Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie.pdf
Tekst van het document
gemeente Haarlemmermeer
raadsvoorstel Onderwerp
Portefeuillehouders Steller Collegevergadering
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker, Marjolein Steffens-van de Water Tessa Ligtenberg (+31235674243), Marit Spaanderman-Brandhorst 15 december 2020
Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer
2020.0003314
1. Voorstel Collegebesluit(en)
Het college heeft besloten de raad voor te stellen om: 1. de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie vast te stellen, met drie ambities voor het klimaatadaptatiebeleid: a. een koele woon/werkomgeving; b. droogtegevoeligheid verminderen; c. een waterrobuuste leefomgeving. 2. Samenvatting
Vanuit het Rijk hebben we de verplichting om de leefomgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Zo is dat opgenomen in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), maar ook in het klimaatakkoord. Het klimaatakkoord sluit onder andere aan bij Sustainable Development Goal (SDG) nummer 13: Klimaatactie. Een belangrijk doel voor klimaatadaptatie, omdat het van ons verlangt dat we actie ondernemen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegengaan en om maatregelen te integreren in beleid. Door klimaatverandering hebben we al te maken met warmere zomers hevigere buien en langere periodes van droogte. De gevolgen van klimaatverandering in Haarlemmermeer hebben we in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat we risico lopen op hittestress in stedelijke kernen, op verzilting door droogte en wateroverlast door hevige regen. Om goed voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering hebben we nu klimaatadaptatiebeleid nodig. Door hevige buien kan schade aan gebouwen ontstaan en hitte kan leiden tot gezondheidsklachten. Deze nadelige effecten willen we zoveel mogelijk voorkomen of beperken. Daartoe willen we bij gebiedsontwikkelingen kaders meegeven aan ontwikkelaars. Hoe we het klimaatadaptatiebeleid gaan opstellen is beschreven in de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie.
In deze agenda hebben we een drietal ambities geformuleerd, die als uitgangspunt dienen voor het klimaatadaptatiebeleid (1) een koele woon- en werkomgeving, (2) droogtegevoeligheid verminderen en een (3) waterrobuuste
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
pagina 2
leefomgeving. Deze ambities zijn een vertaling van de effecten die we vanuit het Rijk verplicht zijn om te onderzoeken (hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen). Vooruitlopend op het definitieve klimaatadaptatiebeleid stellen wij voor een voorlopig werkkader vast te stellen waarbij de genoemde ambities en basisveiligheidsniveaus als kader gebruikt worden bij ontwikkelingen. Een basisveiligheidsniveau is een minimale norm waaraan moet worden voldaan om te komen tot een klimaatbestendig Haarlemmermeer. Zowel bij nieuwe gebiedsontwikkelingen als civieltechnische of onderhoudsmatige ingrepen worden de basisveiligheidsniveaus zo goed mogelijk toegepast. Al lerend kunnen we bekijken of de basisveiligheidsniveaus haalbaar zijn. We kunnen leren welke basisveiligheidsniveaus onvoorziene kosten met zich meebrengen en conflicteren met andere beleidsdoelen. Nadat er met het werkkader is geoefend in de praktijk worden de basisveiligheidsniveaus (mogelijk in aangepaste vorm) in het klimaatadaptatiebeleid als definitief kader vastgesteld. Om tot het klimaatadaptatiebeleid te komen willen we nog een aantal stappen zetten: onderzoek doen naar (1) de omvang van kwetsbaarheden, (2) de financiële haalbaarheid en (3) de prioritering om het Haarlemmermeerse grondgebied klimaatbestendig in te richten.
Daarnaast wordt er (4) samen met gebiedspartners een strategie geformuleerd en (5) worden randvoorwaarden voor monitoring opgesteld. 3. Uitwerking 3.1 Wat willen we bereiken?
We willen dat Haarlemmermeer in het veranderende klimaat een prettige plek blijft om te wonen en te werken. Tijdens warme dagen of na hevige regen kunnen inwoners, ondernemers en instellingen hun bezigheden voortzetten zonder veel ongemak of schade. Het doel is om klimaatadaptatie in beleid en handelen te verankeren, en daarmee Haarlemmermeer zo goed mogelijk voor te bereiden op klimaatverandering en de nadelige gevolgen van droogte, hitte, wateroverlast en overstromingen te beperken. Probleemstelling
Door klimaatverandering krijgen we te maken met langere periodes van hitte en droogte, extreme buien en een grotere kans op overstromingen. Zo was het voorjaar van 2020 uitzonderlijk droog en kende de zomer een lange hittegolf (13 dagen). De effecten van klimaatverandering leiden tot schade en gezondheidsrisico's. De risico's voor Haarlemmermeer zijn weergeven in de klimaatatlas (www.haarlemmermeer.klimaatatlas.net). Op de kaarten in deze atlas is te zien dat stedelijke gebieden met veel asfalt en verharding kwetsbaar zijn voor wateroverlast en hitte. Probleemgebieden zijn er bijvoorbeeld bij Nieuw-Vennep Centrum en Hoofddorp Oost. Het landelijk gebied is gevoelig voor droogte en de daarmee gepaard gaande zoute kwel (opkomend grondwater). Bij een dijkdoorbraak is voornamelijk het noordelijk deel van de gemeente (boven de Ringdijk) gevoelig voor overstroming. Het aanpassen van de omgeving zodat we deze gevolgen kunnen opvangen zijn heet klimaatadaptatie. Wat is de aanleiding?
We hebben vanuit het Rijk een verplichting om te werken aan klimaatadaptatie. Het klimaatakkoord waarin SDG nummer 13 is opgenomen verwacht dat we actie ondernemen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegengaan en om maatregelen te integreren in beleid. Daarom werken overheden (gemeente, waterschappen, provincies, Rijk) samen in het DPRA waarin is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
pagina 3
en waterrobuust is ingericht. Daarvoor moeten overheden stresstesten en risicodialogen uitvoeren en moet er in 2020 een uitvoeringsagenda worden opgesteld (uitstel tot 2021 in verband met de coronacrisis). De gevolgen van klimaatverandering zijn in Haarlemmermeer nog niet op grote schaal te voelen, maar er zijn wel kwetsbaarheden op ons grondgebied. Onderzoek laat zien dat de kosten om schade te verhelpen hoger zijn dan de investering die we nu kunnen doen om schade te voorkomen. We willen nu al met klimaatadaptieve kaders kunnen sturen bij gebiedsontwikkelingen en herstructurering. Op dit moment worden er namelijk veel nieuwe woningen gebouwd en we willen dat de omgeving van deze woningen al klimaatbestendig wordt ingericht. Dit voorkomt dat we op korte termijn nieuwe woonomgevingen moeten aanpassen. 3.2 Wat gaan we daarvoor doen?
Om ons grondgebied voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering stellen we klimaatadaptatiebeleid op. De uitvoeringsagenda beschrijft wat we hebben gedaan en wat we gaan doen om dit beleid op te stellen. Wat hebben we al gedaan?
We hebben de knelpunten op het gebied van klimaatverandering door middel van een stresstest in beeld gebracht (in bijlage bij raadsvoorstel Uitvoeringsprogramma Waterplan 2019, 2018.0066665), zoals in het DPRA is afgesproken. Stresstesten zijn simulaties van extreme weersomstandigheden (regen, hitte en droogte) en overstromingen. De knelpunten zijn in de eerste helft van 2020 in risicodialogen (ook wel klimaatdialogen) besproken met interne en externe betrokkenen, onder andere overheden, netbeheerders en wijkraden. Uit de risicodialogen is naar voren gekomen welke problemen de betrokkenen het meest urgent vinden en waar zij vinden dat de verantwoordelijkheden liggen (bijlage 1). Waar staan we nu?
