CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

260611 Vragen en antwoorden Verordening jeugd (110626) - nav cie 030626

Commissie Samenleving, Middelen en Veiligheid 1 oktober 2026, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 4: Verordening Jeugdhulp6.838 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening Inleiding Voor u ligt de geactualiseerde Verordening Jeugdhulp van de gemeente Halderberge. Deze verordening vormt het juridische kader voor de toegang tot en inzet van jeugdhulp binnen onze gemeente. De verordening staat niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit van bredere ontwikkelingen binnen de jeugdhulp zoals de Hervormingsagenda Jeugd, landelijke jurisprudentie en de regionale samenwerking binnen West-Brabant West. Aanleiding en achtergrond De herziening van de verordening vindt plaats tegen de achtergrond van: • een toename van het aantal jeugdigen in de jeugdhulp; • complexere hulpvragen; • en oplopende kosten. Tegelijk bestaat de behoefte om duidelijker af te bakenen: • wat onder de jeugdhulpplicht van de gemeente valt; • en welke verantwoordelijkheid bij ouders en het netwerk ligt. De verordening verduidelijkt het toetsingskader en biedt houvast bij de beoordeling van hulpvragen, met als doel passende inzet van jeugdhulp. Regionale samenwerking West-Brabant West De gemeente Halderberge werkt samen binnen de jeugdhulpregio West-Brabant West (WBW). Deze samenwerking is nodig vanwege de complexiteit, schaarste en kosten van specialistische jeugdhulp. Binnen deze samenwerking worden afspraken gemaakt over inkoop, kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. De verordening sluit hierbij aan en draagt bij aan een uniforme en uitvoerbare werkwijze binnen de regio.

Juridisch kader De verordening is gebaseerd op: • de Jeugdwet; • de VNG-modelverordening; • en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De verordening biedt een juridisch kader voor de beoordeling van aanvragen. Dit betekent dat in iedere situatie een individuele beoordeling plaatsvindt, binnen de kaders van de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht Plaats van de verordening De verordening moet worden gezien als: • het juridische kader van het jeugdstelsel; • één van de instrumenten binnen de Hervormingsagenda; Dit voorstel bevat geen nieuw jeugd- en preventiebeleid, maar sluit aan op eerder door de raad vastgestelde beleidskaders. De inhoudelijke sturing op de ontwikkeling van de jeugdhulp vindt plaats via beleid, begroting, regiovisie en uitvoering. Rol van de gemeenteraad De gemeenteraad: • stelt de verordening vast en kan waar nodig deze wijzigen; • en controleert het college op de uitvoering. Bij het vaststellen van de verordening vindt daarmee de afweging plaats binnen landelijke kaders, jurisprudentie en regionale afspraken, die richting geven aan de inhoud van de verordening. De nadere uitwerking en uitvoering liggen bij het college. De beleidsregels worden door het college vastgesteld en treden gelijktijdig met de verordening in werking. Leeswijzer In deze notitie zijn de vragen van de fracties gebundeld en beantwoord.

Waar nodig is daarbij ingegaan op de juridische en inhoudelijke achtergrond van de verordening. Vragen en antwoorden VVD 1. VVD vraagt op welke wijze de portefeuillehouder een vinger aan de pols houdt om misbruik of oneigenlijk gebruik van pgb’s te voorkomen. Antwoord Het voorkomen van misbruik van pgb’s wordt op twee manieren geborgd: enerzijds via het versterken en verder opzetten van toezicht op rechtmatigheid en zorgfraude, en anderzijds via duidelijke voorwaarden in de verordening zelf. De gemeente werkt hierbij samen met de regio. In de verordening zijn extra waarborgen opgenomen bij het verstrekken van een pgb, zoals: • een verplicht pgb-plan met motivatie, zorginhoud, kwaliteit en kosten; • een toets op pgb-vaardigheid van de budgethouder; • eisen aan kwaliteit en doelmatigheid; • en duidelijker omschreven weigeringsgronden. Daarnaast gelden verplichtingen voor: • verantwoording van de besteding; • toezicht en controle door of namens de gemeente; • en een meldplicht bij incidenten of onregelmatigheden. Het toezicht op rechtmatigheid en zorgfraude wordt momenteel verder ingericht. Hierbij wordt met de regio toegewerkt naar een meer structurele en integrale vorm van toezicht. Lokaal Halderberge 2. Lokaal Halderberge vraagt hoe de uitvoerbaarheid van deze verordening voor professionals wordt beoordeeld.

Antwoord De verordening geeft duidelijke kaders voor de beoordeling van hulpvragen en de inzet van jeugdhulp. De uitvoerbaarheid wordt geborgd door: • nadere uitwerking in beleidsregels en werkinstructies; • scholing en ondersteuning van professionals; • en ruimte voor het professioneel oordeel in de individuele situatie. Dit zorgt ervoor dat professionals eenduidiger kunnen werken, terwijl maatwerk per situatie mogelijk blijft. 3. Lokaal Halderberge vraagt hoe de uitgangspunten van preventie en normalisering concreet worden geborgd in de verdere uitwerking van de verordening. Antwoord De uitgangspunten van preventie en normalisering worden niet in de verordening zelf juridisch vastgelegd, maar krijgen vorm in de uitvoering en het beleid. 4. Lokaal Halderberge vraagt hoe ouders, jongeren en professionals worden betrokken bij de verdere uitwerking van beleidsregels en werkinstructies. Antwoord De verdere uitwerking van de beleidsregels en werkinstructies vindt plaats in de uitvoeringsfase. De verordening en de beleidsregels vormen een uitwerking van wetgeving en jurisprudentie (o.a. Centrale Raad van Beroep) en geven het kader waarbinnen professionals handelen. Beleidsregels worden niet vooraf getoetst op hoe deze in de praktijk werken. De toepassing ontwikkelt zich in de uitvoering.

