CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bestemmingsplan Bovenstraat 51a te Hoeven-gecomprimeerd.pdf

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Vaststelling bestemmingsplan Bovenstraat 51a Hoeven25.548 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van bovenstaande archeologische advieskaart heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Daarnaast is aangegeven dat het gebied deels reeds verstoord is. In het vigerende bestemmingsplan 'Eerste herziening buitengebied' is dit vertaald naar de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Hierin is aangegeven dat wanneer graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 40 cm-mv of er vindt verstoring plaats over een oppervlak van meer dan 500 m2 dan is er archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het gedeelte dat wordt omgezet naar de functie wonen bedraagt circa 1.500 m2. De exacte oppervlakte en diepte van de nieuw te bouwen woning is nog niet bekend. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect; 19 augustus 2019; 18080015, eindversie). De rapportage is als Bijlage 7 aan het bestemmingsplan toegevoegd. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.

Beoordeling en conclusie Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft op de aanwezigheid van resten uit het Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen. Het gebied bevindt zich namelijk op de flank van een terrasafzettingswelving of van een dekzandrug, waarop in het verleden bewoning mogelijk was. In de omgeving van het plangebied zijn echter nog niet eerder vindplaatsen geregistreerd. Ook blijkt uit het bureauonderzoek dat in het verleden veel ontgravingen hebben plaatsgevonden voor zandwinning en dat in het verleden een deel van het plangebied bebouwd is geweest (tussen 1950-1990). Dit kan ertoe bijgedragen hebben dat de ondergrond van het plangebied verstoord is geraakt. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat de hoge verwachting uit het bureauonderzoek naar laag kan worden bijgesteld. Dit is gebaseerd op de hoge mate van verstoring van de ondergrond in het plangebied. Vermoedelijk heeft de verstoring te maken gehad met zandwinning (zoals ten oosten van het plangebied heeft plaatsgevonden) en de

33

bouw en sloop van een woning in het noordelijk deel van het plangebied. De bodem is daarbij naar verwachting zodanig omgewerkt dat eventueel aanwezige archeologische resten vernietigd zullen zijn. Deze resultaten vormen daarmee aanleiding de archeologische verwachting voor alle perioden naar laag bij te stellen. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Op grond hiervan zijn ten aanzien van de nieuwbouw van een woning in het plangebied geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016 artikel 5.10 bij de gemeente dienen te worden gemeld.

4.8

Luchtkwaliteit

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. De inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1.500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3.000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen.

Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de Wet luchtkwaliteit als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd.

Beoordeling De ontwikkeling voorziet in realisatie van 1 woning en ligt daarmee ruim onder de hiervoor genoemde grenzen. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Desalniettemin dient de blootstelling aan luchtverontreiniging (lokale luchtkwaliteit) echter wel in kaart te worden gebracht en te worden getoetst aan de hierbij gestelde eisen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties van het meest nabijgelegen rekenpunt aan de Bovendonksestraat voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Concentraties lok ale luchtkwaliteit

Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden.

34

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het vaststellen van het voorliggende bestemmingplan.

4.9

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik gemaakt van de "Risicokaart Nederland".

Figuur 4.4 Uitsnede Risicok aart Nederland (plangebied is blauw omlijnd)

Beoordeling Zoals op bovenstaande afbeelding is te zien ligt de dichtstbijzijnde risicobron op een afstand van circa 750 meter. Voor de gemeente Halderberge is een standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant van toepassing. Deze is als Bijlage 8 aan het bestemmingsplan toegevoegd. In het standaardadvies is eveneens aangegeven wanneer het standaardadvies van toepassing is. Zoals uit het advies op te maken is, is dat de

35

ontwikkeling is gelegen buiten de genoemde afstanden. Nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Geur

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

Figuur 4.5 Uitsnede Bestand Veehouderij Bedrijven, Provincie Noord-Brabant (plangebied met rode lijn aangeduid)

Beoordeling In voorgaande figuur zijn de nabijgelegen (voormalige) veehouderijbedrijven weergegeven. De Heul 10 Dit betreft een voormalig veehouderijbedrijf welke in 2015 is beëindigd. Per 11 november 2015 is de melding voor de gehele veestand ingetrokken. Er is dan ook geen sprake van enige geurbelasting op de nieuwe woning.

