260818-1 Bijlage vr37 D66- Vergelijking verordening met VNG model
Tekst van het document
Vergelijking verordening Jeugdhulp Halderberge met het VNG model (februari 2026) 13 juli 2026 Vraag is: waarom worden er bepaalde keuzes gemaakt? Dus waarom worden facultatieve keuzes wél of juist niet overgenomen? Waarom zijn er bepaalde aanpassingen gedaan, waardoor afgeweken wordt van het VNG model. Het gaat hierbij dus niet om de vraag of het juridisch klopt, maar waarom? We willen graag de overwegingen weten waarom deze keuzes gemaakt worden. VNG model VNG Model Leeswijzer modelbepalingen - [...] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen. - [iets OF iets] = doorgemeente te kiezen. - [iets] = facultatief. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Combinaties zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld een bepaling die zowel facultatief is als een keuzemogelijkheid inhoudt. Ook wordt er gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Hierbij kan het voorkomen dat de ene variant uit meer artikelen of artikelleden bestaat dan een andere variant. Let op dat de nummering of lettering bij het niet overnemen van een facultatief artikel, lid, of onderdeel moet worden aangepast. Bij een opsomming wordt zo nodig achter het voorlaatste onderdeel "en" of "of" geplaatst en wordt het laatste onderdeel afgesloten met een "." of een "," als er nog een staa rttekst volgt. ... = toevoeging/aanpassing/keuze in verordening Halderberge ..
= weggelaten in verordening Halderberge Artikel 3 Lid 2 toegevoegd:
Alvorens de jeugdhulpaanbieder de voorgestelde jeugdhulp inzet, stemt hij de geïndiceerde zorg met het college af conform contractuele afspraken. Antwoord: Deze bepaling is toegevoegd om de regierol van de gemeente expliciet vast te leggen. Binnen het stelsel van West-Brabant West blijft de gemeente verantwoordelijk voor de organisatie, financiering en rechtmatige uitvoering van jeugdhulp. Ook wanneer een verwijzing afkomstig is van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts, wordtvan aanbieders verwacht dat zij werken binnen de regionale afspraken en de arrangementsystematiek van West-Brabant West. De bepaling verduidelijkt dat de jeugdhulpaanbieder de voorgestelde inzet van jeugdhulp afstemt met het college conform de contractuele afspraken. Hiermee wordt aangesloten bij de werkwijze zoals beschreven in de Jeugdhulpcatalogus en wordt de gemeentelijke regierol expliciet verankerd in de verordening. Lid 4 en 5 tekst (deels) niet overgenomen (lid 4 t/m 7 in VNG model): x. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. x.
Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen [(tien)] weken na ontvangstvan de aanvraag. x. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. x. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen [(4)] weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. Antwoord: Bij artikel 4 is gekozen voor een eenvoudiger aanvraagprocedure die aansluit bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom is het begrip `eerste contact' vervangen door `eerste intakegesprek', omdat vanaf dat moment de beslistermijn gaat lopen. Daarnaast is de bepaling dat een ondertekend verslag als aanvraag kan gelden niet overgenomen, omdat deze in de praktijk overbodig is. Ook is de beslistermijn uit het VNG-model niet opgenomen, omdat deze al volgt uit de Awb. Daarmee worden onnodige dubbelingen in de verordening voorkomen. 2
Artikel5 Lid 1 tekst (deels) niet overgenomen: 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk[, maar uiterlijk binnen [(zes)] weken,] een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraakvoor een gesprek. [In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen. ] Lid 5c en d aanpassingen: VNG Model I Halderberge c. of sprake is van psychische problemen c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, adoptiegerelateerde problemen, en zo ja 1 opvoedingsproblemen van de ouder(s), dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1O. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijnen maatschappelijk te participeren; 3°.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en 4°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuningen hulp; adoptiegerelateerde problemen of meervoudige problematiek in de context van het gezin; d. of er sprake is van maatschappelijke, financiële of eigen psychische of relationele problemen bij ouders, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: 1O. welke problemen of stoornissen dat zijn; 2°. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; 3°. of ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben ten gevolge van maatschappelijke, financiële of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en daarvoor inzet nodig is vanuit zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; 3
