Verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van negen woningen aan de IJweg 1192 A tot en met D en 1194 A tot en met E in Hoofddorp
Tekst van het document
gemeente Haarlemmermeer
raadsvoorstel
Onderwerp
Portefeuillehouder Steller Collegevergadering
Verklaring van geen bedenkingen voor de bouw van negen woningen aan de Uweg 1192 A tot en met D en 1194 A tot en met E in Hoofddorp mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Clarissa Mornout 1 maart 2022
Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer
2022.0000367 1. Voorstel Collegebesluit(en)
Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. een verklaring van geen bedenkingen af te geven voor de bouw van negen woningen aan de Uweg 1192 A tot en met D en 1194 A tot en met E in Hoofddorp. 2. Samenvatting
Wij willen een omgevingsvergunning verlenen voor het realiseren van negen woningen in de vorm van een nieuw boerenerf aan de Uweg 1192 A t/m D en 1194 A t/m E in Hoofddorp. Wij kunnen deze omgevingsvergunning alleen verlenen nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Het project kan namelijk niet worden geschaard onder één van de categorieën waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.040560) 3. Uitwerking
3.1 Wat willen we bereiken? Wij willen een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van negen woningen in de vorm van een nieuw boerenerf aan de Uweg 1192 A t/m D en 1194 A t/m E in Hoofddorp. 3.2 Wat gaan we daarvoor doen? Aanvraag De aanvraag betreft de bouw van negen woningen in de vorm van een nieuw boerenerf aan de Uweg 1192 A t/m D en 1194 A t/m E in Hoofddorp.
Verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van negen woningen aan de Uweg 1192 A tot en pagina 2 met D en 1194 A tot en met E in Hoofddorp
Bestemmingsplantoets In het bestemmingsplan 'Toolenburg 2007' (NL.IMR0.0394.BPGhfdtoole2007-C001) heeft het perceel deels de bestemmingen Wonen, Tuin, Erf en Groen. Binnen dit gebied zijn drie bouw vlakken gesitueerd waar in totaal drie woningen gerealiseerd kunnen worden. Het bouwen van negen woningen is niet toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Binnen het bestemmingsplan is geen afwijkingsmogelijkheid. Er wordt gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt. Overweging Onderdeel van de aanvraag is een ruimtelijke onderbouwing, waarin is onderbouwd dat het plan past binnen Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. De ruimtelijke onderbouwing en het ruimtelijk advies zijn als bijlage bij dit raadsvoorstel gevoegd. Het ruimtelijk advies is positief. Stedenbouwkundig gezien is het een goed plan. Het aantal woningen is passend voor een nieuw boerenerf en het totale plan is een leuke interpretatie van een erf in de 21e eeuw. Op dit deel van de Uweg is er verkeerskundig gezien ruimte voor de toevoeging van deze negen woningen. Met de ruimtelijke onderbouwing is aangetoond, dat er sprake is van een goede ruimtelijke or dening. Wij kunnen de omgevingsvergunning alleen verlenen nadat de raad heeft verklaard een vvgb te geven voor dit plan.
Het project kan namelijk niet worden geschaard onder één van de categorieën waarvoor geen vvgb vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560). Procedure De ontwerp vvgb heeft samen met de ontwerp omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Zowel tegen de ontwerp omgevingsvergunning als tegen de ontwerp vvgb kon een ieder zienswijzen indienen (artikel 3.11 Besluit ruimtelijke ordening). Er is één zienswijze ingediend, die later weer is ingetrokken. Nu de terinzage termijn is afgelopen en er geen zienswijzen zijn, wordt de raad voorgesteld de vvgb te verlenen. 3.3 Wat mag het kosten? Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. Wat zijn de financiële risico's? Onze gemeente loopt geen vermeldenswaardige financiële risico's bij de uitvoering van dit voorstel. 3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk? Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de raad bevoegd te besluiten over een vvgb. De bevoegdheid om te besluiten over een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij ons college. Binnen het college is de portefeuillehouder Ruimtelijke Ordening het eerste aan spreekpunt.
Verklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van negen woningen aan de Uweg 1192 A tot en pagina 3 met D en 1194 A tot en met E in Hoofddorp
3.5 Wanneer en hoe zal de raad over de voortgang worden geïnformeerd? De raad zal in kennis worden gesteld van een eventuele beroepsprocedure.