Uit de stresstesten en risicodialogen is een drietal gezamenlijke ambities geformuleerd, die als uitgangspunt dienen voor het klimaatadaptatiebeleid. De ambities zijn een vertaling van de vier effecten van klimaatverandering die we vanuit de DPRA verplicht zijn om te onderzoeken (hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen). We kunnen warmere dagen bijvoorbeeld niet voorkomen maar we kunnen wel onze omgeving hierop voorbereiden. Daarom willen we inzetten op een omgeving die hitte- en droogtebestendig is en waar slechts beperkte wateroverlast optreedt, met de volgende ambities: 1. een koele woon/werkomgeving; 2. droogtegevoeligheid verminderen; 3. een waterrobuuste leefomgeving. Als uitwerking van de ambities zijn er basisveiligheidsniveaus geformuleerd. Basisveiligheidsniveaus zijn minimale normen voor klimaatbestendigheid (bijvoorbeeld een maximale afstand tussen koelteplekken). De basisveiligheidsniveaus worden vastgesteld op een niveau waarbij er geen extra (gezondheids-)schade optreedt voor inwoners en gebouwen, en wegen begaanbaar blijven. Inwoners kunnen op warme dagen hun dagelijkse bezigheden voortzetten en lopen geen schade aan hun woning op bij hevige regen.
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
pagina 4
Adaptieve aanpak We hebben gekozen voor ambities die toekomstbestendig zijn tot 2050. De basisveiligheidsniveaus, die als uitwerking van de ambities dienen, zijn specifieker. Dit past in een adaptieve aanpak, omdat de ambities voor de lange termijn richtinggevend zijn en de basisveiligheidsniveaus bijgesteld kunnen worden wanneer de effecten van klimaatverandering erger of minder erg zijn dan verwacht. Zoals is afgesproken in het DPRA wordt in ieder geval elke zes jaar bekeken of het beleid en de onderliggende onderzoeken nog passen bij de veranderende omgeving. Werkkader De voorgestelde basisveiligheidsniveaus bieden vooruitlopend op het klimaatadaptatiebeleid handvatten voor klimaatbestendig inrichten. Dit werkkader wordt bij nieuwe ontwikkelingen en civieltechnische of onderhoudsmatige ingrepen in de openbare ruimte meegegeven. Op deze manier kunnen we bekijken in welke mate de basisveiligheidsniveaus haalbaar zijn. We kunnen bijvoorbeeld leren welke basisveiligheidsniveaus onvoorziene kosten met zich meebrengen en conflicterende belangen hebben met andere beleidsdoelen. Voor het klimaatadaptatiebeleid kunnen we waar nodig de basisveiligheidsniveaus bijstellen. In eerste instantie willen we de basisveiligheidsniveaus als werkkader meegeven voor plekken waar al iets staat te gebeuren (nieuwe ontwikkeling of civiele/onderhoudsmatige ingreep).
Het is niet haalbaar dat de gehele gebouwde omgeving in een keer aan deze eisen gaat voldoen. Wat moet er nog gebeuren?
Het doel is om in 2021 klimaatadaptatiebeleid op te stellen met als onderdeel de voorgestelde ambities en basisveiligheidsniveaus. Om dit beleid op een goede manier te kunnen invullen moet er nog een aantal stappen gezet worden: 1.
onderzoek naar de omvang van kwetsbaarheden:
Op basis van de stresstesten en risicodialogen is een probleemanalyse opgesteld voor Haarlemmermeer, maar van enkele kwetsbaarheden, zoals paalrot, is de omvang onvoldoende bekend. De komende periode wordt gebruikt om meer grip te krijgen op deze kwetsbaarheden. 2.
onderzoeken van financiële dekking:
Onderzoek laat zien dat de kosten van schade bij niet ingrijpen groter zijn dan de investering in een aangepaste inrichting. Er wordt onderzocht hoe we de maatregelen kosteneffectief kunnen treffen, op welke manier de rioolheffing ingezet kan worden en of er subsidies beschikbaar zijn. 3.
prioritering om Haarlemmermeers grondgebied klimaatbestendig in te richten:
Voor het oplossen van de knelpunten die uit de stresstest en risicodialogen naar voren zijn gekomen maken we een prioritering. We kijken welke gebieden eerst aangepakt moeten worden. Dit nemen we op in de meerjarenplanning voor het beheer en onderhoud van verharding en riolering. We combineren het door Stedelijk Programmeren met andere opgaven, zoals de energietransitie. Werk met werk maken is hierbij een belangrijk uitgangspunt, dit bespaart kosten en tijd. 4.
afstemmen normen en strategie met overheden en belangenorganisaties:
De basisveiligheidsniveaus die we in het klimaatadaptatiebeleid opnemen stemmen we af met samenwerkingspartners en belangenorganisaties, zoals het hoogheemraadschap van Rijnland, nutsbedrijven en de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO). Met deze gebiedspartners komen we tot een gezamenlijke adaptatiestrategie, waarbij voor iedereen de taken en verantwoordelijkheden helder zijn.
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
5.
pagina 5
opstellen randvoorwaarden monitoring en evaluatie:
Het beleid is zelf adaptief, wat betekent dat het kan worden herzien afhankelijk van de veranderende omstandigheden. Als de toename van temperatuur meer is of als er vaker droogte is dan verwacht, kan het nodig zijn om normen aan te passen. In lijn met het DPRA wordt elke zes jaar bekeken of het beleid nog past bij de veranderende omgeving. Indien nodig worden de basisveiligheidsniveaus bijgesteld. De komende tijd wordt gekeken naar de juiste randvoorwaarden voor evaluatie en monitoring. 3.3 Wat mag het kosten?
Aan het opstellen van het klimaatadaptatiebeleid en het uitvoeren van de benodigde onderzoeken zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. Uitgangspunt is dat kosten voor de uitvoering van het nog op te stellen beleid budgetneutraal worden opgelost. We kijken onder andere naar de inzet van de rioolheffing voor het bekostigen van een deel van de maatregelen. Uit de rioolheffing mogen alleen maatregelen die bijdragen aan de zorgplichten voor afval-, hemel en grondwater bekostigd worden. Daarnaast wordt gekeken wat de subsidiemogelijkheden vanuit het Rijk of de provincie zijn. Het werkkader is bedoeld om te oefenen met een klimaatbestendige inrichting bij nieuwe ontwikkeling of civiele/onderhoudsmatige ingrepen. De verwachting is dat we de maatregelen slim kunnen combineren met de ontwikkeling of ingreep, waardoor we het budgetneutraal kunnen oplossen. Wanneer er door het toepassen van de basisveiligheidsniveaus onvoorziene kosten gemaakt moeten worden, dan wordt per geval de doelmatigheid bepaald en indien noodzakelijk wordt de raad een voorstel gedaan extra middelen te autoriseren. Bij het aanbieden van het beleid wordt de raad verder geïnformeerd over de kosten van klimaatadaptatiemaatregelen. 3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk?