4°. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuningte kunnen bieden; 5°. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; Antwoord: Bij artikel 5 is gekozen voor een verdere uitwerkingvan het onderzoek naar de hulpvraag. De wijzigingen zijn aangebracht om meer nadrukte leggen op rollen, verantwoordelijkheden en de bredere context waarin hulpvragen ontstaan. Daarom is expliciet opgenomen dat ookwordt gekeken naar meervoudige problematiek binnen het gezin en naar maatschappelijke, financiële, psychische of relationele problemen van ouders. Daarmee wordt beter zichtbaar welke ondersteuning nodig is en vanuitwelk wettelijk kader die ondersteuning het meest passend kan worden geboden. De bepaling uit de modelverordening dat een aanvraag tijdens het onderzoek kan worden gewijzigd, is niet overgenomen. Het onderzoek is juist bedoeld om de hulpvraag en ondersteuningsbehoefte nader te verhelderen voordat een aanvraag wordt beoordeeld. Een afzonderlijke bepaling hieroverwordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Artikel 8 Lid 3 en 4 (deels) niet overgenomen en tekst aangepast: 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. 4. Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er 2
een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraagvooreen individuele voorziening. Tekst Halderberge (laatste lid): ..., dan geldt het verslag voorzover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Dat wordt schriftelijk bevestigd. Antwoord: Bij artikel 8 is ervoor gekozen de verplichte ondertekening van het verslag, het gezinsplan en het arrangement niet over te nemen. Voor een verplichte ondertekening bestaat geen afzonderlijke wettelijke grondslag. Daarnaast bleek inde praktijk dat het organiseren van ondertekeningvan deze documenten leidde totvertraging bij de inzet van zorg. De verordening sluit daarom aan bij een werkwijze waarbij het college verantwoordelijk is voor het uitvoeren en vastleggen van het onderzoek. Jeugdigen en ouders ontvangen een schriftelijke weergave van het onderzoek, kunnen opmerkingen en aanvullingen laten opnemen in het verslag en het college vergewist zich ervan dat zij de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen. Wanneer tijdens het onderzoek gezamenlijk wordt geconcludeerd dat een individuele voorziening niet nodig is, geldt een eventueel al ingediende aanvraag als ingetrokken. Deze intrekking wordt schriftelijk bevestigd.
Het college acht een schriftelijke bevestiging in die situatie voldoende en ziet daarom geen noodzaak om daarnaast een verplichte ondertekening van het verslag voor te schrijven Artikel 9 Lid 2 keuze gemaakt voorvolgende tekst: wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024 zoals deze luidden op 1 januari 2024 Lid 5 t/m 7 aanpassingen en keuze voor facultatieve tekst: VNG Model Halderberge 5. Een individuele voorziening jeugdhulp 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college doorvastte stellen of de het college doorvastte stellen of de individuele voorziening wezenlijk individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de 5
hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 6. Eris sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde `erkend' in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databankvoor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg); [d. [...]. ] [7. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naarhet oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing als erparallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.] bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. 6.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening. 7. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallelaan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin. Antwoord: Bij artikel 9 is gekozen om de criteria voortoekenning van een individuele voorziening nader uitte werken. Daarbij is voorde beoordeling van gebruikelijke zorg aangesloten bij de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2024. Dit biedt professionals een herkenbaar en eenduidig beoordelingskader bij de afwegingwat redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht. 6
Daarnaast zijn bepalingen toegevoegd over situaties waarin sprake is van maatschappelijke, financiële, psychische of relationele problemen bij ouders en over meervoudige problematiek inde context van het gezin. Hiermee wordt verduidelijkt dat niet iedere hulpvraag binnen het gezin automatisch leidt tot inzet van jeugdhulpen dat eerst moet worden beoordeeld welke ondersteuning passend is en vanuit welk wettelijk kader die ondersteuning het best kan worden geboden. De bepalingen uit de VNG-modelverordening over bewezen effectieve interventies zijn niet overgenomen. Hiervoor is gekozen omdat niet voor alle vormen van jeugdhulp erkende interventies beschikbaarzijn die zijn opgenomen in landelijke databanken of standaarden. Het college heeft daarom gekozen voor een bredere toets, namelijk of de voorziening naar verwachting wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige. Daarmee blijft ruimte bestaan voor professionele afwegingen en maatwerk, terwijl tegelijkertijd wordt beoordeeld of de ingezette ondersteuning doeltreffend is Artikel 10 Lid 5b Keuze: de duurvan de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; Antwoord: Bij artikel 10 is gebruikgemaaktvan de keuzeruimte die de VNG-modelverordening biedt door als uitgangspunt een periode van drie maanden op te nemen.