4. Ondertekening
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur Controleur
IJweg 1192-1194 Hoofddorp 1.0 20032 16 juni 2021 M.T. van der Horst mr. A.B. Groeneveld
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1 2
3
4
5
6
Inleiding Projectbeschrijving
4 5
Projectlocatie Projectplan Vigerend bestemmingsplan
5 6 8
Ruimtelijk beleid
15
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
15 17 19
Omgevingsaspecten
22
Stedenbouwkundige motivering/ Landschappelijke inpassing Motivering behoefte/ Ladder voor duurzame verstedelijking Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Duurzaamheid Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
22 23 24 27 28 29 31 32 33 36 38 39 40 42 45
Beschrijving uitvoerbaarheid
46
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46 46
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
47
Bijlagen 1 2 3 4 5 6
Verkennend bodemonderzoek, Grondslag Bodemkwaliteitsbureau, 2017 Actualisatie onderzoek bodemkwaliteit, Grondslag Bodemkwaliteitsbureau, 2020 Ecologische quickscan, de Bouwecoloog, 2021 Stikstofdepositie onderzoek, M+P, 2021 KLIC-melding Onderzoek geluidswering gevel, M+P, 20 april 2021
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING In opdracht van De Peppelgaard Project B.V. heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een negen woningen ter plaatse van de IJweg 1192-1194 te Hoofddorp. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is de motivatie om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan, de zogenoemde Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Voorliggende rapportage betreft de GRO, waarin het project aan de hand van zowel ruimtelijke als milieutechnische aspecten wordt gemotiveerd.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de IJweg 1192-1194 te Hoofddorp. De projectlocatie betreft een braakliggend terrein. Ter plaatse van de bestemming ‘Erf’ is de ontwikkeling van woningbouw niet toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Hoofddorp Toolenburg 2007’. De projectlocatie is kadastraal bekend bij de gemeente Haarlemmermeer, sectie Q, nummer 3838 en 3839. Verder is de projectlocatie omringd door de IJweg, een sloot en omliggende woningen. Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de IJweg, de straat die de volledige Haarlemmermeerpolder doorkruist, tussen de woonwijken Toolenburg en de sportvelden van S.V. Hoofddorp. Het projectgebied bestaat uit twee delen in de vorm van een “L”. Een deel van kavel IJweg 1192-1194 is gelegen aan de IJweg en een deel achter de kavel IJweg 1190. Dit laatste deel grenst aan een openbaar terrein aan de Schoonenburgsingel, een langzaam verkeersverbinding naar de woonwijk. De projectlocatie is een braakliggend terrein tussen twee bestaande kavels met bebouwing van elk één bouwlaag met kap. Beide kavels hebben een groene haag die het plangebied afschermt. Parallel aan de IJweg liggen sloten die een belangrijke afwateringsfuncte hebben. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie (projectlocatie rood omlijnd)
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 5
PROJECTPLAN Beoogd is om negen woningen te realiseren op de projectlocatie. Deze woningen bestaan uit een voorhuis en vier stalwoningen met een bouwhoogte van 12,7 meter, twee hooischuurwoningen met een bouwhoogte van 11,4 meter en twee werkschuurwoningen met een bouwhoogte van 9 meter. Het doel is om de woningen mogelijk te maken door af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Figuur 2. Uitsnede projectgebied (bron: ONX-Architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 6
Figuur 3. schets toekomstige situatie (bron: ONX-Architecten)
Figuur 4. Impressie situatietekening (bron: ONX-Architecten)
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 7
Figuur 5. Tekening situatie (bron: ONX-Architecten)
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Hoofddorp Toolenburg 2007” vigerend. Dit plan is op 9 januari 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlemmermeer. De projectlocatie heeft de bestemming ‘Erf’, ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Er zijn drie bouwvlakken binnen het plangebied gelegen, waarbinnen woningbouw mogelijk is met een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Onderstaand figuur bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Vervolgens worden de relevante bepalingen uit de regels weergegeven, voor zover relevant voor de ontwikkeling en daarmee niet limitatief.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 8
Figuur 6. Uitsnede bestemmingsplankaart (www.ruimtelijkeplannen.nl geraadpleegd op 10 maart 2021)
Artikel 4 – Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 25 ‘Zone(s) Luchthavingindelingbesluit’, bestemd voor: a. Hoofdgebouwen in de vorm van woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huisverbonden beroep; b. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen; Met daarbij behorende: c. Tuinen en erven; d. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde; Alsmede bestemd voor: e. ‘Verkeer en verblijf’, overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, voorzover op de gronden op de plankaart op de aanduiding ‘overbouwing’ geldt en ter plekke de bestemmingen ‘Verkeer en Verblijf’ en ‘Wonen’ aan elkaar grenzen. 4.2 Bouwvoorschriften 4.2.1 Voor het bouwen van gebouwen gelden de aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen: a. Per bouwperceel is één zelfstandig hoofdgebouw toegestaan; b. Daar waar de bestemming ‘Wonen’ en/of ‘Tuin’ grenst aan de bestemming ‘Water’, wordt in dit bestemmingsplan de naar ‘Water’ gekeerde gevel beschouwd als de voorgevel en de naar ‘Water’ gekeerde bebouwingsgrens als de voorste bebouwingsgrens;
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 9
c. Voorzover voor hoofdgebouwen de aanduiding ‘beperking voor bovenste bouwlaag’ is opgenomen, mag de bovenste bouwlaag niet meer dan 80% van de verdiepingsvloer van de daaronder liggende bouwlaag betreffen; d. Voorzover de gronden vallen binnen de begrenzing van het gebied ‘opbouw toegestaan’ is in afwijking van de op de plankaart aangegeven maximale goothoogte, aan de achterzijde een dakopbouw aan de bovenste bouwlaag toegestaan recht opgaand vanaf de verdiepingsvloer van de bovenste bouwlaag; e. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter zijn; f. De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 5 meter zijn; g. Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan onder hoofdgebouwen en aan- en uitbouwen, tot een verticale diepte van niet meer dan 3 meter; h. Een dakhelling mag niet meer dan 60o zijn; i. In geval op grond van een verleende bouwvergunning bestaande gebouwen niet voldoen aan de in dit lid genoemde maten en oppervlakten, gelden de gerealiseerde maten en oppervlakten als hetgeen maximaal is toegestaan. 4.2.2 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter zijn; b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter zijn.