Hermansstraat 4 De afstand tot dit veehouderijbedrijf bedraagt ruim 300 meter. Op korte afstand tot het veehouderijbedrijf bevinden zich reeds woningen. Er mag dan ook worden aangenomen dat ter plaatse van Bovenstraat 51a een voldoende tot goed woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn. Ook zal, vanwege de dichterbij gelegen woningen, de nieuwe woning aan Bovenstraat 51a geen extra beperking vormen voor het reeds bestaande veehouderijbedrijf.

36

GES-kaart Daarnaast kan ook op basis van de GES-kaart (Gezondheids Effect Screening, zie figuur 4.6) bevestigd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. Op de GES-kaart wordt de GES-score getoond op basis van de opgetelde geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen. De GES scores zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Voor voorliggend plangebied bedraagt de GES score 1, wat inhoudt dat er 0 tot 5 % hinderkans is, dit wordt als acceptabel beschouwd.

Figuur 4.6 Uitsnede kaart GES Geur veehouderij (bron: Atlas Leefomgeving)

Conclusie Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

m.e.r.-beoordeling

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn drie onafhankelijke aanvliegroutes die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht. Bepalend hierbij is de activiteit (of zijn de activiteiten) waarop het plan of besluit betrekking heeft. Het betreft de volgende drie stappen: 1. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Hiermee wordt getoetst of het plan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld

37

om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan als bedoeld in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c. Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er moet beoordeeld worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. 2. In het geval van een plan: toetsing of het uitvoeren van een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming voor dit plan verplicht is vanwege de hierin opgenomen activiteit(en). In dat geval is het plan mogelijk m.e.r.-plichtig. 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Door Provinciale Staten kunnen hierin aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. Beoordeling en conclusie De activiteit die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft de realisatie van één woning.

De Raad van State heeft in een uitspraak van d.d. 15 januari 2020 (201901439/1/R1) dat een ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, hoeft er geen m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Daarnaast is ook in onderhavig hoofdstuk gebleken dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

38

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast vormen de regels van het bestemmingsplan 'Eerste herziening bestemmingsplan Buitengebied Halderberge', welke is vastgesteld op 14 december 2017, het uitgangspunt. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.

5.2

Opzet regels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

39

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf Deze bestemming is toegekend vanwege de bestaande bedrijvigheid op deze gronden. Ter plaatse is tevens de speficieke aanduiding 'constructiewerkplaats' opgenomen. Naast een constructiewerkplaats zijn tevens andere bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Een gedeelte binnen de bedrijfsbestemming heeft de specifieke aanduiding 'onbebouwd'. Hier zijn geen gebouwen toegestaan. Dit om te voorkomen dat de gehele bedrijfsbestemming bebouwd kan worden en tevens toegankelijk blijft via de inrit gelegen naast de (nieuwe) woning. De openheid van deze locatie in het buitengebied is hiermee gewaarborgd.

Artikel 4 Groen Deze bestemming is opgenomen voor bescherming van gebieden waar sprake is van landschappelijke inpassing of kwaliteitsverbetering van het landschap.

Artikel 5 Wonen Deze bestemming is toegekend aan de nieuw te bouwen burgerwoning. Het hoofdgebouw mag binnen de bestemming 'wonen' worden gebouwd rekening houdend met de maatvoering in de regels. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen mag de afstand tussen de woning en de bedrijfsbestemming niet meer dan 5 meter bedragen.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 Het deel van het plangebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd doordat archeologisch onderzoek vereist is voordat mag worden gebouwd of werken mogen worden uitgevoerd, tenzij is aangetoond dat de bodem al dusdanig is geroerd dat er geen waarden meer aanwezig kunnen zijn.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 Het deel van het plangebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde zijn voorzien van deze dubbelbestemming. De mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd doordat archeologisch onderzoek vereist is voordat mag worden gebouwd of werken mogen worden uitgevoerd, tenzij is aangetoond dat de bodem al dusdanig is geroerd dat er geen waarden meer aanwezig kunnen zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 9 Algemene bouwregels Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing, ondergronds bouwen en vervangende nieuwbouw van woningen.