Dezetermijn is bedoeld als praktisch beoordelingskader voor professionals bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting van ouders. Het betreft geen harde norm; de individuele omstandigheden van de jeugdige, oudersen het gezin blijven altijd leidend bij de beoordeling. Artikel 11 Lid 1 facultatieve keuze niet overgenomen: 4. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijkzijn voorvervoer van de jeugdige van en naar dejeugdhulpaanbieder. [Hierbij wordt [aantal] keer brengen en halen rijden per week in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s). ] Lid 5 facultatieve keuze niet overgenomen: 7
[5. Als naarhet oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening vo orliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. ] Antwoord: De facultatieve bepalingen over een vast aantalvervoersbewegingen en het automatisch voorliggend verklaren van een voorziening zonder vervoersindicatie zijn niet overgenomen. Hiervoor is gekozen omdat de noodzaak van vervoer afhankelijk is van de individuele omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Daarom is gekozen voor een individuele beoordeling, waarbij het college steeds afweegt of ouders, jeugdige of netwerk redelijkerwijs zelf in het vervoer kunnen voorzien en of een vervoersvoorziening noodzakelijk is. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van eigen verantwoordelijkheid en maatwerk. De nadere uitwerking van het afwegingskader voor vervoer wordt opgenomen in afzonderlijke beleidsregels jeugdhulpvervoer. Artikel 12 Lid 2 facultatieve keuze niet overgenomen: [2.
Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voorde jeugdige nadat de ED- specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs [naam] op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling[versie] van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.] Antwoord: De facultatieve bepaling is niet overgenomen omdat de toegang tot Ernstige Dyslexiezorg binnen West-Brabant West al regionaal is geregeld via samenwerkingsverbanden passend onderwijs en een gezamenlijk protocol Ernstige Dyslexie. De poortwachtersfunctie van de samenwerkingsverbanden volgt uit deze regionale afspraken, waardoor opname in de verordening niet noodzakelijk is. Artikel 13 Keuze voorfacultatieve tekst inclusief aanpassingen: VNG Model Halderberge [Artikel 13. Vaktherapie Artikel 13. Vaktherapie 1. Vaktherapie is een non-verbale 1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de ervaren. overkoepelende naam voor de volgende Vaktherapie is de overkoepelende naam vaktherapeutische disciplines: voor de volgende vaktherapeutische a. beeldende therapie; disciplines: b. danstherapie; a. beeldende therapie; E:3
c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; en g. speltherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Datis een professional die [een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht]. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wetals naarhet oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan dejeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is. 4. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het [Sociaal Wijkteam OF CJG OFD ..]] moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling. 5. Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van [een regiebehandelaar OF een professional die is ingeschreven in het Register Vaktherapie]. 6. Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gem eente is [aantal] uren op jaarbasis.
[Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet. OF Als ouders aanvullend b. danstherapie; c. dramatherapie; d. muziektherapie; e. psychomotorische therapie; f. psychomotorische kindertherapie; g. speltherapie; en h. dierentherapie 2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. 3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan dejeugdhulp als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling bij complexe of meervoudige problematiek en als er geen alternatief beschikbaar is. 4. Vaktherapie bij enkelvoudige problematiek wordt ingezet via de Zorgverzekeri ngswet. 9
verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.] Antwoord: De facultatieve bepaling overvaktherapie is overgenomen, maar aangepast om aan te sluiten bij de regionale inkoopstrategie. Daarom is expliciet opgenomen dat vaktherapie vanuit de Jeugdwet alleen kan worden ingezet als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling bij complexe of meervoudige problematiek en wanneer geen passend alternatief beschikbaar is. Daarnaast is verduidelijkt dat vaktherapie bij enkelvoudige problematiek via de Zorgverzekeringswet wordt ingezet. De bepalingen uit de modelverordening over kwaliteitseisen, advisering, regiebehandelaars en maximale behandeluren zijn niet opgenomen in de verordening. Deze onderwerpen worden nader uitgewerkt in beleidsregels. Artikel 14 Keuze voor facultatieve tekst: [Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. 2.
