CConstaterende datHalderberge
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Raadsvoorstel -besluit Verordening huisvesting onderwijs (getekend raad 25-05-2022).pdf

Gemeenteraad 25 mei 2022, gemeente HalderbergeBij agendapunt: 6: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs7.210 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSVOORSTEL

7aaknurnrner

Contactpersoon

M. Schr8rn

Raadsvergadering d.d. 2505.2022

Commissie

12.05.2022

Portefeuillehouder

Telefoonnummer

0165-390565

309880

T.C. Melisse. wethouder

Onderwerp Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Samenvatting Gemeenten hebben een wettelijke zorgplicht voor de huisvesting van het primair en voortgezet onderwijs. Gemeenten dragen de kosten van nieuwbouw en uitbreiding. Daarvoor ontvangen gemeenten geld via het gemeentefonds. Door middel van een gemeentelijke verordening worden deze middelen verdeeld. De gemeenteraad stelt bij verordening normen vast aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. De VNG houdt hiervoor de Model Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs bij. Het afgelopen jaren heeft de VNG diverse wijzigingen doorgevoerd in de modelverordening. Deze wijzigingen zijn overgenomen en de gewijzigde verordening onderwijshuisvesting Halderberge wordt ter goedkeuring aangeboden aan de gemeenteraad. Inleiding & beeldvorming Gemeenten hebben een wettelijke zorgplicht voor de huisvesting van het primair en voortgezet onderwijs. Op grond van de Wet primair onderwijs heeft de gemeente in voorkomende gevallen een zorgplicht voor onder andere nieuwbouw van een school, uitbreiding van een school, renovatie van een school, herstel van constructiefouten en herstel en vervanging in verband met schade. Door middel van een gemeentelijke verordening worden deze middelen verdeeld.

Op grond van artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs moet iedere gemeente een Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs hebben. In deze verordening staan de regels die lokaal van toepassing zijn op de huisvesting van de lokale scholen. Bijna alle gemeenten maken daarbij gebruik van de door de VNG in 1997 ontwikkelde gelijknamige modelverordening en de daaropvolgende aanpassingen. De meest actuele versie van de verordening in Halderberge komt uit 2015. In de jaren 2016 t/m 2021 hebben er een aantal wijzigingen plaatsgevonden in de modelverordening van de VNG. Soms kleine aanpassingen, maar ook ingrijpende wijzigingen zoals de eenmalige verhoging van de VNG-normbedragen in 2019. Als gevolg daarvan stellen wij voor de verordening voor Halderberge aan te passen en wijzigingen te verwerken.

1 van 19

Nadat bleek dat er onduidelijkheden waren over de interpretatie van bepalingen uit artikel 7 en bijlage 1, III en IV van de modelverordening, zijn deze tekstueel aangepast. De grootste en meest ingrijpende wijziging betreft de aanpassing van de normbedragen in bijlage IV van de verordening. De normbedragen die in deze bijlage benoemd staan, zijn door de VNG verhoogd. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs dient in samenhang te worden gezien met het Integraal Huisvestingsplan (IHP) opvang- en onderwijshuisvesting Halderberge (vastgesteld op 18 maart 2021). Doelstelling Door het actualiseren van de verordening uit 2015 heeft de gemeente Halderberge een goede juridische basis voor het beoordelen van huisvestingsaanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met een reëel prijsniveau. Overwegingen In vrijwel alle gemeenten wordt bij het opstellen van de verordening de modelverordening van de VNG gevolgd. Zo ook in Halderberge. De wijzigingen uit de modelverordening zijn overgenomen in de en deze wordt ter goedkeuring aangeboden aan uw gemeenteraad. Naast de nieuwe tekst is een was-wordt tabel als bijlage toegevoegd aan dit voorstel (bijlage 1). 1.1 Overwegingen De afgelopen jaren hebben er verschillende ontwikkelingen plaatsgevonden die relevant zijn voor de huisvesting van scholen, bijvoorbeeld op het vlak van duurzaamheid en binnenklimaat.

Deze veranderingen stellen andere eisen aan de huisvesting van het onderwijs. De systematiek achter de indexering van de normbedragen in de Modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs heeft in de afgelopen jaren de trend van feitelijke prijsontwikkelingen slecht voorspeld. Berekeningen van het Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB) laten zien dat de indexeringssystematiek heeft geleid tot lagere normbedragen ten opzichte van de prijs in de markt Onderwijshuisvesting is een kerntaak van gemeenten. De gemeenteraad stelt bij verordening normen vast aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. De VNG houdt hiervoor de Model Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs bij. In deze verordening wordt meer aansluiting gezocht bij de visie op (integrale) kindcentra (IKC's). In het Integraal huisvestingsplan opvang- en onderwijshuisvesting (IHP) staat beschreven dat onderwijs, kinderopvang en gemeente inzetten op de vorming van (integrale) kindcentra. De visie op (integrale) kindcentra van de schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en gemeente stelt ook eisen aan de huisvesting. In deze verordening wordt aansluiting gezocht bij die visie.