40

Artikel 10 Algemene gebruik sregels In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de gebiedsaanduiding naar aanleiding van het obstakelbeheergebied luchtvaartverkeerzone opgenomen.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten en afmetingen.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingmogelijkheid opgenomen. Deze wijziging betreft het verwijderen van eventuele aanwezige aanduidingen indien daar aanleiding toe is.

Artikel 14 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van het voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Daarnaast bevat dit artikel een verwijzing naar overige wettelijke regelingen en regels voor het stellen van nadere eisen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Artikel 16 Slotregel Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

5.3

Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit uit zich met name in de structuur en opmaak van de regels en verbeelding. De verbeelding opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2012 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehoren kleurgebruik, het gebruik en de vorm van aanduidingen en dergelijken. Op de planverbeelding zijn de volgende onderdelen opgenomen: de plangrens; de verschillende bestemmingen; bouwvlakken; maatvoeringsvlakken; functie- en bouwaanduidingen;

41

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleuraanduiding op de planverbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

42

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn.

Beoordeling en conclusie Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het kostenverhaal bestaat enerzijds uit de plankosten en bovenwijkse voorzieningen en anderzijds eventuele planschade. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk.

43

Hoofdstuk 7 7.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

Bij de voorbereidingen van het planvoornemen heeft de intiatiefnemer het omgevingsdialoog uitgevoerd. Dit houdt in dat direct omwonenden, voordat het plan de procedure in gaat, in de gelegenheid zijn gesteld zijn/haar mening/wens kenbaar te maken. Er is een brief gestuurd naar 11 adressen. Hierin is het planvoornemen toegelicht en middels een antwoordformulier kon men reageren hierop. Er zijn 5 reacties binnen gekomen. Er zijn 3 reactie ontvangen waarbij is aangegeven geen bezwaar te hebben. Er zijn daarnaast 2 reacties ontvangen waarbij vragen zijn gesteld of wensen zijn geuit. Een verslag van de omgevingsdialoog is in Bijlage 16 van dit bestemmingsplan opgenomen. Naar aanleiding van de ingekomen reacties is het plan niet aangepast. Bij de verdere uitwekring van de bouwplannen zal, daar war mogelijk, wel rekening gehouden met de aangegeven wensen.

7.2

Vooroverleg

In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven.

1. Provincie Noord-Brabant Het plan is bekeken aan de hand van de provinciale belangen. De locatie is gelegen op een planologisch aanvaardbare locatie, binnen een bebouwingsconcentratie. De voorgestelde landschappelijke inpassing van het plan wordt door de provincie als minimaal beoordeeld. Vanuit de provincie wordt verzocht het plan aan te passen zodat de volledige landschappelijke inpassing is gelegen binnen de bestemming groen. Daarnaast wordt nog het advies gegeven om voor de voortuin een tuin- of woonbestemming op te nemen in plaats van een agrarische bestemming. De volledige reactie van de provincie Noord-Brabant is bijgevoegd als Bijlage 10 Reactie: De bomen zijn opgenomen in de bestemming Groen met een specifieke aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'. Tevens is de voortuin aangepast naar de bestemming Wonen. Het woonvlak blijft qua grootte onder de toegestane 1.500 m2.

2. Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta heeft geen opmerkingen op zowel de planregels als de verbeelding. De belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap zijn naar wens opgenomen in het bestemmingsplan waardoor zij een positief wateradvies geven. De volledige reactie van Waterschap Brabantse Delta is bijgevoegd als Bijlage 11

3. Rijkswaterstaat Zuid-Nederland Het plan ligt niet in het beheersgebied van Rijkswaterstaat Zuid-Nederland en raakt daarmee ook geen van hun belangen. De volledige reactie van Rijkswaterstaat

44

Zuid-Nederland is bijgevoegd als Bijlage 12

4. Brandweer Midden- en West-Brabant Brandweer Midden- en West-Brabant geeft in hun vooroverlegreactie aan dat het plangebied voldoet aan de criteria van het standaardadvies. Het plan is daarnaast ook getoetst aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswater. Het plan voldoet hieraan. De volledige reactie van Brandweer Midden- en West-Brabant is bijgevoegd als Bijlage 13