Gebruiksvoorschriften 4.3.1 Het gebruik van een woning en/of aan- en uitbouwen ten dienste van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan tot niet meer van 40% van het gezamenlijke vloeroppervlak van het hoofdgebouw en aan- en uitbouwen, met een maximum van 50 m2, zulks met inbegrip van de oppervlakte gebouwd op gronden met de bestemming ‘Erf’ en ‘Tuin’ en ‘Tuin bebouwing’. 4.3.2 Het gebruik als dakterras van dakafdekkingen van dakopbouwen die zijn toegevoegd aan de oorspronkelijke bebouwing is niet toegestaan, met uitzondering van dakafdekkingen van dakopbouwen aan de tweede bouwlaag binnen het op de plankaart aangegeven gebied ‘opbouw toegestaan’. 4.3.3 Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, als bedoeld in artikel 29 ‘Gebruiksbepaling’ wordt in ieder geval ook gerekend: a. Het gebruik van bijgebouwen voor bewoning; b. Het gebruik van een hoofdgebouw als meer dan één woning. Artikel 8 – Erf 8.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor ‘Erf’ (E) aangewezen gronden zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 25 ‘Zone(s)’ Luchthavenindelingbesluit’ bestemd voor: a. Tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met daarbij behorende; b. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen, behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.2 Bouwvoorschriften 8.2.1 Niet meer dan 50% van de gronden mag worden bebouwd en niet meer dan 60 m2. 8.2.2 Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden tevens de volgende bepalingen: a. Aan- en uitbouwen mogen worden gebouwd tot maximaal 3 meter achter de achterste bouwgrens en tot maximaal 3 meter naast de zijdelingse bouwgrens, zoals die gelden voor het bij de betreffende gronden behorende hoofdgebouw. b. De goothoogte van aan- en uitbouwen mag niet meer zijn dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van de woning waar tegenaan gebouwd wordt, met dien verstande dat de goothoogte niet mag worden overschreden, geen gebouw zijnde, zoals een hekwerk; Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 10
c. De goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3 meter zijn; d. De bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer dan 4 meter zijn; e. Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan onder aan- en uitbouwen tot een verticale diepte van niet meer dan 3 meter; f. In geval p grond van een verleende bouwvergunning bestaande gebouwen niet voldoen aan de in dit lid genoemde maten en oppervlakte, gelden de gerealiseerde maten en oppervlakte als hetgeen maximaal is toegestaan. 8.2.3 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden tevens de volgende bepalingen: a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer zijn dan 2 meter; b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter zijn. 8.3 Vrijstelling van de bouwvoorschriften 8.3.1 Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van: a. Het bepaalde in artikel 8.2.1. tot een oppervlakte van niet meer dan 150 m2, mits het genoemde percentage maximaal 50 blijft; b. Het bepaalde in artikel 8.2.2. onder d. voor het vergroten van de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot niet meer dan 6 meter. 8.4 gebruiksvoorschriften 8.4.1 Het gebruik van aan- en uitbouwen ten dienste van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, met dien verstande dat: a.
Indien behorende bij een hoofdgebouw met de bestemming “Wonen” (W), hiervoor niet meer dan 40% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning en aan- en uitbouwen mag worden gebruikt, met een maximum van 50 m2, zulks met inbegrip van de oppervlakte gebouwd op gronden met de bestemming “Wonen” en “Tuin”. b. Indien behorende bij een hoofdgebouw met de bestemming ‘Wonen beroep aan huis’ (Wb) hiervoor niet meer dan 100 m2 mag worden gebruikt, zulks met inbegrip van de oppervlakte gebouwd op gronden met de bestemming ‘Wonen beroep aan huis’ en “Tuin”. 8.4.2 Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, als bedoeld in artikel 29 ‘Gebruiksbepaling’ wordt in ieder geval ook gerekend: a. Het gebruik van bijgebouwen voor bewoning; b. Het, al dan niet gedeeltelijk, gebruik van daken van aan- of uitbouwen of bijgebouwen als dakterras. Artikel 9 – Tuin (T) 9.1 bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor Tuin (T) aangewezen gronden zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 25 ‘Zone(s) Luchthavenindelingsbesluit’, bestemd voor: a. Tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; met daarbij behorende: b. Aanbouwen, behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen; c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 9.2 Bouwvoorschriften 9.2.1. Voor het bouwen van aanbouwen gelden de volgende bepalingen: a.
De diepte van de aanbouw gemeten vóór de voorste bebouwingsgrens die geldt voor de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, mag niet meer zijn dan: 1. 1,5 meter, mits de afstand tussen aanbouw en de voorste bestemmingsgrens minimaal 2 meter bedraagt. 2. 1 meter, mits de afstand tussen de aanbouw en de voorste bestemmingsgrens minimaal 1,25 meter bedraagt. Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 11
b. c.
d. e. f.
3. 0,75 meter, mits de afstand tussen de aanbouw en de voorste bestemmingsgrens minimaal 1 meter bedraagt. De aanbouw mag niet meer dan 65% van de voorgevelbreedte van het betreffende hoofdgebouw beslaan; De bouwhoogte mag niet meer dan 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waartegen aan gebouwd wordt; een en ander met dien verstande dat de bouwhoogte niet mag worden overschreden door bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals een hekwerk; Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan onder aan- en uitbouwen tot een verticale diepte van niet meer dan 3 meter. De afstand van de aanbouw tot de zijdelingse perceelgrens dient minimaal 0,25 meter te zijn, tenzij in het verleden voor het betreffende bouwwerk vrijstelling is verleend van deze minimale vereiste afstand; De geluidsbelasting vanwege het wegverkeer van geluidsgevoelige gebouwen mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.
