%

0%

0%

9%

9%

0%

6%

0%

2%

2%

0%

21%

49%

8. Geertruidenberg

1%

0%

36%

3%

3%

18%

2%

0%

1%

1%

6%

9%

21%

9. Halderberge

5%

0%

12%

15%

15%

6%

10%

0%

3%

3%

2%

9%

21%

10. Moerdijk

4%

0%

18%

12%

12%

9%

8%

0%

2%

2%

3%

9%

21%

11. Oosterhout

2%

0%

42%

6%

6%

21%

4%

0%

1%

1%

7%

3%

7%

12. Roosendaal

2%

0%

42%

6%

6%

21%

4%

0%

1%

1%

7%

3%

7%

13. Rucphen

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

14. Steenbergen

1%

0%

6%

2%

2%

3%

1%

0%

0%

0%

1%

26%

60%

15. Woensdrecht

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

16. Zundert

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (WEST-BRABANT)

Project- Alternatief 1

71

HT-

Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

R

L

R

1. Alphen-Chaam

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

2. Altena

7%

0%

0%

21%

21%

0%

3. Baarle-Nassau

6%

0%

0%

18%

18%

0%

4. Bergen op Zoom

2%

0%

36%

6%

6%

5. Breda

1%

0%

42%

3%

3%

6. Drimmelen

2%

0%

12%

6%

7. Etten-Leur

3%

0%

0%

9%

8. Geertruidenberg

1%

0%

36%

9. Halderberge

5%

0%

10. Moerdijk

4%

0%

11. Oosterhout

2%

12. Roosendaal

2%

13. Rucphen 14. Steenbergen

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

Groengas

All-electric

L

L

R

I

I

0%

3%

3%

0%

12%

28%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

18%

4%

0%

1%

1%

6%

6%

14%

21%

2%

0%

1%

1%

7%

6%

14%

6%

6%

4%

0%

1%

1%

2%

18%

42%

9%

0%

6%

0%

2%

2%

0%

21%

49%

3%

3%

18%

2%

0%

1%

1%

6%

9%

21%

12%

15%

15%

6%

10%

0%

3%

3%

2%

9%

21%

18%

12%

12%

9%

8%

0%

2%

2%

3%

9%

21%

0%

42%

6%

6%

21%

4%

0%

1%

1%

7%

3%

7%

0%

42%

6%

6%

21%

4%

0%

1%

1%

7%

3%

7%

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

1%

0%

6%

2%

2%

3%

1%

0%

0%

0%

1%

26%

60%

15. Woensdrecht

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

16. Zundert

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

60%

0%

0%

30%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

Variant C (Nadruk op geothermie, restwarmte, biomassa & extra warmtebesparing) R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

72

Project- Alternatief 2a (lokaal met behoud)

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

BIJLAGE B

Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Biomassa R

L

Restwarmte (HT/MT) R

L

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

Groengas

All-electric

R

I

I

1. Alphen-Chaam

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

2. Altena

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

3. Baarle-Nassau

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

4. Bergen op Zoom

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

5. Breda

3%

0%

0%

9%

9%

30%

6%

20%

2%

2%

0%

6%

14%

6. Drimmelen

3%

0%

0%

9%

9%

6%

6%

4%

2%

2%

0%

18%

42%

7. Etten-Leur

5%

0%

0%

14%

14%

0%

9%

0%

2%

2%

0%

17%

39%

8. Geertruidenberg

5%

0%

0%

14%

14%

9%

9%

6%

2%

2%

0%

12%

28%

9. Halderberge

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

10. Moerdijk

4%

0%

0%

11%

11%

3%

7%

2%

2%

2%

0%

18%

42%

11. Oosterhout

5%

0%

0%

14%

14%

12%

9%

8%

2%

2%

0%

11%

25%

12. Roosendaal

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

13. Rucphen

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

14. Steenbergen

3%

0%

0%

9%

9%

0%

6%

0%

2%

2%

0%

21%

49%

15. Woensdrecht

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

16. Zundert

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (WEST-BRABANT)

Project- Alternatief 2b (lokaal zonder behoud)