5. DNWG DNWG voert het omgevingsmanagement uit voor Waterbedrijf Evides. De afstand van de planlocatie tot waterleidingen van Waterbedrijf Evides is voldoende groot, zodat er geen onderling effect is. De reactie van DNWG is bijgevoegd als Bijlage 14

6. Gasunie Gasunie heeft het voorontwerpbestemmingsplan getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor hun aardgastransportleidingen. Het plangebied valt buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtst bij gelegen leidingen. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. De reactie van Gasunie is bijgevoegd als Bijlage 15

7.3

Zienswijzen

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan vast te stellen.

7.4

Beroep

Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

45

Regels

Inhoudsopgave

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

5 5 10

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Bestemmingsregels Bedrijf Groen Wonen Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3

11 11 14 15 19 21

Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

23 23 24 25 26 27 28 29

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

31 31 32

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

Plan:

Het bestemmingsplan ‘Bovenstraat 51a te Hoeven’ NL.IMRO.1655.BP6020-C001 van de Gemeente Halderberge.

1.2

met

identificatienummer

Bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3

Aanduiding:

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4

Aanduidingsgrens:

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5

Aan- of uitbouw:

Een aan een hoofdgebouw gebouwde, en vanuit dat hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijke ruimte, die in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie en/of afmetingen) ondergeschikt is.

1.6

Aangebouwd of vrijstaand bijgebouw:

Een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie en/of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw maar van daaruit niet rechtstreeks toegankelijk is en ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

1.7

Aan-huis-verbonden bedrijf:

Een bedrijf of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.8

Aan-huis-verbonden beroep:

Een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie en/of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw maar van daaruit niet rechtstreeks toegankelijk is en ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

1.9

Archeologische waarden:

Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroeger menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

5

1.10

Archeologische verwachtingswaarden:

verwachte aanwezige waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroeger menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.11

Archeologisch onderzoek:

Onderzoek verricht door of opgravingsvergunning beschikt.

1.12

namens

een

dienst

of

instelling

die

over

een

Bebouwing:

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.13

Bebouwingscluster:

Vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied.

1.14

Bebouwingsconcentratie:

Kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

1.15

Bebouwingslint:

Lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied.

1.16

Bebouwingspercentage:

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.17

Bedrijf:

Een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.18

Bedrijfsgebouw:

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.19

Begane grond:

De bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1 m boven peil is gestegen.

1.20

Bestaand:

Bij gebruik: aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan; Bij bouwwerken: aanwezig op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.21

Bestemmingsgrens:

De grens van een bestemmingsvlak.

1.22

Bestemmingsvlak:

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

6

1.23

Bijbehorend bouwwerk:

Functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak , niet zijnde een uitbreiding van het hoofdgebouw.

1.24

Bijgebouw:

Een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning, dat zowel ruimtelijk (qua constructie en/of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan de woning.

1.25

Bouwen:

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.26

Bouwgrens:

De grens van een bouwvlak.

1.27

Bouwlaag:

Een gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. Bij de bepaling van het aantal bouwlagen worden de ruimten in de kap (zolder) en de bouwlagen die onder de begane grond zijn gelegen (kelder e.d.) niet meegerekend.

1.28

Bouwperceel:

Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.29

Bouwperceelsgrens:

Een grens van een bouwperceel.

1.30

Bouwvlak:

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.31

Bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.32

Bouwwijze:

De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te weten vrijstaand, twee-aaneen of aaneengebouwd waarbij: • onder “vrijstaand“ wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen; • onder “twee-aaneen“ wordt verstaan dat het hoofdgebouw van een woning naar één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd; • onder “aaneengebouwd“ wordt verstaan dat het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen, die naar twee zijden door scheidsmuren van

7

naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd, met uitzondering van de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen.

1.33

Detailhandel:

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, al dan niet via internet, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.34

Erfafscheiding:

Een bouwwerk dan dient ter gehele of gedeeltelijke omheining van een bouwperceel, bouwvlak of ander stuk grond.