9.2.2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 meter zijn; b. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter zijn. 9.3 vrijstelling van de bouwvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 9.2.1. onder e voor afstand kleiner dan 0,25 meter tot de zijdelingse perceelgrens. 9.4 Gebruiksvoorschriften 9.4.1. Het gebruik van aan- en uitbouwen ten dienste van een aan-huis-verbonden beroep is toegestaan, met dien verstande dat: a. Indien behorende bij een hoofdgebouw met de bestemming ‘Wonen’ (W) hiervoor niet meer dan 40% van het gezamenlijke vloeroppervlak van de woning en aan- en uitbouwen mag worden gebruikt, met een maximum van 50 m2, zulks met inbegrip van de oppervlakte gebouwd op gronden met de bestemming ‘Wonen’ en ‘Erf’. b. Indien behorende bij een hoofdgebouw met de bestemming ‘Wonen beroep aan huis’ (Wb) hiervoor niet meer dan 100 m2 mag worden gebruikt, zulks met inbegrip van de oppervlakte gebouwd op gronden met de bestemming ‘Wonen beroep aan huis’ en ‘Erf’. 9.4.2. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, als bedoeld in artikel 29 ‘Gebruiksbepaling’ wordt in ieder geval gerekend: a. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; b.
Het, al dan niet gedeeltelijk, gebruik van daken van aan- of uitbouwen of bijgebouwen als dakterras.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 12
Artikel 22 Groen (G) 22.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor ‘Groen’ (G) aangewezen gronden zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 25 ‘Zone (s) Luchthavenindelingbesluit’ en artikel 26 ‘Leidingen’, bestemd voor: a. Groenvoorzieningen; b. Paden; c. Waterpartijen en watergangen; d. Speelvoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: e. Verhardingen in de vorm van wandel- en fietspaden, parkeervoorzieningen, op- en inritten; met de daarbij behorende: f. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 22.2 Bouwvoorschriften De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 6 meter bedragen. Artikel 25 Zone(s) Luchthavenindelingbesluit 25.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor: − Zone hoogte beperking; − Hoogtelijn; − Beperkingen vogelaantrekkende bestemmingen; Aangeduide gronden zijn, onverminderd de voor deze gronden andere aangewezen bestemmingen, primair bestemd voor het beperken van veiligheidsrisico’s vanwege de luchthaven Schiphol. De volgende bepalingen gelden niet voor zover het hierna omschreven gebruik of bestemming rechtmatig was op 20 februari 2003. 25.2 Bouwvoorschriften Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen: Beperkingen hoogte a.
De op de kaart aangegeven maatvoering voor de ‘zone hoogte beperking’ geeft de maximale bouwhoogte aan van bebouwing, gezien in een horizontaal vlak; b. De op de kaart aangegeven maatvoering ‘hoogtelijn’ geeft de maximale bouwhoogte aan van bebouwing, waarbij geldt dat voor de tussen twee maatvoeringen gelegen gronden sprake is van een rechtlijnig verloop van de maximale bouwhoogte; c. De hoogte van een object wordt gemeten in relatie de referentiehoogte van de luchthaven Schiphol, zijnde -4,00 meter NAP. 25.3 Aanlegvergunning in verband met beperkingen hoogte Het is op de onder a. en b. bedoelde gronden verboden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, voorzover deze reiken tot een hoogte boven de onder a. en b. bedoelde maximale waarden. 25.4 Gebruiksvoorschriften Beperkingen vogelaantrekkende bestemmingen Op de in het plangebied begrepen gronden is een grondgebruik of een functie binnen de volgende categorieën niet toegestaan: 1. Industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag; Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 13
2. 3. 4. 5.
Viskwekerijen met extramurale bassins; Opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking; Natuurreservaten en vogelreservaten; Moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare.
Toets aan bestemmingsplan De ontwikkeling van de woningen is op onderdelen in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Hoofddorp Toolenburg 2007’. Zo worden meer woningen gerealiseerd dan is toegestaan. Daarnaast worden de woningen buiten het bouwvlak gerealiseerd en overstijgen ze maximale bouwhoogte. Ten slotte zijn er geen woningen als hoofdgebouw toegestaan op de bestemmingen ‘Erf’ en ‘Tuin’, maar alleen aan- en uitbouwen. De toets aan het Luchthavenindelingbesluit vindt plaats in paragraaf 4.10 van deze ruimtelijke onderbouwing. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen en het project planologisch mogelijk te maken, wordt een procedure doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 14
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 7. Afwegen met de NOVI. Bron: Nationale Omgevingsvisie.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 15
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen 3.1.1.1 Relatie tot ontwikkeling In de omgevingsvisie is in beleidskeuze 2.4 het volgende opgenomen: “overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio’s en bevorderen een onderscheidend en aantrekkelijk vestigingsklimaat”. Economische activiteiten en hoogopgeleiden concentreren zich in steden en stedelijke regio’s. De aanwezigheid van universiteiten en hogescholen speelt hierbij een belangrijke rol.
Hierdoor neemt de economische dynamiek toe, maar ook de druk op de leefomgeving. Duurzame stedelijke groei en innovaties in mobiliteit zijn randvoorwaardelijk voor de groei van de stedelijke economie. Het vraagt extra inzet in de stedelijke regio’s om de leefomgevingskwaliteit, het milieu en de bereikbaarheid op peil te brengen, omdat dat bijdraagt aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De mogelijke ontwikkelingen kunnen voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Woningen en levensmiddelenvoorzieningen kunnen bijdragen aan het aantrekkelijker maken van de projectlocatie. In opgave 5 uit de Nationale Omgevingsvisie is beschreven dat de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen vergroot moet worden binnen 30 jaar. De opgave is om de goede kwaliteit woningvoorraad te behouden door onder meer sloop en renovatie van woningen van slechte kwaliteit. Met de Nationale Omgevingsvisie wordt er gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden en dorpen. Een doelstelling is om woningbouw vooral binnen het Stedelijk Netwerk Nederland plaats te laten vinden. Hoofddorp valt onder het Stedelijk Netwerk Nederland en voorziet in een grote woningbehoefte binnen 30 jaar. De beoogde ontwikkeling van negen woningen aan de IJweg 1192-1194 te Hoofddorp geeft invulling aan de grote woningbouwbehoefte. 3.1.1.2 Conclusie De NOVI levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan.