De portefeuillehouders Ruimtelijke ordening. Fysieke leefomgeving en Waterbeheer zijn het eerste aanspreekpunt binnen het college. 3.5 Welke overige relevante informatie is beschikbaar? Participatie en communicatie:
Voorafgaand aan het schrijven van het beleid zijn risicodialogen gevoerd met publieke en private belanghebbenden in onze gemeente, zoals dorps- en wijkraden en netbeheerders. Hierbij is besproken wat de belangrijkste problemen zijn op het gebied van wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen en wat daarin de verantwoordelijkheden zijn van de betrokkenen. Om tot een gedragen adaptatiestrategie te komen vindt er nog afstemming plaats met een aantal gebiedspartners (onder andere hoogheemraadschap van Rijnland). Op basis van hun inzichten kunnen de basisveiligheidsniveaus voor het klimaatadaptatiebeleid worden aangepast. Het werkkader in de uitvoeringsagenda wordt op dit moment alleen meegegeven bij nieuwe ontwikkelingen of onderhoudsmatige/civieltechnische ingrepen. Als onderdeel van
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie
pagina 6
het klimaatadaptatiebeleid wordt er een communicatieplan opgesteld voor het breed uitdragen en onder de aandacht brengen van het beleid. 3.6 Wanneer en hoe zal de raad over de voortgang worden geïnformeerd?
Als de raad de ambities heeft vastgesteld, worden de ambities en basisveiligheidsniveaus samen met een adaptatiestrategie verder uitgewerkt. Naar verwachting wordt in 2021 het klimaatadaptatiebeleid aan de raad voorgelegd. 3.7 Wat betekent dit voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA)?
Met de deelnemers in de MRA werken we samen in het programma klimaatadaptatie. Daar is afgesproken om bij te dragen aan een klimaatbestendige MRA. Zo werkt Haarlemmermeer mee aan de "Handreiking Klimaatbestendige Nieuwbouw". In deze handreiking is het ontwikkelgebied Hyde Park een van de voorbeelden voor de basisveiligheidsniveaus die door de MRA zijn opgesteld. De handreiking dient als basis voor de hier voorgestelde basisveiligheidsniveaus. 4. Ondertekening
Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,
©Margo Oosterveen
Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Uitgangspunten voor het klimaatadaptatiebeleid
1
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................................... 3
2
Waarom beleid voor klimaatadaptatie? ................................................................................. 3 2.1
Klimaatadaptatie als onderdeel van beleid ............................................................................. 4
2.2
Adaptieve aanpak .................................................................................................................... 4
3
Wat is er al gedaan? .............................................................................................................. 4
4
Wat moet er nog gebeuren? .................................................................................................. 5 4.1
5
Doel van de uitvoeringsagenda ............................................................................................... 6
Basisveiligheidsniveaus ......................................................................................................... 7 5.1
Hoe het werkt .......................................................................................................................... 8
5.2
Basisveiligheidsniveaus ........................................................................................................... 9
2
1 Inleiding Door klimaatverandering krijgen we te maken met langere periodes van hitte, droogte, hevige piekbuien en een grotere kans op overstromingen. Zo was het voorjaar van 2020 (voor het derde jaar op rij) extreem droog en kende de zomer hete dagen en extreme neerslag. Deze effecten leiden tot schade aan woningen, infrastructuur, openbare ruimte en toenemende gezondheids- en veiligheidsrisico’s. Een leefomgeving die niet voldoende veerkrachtig is om de gevolgen van klimaatverandering (droogte, hitte, wateroverlast en overstromingen) op te vangen, is niet langer toekomstbestendig. Het aanpassen en veerkrachtig maken van de leefomgeving om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen heet klimaatadaptatie. Om de (toekomstige) leefbaarheid en waarde van de woon- en werkomgeving in onze gemeente te verhogen en te behouden stellen we klimaatadaptatiebeleid op. In deze uitvoeringsagenda wordt een overzicht gegeven van de genomen en nog te nemen stappen. Daarnaast worden basisveiligheidsniveaus voorgesteld, welke als werkkader dienen om nu al aan de slag te kunnen met klimaatbestendig inrichten, vooruitlopend op het klimaatadaptatiebeleid.
2 Waarom beleid voor klimaatadaptatie? Klimaatadaptatiebeleid is nodig om de leefomgeving van Haarlemmermeer toekomstbestendig en veerkrachtig te maken. Haarlemmermeer is, net als Nederland, in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. In een klimaatbestendig Haarlemmermeer hoeft de grote Sluis niet te worden afgesloten voor de pleziervaart (2018), hebben de bewoners in Zwanenburg droge voeten (2014) en kan de Aalsmeerderbrug gewoon open en dicht (2019). Dit zijn enkele voorbeelden van de gevolgen die er in Haarlemmermeer al worden ervaren door het veranderende klimaat.
Klimaatverandering in Haarlemmermeer In de Haarlemmermeer kennen we al problemen als gevolg van klimaatverandering. Zo is er in Spaarndam en Zwanenburg door bewoners bij de gemeente aan de bel getrokken, omdat ze wateroverlast ervaren. In juli 2014 liep in Zwanenburg het water meerdere dagen de woningen en tuinen binnen met waterschade tot gevolg. In Spaarndam spoelde half augustus jl. nog veel regenwater over de openbare weg wat leidde tot natte voeten en mindere bereikbaarheid. Ook hogere temperaturen geven overlast in onze gemeente. Zo zet het staal van bruggen uit waardoor beweegbare bruggen niet meer open of dicht kunnen. In juli dit jaar kon daarom de Aalsmeerderbrug niet meer open vanwege de hitte. Zowel scheepvaart als autoverkeer werd gestremd. De brug werd natgespoten om te koelen, zodat deze weer open en dicht kon. Ook plekken waar mensen samen komen, zoals winkelgebieden of (school)pleinen zijn veelal verhard met weinig koelteplekken. Een temperatuur van 38 graden Celsius voelt hier al snel aan als boven de 40 graden. Droogte is een effect van klimaatverandering dat vaak onzichtbaar is. Aanhoudende droogte heeft vaak zoute kwel (opkomend oud zeewater uit de ondergrond) en lagere waterstanden tot gevolg. In augustus 2018 moest het Hoogheemraadschap van Rijnland door een te lage waterstand de Grote Sluis in Spaarndam sluiten voor alle recreatievaart.
3
2.1 Klimaatadaptatie als onderdeel van beleid In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) is met het Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatrobuust is. Om in 2050 de gevolgen van klimaatverandering te kunnen dragen, is nu het moment om daarmee te beginnen. Onderzoek wijst namelijk uit dat te laat of niet aanpassen van de omgeving leidt tot veel hogere kosten in schade, dan de kosten van nu investeren in een klimaatrobuuste leefomgeving. In 2020 moeten we volgens het DPRA klimaatbestendig en waterrobuust inrichten als vast onderdeel verankeren in beleid en handelen. Bij de koppen ‘wat is er al gedaan?’ en ‘wat moet er nog gebeuren?’ gaan we hier verder op in. “We zijn de eerste generatie die de gevolgen van klimaatverandering voelt en de laatste generatie die er nog iets aan kan doen” – Barack Obama Klimaatadaptatie vindt in ieder geval een plek in de omgevingsvisie. Het is namelijk een opgave die meerdere facetten van de leefomgeving raakt en waar integraal aandacht aan besteed moet worden. Het klimaatbestendig maken van de leefomgeving is geen geïsoleerde ingreep en kan gezien worden als een omgevingsopgave. In deze uitvoeringsagenda wordt de basis gelegd voor het uitwerken van het klimaatadaptatiebeleid wat naar verwachting in 2021 ter vaststelling wordt aangeboden.
2.2 Adaptieve aanpak Met het klimaatadaptatiebeleid kiezen we voor een adaptieve aanpak. Dat betekent dat we tot 2050 ambities vaststellen met het oog op de lange termijn. Als uitwerking van de ambities hebben we minimale normen om te komen tot een klimaatrobuuste leefomgeving (Hoofdstuk 5 basisveiligheidsniveaus). Deze normen kunnen we tussentijds aanpassen aan de veranderende omgeving. Wellicht zijn er na een aantal jaar strengere normen nodig, of kunnen normen versoepeld worden. Vanuit het DPRA hebben we de verplichting om in ieder geval om de zes jaar het beleid en de onderliggende onderzoeken te evalueren. Op een eerder moment evalueren kan nodig zijn als er nieuwe inzichten of ontwikkelingen zijn op het gebied van klimaatverandering of ruimtelijk adaptieve inrichting.