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

73

Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Biomassa R

L

Restwarmte (HT/MT) R

L

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

Groengas

All-electric

R

I

I

1. Alphen-Chaam

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

2. Altena

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

3. Baarle-Nassau

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

4. Bergen op Zoom

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

5. Breda

8%

0%

0%

24%

24%

0%

16%

0%

4%

4%

0%

6%

14%

6. Drimmelen

4%

0%

0%

12%

12%

0%

8%

0%

2%

2%

0%

18%

42%

7. Etten-Leur

5%

0%

0%

14%

14%

0%

9%

0%

2%

2%

0%

17%

39%

8. Geertruidenberg

6%

0%

0%

18%

18%

0%

12%

0%

3%

3%

0%

12%

28%

9. Halderberge

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

10. Moerdijk

4%

0%

0%

12%

12%

0%

8%

0%

2%

2%

0%

18%

42%

11. Oosterhout

7%

0%

0%

20%

20%

0%

13%

0%

3%

3%

0%

11%

25%

12. Roosendaal

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

13. Rucphen

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

14. Steenbergen

3%

0%

0%

9%

9%

0%

6%

0%

2%

2%

0%

21%

49%

15. Woensdrecht

7%

0%

0%

21%

21%

0%

14%

0%

4%

4%

0%

9%

21%

16. Zundert

5%

0%

0%

15%

15%

0%

10%

0%

3%

3%

0%

15%

35%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

10%

0%

0%

30%

30%

0%

20%

0%

5%

5%

0%

0%

0%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

10%

0%

0%

30%

30%

0%

20%

0%

5%

5%

0%

0%

0%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

10%

0%

0%

30%

30%

0%

20%

0%

5%

5%

0%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

10%

0%

0%

30%

30%

0%

20%

0%

5%

5%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

74

Project- Alternatief 3 (individueel) Variant A (met name zonthermie en groengas) R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

BIJLAGE B

Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

R

R

L

L

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

Groengas

L

R

I

Allelectric I

1. Alphen-Chaam

1%

63%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

8%

19%

2. Altena

2%

60%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

8%

18%

3. Baarle-Nassau

1%

63%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

8%

19%

4. Bergen op Zoom

1%

63%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

8%

19%

5. Breda

0%

53%

0%

3%

0%

12%

0%

8%

1%

1%

0%

6%

16%

6. Drimmelen

1%

67%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

9%

20%

7. Etten-Leur

1%

63%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

8%

19%

8. Geertruidenberg

1%

58%

0%

3%

3%

4%

2%

3%

1%

1%

0%

7%

17%

9. Halderberge

2%

60%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

8%

18%

10. Moerdijk

1%

67%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

9%

20%

11. Oosterhout

1%

61%

0%

3%

3%

2%

2%

1%

1%

1%

0%

8%

18%

12. Roosendaal

2%

60%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

8%

18%

13. Rucphen

2%

60%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

8%

18%

14. Steenbergen

1%

67%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

9%

20%

15. Woensdrecht

2%

60%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

8%

18%

16. Zundert

1%

63%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

8%

19%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

70%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

20%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

70%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

20%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (WEST-BRABANT)

Project- Alternatief 3 (individueel) Variant B (met name groengas en all-electric) R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