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.] Antwoord: Deze facultatieve bepaling is opgenomen om de grens tussen kinderopvang en jeugdhulp duidelijker af te bakenen. Uitgangspunt is dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp zijn. Alleen wanneer vanwege een hulpvraag aanvullende specialistische begeleiding noodzakelijk is die niet door de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Artikel 15 10
Lid 1: Keuze voor facultatieve tekst: [ 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder gevat aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. ] Lid 4 facultatieve keuze niet overgenomen: [4. Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 8, maaktin zijn geheel deel uit van de beschikking.] Antwoord: De bepaling over de inhoud van de beschikking is overgenomen om de rechtszekerheid en begrijpelijkheid van besluiten te versterken. De bepaling dat het volledige onderzoeksverslag onderdeel uitmaaktvan de beschikking is niet overgenomen, omdat het college ervoor heeft gekozen de motivering van het besluit in de beschikking zelf op te nemen. Het onderzoeksverslag vormt daarbij wel de basisvoorde besluitvorming, maarwordt niet automatisch integraal toegevoegd aan de beschikking. Artikel 16 Lid 4 t/m 5 Toegevoegd: 4. Het college verstrekt geen pgb als er sprake is van een minderjarige die een kinderbescherming- of jeugdreclasseringmaatregel heeft gekregen, spoedzorg nodig heeft of een jeugdige die jeugdzorg nodig heeft met een verblijfscomponent. 5.
Het college verstrekt geen pgb voor jeugdigen jonger dan drie jaarvoor informele zorg, omdat voor kinderen onder de drie jaar altijd toezicht en nabijheid vereist is, conform beleidsregels indicatiestelling Wlz. 6. Het college verstrekt geen pgb wanneer de aanvrager naar het oordeel van de Jeugdprofessional onvoldoende inzicht geeft inde leefsituatie van het gezin en sociaal netwerk. Antwoord: Bij artikel 16 is ervoorgekozen om bepalingen die voorheen in beleidsregels waren opgenomen, op te nemen in de verordening. Hiermee worden de voorwaarden voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget transparanter en beter kenbaar voor inwoners, professionals en wanbieders. De aanvullende bepalingen zijn opgenomen omdat het college van oordeel is dat een pgb niet in alle situaties een passende of verantwoorde vorm van ondersteuning is. In situaties waarin sprake is van spoedzorg, verblijf, kinderbeschermingsmaatregelen of 11
jeugdreclassering zijn continuïteit, veiligheid, toezicht en professionele regie van groot belang. Het college acht zorg in natura in dergelijke situaties beter passend en beter uitvoerbaar. De bepaling voorjeugdigen jonger dan driejaar is opgenomen omdat op deze leeftijd voortdurend toezicht en nabijheid uitgangspunt zijn. Hiervoor is aangesloten bij de uitgangspunten uit de beleidsregels indicatiestelling Wlz. De bepaling overvoldoende inzicht in de leefsituatie van het gezin en het sociale netwerk is opgenomen omdat het college alleen kan beoordelen of een pgb passend, veilig en verantwoord kan worden ingezet als voldoende inzicht bestaat in de situatie van de jeugdige en het gezin. Artikel 17 Lid 2a facultatieve keuze niet overgenomen: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder[, tenzij [hiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige]]; Antwoord: Bij artikel 17 is ervoor gekozen om de criteria voor pgb-vaardigheid, die voorheen waren opgenomen in de beleidsregels, op te nemen in de verordening.