3 Wat is er al gedaan? Er zijn in 2018/2019 stresstesten (Bijlage bij raadsvoorstel: 2018.0066665) uitgevoerd. Bij een stresstest wordt een extreme regenbui of (langdurig) hoge temperatuur gesimuleerd op ons grondgebied. De resultaten hiervan zijn te vinden in de klimaatatlas Haarlemmermeer1. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat bij een extreme bui het centrum van Nieuw-Vennep met 25 centimeter wateroverlast te maken krijgt. Naar aanleiding van deze resultaten zijn er risicodialogen (ook klimaatdialogen genoemd) gevoerd met verschillende externe partners, bijvoorbeeld dorpsraden, drinkwaterbedrijf PWN, enkele projectontwikkelaars en het Hoogheemraadschap van Rijnland. De dialogen waren voornamelijk gericht op de vraag: ‘Wanneer is een gevolg van klimaatverandering zodanig groot dat de partner taken niet meer kan uitvoeren?’. Kortom, er is in de risicodialogen gesproken over de acceptatiegrens, taken en verantwoordelijkheden. (Bijlage: Klimaatdialogen)
1
https://haarlemmermeer.klimaatatlas.net/
4
Zowel uit de stresstesten als de risicodialogen is een aantal belangrijke opgaven voor Haarlemmermeer naar voren gekomen. Met het klimaatadaptatiebeleid zullen we in ieder geval aandacht besteden aan: - bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten; - begaanbaarheid van laaggelegen infrastructuur; - hemelwater opvangen en verwerken waar het valt en zo min mogelijk via het riool afvoeren; - verminderen verharding en vergroenen van publiek en privaat terrein; - hittebestendigheid van de omgeving; - droogteschade en uitdroging van natuur en landelijk gebied Er is met deze gegevens een brede probleemanalyse gedaan voor onze gemeente. Deze probleemanalyse wordt onderdeel van het op te stellen klimaatadaptatiebeleid en geeft inzicht in alle uitdagingen die in Haarlemmermeer spelen. Zo kennen we hittestress door veel verharding in verstedelijkte gebieden als Hoofddorp en Nieuw-Vennep. Verzilting is een risico voor de land- en tuinbouwsector en voor het openbare groen. In Spaarndam en Zwanenburg waren al gevallen van wateroverlast; ook gebieden in andere kernen zijn hiervoor gevoelig. De wateroverlastproblemen in Zwanenburg waren kritiek en zijn daarom aangepakt. Bij de uitvoerende disciplines binnen de gemeente is er voor de aanpak van deze problemen een kader voor klimaatrobuuste inrichting opgesteld.
Dit kader is gericht op bestaande wijken en maakt inzichtelijk welke ingrepen er nu al gedaan kunnen worden in bestaand gebied voor een klimaatbestendiger Haarlemmermeer. (bijlage: Handboek klimaatrobuuste inrichting) Voor nieuwbouwplannen wordt klimaatadaptatie meegenomen als onderdeel van de gemeentelijke kaders. In voorgestelde gemeentelijke kaders worden ontwikkelaars uitgedaagd om na te denken en invulling te geven aan klimaatadaptatie. Het blijft voor zowel ontwikkelende partijen als gemeente zoeken naar de juiste klimaatadaptieve uitgangspunten, omdat er nog geen klimaatadaptatiekaders gesteld zijn. Het kader voor een klimaatrobuuste inrichting in bestaand gebied en de gemeentelijke klimaatadaptatiekaders bij nieuwbouwplannen zijn twee vormen van handelen die nu al worden toegepast voor een klimaatbestendig Haarlemmermeer. Beleid op het gebied van klimaatadaptatie ondersteunt dit handelen verder, zodat bij herstructurering en ontwikkeling vastgestelde uitgangspunten kunnen worden meegegeven.
4 Wat moet er nog gebeuren? De meest belangrijke vervolgstap is het opstellen van het klimaatadaptatiebeleid. Dit beleid geeft heldere kaders mee om te komen tot een klimaatbestendig Haarlemmermeer. Wat een klimaatbestendig Haarlemmermeer precies inhoudt, is lastig te voorspellen, aangezien er geen accurate modellen zijn die de toename van extreme neerslag, hitte en droogte precies kunnen voorspellen. Daarom moet er volgens het DPRA elke zes jaar opnieuw worden gekeken naar de kwetsbaarheden en moet waar nodig het handelen of het beleid worden bijgesteld. Er kan aanleiding zijn om het beleid eerder te herzien, bijvoorbeeld door grote ontwikkelingen in het klimaat of de ruimtelijke inrichting. Voor de evaluatie van het beleid en de onderliggende onderzoeken moeten we randvoorwaarden opstellen voor monitoring.
5
Naast ambities en basisveiligheidsniveaus gaat het beleid in op de kwetsbaarheden die Haarlemmermeer op het gebied van wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen heeft. Hoewel de problemen in beeld zijn gebracht, is van sommige kwetsbaarheden onvoldoende de omvang bekend. Voor enkele kwetsbaarheden zal daarom aanvullend onderzoek naar de omvang en reikwijdte nodig zijn. Hierbij is het ook van belang dat we kijken naar de urgentie van de problemen en komen tot een goede prioritering van het klimaatbestendig maken van het Haarlemmermeers grondgebied. We kijken naar welke gebieden we al eerste willen aanpakken. Dit nemen we mee in de planning voor beheer en onderhoud. Voor het opstellen van klimaatadaptatiebeleid wordt er de komende tijd onderzoek gedaan naar de financiële dekking. Er zal een bepaalde investering nodig zijn om schade in de toekomst te beperken. ‘Niets doen’ laat over het algemeen zien dat de structurele schadepost groter is dan investeren in een aangepaste inrichting. Via de waterschadeschatter2 zijn er kengetallen bekend voor de schade door wateroverlast. Zo kan de directe en indirecte schade aan een gemiddelde tweebaans wijkontsluitingsweg van 1,5 kilometer al snel op lopen tot circa €3.700 (geïndexeerd prijspeil van 2015 naar 2020).
Voor de financiële dekking van de investeringen wordt er gekeken naar de rioolheffing, die wettelijk gezien ingezet mag worden voor het beperken van wateroverlast en de hoogte van de grondwaterstand. De hoogte van de grondwaterstand wordt beïnvloed door extreme regenval en door langdurige perioden van droogte. Beperking van de gevolgen van hitte is niet te financieren vanuit de rioolheffing. Daarom wordt er gekeken naar het verbreden van de rioolheffing naar een klimaatheffing of een andere budgetvorm om de leefomgeving beter bestand te maken tegen hitte. De inzet van het klimaatadaptatiebeleid is het in beeld brengen van de kwetsbaarheden in Haarlemmermeer, het vaststellen van basisveiligheidsniveaus voor een klimaatrobuuste inrichting en het uitwerken van een strategie om met diverse partners aan klimaatadaptatie samen te werken. De strategie zal aandacht hebben voor het verankeren van klimaatadaptatie in nieuwe en te herziene beleidsstukken; zoals de Leidraad duurzame inrichting openbare ruimte (DIOR). Met de vastgestelde basisveiligheidsniveaus kan er met gebiedspartners een dialoog worden gevoerd om de strategie te bepalen. De strategie moet in ieder geval inzicht geven in de rollen en verantwoordelijkheden van diverse partners. Dit alles heeft tot doel om klimaatadaptatie in beleid en handelen van ons en gebiedspartners te verankeren.