1.35

Erker:

Een ondergeschikte uitbouw van het hoofdgebouw met een beperkte omvang (breedte, bouwhoogte, diepte) en transparante verschijningsvorm.

1.36

Gebouw:

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt.

1.37

Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.38

Huishouding:

Huishouding is een continuïteit in de samenstelling van bewoners en er moet sprake zijn van onderlinge verbondenheid.

1.39

Kamerverhuur:

Het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij het kenmerk is dat de kamerverhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.

1.40 Niet-publiekgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit: Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten niet specifiek publieksgericht zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorend bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse.

1.41

Open constructie:

Constructie met een doorkijk, voor minimaal 80% voorzien van open delen, zoals een constructie met gaas.

1.42

Ondergronds:

Beneden peil.

8

1.43

Overkapping:

Een overdekt bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder dan wel ten hoogste met 1 wand.

1.44

Prostitutie:

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

1.45

Publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:

Een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak publieksgericht zijn en waarvan de omvang en uitstraling zodanig is, dat de activiteit past binnen de desbetreffende woonomgeving en derhalve in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden toegestaan.

1.46

Seksinrichting:

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.47

Voorgevel:

Een naar de openbare weg en/of fiets en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw.

1.48

Woning:

Een (gedeelte van) een gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding, niet zijnde een bijzondere woonvorm of kamerverhuur/logies voor meer dan drie personen inclusief de huishouding, dan wel vier personen wanneer er daarnaast geen huishouding in het gebouw is ondergebracht.

9

Artikel 2

2.1

Wijze van meten

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens:

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.

2.2

De diepte van aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw:

De diepte van een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw wordt loodrecht vanaf de gevel van het hoofdgebouw, waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, gemeten tot het uiterste punt van de achtergevel van de aanbouw.

2.3

De dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4

De goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.

2.5

De inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6

De bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.7

De oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.8

Peil:

a. Voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.

10

Hoofdstuk 2

Artikel 3

3.1

Bestemmingsregels

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een bedrijf in milieucategorie 1 en 2, overeenkomstig de Staat van Bedrijfsactiviteiten als opgenomen in Bijlage 1 van deze regels alsmede agrarisch verwante en agrarisch technische hulpbedrijven in categorie 3.1; b. tevens de volgende bedrijven met bijbehorende voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding: 1. specifieke vorm van van bedrijf - constructiewerkplaats: een constructiewerkplaats. c. groenvoorzieningen; d. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven; e. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; f. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen; g. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden, ecologische waarden en/of landschappelijke waarden; h. statische opslag met een maximale oppervlakte van 1000 m2.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden in het algemeen de volgende regels: a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan; b. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en/of achterste perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 5 m; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onbebouwd' zijn geen gebouwen toegestaan.

3.2.2

Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; b. de oppervlakte bebouwing ten behoeve van de activiteit mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'.

3.2.3

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; b. ter plaatse van de aanduiding 'waterzuiveringsinstallatie' mag de bouwhoogte van een buffertoren niet meer bedragen dan 30 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

11

3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1

Afwijken algemene bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a.

voor het bouwen van gebouwen op een afstand van minder dan 5 m van de zijdelingse en/of achterste perceelgrens mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

3.3.2

Afwijken bouwregels bedrijfsgebouwen en bijhorende bouwwerken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a.

en voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte tot maximaal 7,5 m en/of een hogere bouwhoogte tot maximaal 12 m, indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.

3.3.3

Afwijken bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a.

voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hogere bouwhoogte tot maximaal 2,5 m; b. voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hogere bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast; c. voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hogere bouwhoogte tot 6 m; d. voor het bouwen van kleine windmolens, ten behoeve van de opwekking van duurzame energie, waarbij dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 15 m; 2. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische, landschappelijke en ecologische belemmeringen.