Bij de uitwerking en toepassing geldt het volgende: • Professionals in direct contact staan met ouders en jongeren en signaleren of beleidsregels belemmerend werken in het hulpverleningsproces. • Waar nodig gemotiveerd van regels worden afgeweken om passende zorg te bieden. • Ouders en jongeren worden betrokken via hun ervaringen met het aanvraagproces en de uitvoering. Deze ervaringen worden systematisch opgehaald via het cliëntervaringsonderzoek. 5. Lokaal Halderberge vraagt welke aanvullende financiële risico’s of scenario’s er zijn waar de raad rekening mee moet houden. Antwoord De belangrijkste risico’s liggen niet in de verordening zelf, maar in de ontwikkeling van de vraag naar jeugdhulp. De verordening bevat wel de financiële gevolgen van de pgb-indexering. De grotere onzekerheid zit in de omvang en ontwikkeling van de jeugdhulpvraag. De inzet op preventie en doelmatigheid is gericht op het verminderen van die ontwikkeling. 6. Lokaal Halderberge vraagt of de raad na invoering inzicht kan krijgen in de effecten van de verordening, bijvoorbeeld op aanvragen, toekenningen, afwijzingen en bezwaarprocedures. Antwoord Na invoering van de verordening wordt de gemeenteraad na één jaar geïnformeerd over de effecten in de praktijk. Daarbij wordt gekeken naar ontwikkelingen in: • het aantal indicaties voor jeugdhulp; • en het aantal pgb’s.

Deze gegevens worden vergeleken met de situatie voorafgaand aan de invoering van de nieuwe verordening. Op basis van deze vergelijking kan een beeld worden gegeven van eventuele veranderingen en in hoeverre deze samenhangen met de aanpassing van de verordening. De uitkomsten worden via een raadsmededeling met de raad gedeeld. CDA 7. CDA vraagt waarom er geen expliciete hardheidsclausule is opgenomen en of er voldoende ruimte voor maatwerk blijft. Antwoord In de verordening is geen expliciete hardheidsclausule opgenomen. Dit betekent echter niet dat maatwerk ontbreekt. In het jeugdstelsel is elke aanvraag per definitie maatwerk: het gaat altijd om het bieden van passende zorg. Bij iedere aanvraag vindt een zorgvuldig individueel onderzoek plaats, in samenspraak met ouders en jeugdige, om vast te stellen wat er speelt en welke ondersteuning nodig is. Op basis daarvan wordt gezamenlijk bepaald welke vorm van hulp het meest passend is. Maatwerk wordt daarnaast juridisch geborgd via: • het individuele onderzoek; • de beoordeling van noodzaak en passendheid; • artikel 4:84 Algemene wet bestuursrecht (afwijkingsbevoegdheid); • en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij geldt dat het college op grond van artikel 4:84 Awb verplicht is om in individuele gevallen van beleid af te wijken als toepassing daarvan tot onevenredige gevolgen leidt.

Daarmee is maatwerk niet alleen mogelijk, maar in individuele gevallen ook verplicht. PvdA / GroenLinks 8. PvdA/GroenLinks merkt op dat de verordening juridische bepalingen bevat, terwijl gemeenteraadsleden geen juristen zijn. Zij willen een juridische onderbouwing van alle bepalingen, zodat een zorgvuldige en goed geïnformeerde afweging kan worden gemaakt. Een afzonderlijke juridische analyse per bepaling is niet opgesteld, omdat de verordening de juridisch getoetste VNG‑modelverordening volgt en integraal door juristen is beoordeeld. 9. PvdA/Groen Links stelt dat artikel 10, lid 5 een kille bezuinigingsmaatregel is over de rug van werkende ouders en vraagt om dit artikel te schrappen. Antwoord Artikel 10, lid 5 is bedoeld als onderdeel van de beoordeling van overbelasting van ouders en niet als generieke verplichting om arbeid te verminderen. Deze bepaling is opgenomen in lijn met de modelverordening van de VNG en vindt mede zijn grondslag in het Burgerlijk Wetboek. Hierin is de zorgplicht van ouders verankerd. In de verordening is expliciet opgenomen dat dit plaatsvindt binnen een brede, individuele afweging, waarbij verschillende factoren worden meegewogen. Voorbeelden hiervan zijn de intensiteit van de zorg, de gezinssituatie en de noodzaak om in een inkomen te voorzien.

Zorgvuldige besluitvorming en een gedegen onderzoek in de individuele situatie zijn daarbij essentieel. Dit betekent dat: • het verminderen van arbeid één van de factoren is in de beoordeling; • het college altijd een individuele afweging per situatie maakt; • en dat, als dit niet redelijk is, jeugdhulp wordt ingezet. Er is dus geen automatische verplichting, maar een afwegingskader Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep laat ruimte voor een individuele beoordeling van wat in een concrete situatie van ouders kan worden verwacht, mits dit zorgvuldig en zonder financiële draagkrachttoets plaatsvindt. Als PvdA/Groen Links een bepaling wenst te wijzigen of te schrappen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening. 10. PvdA/Groen Links stelt dat Artikel 10, lid 5 – 3‑maanden grens een starre norm is en dat ook kortdurende zorg tot ernstige overbelasting kan leiden. Hoe wordt dit in de praktijk toegepast en blijft er ruimte voor maatwerk in individuele situaties? Antwoord De verordening benoemt de 3-maanden grens als uitgangspunt en niet als absolute norm. Het is een richtlijn in de beoordeling. De duur van de zorg is één van de factoren bij de vraag in hoeverre een beroep op eigen kracht van ouders redelijk is.

Daarbij worden altijd ook andere omstandigheden zorgvuldig meegewogen, zoals: • de intensiteit van de zorg; • de gezinssituatie; • en de mogelijkheden van ouders. In de praktijk vindt altijd een zorgvuldig en individueel onderzoek plaats. Dit betekent dat: • ook bij kortdurende zorg sprake kan zijn van (ernstige) overbelasting; • het uitgangspunt kan worden losgelaten wanneer de situatie daarom vraagt; • en dat, als eigen kracht niet toereikend is, jeugdhulp wordt ingezet. Er blijft daarmee ruimte voor maatwerk. 11. PvdA/Groen Links stelt dat artikel 10, lid 3 ertoe leidt dat ouders eerst hun aanvullende zorgverzekering moeten aanspreken voordat de gemeente helpt, en dat daarmee de publieke verantwoordelijkheid van de gemeente wordt afgewenteld op private verzekeringen en de portemonnee van inwoners. Dit artikelonderdeel moet worden geschrapt. De overheid hoort haar eigen wettelijke taken te financieren. Antwoord Artikel 10, lid 3 bepaalt dat het beschikken over een aanvullende zorgverzekering wordt betrokken bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Dit betekent dat wordt gekeken of er bestaande voorzieningen zijn waar gebruik van kan worden gemaakt. Dit laat de verantwoordelijkheid van de gemeente om, waar nodig, jeugdhulp in te zetten onverlet.