Het plan is in lijn met de Nationale Omgevingsvisie.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. 3.1.2.1 Relatie tot ontwikkeling Geen van de nationale belangen zijn van toepassing op de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 16
3.1.2.2 Conclusie Het Barro legt geen restricties op voor de locatie waar de ontwikkeling wordt voorzien.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.1 Relatie tot ontwikkeling De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden nagenoeg allen behandeld in hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld. 3.1.3.2 Conclusie Vooralsnog kan geconcludeerd worden dat het Bro geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: Dynamisch Schiereiland, Metropool in ontwikkeling, Sterke kernen, sterke regio’s, Nieuwe energie en Natuurlijk en Vitaal landelijke omgeving. 3.2.1.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het planologische mogelijk maken van de nieuwbouw van negen woningen. De te bouwen woningen zijn beoogd binnen de bebouwde kom ter plaatse van een perceel waar in de directe omgeving van gewoond wordt. De woningen passen binnen de ruimtelijke uitstraling van de omgeving. 3.2.1.2 Conclusie De Omgevingsvisie NH2050 vormt geen belemmering voor het project.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 17
Omgevingsverordening Noord-Holland De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Deze vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening NH2020 is op 17 november 2020 in werking getreden. 3.2.2.1 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in een gebied waar de aspecten bodemsanering en peilbesluit van toepassing zijn op grond van de kaart van de Omgevingsverordening. De verschillende artikelen uit de Omgevingsverordening zullen nader benoemd worden. Figuur 8. Artikel 6.82 van de Omgevingsverordening Noord-Holland (Peilbesluit)
1. Het waterschapsbestuur stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden binnen het werkingsgebied peilbesluit. 2. Peilbesluiten moeten actueel zijn en in ieder geval rekening houden met veranderingen in de omstandigheden ter plaatse en met de aanwezige functies en belangen. Figuur 9. Artikel 4.42 tot en met 4.46 van de Omgevingsverordening Noord-Holland (Bodemsanering)
Artikel 4.42 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming voor het werkingsgebied Bodemsanering, dit betreft het hele grondgebied van Noord-Holland met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Zaanstad, Haarlem en Alkmaar, omdat zij zelfstandig bevoegd gezag Wet bodembescherming zijn, zoals bedoeld in artikel 88 van de Wet bodembescherming. Artikel 4.43 Oogmerk Deze afdeling stelt regels met het oog op de bescherming van de bodem. Artikel 4.44 Meldingsplichten Wet bodembescherming 1. Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee Gedeputeerde Staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk een week voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij Gedeputeerde Staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2. Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan Gedeputeerde Staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum.
Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal een week voor deze datum schriftelijk aan Gedeputeerde Staten. 3. Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan Gedeputeerde Staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. Artikel 4.45 Evaluatieverslag Wet bodembescherming Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan Gedeputeerde Staten aan.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 18
Artikel 4.46 Nazorg saneringen 1. Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht in geval van nazorg in het kader van saneringen in opdracht van de provincie. 2. Indien na sanering door of namens de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice BV. 3.2.2.2 Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening wordt, voor zover relevant in het kader van de beoogde ontwikkeling, voldaan.
GEMEENTELIJK BELEID Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 Op 18 oktober 2012 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 vastgesteld. Door middel van deze visie wil de gemeente 'De samenhang laten zien van plannen en gewenste toekomstige ontwikkelingen'. Het is een belangrijk ruimtelijk instrument waarin de inrichting van de ruimte beschreven wordt en dat de basis vormt voor alle bestemmingsplannen. Er staat bijvoorbeeld in hoofdlijnen in waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd mag worden. De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 geeft voor de komende jaren de koers aan op ruimtelijk gebied. Met andere woorden de Structuurvisie is toetsingskader voor alle ruimtelijke plannen, waarbij het accent ligt op de toetsingscriteria: sociale duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn: • • • •
Het versterken van atypische stedelijkheid; Het duurzaam en klimaatbestendig inrichten van de gemeente; Het versterken van de fysieke en sociale verbondenheid; Een aantrekkelijke ontmoetingsplaats zijn en blijven.