3.4

Wijzigingsbevoegdheid

3.4.1

Uitbreiding bebouwde oppervlakte bedrijfsbebouwing

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vergroting van de toegestane bebouwde oppervlakte bedrijfsbebouwing met inachtneming van de volgende regels: a. de vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van het bedrijf; b. de vergroting dient plaats te vinden binnen het bestemmingsvlak; c. niet-agrarische bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 15% van de toegestane maximale bebouwde oppervlakte; d. door de uitbreiding mag het bedrijf naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving opleveren; e. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen; f. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die tevens is veiliggesteld en vastgelegd overeenkomstig het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap West-Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke

12

aanvraag. Indien gekozen wordt voor landschappelijke inpassing bij wijze van kwaliteitsverbetering dan dient de landschappelijke inpassing in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door het opnemen van de bestemming 'Groen' met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'.

13

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

behoud, herstel en/of ontwikkeling van groen; onverharde paden; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; aanleg, beheer en instandhouding van landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' en als opgenomen in Bijlage 2 van de regels.

4.2

Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, behoudens: a. erf- en terreinafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan 1 m; b. eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ontginnen, afgraven, verlagen, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem; c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels; d. het verlagen van de waterstand anders dan door sloten/greppels of drainage met uitzondering van grondwateronttrekkingen; e. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden; f. het verwijderen van natuur- en landschapselementen; g. het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen.

4.3.2

Uitzonderingen

Het in lid 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

4.3.3

Toelaatbaarheid

De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden en het doel van de landschappelijke inpassing.

14

Artikel 5

5.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. ruimte-voor-ruimte woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen ruimte-voor-ruimte'; c. aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven; d. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen; e. water, waterhuishoudkundige en nutsvoorzieningen; f. groenvoorzieningen; g. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden, ecologische waarden en/of landschappelijke waarden.

5.2

Bouwregels

5.2.1

Algemeen

a. per bestemmingsvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan één; b. de afstand tussen de woning en de bestemming 'bedrijf' dient minimaal 5 meter te bedragen; c. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen, niet zijnde bestemming 'bedrijf', mag niet minder bedragen dan 2 m.

5.2.2

Woningen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de woning dient in de gevellijn te worden gebouwd; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte-voor-ruimte' mag de inhoud mag niet meer bedragen dan 1.500 m3.

5.2.3

Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m; c. voor de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken geldt het volgende: 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 400 m2: maximaal 100 m2; 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 400 m2: 100 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 400 m2 met een maximum van 150 m2; d. aan- en/of bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning te worden gebouwd; e. de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de woning mag niet meer bedragen dan 25 m;

5.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

15

a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

5.2.5

Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het bouwen van bouwwerken ter plaatse van bestemming 'Wonen' is alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing, conform het "Landschappelijk inpassingsplan Bovenstraat 51a te Hoeven", zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels en op de verbeelding is vastgelegd in de bestemming 'Groen' met de aanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing', is uitgevoerd (binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan), in stand wordt gehouden en beheerd.

5.3

Nadere eisen

a. burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ter voorkoming van onevenredige ruime situering van bebouwing binnen het bestemmingsvlak; b. de onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld indien zulks noodzakelijk is voor het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van landschappelijke, cultuurhistorische, natuur- en/of ecologische waarden als gevolg van het niet concentreren van bebouwing.

5.4

Afwijken van de bouwregels

5.4.1

Afwijken algemene bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1: a. voor het bouwen van een woning op een afstand van minder dan 5 meter tot aan de bestemming 'bedrijf' mits dit akoestisch gezien verantwoord is. b. voor het bouwen van gebouwen op een afstand van minder dan 2 m van de zijdelingse perceelgrens mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

5.4.2

Afwijken bouwregels woningen en bijhorende bouwwerken

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 5.2.2 en 5.2.3: a. voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op een afstand van minder dan 2 m achter de voorgevelrooilijn van de woning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel. b. voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 25 m tot de woning indien dit ingegeven is door de specifieke vorm van het bestemmingsvlak.

5.4.3

Afwijken bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 5.2.4: a. voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hogere bouwhoogte tot maximaal 2,5 m; b. het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een hogere bouwhoogte tot maximaal 2 m, voor de voorgevelrooilijn, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;

16

c. voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte tot 6 m;

5.5

Specifieke gebruiksregels

5.5.1

Aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven

Binnen deze bestemming is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende regels: a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing van de woning en/of bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 100 m2; b. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; c. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner; d. de activiteit mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; e. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.