75

Zonthermie

Zonthermie en groengas

HTGeothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

I

R

L

L

Biomassa R

L

Restwarmte (HT/MT) R

L

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

R

Groengas

All-electric

I

I

1. Alphen-Chaam

1%

18%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

22%

50%

2. Altena

2%

17%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

20%

48%

3. Baarle-Nassau

1%

18%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

22%

50%

4. Bergen op Zoom

1%

18%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

22%

50%

5. Breda

0%

15%

0%

3%

0%

12%

0%

8%

1%

1%

0%

18%

42%

6. Drimmelen

1%

19%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

23%

53%

7. Etten-Leur

1%

18%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

22%

50%

8. Geertruidenberg

1%

17%

0%

3%

3%

4%

2%

3%

1%

1%

0%

20%

46%

9. Halderberge

2%

17%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

20%

48%

10. Moerdijk

1%

19%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

23%

53%

11. Oosterhout

1%

17%

0%

3%

3%

2%

2%

1%

1%

1%

0%

21%

49%

12. Roosendaal

2%

17%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

20%

48%

13. Rucphen

2%

17%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

20%

48%

14. Steenbergen

1%

19%

0%

2%

2%

0%

1%

0%

0%

0%

0%

23%

53%

15. Woensdrecht

2%

17%

0%

5%

5%

0%

3%

0%

1%

1%

0%

20%

48%

16. Zundert

1%

18%

0%

3%

3%

0%

2%

0%

1%

1%

0%

22%

50%

A. Tuinbouwgebieden Moerdijk

0%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

25%

55%

B. Tuinbouwgebieden Steenbergen

0%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

25%

55%

C. Tuinbouwgebied Roosendaal

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

D. Tuinbouwgebied Drimmelen

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

MKBA WARMTETRANSITIE WEST-BRABANT EN HART VAN BRABANT

Bijlage C

77

De warmtebronnen per projectalternatief (Hart van Brabant) Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

R

1. Dongen

0%

0%

0%

2. Gilze en Rijen

0%

0%

0%

3. Goirle

0%

0%

0%

4. Heusden

0%

0%

5. Hilvarenbeek

0%

6. Loon op Zand 7. Oisterwijk

Project- Alternatief 1 (regionaal)

LTA

Aquathermie en Terrathermie

L

HT-

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

L

R

0%

0%

0%

0%

3%

7%

0%

0%

0%

0%

12%

28%

0%

0%

20%

0%

0%

12%

28%

80%

0%

0%

0%

0%

0%

3%

7%

0%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

18%

42%

20%

0%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

18%

42%

10%

30%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

18%

42%

0%

0%

20%

60%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

0%

10%

80%

0%

0%

0%

0%

0%

3%

7%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

L

R

L

R

5%

5%

80%

0%

40%

20%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

8. Tilburg

0%

0%

9. Waalwijk

0%

A tuinbouwgebied Dongen B tuinbouwgebied Heusden

Variant A (met name biomassa en HTrestwarmte)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

Groengas

All-electric

I

I

78

Project- Alternatief 1 (regionaal)

BIJLAGE C

HT-

Zonthermie

Zonthermie en groengas

LTA

Aquathermie en Terrathermie

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

R

L

1. Dongen

0%

0%

80%

2. Gilze en Rijen

0%

0%

3. Goirle

0%

4. Heusden

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

L

0%

0%

0%

0%

0%

20%

10%

0%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

9. Waalwijk

0%

A tuinbouwgebied Dongen B tuinbouwgebied Heusden

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

L

R

L

R

5%

5%

0%

0%

0%

40%

20%

0%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

80%

0%

5. Hilvarenbeek

0%

0%

0%

6. Loon op Zand

0%

0%

7. Oisterwijk

0%

8. Tilburg

Variant B (met name geothermie en restwarmte waterstof)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

Groengas

All-electric

R

I

I

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

10%

30%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

60%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

80%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (HART VAN BRABANT)

Project- Alternatief 1 (regionaal)

HT-

Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

1. Dongen

0%

2. Gilze en Rijen

79

LTA

Aquathermie en Terrathermie

R

L

L

R

L

R

0%

80%

5%

5%

0%

0%

0%

0%

0%

40%

20%

0%

3. Goirle

0%

0%

0%

0%

40%

4. Heusden

0%

0%

80%

0%

5. Hilvarenbeek

0%

0%

0%

6. Loon op Zand

0%

0%

7. Oisterwijk

0%

8. Tilburg

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

L

0%

0%

0%

0%

0%

20%

10%

0%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

9. Waalwijk

0%

A tuinbouwgebied Dongen B tuinbouwgebied Heusden

Variant C (met name geothermie en restwarmte waterstof, met extra besparingen warmtevraag)

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

Groengas

All-electric

R

I

I

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

10%

30%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

60%

0%

60%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

80%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

80

BIJLAGE C

Project- Alternatief 2a (lokaal)