4.1 Doel van de uitvoeringsagenda Het klimaatadaptatiebeleid wordt opgesteld aan de hand van de te nemen vervolgstappen en de uitgangspunten uit deze uitvoeringsagenda. Klimaatverandering is al merkbaar en om vooruitlopend op het beleid al te kunnen beginnen aan het realiseren van een klimaatbestendig Haarlemmermeer stellen we basisveiligheidsniveaus als werkkader voor. Op deze manier kan er al met de normen geoefend worden. Al lerend kunnen we dan bekijken welke basisveiligheidsniveaus onvoorziene significante kosten met zich meebrengen, onverwachte conflicterende belangen hebben met andere beleidsdoelen en in welke mate de basisveiligheidsniveaus haalbaar zijn. Al deze input wordt meegenomen voor het op te stellen klimaatadaptatiebeleid, zodat het definitieve kader met basisveiligheidsniveaus realistisch en doelmatig is.
2
www.waterschadeschatter.nl
6
5 Basisveiligheidsniveaus De klimaatopgaven waar Haarlemmermeer voor staat zijn vooralsnog nog niet acuut. De extreme buien die elders in het land zijn gevallen en gebieden volledig blank hebben gezet, zijn simpelweg (nog) niet gevallen in de gemeente. Echter is het slechts een kwestie van tijd voordat we dit wel meemaken. We hebben nu nog de mogelijkheid om maatregelen uit te proberen en te verbeteren. Zo kan onze gemeente steeds klimaatbestendiger ‘groeien’. Op dit moment kunnen we meebewegen met de onvoorspelbare gevolgen van een veranderd klimaat in een veranderende omgeving. Om te komen tot een klimaatbestendig Haarlemmermeer zetten we in op drie ambities. De ambities zijn een vertaling van de vier effecten van klimaatverandering, die we vanuit de DPRA verplicht zijn om te onderzoeken (hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen). We kunnen warmere dagen bijvoorbeeld niet voorkomen, maar we kunnen wel onze omgeving hierop voorbereiden. Daarom willen we inzetten op een omgeving die hitte- en droogtebestendig is en waar slechts beperkte wateroverlast optreedt, met de volgende ambities:
Een koele woon- en werkomgeving
Droogtegevoeligheid verminderen
Een waterrobuuste leefomgeving
De ambities worden uitgewerkt aan de hand van een basisveiligheidsniveau, ofwel een ondergrens. Dit veiligheidsniveau is het minimale niveau wat Haarlemmermeer wil bereiken om klimaatbestendig te kunnen zijn. Bij dit niveau treedt er geen extra (gezondheids)schade op voor de inwoners en het landschap en de omgeving behoudt haar waarde. Inwoners kunnen op warme dagen hun dagelijkse bezigheden voortzetten en lopen geen schade aan hun woning op bij hevige regen. Dit basisveiligheidsniveau kan verschillen in bestaande en nieuw te ontwikkelen gebieden en per woonmilieu. Daarom is per woonmilieu, zoals deze zijn geformuleerd in het woonbeleidsprogramma 2019-2025 (zie kader), het basisveiligheidsniveau in normen uitgedrukt. Daar is één werkmilieu aan toegevoegd waar ook normen voor zijn opgenomen, namelijk Bedrijventerreinen en Industrie. Deze normen zijn gebaseerd op de probleemanalyse die voor het hele Haarlemmermeerse grondgebied is uitgevoerd. Daarnaast is geput uit documenten met reeds gestelde normen, onder andere: het MRA basisveiligheidsniveau, het handboek klimaatrobuuste inrichting (B&O) en de straaDkrant (samenwerking van waterschappen en onderzoeksbureaus). Er is gekozen voor een kwantificeerbaar basisveiligheidsniveau, waarbij er nog ruimte is voor maatwerk en ontwerpafwegingen.
In de basisveiligheidsniveaus staan normen en richtlijnen, die in dialoog met initiatiefnemers en ontwikkelende partijen uitgewerkt kunnen worden tot een maatwerkoplossing voor een bepaalde ontwikkeling. Na vaststelling gelden de basisveiligheidsniveaus als werkkader voor nieuwe ontwikkelingen en wordt er werk met werk gemaakt door bij civieltechnische of onderhoudsmatige ingrepen klimaatadaptatie mee te koppelen. Door de basisveiligheidsniveaus als werkkader vast te stellen, kan er mee geoefend worden in een praktijk die nu al vraagt om klimaatadaptieve ingrepen. Ontwikkelingen zoals Lisserbroek, Hoofddorp Centrum en Nieuw-Vennep West worden voor de 7
komende 50 jaar gebouwd en we willen dat deze woonomgevingen al klimaatbestendig worden ingericht. Op basis van de basisveiligheidsniveaus kunnen ontwikkelaars in gesprek met de gemeente kijken naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van de normen. De input uit deze dialogen wordt gebruikt om de basisveiligheidsniveaus aan te scherpen en toepasbaar te maken voor alle mogelijke initiatieven in de gemeente. Op deze manier kunnen we de omgeving klimaatadaptief inrichten, maar ook het beleid op een adaptieve manier opstellen. In het klimaatadaptatiebeleid zal het kader van basisveiligheidsniveaus uiteindelijk worden vastgesteld, waarna elke zes jaar wordt getoetst of de basisveiligheidsniveaus nog voldoende zijn om te komen tot een klimaatbestendig Haarlemmermeer.
Woon- en werkmilieus in de Haarlemmermeer Landelijk milieu: ruim opgezet, tot circa 20 woningen per hectare. Centrum Dorpsmilieu: gemengd en ruim opgezet met voorzieningen, tot circa 25 woningen per hectare. Stedelijk Centrummilieu: gemengd met voorzieningen en dichter bebouwd, tot circa 50 woningen per hectare. Stedelijk Plus milieu: gemengd met voorzieningen en hoge bebouwingsdichtheid, tot circa 80 woningen per hectare. Naast woonmilieus zijn er plekken waar mensen werken, dus wordt aan de milieus de volgende toegevoegd: Bedrijventerreinen en industrie: waaronder zwaardere en lichtere bedrijventerreinen en plekken voor datacenters.
5.1 Hoe het werkt Het basisveiligheidsniveau is te bepalen door de beslisboom in figuur 1 te gebruiken:
Figuur 1: beslisboom bepalen van basisveiligheidsniveau
Als het woonmilieu bepaald is, kan het bijbehorend basisveiligheidsniveau gehanteerd worden. De technische en ontwerpuitwerking van de normen kan in overleg met de gemeente worden 8
afgestemd. De basisveiligheidsniveaus zijn bedoeld als kader, zodat een initiatiefnemer of ontwikkelende partij gestimuleerd wordt om het gesprek aan te gaan over verschillende ontwerpinvullingen en technische oplossingen.
5.2 Basisveiligheidsniveaus Uitgangspunten voor de basisveiligheidsniveau’s: Physical Equivalent Temperature (PET): Gevoelstemperatuur op een warme dag die 1 keer per 1000 zomerdagen voorkomt in het huidige klimaat (onder een zomerdag valt de periode van 1 april t/m 30 september). Maatgevende bui: 120 mm regen die in 2 uur valt. Neerslagtekort: het landelijk neerslagtekort is vastgesteld op 300 mm (deze grens is tevens verwerkt in de basisveiligheidsnormen van de MRA).