Zo is in artikel 1 van de verordening de definitie van kindcentrum meegenomen en is opgenomen dat de capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd als deze ruimte wordt verhuurd aan een peuterspeelgroep. 1.2 Onduidelijkheden over interpretatie artikel 7 van de verordening zijn verholpen In het eerste lid, onderdeel e, onder 1, is de verwijzing naar de verschillende voorzieningen, bedoeld in artikel 2 van de verordening, aangepast. Reden hiervoor is dat de toekenning van inrichting met onderwijsleerpakket (onderdeel 6) en inrichting met meubilair (onderdeel 7) niet worden toekend op basis een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school. Deze worden toegekend als uitbreiding wordt toegekend, onafhankelijk van de prognose. Verder wordt in het artikel ter onderbouwing van de noodzaak het herstellen van een constructiefout nu een (specifieke) bouwkundige rapportage vereist. Deze dient opgesteld te worden door een daartoe gecertificeerde onafhankelijke constructeur.

2 van 19

1.3 Onduidelijkheden over interpretatie bijlage 1, III en IV van de verordening zijn verholpen Investeringen in groot/ingrijpend onderhoud leiden altijd tot een levensduurverlenging. Deze schommelt tussen de 20 en 40 jaar. Met de wijziging in bijlage 1 wordt bewerkstelligd dat voortaan een objectief criterium wordt gehanteerd om vast te stellen of er een aanspraak bestaat op vervangende nieuwbouw. Voorheen werd aanvullende eerste inrichting enkel bekostigd op het moment dat ook een gebouw fysiek werd uitgebreid. De mogelijkheden van bekostiging zonder daadwerkelijke fysieke uitbreiding zijn verruimd in bijlage 1. In bijlage III wordt een nadere onderverdeling per voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan. Hoewel er geen school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs in Halderberge is gehuisvest zijn de regels die lokaal van toepassing zijn in de bijlage opgenomen. In bijlage IV wordt verduidelijkt dat bij vervangende nieuwbouw, onafhankelijk van de plek, de kosten van sloop van het oude gebouw altijd tot de kosten van het terrein behoren. Deze komen voor rekening van de gemeente. Voor het vaststellen van de vergoeding voor de verhuiskosten wordt conform bijlage IV geen onderscheid meer gemaakt tussen de onderwijssectoren (P0 en VO).

In de tweede plaats wordt een nieuwe (uniforme) formule geïntroduceerd, waarbij de aanspraak op verhuiskostenvergoeding afhangt van of de school al dan niet tijdens de realisatie van de nieuwbouw gebruik kan blijven maken van de bestaande locatie. De vergoeding is telkens gelijk aan de feitelijke kosten. Een afzonderlijke vergoeding voor herstel terrein is niet langer noodzakelijk omdat dit geïntegreerd wordt binnen andere vergoedingen. 1.4 Verhoging van de normbedragen Door het verhogen van de normbedragen in bijlage IV van de kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. In de huidige VNG Modelverordening is een indexeringssystematiek vastgelegd waarmee de normbedragen jaarlijks worden verhoogd. Deze systematiek is ongewijzigd sinds 1997 en blijft sinds 2009 achter bij de feitelijke prijsontwikkeling. Uit een analyse van het kennisinstituut voor bouwkosten BDB blijkt dat het verschil in 2017 fors is opgelopen ten opzichte van het niveau van het Bouwbesluit. De berichten van leden en de analyse van BDB waren aanleiding voor de VNG om de normbedragen onderwijshuisvesting in 2019 te verhogen, eenmalig met 40%. Daarnaast wordt er jaarlijks geïndexeerd.