3.3.1.1 Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van negen woningen die passen binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. De woningen zullen een boerderij-achtige uitstraling krijgen. Door middel van deze woningen wordt voldaan aan de ambitie ‘het versterken van atypische stedelijkheid’. Deze woningen zijn namelijk anders dan de omliggende woningen, maar passen binnen de groene omgeving van de projectlocatie. Door deze woningen wordt voldaan aan de ambitie om de atypische stedelijkheid te versterken, maar hierdoor kan Haarlemmermeer ook een aantrekkelijkere ontmoetingsplaats worden/blijven. Indien meer atypische woningen worden gerealiseerd, kan dit zorgen voor een aantrekkelijke ontmoetingsplaats. 3.3.1.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling past binnen de structuurvisie Haarlemmermeer 2030.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 19
Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 In de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 wordt aangegeven dat de kern Hoofddorp is veranderd van een dorp in de richting van een stad, met de bijbehorende positieve en negatieve effecten. De woningbouwbehoefte in Haarlemmermeer blijft onverminderd groot, het streven en beleid van Rijk en Provincie zijn erop gericht om vooral binnenstedelijk te ontwikkelen. Dat leidt ertoe dat de binnenstedelijke woningbouwopgave voor Hoofddorp groot is. De gemeente wil van Hoofddorp een levendige, duurzame en goed bereikbare stad maken. De deelstructuurvisie geeft richting voor ontwikkelingen. Hierbij zijn tien opgaven uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
bouwen van minimaal 3300 woningen voor starters, nieuwkomers en doorstromers, voorzieningen realiseren die passen bij de veranderende behoeften, herstructureren en transformeren van oudere bedrijven en sportgebieden, bereikbaarheid garanderen door scheiden lokaal van regionaal verkeer fiets- en openbaar vervoer-infrastructuur verbeteren, het centrum op een logische en toekomstgerichte wijze bereikbaar houden, koppelen van het werkgebied ten oosten van het spoor aan het centrum en het woongebied aan de westzijde van het spoor, 8. versterken en combineren van groen, water en ecologie met routes, 9. identiteit en herkenbaarheid van Hoofddorp verbeteren, en 10. van Hoofddorp een klimaatbestendige en klimaatneutrale plaats maken. 3.3.2.1 Betrekking tot de ontwikkeling De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de woningbouwbehoefte in Hoofddorp en verbetert de identiteit en herkenbaarheid van Hoofddorp.
Woonvisie In 2012 heeft de gemeenteraad de nota 'Woonvisie 2012-2015' vastgesteld. De Woonvisie is het kader voor het woonbeleid van Haarlemmermeer. Voorspelbaarheid en maakbaarheid zijn op de achtergrond gedrongen door de hoge dynamiek in de samenleving en op de woningmarkt. De Woonvisie heeft als centrale doelstelling: 'Haarlemmermeer zet zich in voor duurzame en betaalbare woningen in leefbare dorpen in wijken en aangenaam wonen in diverse woonmilieus: stedelijk, suburbaan, dorps en landelijk'. Drie belangrijke pijlers daarin zijn: • • •
Woongenot in dorpen en wijken. Maatwerk in regelgeving op lokaal niveau, aandacht voor woonwijken met stadse en suburbane woonmilieus (Hoofddorp, Nieuw-Vennep) en versterken van uniek karakter in de kernen en het buitengebied. Inspelen op de woningmarkt. De woningmarkt, vraag en aanbod, is het uitgangspunt. Wonen en zorg/ bijzondere doelgroepen. De vergrijzing zorgt voor een veranderende woonvraag en het huisvesten van bijzondere doelgroepen heeft onze extra aandacht. Mede door het scheiden van wonen en zorg en de decentralisatie van taken naar de gemeente, spelen partners die gespecialiseerd zijn in wonen, zorg en welzijn hierbij een sleutelrol.
Conclusie Met de ontwikkeling van 9 duurzame woningen wordt bijgedragen aan de doelstelling, zoals deze is opgenomen in de Woonvisie.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 20
IJweg de spiegel van de polder (2000) In 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders de visie “IJweg de spiegel van de polder” vastgesteld. De visie beschrijft het karakter van de polderweg en de lopende ontwikkelingen. Daarnaast geeft de visie richtlijnen voor nieuwe initiatieven. Uitgangspunt is dat het cultuurhistorische karakter van de IJweg herkenbaar blijft. De gronden aan de IJweg hebben een groen karakter waar bebouwde gedeelten worden afgewisseld door onbebouwde gronden, met doorzichten naar het achterliggende gebied. 3.3.4.1 Betrekking tot de ontwikkeling In de Kavelpaspoort voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente Haarlemmermeer de stedelijke randvoorwaarden afgestemd op deze visie. De ontwikkeling betreft een uitwerking van deze stedelijke randvoorwaarden en is hiermee in lijn met de visie “IJweg de spiegel van de polder”.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 21
4
OMGEVINGSASPECTEN STEDENBOUWKUNDIGE MOTIVERING/ LANDSCHAPPELIJKE INPASSING De gemeente Haarlemmermeer heeft voor de ontwikkeling een kavelpaspoort opgesteld d.d. 30 september 2020. De kavel wordt volgens de hoofdlijnen van de visie IJweg 2000 ingepast. Stedenbouwkundige randvoorwaarden uit IJweg visie 2000 • Bij voorkeur grote bouwkavels met footprint vanaf 200m² en kavelgrootte vanaf 3.000m². • Kavel is minimaal 30 meter breed. • Doorgaand profiel IJweg is de basis, dus standplaats van bomen en wegsloot respecteren. • De massa is gericht op de IJweg en wordt ontsloten vanaf de IJweg middels max. één damduiker. • Parkeren vindt plaats op eigen terrein, en dient achter de rooilijn van het gebouw (niet zichtbaar vanaf de IJweg) te worden gerealiseerd. Ruimte t.b.v. het halen/ brengen bewoners en bezorgdiensten kunnen daarentegen wel voor de voorgevelrooilijn opgelost worden Overige stedenbouwkundige randvoorwaarden • Het ontwerp dient de uitstraling te hebben van een boerenerf met een duidelijke hiërarchie in bebouwing. Namelijk een hoofdgebouw aan de zijde van de IJweg en een aantal daaraan ondergeschikte gebouwen, wat betref goot- en nokhoogte, footprint en volume. Deze laatst genoemde gebouwen staan altijd achter het hoofdgebouw. • Binnen de gebouwen kunnen meerdere woningen gerealiseerd.