5.5.2

Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing

Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden ter plaatse van de bestemming 'Wonen' conform de bestemmingsomschrijving is uitsluitend toegestaan als de landschappelijke inpassing, conform het "Landschappelijk inpassingsplan Bovenstraat 51a te Hoeven", zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels en op de verbeelding is vastgelegd in de bestemming 'Groen' met de aanduiding 'specifieke vorm van groen landschappelijke inpassing', is uitgevoerd (binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan), in stand wordt gehouden en beheerd.

5.6

Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.1 voor kleinschalig logeren, zoals bed&breakfast, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden in de woning of daarbij behorend bijbehorend bouwwerk; b. het aantal eenheden mag niet meer bedragen dan 5; c. de totale omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2; d. de woonfunctie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven; e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; f. het kleinschalig logeren mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden; g. het logeren mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.

17

5.7

Wijzigingsbevoegdheid

5.7.1

Vormverandering en/of vergroting bestemmingsvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de wijziging van de vorm en/of de grootte van het bestemmingsvlak, met inachtneming van de volgende regels: a. de oppervlakte van het bestemmingsvlak mag worden vergroot tot maximaal 1.500 m2. b. de vormverandering of vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige inrichting van de bestemming. c. gelijktijdig met de vormverandering vindt wijziging plaats van de overige gronden naar de overeenkomstig aangrenzende bestemming Agrarisch', 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' en/of 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'; d. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die tevens is veiliggesteld en vastgelegd overeenkomstig het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap West-Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Indien gekozen wordt voor landschappelijke inpassing bij wijze van kwaliteitsverbetering dan dient de landschappelijke inpassing in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door het opnemen van de bestemming 'Groen' met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'; e. de wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. f. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen. g.

de aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. h. het aantal woningen moet gelijk blijven i. alle bijbehorende bouwwerken moeten binnen het nieuwe bestemmingsvlak blijven.

5.7.2

Vergroten oppervlakte bijbehorende bouwwerken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen van het bepaalde onder , ten behoeve van het vergroten van de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken met inachtneming van de volgende regels: a. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 400m2: 100 m2 vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 400 m2; b. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die tevens is veiliggesteld en vastgelegd overeenkomstig het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap West-Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Indien gekozen wordt voor landschappelijke inpassing bij wijze van kwaliteitsverbetering dan dient de landschappelijke inpassing in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door het opnemen van de bestemming 'Groen' met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'.

18

Artikel 6 6.1

Waarde - Archeologie 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarden. De regels van deze dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee deze dubbelbestemming samenvalt.

6.2

Bouwregels

Op de gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van: a. bouwwerken die voor onderzoek noodzakelijk zijn, of; b. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid, of; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of; d. een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2, of; e. bouwen binnen reeds bestaande bouwvlakken.

6.3

Afwijken van de bouwregels

a. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. b. een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt verleend, indien: 1. op basis van onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; 2. op basis van onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wordt voorts verleend, indien mede op basis van onderzoek is aangetoond dat mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op: 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uitte voeren of te laten uitvoeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 m, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

19

b. het verlagen van het waterpeil; c. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

6.4.2

Uitzonderingen

Het in artikel 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. mede op basis van onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; c. de werken een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of smaller zijn dan 1,5 m of; d. aangetoond kan worden dat in het verleden de gronden zodanig zijn geroerd dat in de laag dieper dan 0,40 m geen archeologische waarden onevenredig geschaad kunnen worden, of; e. zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,40 m kunnen worden uitgevoerd, of; f. er reeds een omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning is verleend, of; g. de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan, of; h. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden, of; i. de werken ten dienste van onderzoek worden uitgevoerd, of; j. ter plaatse van het bouwvlak plaatsvinden.

6.4.3

Toelaatbaarheid

Voor zover mede op basis van onderzoek bepaalde is dat de in artikel 6.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

6.5

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van onderzoek is aangetoond dat: a. op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. wel aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn veilig gesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/514/documents/15304