Deze actualisering van de normbedragen betreft enerzijds aanpassing aan gestegen kosten en anderzijds gaat het om de vertaling van nieuw beleid met betrekking tot onder andere duurzaamheid. Met de eenmalige correctie van 40% (naast de reguliere jaarlijkse indexeringen) is de VNG-norm teruggebracht op het niveau van 'sober en doelmatig' bouwen. Risico's 2.1 IHP opvang- en onderwijshuisvesting In het IHP zijn de prioriteiten en fasering van noodzakelijke verbeteringen aan schoolgebouwen dan wel (vervangende) nieuwbouw opgenomen. Het IHP is leidend en bepalend voor de huisvestingsprojecten. De Verordening voorzieningen huisvesting Onderwijs dient als vangnet voor situatie waarin het IHP niet voorziet. Schoolbesturen dienen tijdig een aanvraag in te dienen opdat de gemeente zicht houdt op de projecten en per project actuele kaders kan meegeven. 2.2 Beheer en onderhoud De schoolbesturen ontvangen vanuit het rijk een vergoeding voor de instandhouding van de onderwijsgebouwen (onderhoud) waarin zij zijn gehuisvest. Deze Materiële Instandhouding (M.i.) is een genormeerd bedrag per leerling. De bedragen worden jaarlijks vastgesteld en kunnen dus fluctueren. Schoolbestuur dienen hier rekening mee te houden bij het opstellen van de begroting voor de beheer- en onderhoudskosten.

3 van 19

Financiële gevolgen 3.1 Uitkering uit het gemeentefonds Elke gemeente ontvangt een uitkering uit het gemeentefonds, waaronder ook middelen die geformeerd worden toegekend voor de cluster educatie, dat bestaat uit de onderwijshuisvesting en de overige educatie. Omdat de uitkering uit het gemeentefonds een zogenaamde algemene uitkering is, is een gemeentebestuur in principe vrij in de wijze waarop deze middelen worden besteed. Uitgangspunt is dat de gemeente voldoet aan haar zorgplicht, onafhankelijk van de hoogte van de vergoeding voor 'Onderwijshuisvesting' in het cluster Educatie. Omdat verschillende aspecten van de algemene uitkering elkaar kunnen beïnvloeden kan de werkelijke uitkering afwijken. De bedragen en normen worden regelmatig bijgesteld. De wijze waarop in onze gemeente vorm wordt gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht is vastgelegd in het IHP opvangen onderwijshuisvesting. Het IHP opvang- en onderwijshuisvesting is daarom leidend en niet de middelen die beschikbaar worden gesteld via het gemeentefonds. 3.2 IHP opvang- en onderwijshuisvesting Voor de bedragen die zijn meegenomen ten aanzien van het IHP is de begroting 2022 uitgegaan van reële kosten. De verhoging van de normbedragen in de verordening heeft daar geen financiële impact op. De gemeente en de schoolbesturen spannen zich in om de in het IHP opgenomen maatregelen te realiseren.

Pas na het doorlopen van de benodigde processtappen wordt bij uw raad een realisatiebesluit én een bijhorend uitvoeringskrediet gevraagd. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs geeft daarvoor de kaders. Duurzaamheid n.v.t Burger-& overheidsparticipatie Schoolbesturen, te weten: De Borgesiusstichting, De Stichting Openbaar Basisonderwijs WestBrabant en Stichting Markland College zijn vooraf geïnformeerd over de door te voeren wijzigingen en hebben de mogelijkheid gekregen hierop te reageren. De schoolbesturen hadden geen opmerkingen. Curio Prinsentuin biedt vmbo en mbo aan in de gemeente. Het Prinsentuin Oudenbosch valt onder het bevoegd gezag van het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) West Brabant en is zelf verantwoordelijk voor haar huisvesting. Communicatie De aanpassingen in de Verordening zijn gecommuniceerd met de schoolbesturen. Zij hebben de mogelijkheid gehad input te leveren op de nieuwe versie van de Verordening. De Verordening wordt gepubliceerd op Overheid.nl. De schoolbesturen krijgen een exemplaar (digitaal) ter beschikking gesteld. De Verordening wordt niet ter inzage gelegd gezien het specifieke en technische karakter van het stuk en het feit dat de direct betrokkenen/belanghebbenden (te weten: de schoolbesturen) al geïnformeerd zijn.

Vervolg Na vaststelling van de verordening door de gemeenteraad, zal de verordening worden gepubliceerd in het elektronisch gemeenteblad, waarna deze in werking treedt. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. Elk jaar publiceert de VNG deze indexeringscijfers.

4 van 19

Voorstel Wij stellen u voor: 1. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015, zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 11 december 2014, in te trekken; 2. De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs vast te stellen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.

Bijlagen: 1.Was-wordt-tabel en artikelsgewijze toelichting 2.Tekst Model Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 3.Toelichting Model Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

5 van 19

RAADSBESLUIT De raad van de gemeente Halderberge;

Gemeente Halderberge

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 april 2022; gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs; gelet op artikel 147 Gemeentewet;

BESLUIT: 1. de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015, zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 14 december 2014, in te trekken; 2. de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs vast te stellen.