Dit sluit aan bij artikel 1.2, eerste lid, onder a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente geen voorziening hoeft te treffen als er recht bestaat op zorg op grond van een andere wet, zoals de Zorgverzekeringswet. Daarbij geldt dat de benodigde zorg daadwerkelijk en tijdig beschikbaar moet zijn. Indien dat niet het geval is, bijvoorbeeld bij wachttijden, blijft inzet van jeugdhulp aan de orde. Het betrekken van een aanvullende verzekering maakt daarmee onderdeel uit van de afweging, maar vervangt niet de verantwoordelijkheid van de gemeente om passende jeugdhulp te bieden Als PvdA/Groen Links een bepaling wenst te wijzigen of te schrappen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening. 12. PvdA/Groen Links stelt dat artikel 3 een extra afstemmings- of goedkeuringsstap invoert tussen de verwijzing van de huisarts en de inzet van zorg, en dat hiermee een drempel wordt opgeworpen die volgens hen niet thuishoort in een lokale verordening. Dit artikelonderdeel hoort niet thuis in een lokale verordening en moet er gewoon volledig uit. PvdA/Groen Links eist dat de onwettige drempels voor de huisarts uit Artikel 3 worden geschrapt . Antwoord Artikel 3 bevestigt dat de huisarts, medisch specialist of jeugdarts een jeugdige kan verwijzen naar jeugdhulp. De verordening laat dit uitgangspunt dus in stand.

Tegelijkertijd regelt artikel 3 ook de wijze waarop die jeugdhulp wordt ingezet en bekostigd binnen het gemeentelijke stelsel. Daarbij is bepaald dat: • de aanbieder de inzet van zorg vooraf afstemt met het college; • en dat jeugdhulp in beginsel wordt geleverd via een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Deze aanbieders hebben een kwaliteitstoets ondergaan gericht op gekwalificeerd personeel, continuïteit van de organisatie, registraties etc. Zij verbinden zich met dit contract ook aan de tarieven en de werkwijze in onze regio. Daarmee wordt voorkomen dat partijen zonder de juiste registraties en opleidingen voor zeer hoge tarieven zorg gaan bieden aan onze inwoners. De verwijzing door de huisarts zelf wordt hiermee niet beperkt. De gedachte hierachter is dat de gemeente op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk is voor de organisatie, kwaliteit en betaalbaarheid van de jeugdhulp. Om die verantwoordelijkheid te kunnen uitvoeren, maakt de gemeente afspraken met aanbieders over onder andere kwaliteit, tarieven en beschikbaarheid van zorg. Dit betekent dat: • de huisarts een rol houdt in het signaleren van de noodzaak van zorg en het verwijzen; • de gemeente vervolgens verantwoordelijk is voor hoe en waar die zorg wordt geleverd en vergoed.

Daarmee beperkt de verordening de verwijzing zelf niet, maar regelt zij de uitvoering van jeugdhulp binnen het gemeentelijke systeem van contractering en sturing. Als PvdA/Groen Links een bepaling wenst te wijzigen of te schrappen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening. 13. PvdA/Groen Links stelt dat artikel 16, lid 6 een onwettige en te vage weigeringsgrond toevoegt, doordat een pgb kan worden geweigerd wanneer een gezin “onvoldoende inzicht geeft in de leefsituatie” . Volgens hen geeft dit ruimte voor subjectieve beoordeling en willekeur en zou dit onderdeel daarom uit de verordening moeten worden geschrapt. Antwoord Artikel 16 bevat de voorwaarden waaronder een pgb wordt verstrekt, waaronder de eis dat het college moet kunnen beoordelen of de inzet van een pgb passend, uitvoerbaar en rechtmatig is. Daarvoor is het noodzakelijk dat voldoende inzicht bestaat in: • de leefsituatie van het gezin; • het sociaal netwerk; • de wijze waarop de zorg georganiseerd wordt. De bepaling dat een pgb kan worden geweigerd bij onvoldoende inzicht is direct gekoppeld aan deze beoordeling. Het heeft tot doel te borgen dat het pgb verantwoord kan worden ingezet en dat de kwaliteit en rechtmatigheid van de hulp gewaarborgd zijn. Deze bepaling komt niet letterlijk uit de modelverordening, maar is juridisch verdedigbaar.

Voldoende inzicht is namelijk noodzakelijk voor het kunnen beoordelen van de hulpvraag en de inzet van ondersteuning. Het betreft daarmee geen zelfstandige of willekeurige extra weigeringsgrond, maar een onderdeel van de inhoudelijke beoordeling. Als PvdA/Groen Links een bepaling wenst te wijzigen of te schrappen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening. 14. PvdA/Groen Links stelt dat artikel 32, lid 2 ertoe leidt dat lopende aanvragen die al zijn ingediend ineens worden getoetst aan de nieuwe, strengere verordening. Volgens hen is dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat inwoners erop moeten kunnen vertrouwen dat hun aanvraag wordt beoordeeld volgens de regels die golden op het moment van indienen. Zij vragen daarom om artikel 32, lid 2 zo aan te passen dat lopende aanvragen volgens het oude recht worden afgehandeld. Antwoord Artikel 32, lid 2 bepaalt expliciet dat aanvragen waarop nog niet is beslist op het moment van inwerkingtreding van de verordening, worden afgehandeld volgens de nieuwe verordening. De constatering van PvdA/Groen Links dat lopende aanvragen daarmee onder het nieuwe kader vallen, is juist. Deze systematiek is gebruikelijk bij nieuwe regelgeving. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het moment van besluitvorming bepalend is voor het toepasselijke juridisch kader.