• De gebouwen onderscheiden zich van elkaar in uitstraling maar zijn stedenbouwkundig wel “familie” van elkaar. • De groene uitstraling en continuïteit van de IJweg dient te worden gehandhaafd. • Bergingen ten behoeve van de woningen dienen als bouwvolume aaneengesloten te zijn en ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Per wooneenheid kan maximaal één berging worden gerealiseerd. Bergingen dienen mee ontworpen te zijn en kunnen tevens inpandig worden gerealiseerd. Groen • Nieuwe plannen moeten voorzien in landschappelijke inpassing, passend bij de cultuurhistorische en ecologische kwaliteit; een goede landschappelijke inpassing is een belangrijk aspect van het ontwerp. Daarom wordt gevraagd om in de ontwerpen ook een beplantingsplan op te nemen, waarbij de beplanting passend is bij het historische IJweg profiel. • De groene laan en bosschages aan de zuidoostzijde dienen behouden te blijven als ruimtelijke buffer naar de aanliggende woonwijk. • Heldere/groen erfafscheiding: Bij het beplantingsplan bijzondere aandacht voor de erfafscheiding passend in de uitstraling van de IJweg. Van belang is dat de beplanting een relevante bedrage levert aan de versterking van de biodiversiteit en ingezet wordt voor klimaatadaptieve maatregelen bij realisatie van het ontwerp. • De voortuin van het erf dient een groene en landschappelijke uitstraling te hebben met een aantal bomen.
Een boomgaard of siertuin is passend in dit concept.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 22
Met betrekking tot de ontwikkeling Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de IJweg, één van de oorspronkelijke kavelwegen die de Haarlemmermeer doorkruisen, tussen de woonwijken Toolenburg en de sportvelden van S.V. Hoofddorp. Op dit gedeelte van de IJweg is het oorspronkelijke profiel met twee bermsloten, een smalle rijbaan en aan één zijde laanbeplanting (populieren) nog grotendeels intact (de westelijke bermsloot is niet meer aanwezig). Naast het karakteristieke profiel zijn de groenzones en de monumentale boerderijen een belangrijke kwaliteit. De kavel wordt volgens de hoofdlijnen van de visie IJweg 2000 ingericht. Uitgangspunt is dat het cultuurhistorische karakter herkenbaar blijft, en dat het karakteristieke korrelige karakter van de IJweg met doorzichten naar achter wordt gevolgd. In het vigerende bestemmingsplan is het plangebied ingevuld met twee vrijstaande woningen langs de IJweg en een vrijstaande woning in de tweede lijn. Deze ontwikkeling sluit minder goed aan op de uitgangspunten van de IJwegvisie. “De Peppelgaard” steekt in op de vervanging van deze (geplande) vrijstaande woningen door het ontwikkelen van een “boerensemble”: Een boerderij met voorhuis aan de zijde van de IJweg en daarachter twee schuren rondom een gemeenschappelijk erf. Het erf wordt “boers” ingericht met half-verhardingen, een boomgaard en een moes(speel)tuin op de voorgrond.
De verschillende erfzones worden afgebakend door ligusterhagen en de overige erfbeplanting is afgestemd op het boerenkarakter. De architectuur is eigentijds met een verwijzing naar traditionele boerderijen. Met het behoud van de karakteristieke rij populieren (peppels) en de bermsloot langs de IJweg ontstaat een nieuw groen beeld dat refereert aan de oorspronkelijke boerderijverkavelingen in de polder. Het nieuwe verkavelingsplan is in overleg met de gemeentelijke afdeling stedenbouw tot stand gekomen.
MOTIVERING BEHOEFTE/ LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: • •
Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Artikel 3.1.6 van het Bro: •
Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 23
Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling omvat negen woningen op één locatie. De ontwikkeling voorziet niet in meer dan 11 woningen. Gelet op hun onderlinge afstand kunnen de woningen als één woningbouwlocatie worden aangemerkt. Hierdoor is de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden. In het kader van provinciaal beleid is de ontwikkeling wel getoetst aan de behoefte in de regio. De behoefte aan woningbouw is in de beleidsparagrafen omschreven. Binnen de gemeente Haarlemmermeer is er behoefte aan nieuwe woningen en met deze ontwikkeling wordt hieraan invulling gegeven.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie De gemeente Haarlemmermeer heeft de ‘Nota Erfgoed op de kaart’ opgesteld. In deze nota is op de ‘Archeologische Beleidskaart Haarlemmermeer’ te zien dat archeologisch onderzoek vereist is bij plannen groter dan 10.000 m2 op de projectlocatie. De locatie kent een kavelgrootte van 3.958 m2 en hiervan wordt 904 m2 en 663 m2 verhard en 386 m2 half verhard. Aangezien dit onder de grens van 10.000 m2 blijft, is geen nader archeologisch onderzoek benodigd.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 24
Figuur 10. Archeologische Beleidskaart Haarlemmermeer
Het aspect archeologie zal geen belemmering veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie. Cultuurhistorie De projectlocatie is braakliggend en er zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten op de locatie gelegen. De provincie Noord-Holland heeft de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. De informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie geeft onder andere informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten en historische dijken. Op de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie is zichtbaar dat in de nabije omgeving van de projectlocatie geen stolpboerderijen en aardkundig waardevol gebied bevinden. De projectlocatie zelf is ook geen cultuurhistorisch waardevol object of monument en is tevens niet gelegen in aardkundig waardevol gebied.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 25