Hiermee wordt voor inwoners, professionals en aanbieders duidelijker welke voorwaarden gelden voor het verantwoord beheren van een persoonsgebonden budget De facultatieve uitzondering uit de modelverordening voor situaties waarin de persoon die het budget beheert ook de jeugdhulp verleent, is niet overgenomen. Hiervoor is gekozen omdat het college het belangrijk vindt dat het beheer van een pgb onafhankelijk kan worden uitgevoerd en dat belangenverstrengeling zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarom wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de persoon die de zorg verleent niet tegelijkertijd verantwoordelijk is voor het beheer van het budget. De bepaling is daarbij geformuleerd als een "in beginset"-bepaling, zodat ruimte blijft bestaan voor een individuele beoordeling van de situatie. Artikel 20 Lid 2 t/m 5 aanpassingen: VNG Model Halderberge 2. De hoogte van het pgb voor informele 2. De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt [(minimaal 100)]% jeugdhulp wordt vastgesteld op basis van van hetwettelijke minimumloon. de beleidsregels Wet Langdurige zorg. Bij 12
3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: a. de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t-1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en b. het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. [5. Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt doorhet college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.] 6. Met inachtnemingvan voorgaande bepalingen stelt het college de pgb- tarieven vast in nadere regels. [7.
Het college maaktminimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.] de classificatie wordt daarbij uitgegaan van het aantal uren per klasse. 3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt overeenkomstig het vastgestelde tarieventabel pgb Wlz, gepubliceerd door de Nederlandse Zorg Autoriteit. 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager bedrag kan worden ingekocht. 5. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb- tarieven vast in nadere regels. Antwoord: Naar aanleiding van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de daarop aangepaste VNG-modelverordening is gekozen voor aansluiting bij de systematiek van 13
de Wet langdurige zorg (Wlz) voor de bepalingen indexering van tarieven voor informele hulp. De Wlz biedt een bestaand, objectief en landelijk toegepast kader voor de waardering van informele zorg. Hierdoor ontstaat meer uniformiteit, rechtszekerheid en voorspelbaarheid bij de vaststelling van tarieven dan wanneer iedere gemeente hiervoor een eigen systematiek ontwikkelt. De verdere uitwerking vindt plaats in nadere regels. Artikel 21 Lid f t/m h keuze voor facultatieve tekst: [f. kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;] [g. kosten voorhulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);] [h. kosten vooreen aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;] Antwoord: Deze facultatieve bepalingen zijn opgenomen om duidelijk af te bakenen welke kosten wel en niet vanuit een pgb kunnen worden vergoed. Het pgb is bedoeld voor de inkoop van jeugdhulp en niet voor bijkomende kosten zoals vervoer waarvoor geen vervoersvoorziening is toegekend, crisishulp of de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Hiermee wordt de rechtmatige besteding van pgb-middelen bevorderd en ontstaat meer duidelijkheid voor inwoners en aanbieder. Artikel 23 Keuze voor facultatieve tekst: [Artikel 23. Niet meewerken ouder(s) 1.
De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan doorhet college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.] Antwoord: Deze facultatieve bepaling is opgenomen om expliciet vast te leggen dat jeugdigen en ouders, binnen hun mogelijkheden, meewerken aan het onderzoek en aan de beoordeling van de benodigde jeugdhulp. Zonder voldoende medewerking kan het 14
college niet zorgvuldig vaststellen welke ondersteuning nodig is en of de ingezette hulp doelmatig en effectief is. Met deze bepaling wordt verduidelijkt welke verantwoordelijkheid jeugdigen en ouders hebben binnen het onderzoeks- en besluitvormingsproces. Artikel 24 Lid 2g en 3 keuze: g. de jeugdige langer dan vierweken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostigingvan de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Antwoord: Bij artikel 24 zijn bepalingen die voorheen waren opgenomen in zowel de verordening als de beleidsregels samengebracht in één regeling. Hiermee wordt duidelijker vastgelegd in welke situaties een eerder genomen besluit kan worden herzien of ingetrokken. De keuze voor een termijn van vier weken verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet is opgenomen om te kunnen beoordelen of een jeugdige nog is aangewezen op een voorzieningvanuit de Jeugdwet. Wanneer gedurende langere tijd ondersteuning vanuit een anderwettelijk kaderwordt ontvangen, kan aanleiding bestaan om een eerder verstrekte voorziening te heroverwegen.