Dit sluit aan bij de VNG‑modelverordening en de gangbare wijze van het regelen van overgangsrecht. De verordening maakt daarbij onderscheid tussen verschillende situaties: • reeds genomen besluiten worden beoordeeld op basis van het oude recht; • lopende aanvragen worden afgehandeld volgens het nieuwe kader. Het doel hiervan is om duidelijkheid te bieden over welk kader geldt en te voorkomen dat oude en nieuwe regels door elkaar gaan lopen in de uitvoering. Het rechtszekerheidsbeginsel betekent dat voor inwoners duidelijk moet zijn welk juridisch kader wordt toegepast. Dit betekent niet dat altijd het recht op het moment van indienen bepalend is. In het bestuursrecht geldt als uitgangspunt dat het recht dat geldt op het moment van besluitvorming wordt toegepast. De verordening sluit hierbij aan en regelt expliciet welk kader van toepassing is op lopende aanvragen. Als PvdA/Groen Links een bepaling wenst te wijzigen of te schrappen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening. 15. PvdA/Groen Links stelt dat in deze verordening geen hardheidsclausule is opgenomen en dat daardoor geen expliciete veiligheidsklep bestaat om van de regels af te wijken als de gevolgen voor een kind onredelijk uitpakken. Zij verzoeken daarom om alsnog een hardheidsclausule toe te voegen. Antwoord In de verordening is geen expliciete hardheidsclausule opgenomen.

Dat betekent echter niet dat er geen ruimte is voor maatwerk in individuele gevallen. Die ruimte wordt op meerdere manieren geborgd. Besluitvorming vindt altijd plaats op basis van een individueel onderzoek, waarbij de persoonlijke situatie van de jeugdige en het gezin centraal staat. Daarnaast is het college bij de uitvoering gebonden aan de Algemene wet bestuursrecht, waaronder artikel 4:84. Dit artikel verplicht het college om van regels of beleid af te wijken als toepassing daarvan in een concreet geval tot onevenredige gevolgen leidt. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel, vereisen een zorgvuldige afweging per situatie. De vraag is in hoeverre een expliciete hardheidsclausule daarin nog toegevoegde waarde heeft. De Jeugdwet gaat immers uit van maatwerk: het college moet per individuele situatie beoordelen welke ondersteuning nodig is. Jurisprudentie laat ook zien dat een afzonderlijke hardheidsclausule daarvoor niet noodzakelijk is. Daarmee is maatwerk niet alleen mogelijk, maar in individuele gevallen ook verplicht. Als PvdA/Groen Links wenst een expliciete hardheidsclausule toe te voegen, kan dit via een amendement bij de behandeling van de verordening worden voorgesteld. 16.

PvdA/GroenLinks zegt dat artikel 30 de klachtenregeling volledig bij het college neerlegt, terwijl volgens hen de raad de kaders voor rechtsbescherming en klachtbehandeling moet stellen. Zij verzoeken daarom om de klachtenregeling eerst ter vaststelling aan de raad voor te leggen. Antwoord Artikel 30 bepaalt dat het college een regeling vaststelt voor de afhandeling van klachten. De verordening stelt daarmee het kader dat er een klachtregeling moet zijn, terwijl de nadere uitwerking bij het college ligt. Deze werkwijze sluit aan bij de gebruikelijke rolverdeling waarbij de raad de kaders vaststelt via de verordening en het college verantwoordelijk is voor de uitvoering en inrichting van processen. De constatering van PvdA/GroenLinks dat de uitwerking bij het college ligt, is dus juist. Tegelijk betekent dit niet dat de raad geen rol heeft. De raad stelt de kaders en het college vult de regeling nader in. 17. PvdA/GroenLinks tot slot de context. Het voorstel stelt dat de raad in deze slechts “kaderstellend” is en dat we vanwege de regionale afstemming binnen West-Brabant-West “beperkte ruimte hebben voor lokale aanpassingen. ” En dat er daarom maar helemaal geen participatietraject met inwoners of de Adviesraad Sociaal Domein is doorlopen. West-Brabant-West is geen extern bestuursorgaan of een hogere macht waaraan wij onze bevoegdheden hebben overgedragen.

Het is een vrijwillig samenwerkingsverband van gemeenten en dit stuk is simpelweg opgesteld door een werkgroep van ambtenaren van de verschillende gemeenten die samen een tekst hebben uitgedacht. En nu probeert dit college dat ambtelijke compromis aan ons te verkopen als een bindend dictaat waar deze raad niets meer of weinig aan mag veranderen. Een ambtelijke werkgroep staat niet boven de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging van Halderberge! Wij zijn hier gekozen om de wet en onze inwoners te beschermen, niet om als stempelmachine te fungeren voor een ambtelijk compromis. Antwoord De verordening is regionaal voorbereid binnen de samenwerking West-Brabant West. Dit betekent dat gemeenten (waaronder juristen) gezamenlijk hebben gewerkt aan een voorstel dat aansluit bij landelijke wet- en regelgeving, jurisprudentie en de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd. Tegelijk blijft de gemeenteraad volledig bevoegd. De raad stelt de verordening vast en kan deze wijzigen of aanvullen. Er is geen sprake van overdracht van bevoegdheden aan de regio. De regionale voorbereiding betekent wel dat is gewerkt vanuit gezamenlijke uitgangspunten, met het oog op uitvoerbaarheid, samenwerking en een eenduidige werkwijze binnen de regio. Dit gaat vooral om de inrichting van processen en de uitvoering van het stelsel. Als de raad kiest voor afwijkingen, is dat mogelijk.