HT-

Zonthermie

Zonthermie en groengas

LTA

Aquathermie en Terrathermie

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

R

L

L

R

L

R

1. Dongen

0%

0%

0%

10%

20%

0%

0%

2. Gilze en Rijen

20%

0%

0%

40%

20%

0%

3. Goirle

20%

0%

0%

0%

40%

4. Heusden

0%

0%

0%

0%

5. Hilvarenbeek

20%

0%

0%

6. Loon op Zand

20%

0%

7. Oisterwijk

20%

8. Tilburg

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

Groengas

All-electric

L

L

R

I

I

0%

50%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

30%

0%

0%

0%

50%

0%

0%

6%

14%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

12%

28%

0%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

12%

28%

0%

0%

20%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

35%

25%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

9. Waalwijk

20%

0%

0%

0%

40%

0%

0%

0%

20%

0%

0%

6%

14%

A tuinbouwgebied Dongen

0%

0%

50%

0%

0%

0%

0%

0%

25%

0%

0%

8%

18%

B tuinbouwgebied Heusden

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

50%

0%

0%

15%

35%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (HART VAN BRABANT)

Project- Alternatief 2b (lokaal)

HT-

Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

1. Dongen

0%

2. Gilze en Rijen

81

LTA

Aquathermie en Terrathermie

R

L

L

R

L

R

0%

0%

10%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

40%

20%

0%

3. Goirle

20%

0%

0%

0%

40%

4. Heusden

0%

0%

0%

0%

5. Hilvarenbeek

20%

0%

0%

6. Loon op Zand

20%

0%

7. Oisterwijk

20%

8. Tilburg

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

L

0%

50%

0%

0%

0%

20%

30%

0%

20%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

9. Waalwijk

20%

A tuinbouwgebied Dongen B tuinbouwgebied Heusden

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

Groengas

All-electric

R

I

I

0%

0%

6%

14%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

50%

0%

0%

6%

14%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

12%

28%

0%

0%

20%

0%

0%

0%

0%

12%

28%

20%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

60%

20%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

20%

40%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6%

14%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

75%

0%

0%

8%

18%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

50%

0%

0%

15%

35%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

82

BIJLAGE C

Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

LTA

Aquathermie en Terrathermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

R

L

1. Dongen 2. Gilze en Rijen

0%

90%

0%

0%

90%

0%

3. Goirle

0%

90%

4. Heusden

0%

90%

5. Hilvarenbeek

0%

6. Loon op Zand

0%

7. Oisterwijk

0%

8. Tilburg

0%

9. Waalwijk

0%

A tuinbouwgebied Dongen

0%

B tuinbouwgebied Heusden

0%

Project- Alternatief 3 (individueel) Variant A (met name zonthermie en groengas)

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

HT-

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

Groengas

All-electric

L

L

R

I

I

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

L

R

L

R

0%

10%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

10%

0%

90%

0%

0%

10%

90%

0%

0%

10%

90%

0%

0%

63%

27%

0%

90%

0%

50%

50%

100%

0%

DE WARMTEBRONNEN PER PROJECTALTERNATIEF (HART VAN BRABANT)

Zonthermie

Zonthermie en groengas

Geothermie

R = Regionaal, L = Lokaal, I = Individueel

L

I

1. Dongen

0%

2. Gilze en Rijen

83

LTA

Aquathermie en Terrathermie

R

L

0%

0%

0%

0%

3. Goirle

0%

4. Heusden 5. Hilvarenbeek

Project- Alternatief 3 (individueel)

HT-

Restwarmte (LT)

Restwarmte waterstof

L

L

0%

0%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

10%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

27%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Biomassa

Restwarmte (HT/MT)

L

R

L

R

0%

10%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

6. Loon op Zand

0%

0%

0%

7. Oisterwijk

0%

0%

8. Tilburg

0%

9. Waalwijk

0%

A tuinbouwgebied Dongen B tuinbouwgebied Heusden

Variant B (met name all- electric)

Groengas

All-electric

R

I

I

0%

0%

27%

63%

0%

0%

0%

27%

63%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

0%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

0%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

19%

44%

0%

10%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

27%

63%

50%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

15%

35%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

30%

70%

SEO ECONOMISCH ONDERZOEK

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/483/documents/14639