7 vn 19

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet; aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient; advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; kind centrum: een voorziening waarin organisaties als onderwijs, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, peuterspeelzaal en welzijnsactiviteiten voor kinderen zijn samengevoegd; medegebruik: gebruik van een onderwijsgebouw ten behoeve van onderwijs van een andere school of van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond

van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs; permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het Voortgezet onderwijs; school: 1°. school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; 20.

school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; 3°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; -

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is; voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II tenminste 4 jaar en maximaal 15 jaar noodzakelijk is; voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2. -

-

-

-

-

Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a. voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 10. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 20. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 30. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; 40. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school; terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°; 6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 70 . inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 80. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; b.

herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; c. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leeren hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; d. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening. 50

Artikel 3. Voorbereidingskrediet Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en 2, kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.

Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen 1.Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 6 en 7 en onderdeel d wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen. 2.Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op

de feitelijke kosten. 3. De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde investeringsbedrag.

Artikel 5. Informatieverstrekking 1.Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. 2.Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking.

Hoofdstuk 2. Programma en overzicht Paragraaf 2.1. Aanvragen programma Artikel 6. Indienen aanvraag 1. Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 1 februari van het jaar waarin van het betreffende programma wordt vastgesteld zijn ontvangen. 2. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling. Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag Een aanvraag vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres van de aanvrager; b. de dagtekening; c. de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd; d. de voorziening die wordt aangevraagd; e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit: 1°.

een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 10 , 20, 30, 4° en 8°, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven; 20. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 10, een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage als bedoeld in bijlage 1, deel A, onder A.2; 30. als de aanvraag betrekking heeft op herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage van een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke constructeur, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld; als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting 40

van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting. f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en g. als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 10 tot en met 50, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd. 2.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 3.Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling.

Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15 mei een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.

Paragraaf 2.2. Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 1.Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid. 2.Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast. 3. Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3: a. de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en b. als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.

Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 2.Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.

3. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis. 4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 5. Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid. 6. Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid. 7.

Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies. 8. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid. Paragraaf 2.3. Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel II. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening. 2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft. Artikel 12.

Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten. 2.De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.

Paragraaf 2.4. Uitvoeren programma Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering 1. Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening

en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: a. het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs; b. het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend; c. als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; d. de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien; e. de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen; f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt; g. de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 % van het geraamde investeringsbedrag. 2.De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag.

De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 3. Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing. 4. Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.

Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes 1.Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend. 2.Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.

Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis. 3. De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

Artikel 15. Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.

Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging 1. Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. 2. De in het eerste lid bedoelde: a. bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk; b. bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd; c. huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst; d. koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop. 3. De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door: a. bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en b. de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college. 4. Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.

Hoofdstuk 3. Aanvragen met spoedeisend karakter Paragraaf 3.1. Aanvraag Artikel 17. Indienen aanvraag Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Artikel 18. Inhoud aanvraag 1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. 2.Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Paragraaf 3.2. Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit Artikel 19. Tijdstip beslissing 1.Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. 2.Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.

Artikel 20. Uitvoeren beslissing 1.Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt. 2.Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen 2 weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.

Hoofdstuk 4. Medegebruik en verhuur Paragraaf 4.1. Medegebruik voor onderwijs of educatie Artikel 21. Aanduiden omstandigheden Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als: a. door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend; b. sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; c. leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school; d. leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of e. een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.

Artikel 22. Omschrijving leegstand 1. Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage lii, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde

ruimtebehoefte. 2. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als: a. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren; b. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; c. het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.

Artikel 23. Nalaten vorderen Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.

Artikel 24. Overleg en mededeling 1.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10. 2.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen. 3. Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. 4. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval: a. de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd; b. een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; c. het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; d. het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt; e. de periode waarvoor gevorderd wordt, en f. de ingangsdatum van het medegebruik.

Artikel 25. Vergoeding De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd.

Paragraaf 4.2. Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel 26. Overleg en mededeling 1. Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag. 2. In het overleg komt in ieder geval aan de orde: a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; c. of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; d. wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen. 3. Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.

Paragraaf 4.3. Verhuur Artikel 27. Verzoek toestemming college 1.Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten. 2.Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte. 3. Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.

Hoofdstuk 5. Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel 28. Staat van onderhoud 1.Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. 2.Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt. 3. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college. 4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. 5.Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt. 6. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.

Hoofdstuk 6. Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik 1. Het college stelt jaarlijks voor 1 december voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt. 2. Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven. 3. Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31 december een rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende uitgangspunten: a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage 1, deel B; b. een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en c. het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs. 4.

Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld: a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd; b. het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en c. de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt. 5. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het voorstel. 6. Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel. 7. Het college stelt het rooster voor 1 mei definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. 8. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. 9. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 30.

Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.

Artikel 31. Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van

prijsbijstelling.

Artikel 32. Intrekken oude verordening De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs 2015, zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 14 december 2014, wordt ingetrokken.

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.halderberge.nl/api/v1/meetings/523/documents/15464