Daarbij geldt wel dat dit gevolgen kan hebben voor de uitvoerbaarheid en samenwerking binnen de regio, bijvoorbeeld in relatie tot contractering, werkwijze en aansluiting met andere gemeenten. De raad maakt daarmee zelfstandig een afweging binnen de context van landelijke kaders en regionale samenwerking. Het opstellen van een verordening betreft primair het juridisch vastleggen van kaders voor de uitvoering. Dit is daarmee geen individueel beleids- of participatietraject. Een uitgebreid participatietraject met inwoners is bij dit type verordening dan ook niet gebruikelijk. Participatie vindt met name plaats bij de ontwikkeling van beleid en de inrichting van de uitvoering De Adviesraad Sociaal Domein is in kennis gesteld van de verordening. Tweede termijn 18. PvdA/Groen Links zegt dat de verordening gestoeld is op de modelverordening van de VNG en dat daarbij o.a. is meegenomen de Wet Reikwijdte Jeugdwet. Antwoord De verordening is gebaseerd op de VNG modelverordening. Deze is opgesteld op basis van de Hervormingsagenda Jeugd en de geldende jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. De Wet Reikwijdte Jeugdwet is nog in ontwikkeling en vormt geen juridisch kader voor deze verordening. In de modelverordening is wel rekening gehouden met de landelijke discussie over de afbakening van jeugdhulp en de inzet van eigen kracht.

Dit betreft een beleidsmatige ontwikkeling en geen toepassing van een nog niet vastgestelde wet. D66 19. D66 stelt dat in de verordening vooral beperkende voorwaarden juridisch worden vastgelegd, terwijl preventie en de versterking van de sociale basis niet dezelfde juridische borging krijgen. Waarom krijgt preventie niet dezelfde status en rechtszekerheid als de bepalingen in de verordening? Antwoord De verordening jeugdhulp heeft als doel om de toegang tot en toekenning van jeugdhulp juridisch te regelen. Daarom zijn juist deze onderdelen in de verordening vastgelegd. Daarbij is van belang dat de Jeugdwet geen individueel afdwingbaar recht op jeugdhulp kent. Er is sprake van een jeugdhulpplicht: het college treft een voorziening als uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp noodzakelijk is. Onderwerpen zoals preventie, de sociale basis en vrij toegankelijke voorzieningen hebben een ander karakter. Deze gaan over de inrichting en versterking van het stelsel en niet op individuele aanspraken. Daarom worden deze niet in de verordening juridisch vastgelegd. De versterking van preventie en de sociale basis, zoals bedoeld in de Hervormingsagenda Jeugd, wordt wel opgepakt via andere instrumenten, zoals: • beleidskaders (bijvoorbeeld De Kracht van Samen); • uitvoeringsprogramma’s en de doorontwikkeling van lokale teams; • regionale samenwerking en monitoring van de voortgang.

Deze instrumenten zijn richtinggevend en sturend voor de uitvoering, maar hebben geen juridisch afdwingbaar karakter. Kern van het onderscheid is dat: • de verordening regelt wanneer en onder welke voorwaarden het college een voorziening treft; • preventie en sociale basis zien op de inrichting en ontwikkeling van het stelsel 20. D66 stelt dat in artikel 10 lid 5 ruimte lijkt te ontstaan om mee te wegen of een ouder voldoende inkomen overhoudt. Hoe verhoudt dit zich tot de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin is bepaald dat financiële draagkracht geen rol mag spelen bij de beoordeling van jeugdhulp? Antwoord Artikel 10 lid 5 heeft betrekking op de beoordeling van (dreigende) overbelasting van ouders en niet op een beoordeling van de financiële draagkracht. In de verordening is opgenomen dat bij deze beoordeling kan worden gekeken naar de mogelijkheden van ouders om overbelasting te verminderen, waarbij maatschappelijke activiteiten en betaalde arbeid kunnen worden betrokken. Tegelijk is expliciet bepaald dat daarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om in een inkomen te voorzien. Dit betekent dat: • arbeid en tijdsbesteding onderdeel zijn van de beoordeling van belastbaarheid; • geen sprake is van een afzonderlijke inkomenstoets of draagkrachttoets; • en het behoud van inkomen expliciet wordt meegenomen in de afweging.

De jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarnaar wordt verwezen, ziet toe op het voorkomen van een financiële draagkrachttoets (inkomen of vermogen als criterium voor toegang tot jeugdhulp). Daarvan is in artikel 10 lid 5 geen sprake. Kern van het onderscheid is dat: • wordt beoordeeld wat in de situatie van ouders redelijk en haalbaar is om overbelasting te voorkomen; • maar niet wordt getoetst hoeveel inkomen iemand heeft of overhoudt. 21. D66 stelt dat het ontbreken van een expliciete hardheidsclausule betekent dat er geen duidelijk en herkenbaar lokaal vangnet is voor inwoners. Waarom is er niet gekozen voor een expliciete hardheidsclausule als duidelijk vangnet, in plaats van het laten verlopen via bezwaar- en beroepsprocedures? Antwoord In de verordening is geen expliciete hardheidsclausule opgenomen. Dat betekent echter niet dat er geen ruimte is voor maatwerk of een vangnet in individuele situaties. Deze ruimte is juridisch geborgd doordat besluitvorming altijd plaatsvindt op basis van een individueel onderzoek, waarbij de persoonlijke situatie van de jeugdige en het gezin centraal staat. Daarnaast is het college gebonden aan de Algemene wet bestuursrecht, waaronder artikel 4:84, dat verplicht om af te wijken van regels als toepassing daarvan in een concreet geval tot onevenredige gevolgen leidt.

Het punt van D66 wordt herkend dat deze waarborgen voor inwoners niet altijd zichtbaar of herkenbaar zijn. Daarom is het in de uitvoering van belang dat professionals deze ruimte actief toepassen en uitleggen, en dat duidelijk is dat in elke situatie maatwerk mogelijk is. Maatwerk is daarmee juridisch geborgd en in individuele gevallen ook afdwingbaar. De toepassing daarvan vindt plaats via het individuele besluit en niet via één afzonderlijke bepaling in de verordening. 22. D66 stelt dat in artikel 3 procesmatige en administratieve bepalingen rondom de inzet van jeugdhulp worden vastgelegd, terwijl samenwerkingsafspraken met huisartsen – zoals een vaste contactpersoon – niet in de verordening zijn opgenomen. Waarom worden deze samenwerkingsafspraken niet juridisch geborgd in de verordening? Antwoord Artikel 3 van de verordening regelt de juridische kaders rond toegang tot jeugdhulp via verwijzers, zoals de huisarts. Daarbij gaat het om aspecten die juridisch geborgd moeten worden, zoals: • de inzet van jeugdhulp; • de afstemming met het college; • en de relatie met gecontracteerde aanbieders en bekostiging. De constatering van D66 dat deze bepalingen een meer procesmatig of administratief karakter hebben, is begrijpelijk. Juist deze onderdelen moeten echter in de verordening worden vastgelegd om het stelsel juridisch goed te laten functioneren.