9
Een koele woon- en werkomgeving
Landelijk milieu
Centrum Dorps milieu
Stedelijk Centrum milieu
Stedelijk Plus milieu
Bedrijventerreinen en industrie
Om de 800m is een koelteplek aanwezig, bijvoorbeeld een boom van 1ste grootte of overdekte openbare ruimte. Er wordt gestreefd naar een gevoelstemperatuur die niet hoger wordt dan 41 graden PET. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen hitte: Beweegbare bruggen bij hoofdinfrastructuur monitoren tussen 22 – 24 graden, bij 25+ graden kan koelen met water nodig zijn om klemzittende bruggen te voorkomen. Asfalt van hoofdinfrastructuur mag niet heter dan 50 graden Celsius worden, om smelten te voorkomen. Drinkwater- en afvalwaterleidingen mogen niet warmer worden dan 25 graden, om virus- en bacteriegroei tegen te gaan. De omgeving van basisscholen en gezondheids- en ouderenvoorzieningen wordt zoveel mogelijk groen en koel ingericht.
Om de 500m is een koelteplek aanwezig, bijvoorbeeld een boom van 1ste grootte of overdekte openbare ruimte. Er wordt gestreefd naar een gevoelstemperatuur die niet hoger wordt dan 41 graden PET. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen hitte: Beweegbare bruggen bij hoofdinfrastructuur monitoren tussen 22 – 24 graden, bij 25+ graden kan koelen met water nodig zijn om klemzittende bruggen te voorkomen. Asfalt van hoofdinfrastructuur mag niet heter dan 50 graden Celsius worden, om smelten te voorkomen. Drinkwater- en afvalwaterleidingen mogen niet warmer worden dan 25 graden, om virus- en bacteriegroei tegen te gaan. De omgeving van basisscholen en gezondheids- en ouderenvoorzieningen wordt groen en koel ingericht.
Om de 300m is een koelteplek aanwezig, bijvoorbeeld een boom van 1ste grootte of overdekte openbare ruimte. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar 30% van de daken warmtewerend inrichten. Er wordt gestreefd naar een gevoelstemperatuur die niet hoger wordt dan 38 graden PET.
Om de 200m is een koelteplek aanwezig, bijvoorbeeld een boom van 1ste grootte of overdekte openbare ruimte. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar 30% van de daken warmtewerend inrichten. Er wordt gestreefd naar een gevoelstemperatuur die niet hoger wordt dan 38 graden PET.
Om de 500m is een koelteplek aanwezig, bijvoorbeeld een boom van 1ste grootte of overdekte openbare ruimte. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar 50% van de daken warmtewerend inrichten. Er wordt gestreefd naar een gevoelstemperatuur die niet hoger wordt dan 41 graden PET.
Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen hitte: Beweegbare bruggen bij hoofdinfrastructuur monitoren tussen 22 – 24 graden, bij 25+ graden kan koelen met water nodig zijn om klemzittende bruggen te voorkomen. Asfalt van hoofdinfrastructuur mag niet heter dan 50 graden worden, om smelten te voorkomen. Drinkwater- en afvalwaterleidingen mogen niet warmer worden dan 25 graden, om virus- en bacteriegroei tegen te gaan. De omgeving van middelbare- en basisscholen en gezondheids- en ouderenvoorzieningen wordt zoveel mogelijk groen en koel ingericht.
Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen hitte: Beweegbare bruggen bij hoofdinfrastructuur monitoren tussen 22 – 24 graden, bij 25+ graden kan koelen met water nodig zijn om klemzittende bruggen te voorkomen. Asfalt van hoofdinfrastructuur mag niet heter dan 50 graden worden, om smelten te voorkomen. Drinkwater- en afvalwaterleidingen mogen niet warmer worden dan 25 graden, om virus- en bacteriegroei tegen te gaan. De omgeving van middelbare- en basisscholen en gezondheids- en ouderenvoorzieningen wordt zoveel mogelijk groen en koel ingericht.
Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen hitte: Beweegbare bruggen bij hoofdinfrastructuur monitoren tussen 22 – 24 graden, bij 25+ graden kan koelen met water nodig zijn om klemzittende bruggen te voorkomen. Asfalt van hoofdinfrastructuur mag niet heter dan 50 graden worden, om smelten te voorkomen. Drinkwater- en afvalwaterleidingen mogen niet warmer worden dan 25 graden, om virus- en bacteriegroei tegen te gaan.
0-meting grondwater (hoogste en laagste stand), met maatwerk een kostenefficiënte oplossing bepalen.
0-meting grondwater (hoogste en laagste stand), met maatwerk een kostenefficiënte oplossing bepalen.
0-meting grondwater (hoogste en laagste stand), met maatwerk een kostenefficiënte oplossing bepalen.
0-meting grondwater (hoogste en laagste stand), met maatwerk een kostenefficiënte oplossing bepalen.
0-meting grondwater (hoogste en laagste stand), met maatwerk een kostenefficiënte oplossing bepalen.
15% opvang van het neerslagtekort bij droogtegevoelige inrichting, zoals groen in openbare ruimte en enkele landbouwgewassoorten.
15% opvang van het neerslagtekort bij droogtegevoelige inrichting, zoals groen in openbare ruimte en enkele landbouwgewassoorten.
100% afkoppelen bij herstructurering, uitbreiding of nieuwe ontwikkelingen.
50% afkoppelen bij herstructurering of uitbreiding, 100% afkoppelen bij nieuwe ontwikkelingen. 15% van maatgevende bui in het riool afvoeren, 85% eerst bergen in de openbare ruimte of op eigen terrein. Vitale en kwetsbare functies moeten waterrobuust zijn: In samenwerking met Rijnland de gemalen toekomstbestendig maken. Op hoofdinfrastructuur mag maximaal 30 cm water komen te staan, zodat kernen toegankelijk blijven voor hulpdiensten en calamiteitenverkeer. Een bui van 60 mm per uur mag geen schade veroorzaken.
50% afkoppelen bij herstructurering of uitbreiding, 100% afkoppelen bij nieuwe ontwikkelingen. 15% van maatgevende bui in het riool afvoeren, 85% eerst bergen in de openbare ruimte of op eigen terrein. Vitale en kwetsbare functies moeten waterrobuust zijn: Op hoofdinfrastructuur mag maximaal 30 cm water komen te staan, zodat kernen toegankelijk blijven voor hulpdiensten en calamiteitenverkeer. Een bui van 60 mm per uur mag geen schade veroorzaken.
50% afkoppelen bij herstructurering of uitbreiding, 100% afkoppelen bij nieuwe ontwikkelingen. 15% van maatgevende bui in het riool afvoeren, 85% eerst bergen in de openbare ruimte of op eigen terrein. Vitale en kwetsbare functies moeten waterrobuust zijn: Op hoofdinfrastructuur mag maximaal 30 cm water komen te staan, zodat kernen toegankelijk blijven voor hulpdiensten en calamiteitenverkeer. Een bui van 60 mm per uur mag geen schade veroorzaken.
50% afkoppelen bij herstructurering of uitbreiding, 100% afkoppelen bij nieuwe ontwikkelingen. 10% van maatgevende bui in het riool afvoeren, 90% eerst bergen in de openbare ruimte of op eigen terrein. Vitale en kwetsbare functies moeten waterrobuust zijn: In samenwerking met Rijnland de gemalen toekomstbestendig maken. Op hoofdinfrastructuur mag maximaal 30 cm water komen te staan, zodat kernen toegankelijk blijven voor hulpdiensten en calamiteitenverkeer. Een bui van 60 mm per uur mag geen schade veroorzaken.
Droogtegevoeligheid verminderen
100% eerst bergen in de openbare ruimte of op eigen terrein.