Figuur 11. Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie, projectlocatie blauw omcirkeld (bron: provincie Noord-Holland)
Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 26
BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1 Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richt afstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Erf’. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend woningen met een erf of tuin. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een rustige woonwijk. Aan de overkant van de IJweg zijn sportvelden gelegen en is een agrarisch hulp- en nevenbedrijf gelegen. Volgens het bestemmingsplan “Hoofddorp Floriande Zuid 2007” moet hier onder worden verstaan: een bedrijf, gericht op het verlenen van diensten en het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven, dan wel op het verwerken, opslaan en verhandelen van dieren of producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven. Het agrarisch hulp- en nevenbedrijf is op circa 50 meter afstand van de projectlocatie gelegen. Ter plaatse van deze locatie is tegenwoordig het bedrijf Ruvo BV voor diervoeding gelegen. In de KVK is benoemd dat dit bedrijf onderverdeeld in de SBI-hoofdcategorie ‘Industrie’, ‘Vervaardiging van voedingsmiddelen’ en de subcategorie ‘Vervaardiging van diervoerders’. In de VNG-richtafstandenlijst is deze subcategorie onderverdeeld in veevoerfabrieken (SBI-2008 code 1091) en vervaardiging van voer voor huisdieren (SBIMees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 27
2008 code 1092). De minimale milieucategorie is 4.1 en de maximale milieucategorie is 5.2. De richtafstand is minimaal 200 meter en maximaal 700 meter, uitgaande van het omgevingstype rustige woonwijk. Aan beide richtafstanden wordt niet voldaan. Echter wordt het bedrijf al belemmerd door woningen die op een gelijke afstand gelegen zijn of zelfs dichterbij gelegen zijn. Hierdoor dient het bedrijf in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer rekening te houden met deze woningbouw en te voldoen aan de milieunormen. Er is geen sprake van maatwerk voor geluid, zodat kan worden gesteld dat aan de standaard normering voor geluid wordt voldaan. Piekgeluid van laad- en losactiviteiten zijn niet gereguleerd in het Activiteitenbesluit. Uitgaande van een gangbaar bronvermogen voor piekgeluid van laden en lossen van circa LWA,max=110 dB(A) bij de loodsen van Ruvo kan bij de woningen een piekgeluidsniveau van circa 60 dB(A) worden verwacht. Een dergelijk geluidsniveau wordt in de dagperiode gezien als passend. De bestemmingsgrens (grens bestemming ‘Sport’ in het bestemmingsplan) van de sportvelden van SV Hoofddorp zijn op circa 25 meter afstand van de projectlocatie gelegen. De sportvelden kunnen worden getypeerd als een veldsportcomplex met verlichting SBI-code 931, nr. G met een richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan.
Echter ligt aan het sportcomplex al een woning, die zorgt voor belemmering van de bedrijfswoning. De nieuwbouw is verder van het parkeerterrein en sportvelden gelegen. Bovendien ligt op circa 25 meter de parkeerplaatsen en de inrit van het complex, niet de sportvelden zelf. Deze liggen op circa 90 meter afstand en voldoende afstand van de projectlocatie. Voor wat betreft het parkeren kunnen pieken door dichtslaan van portieren hinderlijk zijn. Rekening houdende met een bronvermogen van LWA,max = 92 tot LWA,max = 98 dB(A) is bij de nieuwe woningen een piekgeluidsniveau te verwachten van 53 dB(A) tot 59 dB(A). Een dergelijk geluidsniveau wordt in de dag- avond en nachtperiode gezien als passend. Op circa 160 meter afstand zijn maatschappelijke voorzieningen, in het bijzonder scholen gelegen. Scholen zijn in de VNG-richtafstanden lijst opgenomen met SBI 2008 codes 852, 8531 en kennen een richtafstand van 30 meter. Hier wordt aan voldaan. Eigen parkeerplaats woningen De nieuwe woningen hebben een gezamenlijke parkeerplaats die op circa 22 m van de dichtstbijzijnde bestaande woning is gelegen. Geluid van een dergelijke privé-parkeerplaats is niet gereguleerd. Voor wat betreft het parkeren kunnen pieken door dichtslaan van portieren hinderlijk zijn.
Rekening houdende met een bronvermogen van LWA,max = 92 tot LWA,max = 98 dB(A) is bij de nieuwe woningen een piekgeluidsniveau te verwachten van 51 dB(A) tot 57 dB(A). Een dergelijk geluidsniveau wordt in de dag- avond en nachtperiode gezien als passend.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Ook het niet gereguleerde geluid van parkeren en laden- en lossen is geen belemmering en past in een ‘goede ruimtelijke ordening’.
BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.
Mees Ruimte & Milieu | 20032.01.RO
Pagina | 28
Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau ‘Grondslag bodemkwaliteitsbureau’. De rapportages 14 april 2017 en 4 september 2020 zijn opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. De resultaten worden hieronder samenvattend besproken. In het verkennend bodemonderzoek van 14 april 2017 is geconcludeerd dat de bodem op de projectlocatie niet verontreinigd is. Op de projectlocatie is een lichte verhoging aan barium gemeten, maar de verwachting is dat dit uit natuurlijke herkomst is. Verder is er geen asbestverdacht materiaal gevonden op de projectlocatie. Uit het actualisatieonderzoek van 4 september 2020 is geconcludeerd dat de bodem op de projectlocatie niet verontreinigd is. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bodem dezelfde situatie betreft als in het onderzoek uit 2017. Op de projectlocatie worden hooguit lichte verontreinigen verwacht en daarom is het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aan de IJweg 1192-1194 te Hoofddorp.