De afspraak uit de Hervormingsagenda Jeugd over vaste contactpersonen tussen huisartsen en het lokale team heeft een ander karakter. Het betreft organisatorische afspraken in de uitvoering, gericht op samenwerking en afstemming tussen professionals. Dergelijke afspraken: • zijn afhankelijk van lokale inrichting en samenwerking; • vragen flexibiliteit in uitvoering; • en horen daarom niet thuis in een juridisch bindend instrument zoals de verordening te worden vastgelegd, maar in werkafspraken en de inrichting van de uitvoeringspraktijk. Kern van het onderscheid is dat: • de verordening het juridische kader regelt voor toegang, inzet en bekostiging van jeugdhulp; • samenwerkingsafspraken onderdeel zijn van de uitvoering en daarom niet in de verordening horen. 23. D66 vraagt of de aanvullende beleidsregels tijdig gereed zijn bij de inwerkingtreding van de verordening en in hoeverre het college kan toezeggen dat deze vooraf beschikbaar zijn. Antwoord De beleidsregels worden parallel aan de verordening uitgewerkt, met als inzet om deze gereed te hebben vóór de inwerkingtreding. De verordening treedt in werking na vaststelling door de raad en publicatie. Publicatie vindt plaats op het moment dat de beleidsregels gereed zijn, zodat de verordening en de beleidsregels gelijktijdig in werking treden. Daarmee is geborgd dat de uitvoering direct kan starten binnen het nieuwe kader.

De raad stelt daarmee de kaders via de verordening, waarna het college deze uitwerkt in beleidsregels om de uitvoering mogelijk te maken. 24. D66 stelt dat door de criteria en stappen voor 16-plussers niet in de verordening op te nemen, de raad beperkt zicht en invloed heeft op deze uitwerking. Waarom zijn deze criteria en stappen niet in de verordening zelf opgenomen, maar uitgewerkt in beleid en uitvoering? Antwoord De verordening legt de kaders op hoofdlijnen vast. De nadere uitwerking vindt plaats via: • beleidsregels; • de jeugdhulpcatalogus WBW; • en uitvoeringsafspraken. Een deel van deze uitwerking is al vastgelegd, bijvoorbeeld in de jeugdhulpcatalogus. Deze bevat de concrete invulling van het aanbod en de werkwijze binnen de regio. Voor jongeren van 16+ geldt dat in de uitvoering vanaf circa 16,5 jaar wordt gewerkt aan een integraal plan en een warme overdracht. De verordening regelt het ‘wat’; de invulling van het ‘hoe’ vindt plaats in de nadere uitwerking en de uitvoering. Daarom zijn deze criteria en stappen niet in de verordening zelf opgenomen. 25. D66 stelt dat bij de aanvraag van een pgb geen expliciete proportionaliteitstoets lijkt te zijn opgenomen om de administratieve lasten voor inwoners af te wegen tegen de controlebehoefte van de gemeente.

In hoeverre is zo’n proportionaliteitstoets opgenomen in de verordening of de uitvoering? Antwoord In de verordening is geen expliciete proportionaliteitstoets als afzonderlijke bepaling opgenomen. Wel geldt dat professionals in de uitvoering een individuele afweging maken en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het evenredigheidsbeginsel, van toepassing zijn. Proportionaliteit wordt daarmee betrokken in de besluitvorming en uitvoering, maar niet als afzonderlijke toets in de verordening vastgelegd. 26. D66 stelt dat in de handreiking “Verkenning afbakening Jeugdhulpplicht” juridische risico’s worden benoemd, bijvoorbeeld rond afbakening en toegang. Hoe worden deze risico’s in de voorliggende verordening ondervangen? Antwoord De handreiking “Verkenning afbakening Jeugdhulpplicht” is niet gebruikt, omdat deze door de VNG als niet werkbaar is beoordeeld. In plaats daarvan is aangesloten bij de VNG-modelverordening en de Hervormingsagenda Jeugd. Hiermee volgt de verordening de landelijke lijn, waarin relevante juridische kaders en jurisprudentie zijn verwerkt. De in de handreiking genoemde aandachtspunten worden daarmee betrokken in een breder, landelijk afgestemd kader, dat als uitgangspunt is genomen voor deze verordening. WOS halderberge 27. WOS Halderberge vraagt hoeveel er in de praktijk van gezinnen mag worden verwacht bij het oplossen van hun hulpvraag.

Antwoord De verordening bepaalt dat wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouders, in samenhang met hun belastbaarheid. Daarbij wordt rekening gehouden met: • de aard en zwaarte van de problematiek; • de draagkracht en belastbaarheid van ouders; • de gezinssituatie; • en het risico op overbelasting. Dit sluit aan bij de Jeugdwet en de Hervormingsagenda Jeugd, waarin wordt uitgegaan van het benutten van eigen mogelijkheden en het netwerk, voordat zwaardere vormen van jeugdhulp worden ingezet. Wat van ouders wordt verwacht, wordt altijd individueel bepaald. Daarbij geldt dat deze inzet wordt begrensd door wat in de specifieke situatie redelijk en verantwoord is. Het voorkomen van overbelasting staat centraal. Indien de belasting voor ouders te groot wordt, wordt jeugdhulp ingezet. 28. WOS Halderberge vraagt hoe wordt voorkomen dat kinderen en gezinnen tussen wal en schip vallen bij toepassing van de verordening. Antwoord De verordening werkt niet met harde uitsluitingscriteria, maar met een individueel en integraal onderzoek per situatie. Daarbij wordt gekeken naar: • de ernst van de problematiek; • de veiligheid en ontwikkeling van het kind; • de belastbaarheid van ouders; • en de mogelijkheden van het netwerk. Er wordt daarmee niet getoetst of een situatie binnen een regel past, maar wat in die specifieke situatie nodig is.