Een waterrobuuste leefomgeving
Vitale en kwetsbare functies moeten waterrobuust zijn: In samenwerking met Rijnland de gemalen toekomstbestendig maken. Op hoofdinfrastructuur mag maximaal 30 cm water komen te staan, zodat kernen toegankelijk blijven voor hulpdiensten en calamiteitenverkeer. Een bui van 60 mm per uur mag geen schade veroorzaken.
10
• • • • • • • • • • • • •
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓ ✓
✓
✓ ✓ ✓
✓
✓ ✓
Introductie Introductie
We beginnen met een voorstelronde. Bedankt dat u wil meedoen aan het risicodialoog.
Alle gemeentes in Nederland moeten klimaatstresstesten uitvoeren waarbij de risico’s op het gebied van klimaat duidelijk worden. In de gemeente Haarlemmermeer is dit nu uitgevoerd. Vervolgens bepalen de gemeente en waterschappen ambities om daarna maatregelen te kunnen uitvoeren om een aantal risico’s te verlagen. De risicodialoog is een stap tussen de klimaatstresstest en de ambities. Doel
Het doel van de risicodialogen is om een beeld te krijgen van hoe de stakeholders in het gebied tegen de risico’s m.b.t. hitte, droogte, wateroverlast en overstroming aankijken. We gaan in gesprek met een aantal stakeholders in Nieuw-Vennep en Hoofddorp, waar u er een van bent. Aan de hand van dit beeld kan het bestuur van Rijnland en de gemeente Haarlemmermeer een ambitieniveau bepalen dat aansluit bij de stakeholders in het gebied.
Onderwerpen
De volgende onderwerpen zullen aan bod komen: - Kennismaking organisatie - Beleving klimaat in de organisatie - Bespreken en ervaring klimaatrisico’s - Ambitie organisatie - Ambitie overheid
Anonimiteit en vertrouwelijkheid
Dit interview is anoniem, dat wil zeggen dat uw persoonlijke gegevens niet gebruikt of genoemd zullen worden. Daarnaast zullen de dingen die u ons vertelt en de informatie die u ons geeft alleen voor dit doeleinde gebruikt worden.
Opname
Voor de verwerking van het interview is het handig als we het interview kunnen opnemen. Vind u het goed als dit gesprek wordt opgenomen?
Centrale vragen en subvragen 1. Algemeen
Topics:
-
Kunt u iets over de organisatie vertellen? Wat is uw functie binnen de organisatie?
-
Organisatie Functie geïnterviewde Assets organisatie
Subvragen: -
2. Klimaat
-
Topics:
-
-
Beleving klimaat Indruk klimaatatlas
Wat is het doel van de organisatie? Wat is de regio waar de organisatie actief is? Hoeveel gebouwen of assets heeft de organisatie en waar bevinden die zich? Hoe leeft het onderwerp ‘klimaat’ in uw organisatie? Wat was de eerste indruk bij het ontvangen van de brief en het bekijken van de klimaatatlas? Welke van de vier onderwerpen (droogte, wateroverlast, overstroming, hitte) zijn voor uw organisatie het meest van belang? En welke het minst?
Subvragen: -
Is er in uw organisatie al iets gedaan aan klimaat, zo ja wat? (bijeenkomst, gesprek, aanpassing dak/tuin etc.) In hoeverre was uw organisatie voor ontvangst van de brief bekend met de risico’s?
Open nu de klimaatatlas en bekijk per thema wat de risico’s zijn voor de stakeholder. Bespreek elk thema apart en herhaal onderwerp 3 t/m 5 voor elk thema! 3. Risico’s
Bekijk in de klimaatatlas de klimaatkaart over dit thema. -
Topics: - Welke risico’s - Bewustzijn
4. Ambitie
Topics: - Ambitie organisatie - Ambitie overheid
Wat zijn de risico’s voor uw organisatie op dit thema?
Subvragen: - In hoeverre is uw organisatie zich bewust van de risico’s? - Wat is de impact van dit risico op het functioneren van de stakeholder? - Wat doet uw organisatie al om de risico’s te verkleinen? (kan ook voorbereiding op calamiteit zijn) - Wat zijn de ambities van uw organisatie op het gebied van deze risico’s? - Wat zijn, volgens u, de verantwoordelijkheden van de overheden hierin?
Subvragen: -
Welk risico is acceptabel? Daar hoeft dus zowel de overheid als u niets aan te doen. Wat moet de overheid in ieder geval doen op dit thema (en dus als ambitie hebben)? Wat moet de overheid niet aanpakken en overlaten aan de omgeving?
5. Opgestelde ambitie
Lees nu de ambtelijk opgestelde ambitie voor over het thema (zie stresstest p. 8-9).
Topics: -
Ambitie overheid checken
6. Algemene afsluiting
-
Topics: -
Wat vindt u van de ambitie van de gemeente en het waterschap? Wat zou u aanpassen? Hoe zou de gemeente/waterschap en uw organisatie samen kunnen werken op de thema’s? Binnen welke termijn vindt u dat de knelpunten opgelost moeten zijn?
Samenwerken Termijn
Introductie Afsluiting interview
-
Wilt u nog iets toevoegen aan het gesprek? Zijn er nog dingen die niet aan bod zijn gekomen in het gesprek maar die u wel belangrijk vindt om te vertellen? Wat vond u van het interview? Wat vind u van het feit dat de gemeente en waterschap dit interview voeren?
Uitwerking
Het interview zal worden uitgewerkt. Als u wilt kunt u hier een uitdraai van ontvangen. Wilt u een uitdraai ontvangen?
Bedanken
Wij willen u nogmaals bedanken voor het interview. Uw bijdrage draagt bij aan het klimaatbestendig maken van de omgeving.
Contactgegevens
Mocht u nog vragen hebben over het interview of over het onderwerp ‘klimaat’, dan kunt u contact opnemen met {naam}, via {telefoonnummer} of {emailadres}.
Centrale vragen en subvragen 1. Algemeen Topics: - Organisatie - Functie geïnterviewde - Assets organisatie
Veiligheidsregio Kennemerland, is een veiligheidsregio, zijnde een van de vijf veiligheidsregio's die geheel binnen de provincie Noord-Holland vallen. Een veiligheidsregio is een samenwerkingsverband van de hulpverleningsdiensten op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de wet Veiligheidsregio's. De VRK is een samenwerkingsverband van GGD Kennemerland en Brandweer Kennemerland. De meeste Veiligheidsregio’s bestaan alleen uit de Brandweer en GHOR. De VRK is bijzonder, omdat in de VRK ook de GGD zit. Annelies Schnitger is werkzaam bij Veiligheidsregio Kennemerland – Brandweer.
2. Klimaat Topics: - Beleving klimaat - Indruk klimaatatlas
Door klimaatverandering worden de extremen groter en komen die extreme situaties vaker voor. Vanuit haar twee taken: 1. brandweerzorg, 2. rampenbestrijding en crisisbeheersing probeert de VRK/ brandweer Kennemerland daaropin te spelen. Klimaatatlas geeft een goed inzicht in de verschillende extremen. Vooral de gecombineerde kaarten zijn interessant.