De termijn van zes maanden voor het daadwerkelijk aanwenden van een pgb is opgenomen om te voorkomen dat een toegekend budget ongebruikt blijft terwijl de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt niet wordt ingezet. Hiermee wordt een doelmatige inzet van publieke middelen bevorderd. Artikel 26 Lid 3 keuze voor facultatieve tekst: [3. het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over on eigenlijk gebruiken fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.] Deze facultatieve bepaling is opgenomen om de rechtmatigheid en doelmatigheid van verstrekte voorzieningen beter te kunnen waarborgen en om misbruik en oneigenlijk gebruik van jeugdhulp en persoonsgebonden budgetten tegen te gaan. Antwoord: 15
Het college heeft op grond van de Jeugdwet de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met publieke middelen en toezicht te houden op een rechtmatige uitvoering van de wet. Door deze bepaling expliciet op te nemen wordt verduidelijkt dat toezicht, controle en het onderzoeken van signalen van mogelijk misbruik onderdeel zijn van die verantwoordelijkheid. Daarnaast biedt de bepaling een grondslag om signalen van onrechtmatig gebruik zorgvuldig te onderzoeken en waar nodig passende maatregelen te treffen. Hiermee wordt niet alleen de rechtmatige besteding van publieke middelen bevorderd, maar ook het vertrouwen in het jeugdhulpstelsel en een gelijke behandeling van inwoners versterkt. Artikel 27 Lid 4 keuze voor facultatieve tekst: [4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.] Antwoord: Deze facultatieve bepaling is opgenomen om jeugdigen en ouders te ondersteunen wanneer tijdens het onderzoek blijkt dat ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) meer passend is dan een voorziening op grond van de Jeugdwet. Hiermee wordt geborgd dat inwoners bij een overgang naar een ander wettelijk kader passende ondersteuning krijgen bij het aanvragen van de juiste voorziening.
De bepaling sluit aan bij het uitgangspunt dat niet alle hulpvragen onder de Jeugdwet vallen en dat een zorgvuldige afbakening tussen wettelijke voorzieningen noodzakelijk is. Artikel 30 Keuze voor facultatieve tekst: [Artikel 30. Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.] Antwoord: Deze facultatieve bepaling is opgenomen om te borgen dat jeugdigen, ouders en wettelijk vertegenwoordigers beschikken over een duidelijke en toegankelijke klachten regeling voor de afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen. Hiermee worden rechtsbescherming en zorgvuldige dienstverlening versterkt. 16
Artikel 32 uit VNG model Keuze om facultatieve tekst niet over te nemen: [Artikel 32. Evaluatie 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per [...]jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens [...] jaarna de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. 2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie over: a. (...]; b.[...];en c. ~...]. ] Antwoord: De evaluatiebepaling uit de VNG-modelverordening is niet overgenomen omdat monitoring, evaluatie en verantwoording over de uitvoering van de Jeugdwet al onderdeel zijn van de reguliere planning- en controlcyclus, bestuursrapportages en verantwoordingsmomenten richting de gemeenteraad. Een afzonderlijke evaluatieverplichting in de verordening werd daarom niet noodzakelijk geacht. Daarbij speelt mee dat de effecten van dejeugdhulp vooralzichtbaar worden in de uitvoering van de Jeugdwet en minder in de verordening als juridisch kader. De verordening beoogt duidelijkheid te bieden over verantwoordelijkheden, beoordelingskaders en procedures, terwijl de feitelijke effecten vooral zichtbaarworden in de toegang tot ondersteuning, de uitvoering van dejeugdhulp en de ervaringen van inwoners.
Dit laat onverlet dat het college heeft toegezegd de werking van de verordening na één jaarte evalueren en de raad hierover te informeren. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar ontwikkelingen in indicaties en pgb's, maar ook naar ervaringen uit de uitvoering, eventuele knelpunten, signalen over rechtszekerheid, bezwaren, klachten en de toepasbaarheid van de bepalingen in de praktijk. 17