Door deze brede afweging en het toepassen van maatwerk wordt voorkomen dat kinderen en gezinnen tussen wal en schip vallen. 29. WOS Halderberge vraagt welke ruimte de gemeente nog heeft om lokaal bij te sturen en welke risico’s worden gezien als die ruimte beperkt is door regionale samenwerking. Antwoord De verordening is regionaal voorbereid, maar de gemeenteraad blijft volledig bevoegd: • de raad stelt de verordening vast; • en kan deze waar nodig aanpassen. De inhoud van de verordening volgt grotendeels de landelijke modelverordening, waarin de uitwerking van wet- en regelgeving, de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zijn verwerkt. Hiermee wordt voor inwoners zoveel mogelijk een gelijk en duidelijk kader gecreëerd. De regionale toevoegingen hebben vooral betrekking op de samenwerking binnen het regionale stelsel en zien met name op de werkwijze en uitvoering van processen, en minder op de inhoudelijke kaders. Er is daarmee ruimte voor lokale sturing. Tegelijk geldt dat afwijkingen risico’s kunnen hebben, zoals: • verminderde uitvoerbaarheid binnen het regionale systeem; • beperkte aansluiting bij regionale werkwijzen en contractering; • en minder uniformiteit in de toepassing richting inwoners. De raad maakt hierin een eigen afweging binnen de context van landelijke kaders en regionale samenwerking. 30.

WOS Halderberge vraagt hoe wordt geborgd dat nieuwe aanvragen niet vastlopen doordat de nieuwe werkwijze nog niet volledig is ingeregeld. Antwoord De invoering wordt ondersteund door: • beleidsregels en werkinstructies; • scholing en begeleiding van professionals; • afstemming binnen de uitvoeringsorganisatie. Daarnaast wordt de toepassing in de praktijk gevolgd, zodat waar nodig kan worden bijgestuurd. De overgang wordt actief begeleid. Aanvragen lopen daarbij niet vast: professionals worden uitgebreid geïnformeerd en getraind en kunnen tijdens de uitvoering terugvallen op beschikbare vraagbaken, zowel binnen de gemeente als bij Spring. Zo kunnen vragen en knelpunten direct worden opgepakt. 31. WOS Halderberge vraagt of deze verordening in de praktijk leidt tot beter beheer van middelen of juist tot meer regels en administratieve lasten voor inwoners en professionals. Antwoord De verordening maakt de afwegingen rond jeugdhulp explicieter. Dit leidt tot een betere onderbouwing van besluiten en meer transparantie in de inzet van jeugdhulp en de daarmee samenhangende middelen. Tegelijk wordt in de uitvoering aandacht besteed aan proportionaliteit, zodat administratieve lasten voor inwoners en professionals beperkt blijven. De verordening is daarmee gericht op doelmatiger sturing op de inzet van jeugdhulp, en niet op het toevoegen van regels omwille van regels. 32.

WOS Halderberge vraagt hoe wordt gevolgd of de verordening in de praktijk goed werkt en hoe wordt bijgestuurd als dat niet het geval is. Antwoord De toepassing van de verordening wordt gevolgd via: • monitoring van aanvragen en besluiten; • signalen uit de uitvoering. Daarnaast worden de effecten van de verordening, als onderdeel van het bredere pakket aan maatregelen, gevolgd in relatie tot de gewenste beweging uit de Hervormingsagenda Jeugd. Deze monitoring sluit aan bij bestaande lokale beleidskaders (zoals De Kracht van Samen en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s) en regionale afspraken, zoals de Regiovisie 2026–2030. Als dat nodig is, kan worden bijgestuurd via: • beleidsregels; • de uitvoering; • of aanpassing van de verordening. Er wordt daarmee actief gevolgd of de verordening in de praktijk doet wat wordt beoogd, en waar nodig bijgestuurd. 33. WOS Halderberge vraagt hoe wordt vastgesteld of aan de pgb-eisen wordt voldaan en hoe wordt voorkomen dat bepaalde groepen hierdoor worden uitgesloten van hulp. Antwoord De verordening stelt voorwaarden aan het pgb om de kwaliteit, uitvoerbaarheid en rechtmatigheid van zorg te waarborgen. Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt per individuele situatie beoordeeld.

Daarbij geldt dat: • als een pgb niet passend of uitvoerbaar is, een andere passende vorm van ondersteuning wordt ingezet; • en de hulpvraag van de jeugdige altijd leidend blijft. De gestelde voorwaarden zijn gericht op het waarborgen van passende en verantwoorde zorg en niet op het uitsluiten van bepaalde groepen. Het gaat daarbij om de vraag of een pgb in de specifieke situatie een geschikte en uitvoerbare oplossing is. 34. WOS Halderberge vraagt hoe langere wachttijden worden voorkomen en hoe wordt geborgd dat verwijzers, zoals huisartsen, goed zicht hebben op het beschikbare aanbod. Antwoord Het werken met gecontracteerde aanbieders is gericht op het borgen van kwaliteit en het sturen op aanbod en kosten. Binnen de jeugdhulpregio West-Brabant West (WBW) hebben gemeenten gezamenlijk de opdracht om een dekkend zorglandschap te realiseren. Dit betekent dat een breed aanbod beschikbaar is voor verschillende hulpvragen en dat aanbieders zorg leveren als zij voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Er wordt geen vaste capaciteit per gemeente gereserveerd; toewijzing vindt plaats via de toegang en de keuze van ouders en jeugdige. Binnen WBW wordt gewerkt met een groot aantal gecontracteerde aanbieders (circa 100). Dit draagt bij aan spreiding van cliënten en flexibiliteit in het benutten van beschikbare capaciteit.

Wachttijden blijven afhankelijk van beschikbare capaciteit en worden actief gemonitord. Voor verwijzers, zoals huisartsen, geldt dat zij via samenwerking met het lokale team zicht hebben op het beschikbare aanbod en dat afstemming plaatsvindt over de inzet van zorg binnen het gecontracteerde aanbod. Hiermee wordt gestuurd op zowel beschikbaarheid van zorg als een goede informatiepositie van verwijzers. 35. WOS Halderberge vraagt hoe wordt geborgd dat professionals over voldoende kennis beschikken en hoe wordt voorkomen dat problematiek verschuift naar andere domeinen. Antwoord De verordening vraagt om een integrale beoordeling van hulpvragen. Dit wordt geborgd door de inzet van deskundige professionals, samenwerking binnen lokale teams en tussen domeinen, en door voortdurende scholing en ontwikkeling. Door deze integrale werkwijze wordt niet alleen naar één aspect van de problematiek gekeken, maar naar de situatie van het gezin als geheel. Daarmee wordt voorkomen dat problematiek verschuift naar andere domeinen en wordt gestuurd op een samenhangende oplossing. 36. WOS Halderberge vraagt of maatwerk in de praktijk voldoende mogelijk blijft bij toepassing van de verordening. Antwoord Ja. Maatwerk blijft geborgd doordat iedere aanvraag wordt beoordeeld op basis van een individueel onderzoek, waarbij de persoonlijke situatie van de jeugdige en het gezin centraal staat.

Daarbij wordt per situatie gekeken naar: • de aard en ernst van de problematiek; • de gezinssituatie en belastbaarheid; • en wat in die situatie passend en noodzakelijk is. Daarnaast geldt dat het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht verplicht is om in individuele gevallen van regels af te wijken als toepassing daarvan tot onevenredige gevolgen leidt. Daarmee is maatwerk niet alleen mogelijk, maar in individuele gevallen ook verplicht. Tweede termijn WOS 37. WOS Halderberge vraagt om nadere toelichting op de inzet op preventie en hoe deze wordt gefinancierd. Antwoord Preventie wordt niet via de verordening geregeld, maar via beleid en uitvoering. Binnen de gemeente en regio wordt ingezet op onder meer de sociale basis, vroegsignalering en de inzet van lokale teams. De verdere uitwerking en financiering van preventie vindt plaats via beleidskaders en de gemeentelijke begroting. 38. WOS Halderberge vraagt of en hoe wordt gekeken naar effecten op andere domeinen, zoals financiële gevolgen voor gezinnen. Antwoord Ja. In de uitvoering wordt integraal gekeken naar effecten over domeinen heen, zoals schuldhulpverlening, participatie en onderwijs. De verordening vraagt om een brede beoordeling van de situatie van het gezin als geheel. Daarmee wordt niet alleen naar één deel van de problematiek gekeken, maar naar de samenhang tussen verschillende leefdomeinen.

Doel is om verschuiving van problemen tussen domeinen te voorkomen en te komen tot een integrale oplossing voor het gezin. Forum van Democratie 39. Forum voor Democratie vraagt of de verordening in de praktijk daadwerkelijk zal leiden tot minder instroom in de jeugdhulp. Antwoord De verordening heeft als doel om te komen tot een doelmatiger inzet van jeugdhulp, met meer nadruk op preventie, normalisering en het versterken van de eigen kracht van jeugdigen en hun omgeving. Dit kan bijdragen aan een verschuiving van zwaardere naar lichtere vormen van ondersteuning en daarmee aan een meer beheersbare inzet van specialistische jeugdhulp. Tegelijk is de instroom in de jeugdhulp afhankelijk van meerdere factoren, zoals maatschappelijke ontwikkelingen en de aard en complexiteit van hulpvragen. De verordening beoogt hierop te sturen, maar bepaalt de instroom niet zelfstandig. 40. Forum voor Democratie vraagt hoeveel beleidsvrijheid de gemeenteraad in de praktijk nog heeft, gezien de regionale voorbereiding van de verordening. Antwoord De verordening is regionaal voorbereid binnen West-Brabant West, maar de gemeenteraad blijft volledig bevoegd. De raad stelt de verordening vast en kan deze wijzigen of aanpassen. Daarmee blijft de formele beleidsvrijheid bij de raad.

Wel geldt dat regionale afspraken bijdragen aan uniformiteit en dat afwijkingen gevolgen kunnen hebben voor de uitvoerbaarheid en samenwerking binnen de regio. De raad behoudt daarmee de bevoegdheid, maar maakt zijn afweging binnen een regionale context waarin gezamenlijke keuzes zijn gemaakt. 41. Forum voor Democratie vraagt in hoeverre de verordening in de praktijk daadwerkelijk effectief zal zijn in het bereiken van de beoogde doelen. Antwoord De verordening legt de kaders vast voor een zorgvuldige beoordeling van hulpvragen en een doelmatige inzet van jeugdhulp. De effectiviteit in de praktijk wordt echter bepaald door de wijze van uitvoering, de samenwerking tussen professionals en de beschikbaarheid van passende voorzieningen. Daarom wordt de toepassing van de verordening gevolgd via monitoring van aanvragen en besluiten en signalen uit de uitvoering. De verordening vormt daarmee de basis; de werking wordt in de praktijk gevolgd en waar nodig bijgestuurd. 42. Forum voor Democratie vraagt waarom er wordt ingezet op strengere controle en beoordeling van pgb’s, terwijl het aantal fraudegevallen beperkt lijkt. Antwoord De verordening bevat bepalingen die gericht zijn op het versterken van rechtmatigheid, transparantie en kwaliteit van jeugdhulp.

Hoewel het aantal fraudegevallen beperkt kan zijn, blijft het van belang om publieke middelen zorgvuldig te besteden en risico’s op misbruik te voorkomen. De aanscherping zorgt ervoor dat vooraf beter wordt beoordeeld of een pgb passend en uitvoerbaar is en dat achteraf verantwoording kan worden afgelegd. De extra aandacht voor controle is daarmee preventief van aard. 43. Forum voor Democratie vraagt hoe de nadruk op controle zich verhoudt tot het uitgangspunt van vertrouwen in inwoners en professionals. Antwoord De verordening zoekt een balans tussen vertrouwen in inwoners en professionals en het zorgvuldig omgaan met publieke middelen. De aangescherpte regels zijn bedoeld om duidelijkheid te geven over voorwaarden en gelijke behandeling te waarborgen. Tegelijk blijft in de uitvoering het professioneel oordeel centraal staan en wordt per situatie maatwerk toegepast. Daarmee wordt gestuurd op duidelijke kaders, met behoud van ruimte voor maatwerk en vertrouwen in de uitvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/5218/documents/76178