3. Risico’s Topics: - Welke risico’s - Bewustzijn
Wateroverlast Vanuit het perspectief van de Veiligheidsregio kan wateroverlast leiden tot verkeersongevallen, onbereikbaarheid voor hulpdiensten door ondergelopen infrastructuur, ondergelopen kelders, instorting daken, kortsluiting en uitval vitale infrastructuur. Een van de risico’s vanuit het perspectief van de Waterschappen komt voort uit het vergroenen van bebouwde omgeving om extreme of intensieve regenval te verwerken. De groene tuinen en daken vragen in tijde van droogte juist extra water voor besproeiing, waardoor het waterpeil juist verder terugloopt. Een oplossingsvoorstel is lokale
waterberging van hemelwater geschikt maken voor het gebruik in de groenvoorziening en voor het gebruik als bluswater. Vanuit het perspectief van het bestrijden van de hitte-effecten is vergroening juist zeer gewenst, want groen geeft verkoeling en schaduw. Ook vanuit het perspectief van gezondheid is vergroenen van de leefomgeving zeer gewenst. Echter, opgemerkt wordt, dat door de lage ligging van Haarlemmermeer, het grondwaterpeil minder dramatisch wijzigt dan andere gebieden van Nederland, zoals bij de hoge zandgronden tijdens en na extreme droogte. Het risico voor Haarlemmermeer ligt voornamelijk in de verzilting van de grond, wat nadelig is voor veel soorten gewassen. Verzilting kan mogelijk ook schade veroorzaken aan ondergrondse materialen, zoals funderingen en kabel en leidingen. De bereikbaarheid van hulpdiensten is volgens Veiligheidsregio Kennemerland ook een belangrijk aspect. In de stresstest wordt dat duidelijk weergegeven: groen is voor iedereen bereikbaar, oranje alleen voor hulpdiensten en rood voor niemand. Vooral enkele tunnels doemen rood op en vormen een potentieel gevaar. Zo is de Schipholtunnel van de A4 bij hevige regenval onbegaanbaar. Een ander punt is dat bij brandonderzoek te zien is dat juist bij nieuwbouwwijken/Vinex-wijken meer branden ontstaan, omdat tijdens hevig neerslag meer kortsluiting ontstaat vanwege lekkage.
Terwijl de verwachting zou kunnen zijn dat met heftige regen niet zo snel brand ontstaat. Als het water hoog in de tuin staat en niet weg kan zakken, dan komt het water naar binnen. Deze woningen hebben vaak lage stopcontacten en verlengsnoeren op de grond. en tegenwoordig zit veel elektrische apparatuur continu aan de ‘lading’ of staat op ‘standby’. Tijdens extreme buien kunnen risico’s optreden bij evenementen: Er moeten beschutte plekken beschikbaar zijn, zodat de bezoekers veilig kunnen schuilen voor de neerslag, bliksem en hevige winden. Tevens moet er een plan zijn om onderkoeling tegen te gaan. Tijdens een evenement in 2003 zorgden extreme buien voor onderkoeling van bezoekers. Hitte Extreme hitte kan leiden tot meer branden en meer slachtoffers. Wat opvalt is dat in een nieuwbouwwijk met geïntegreerde zonnepanelen in de dakbedekking nu twee keer brand is ontstaan door de zonnepanelen. Waarschijnlijk wordt het zo heet achter de panelen dat de balken in brand kunnen vliegen. Voor brand heb je drie dingen
nodig: zuurstof, brandstof en temperatuur/ontsteking die voorwaarden lijken met extreme hitte te ontstaan. Tijdens evenementen ontstaat ook een risico in relatie met hitte: Bezoekers kunnen uitdrogen en bezwijken onder de hitte. Verkoeling en voldoende vrij beschikbaar drinkwater zijn dan noodzakelijk. Hittestress in gebouwen, verzorgingstehuizen en woningen kan leiden tot slachtoffers, vooral onder kwetsbare mensen. Ook gevaarlijke parasieten en bacteriën kunnen extra gedijen in een warmer klimaat, zoals teken, eikenprocessierupsen, tijgermuggen, blauwalgen en schadelijk e-coli (poep-) bacteriën. Droogte Een eerste aandachtspunt is het bluswatersysteem van de brandweer. Waar voorheen regelgeving verzekerde dat, in bebouwd gebied, binnen 40 meter van de toegang tot een woning, bedrijf of instelling (80 meter onderling) een brandkraan geplaatst was, is die verplichting met de komst van de Drinkwaterwet voor de waterleidingmaatschappijen komen te vervallen. Ook zijn er huidige brandkranen die te weinig water leveren om als bluswatervoorziening te kunnen dienen. Veiligheidsregio Kennemerland geeft aan dat, naast de beschikbaarheid van nabijgelegen locaties voor de brandweer met oppervlaktewater, ook het waterpeil belangrijk is. De pompen hebben een minimaal peil nodig om niet verstopt te raken met bodemvuil.
De Ringvaart heeft bijvoorbeeld een gegarandeerd boezempeil, maar voor kleinere sloten en plassen gaat dat niet op. Hierdoor kan tijdens droogte de waterdiepte en waterhoeveelheid onvoldoende zijn om als bluswatervoorziening te dienen. Ook bij de aanleg van nieuwe wijken kan men rekening houden met voldoende oppervlaktewater dat als bluswater gebruikt kan worden. Net als bij waterberging trouwens. De toegang tot het oppervlaktewater is ook niet altijd gemakkelijk voor zware brandweervoertuigen. Bij de Toolenburgerplas ligt een stuk strand dat is minder goed bereikbaar. De Hoofdvaart heeft bijvoorbeeld een heel steil talud, waardoor het lastiger is daar water vandaan te halen. De brandweer is geen beheerder van de omgeving, alleen gebruiker dus dat vergt een goede communicatie en samenwerking. Overstroming Voor overstromingen maakt de brandweer scenario’s waarbij zij uitgaan wat de situatie na 6 uur is, na 24 uur en na 72 uur. In die scenario’s kwam bijvoorbeeld naar voren dat veel transformatorhuisje (die 50 cm boven het maaiveld staan) redelijk snel onder water komen. Waardoor de elektriciteit op veel plaatsten wegvalt. Ook noodstroomvoorzieningen en andere vitale apparatuur in kwetsbare
4. Ambitie Topics: - Ambitie organisatie - Ambitie overheid
gebouwen, zoals ziekenhuizen kunnen onderwater komen te staan bij overstromingen, waardoor er een ramp- of crisissituatie kan ontstaan als de apparatuur uitvalt. Wateroverlast Veiligheidsregio Kennemerland is een gebruiker van water en de openbare ruimte, dus vooral een meedenkende factor. Vergroening van de leefomgeving, vanwege de positieve effecten tegen hitte en droogte, zou afgewogen moeten worden, alsmede het uitwerken van bereikbare routes in geval van wateroverlast. Dit dient in samenwerking gedaan te worden met andere stakeholders. Voor evenementen geldt voldoende schuilmogelijkheden en veilige tenten /bouwwerken ingeval van (onweers-)stormen en clusterbuien. Hitte Voor evenementen geldt voldoende koeling en vrij beschikbaar drinkwater voor bezoekers. Droogte Brandweer Kennemerland investeert vanaf 2020- in een nieuwe bluswatersystematiek waarbij ze watertankwagens inzetten met een grotere capaciteit. De VRK hoopt het systeem in 2023 in gebruik te kunnen nemen. Met deze nieuwe systematiek kunnen zij ongeveer 90% van de kleinere brandmeldingen/incidenten bestrijden met water dat ze zelf ter plaatse brengen. Voor de overige 10%, waar er een grote waterbehoefte is, is de brandweer aangewezen op oppervlaktewater. De beschikbaarheid van deze bronnen kan onder druk komen te staan door klimaatveranderingen..
5. Opgestelde ambitie Topics: - Ambitie overheid checken 6. Algemene afsluiting Topics: - Samenwerken - Termijn
Overstroming Blijven ontwikkelen van de noodscenario’s, maar die zijn niet fundamenteel anders door klimaatveranderingen. Tevens als overheid inzetten op risicocommunicatie naar kwetsbare bedrijven en instellingen om hen te bewegen hun gebouwen en terreinen klimaatadaptief te maken. Ontwikkelen van (bijvoorbeeld) brandrisicoprofielen. Het in kaart brengen van droge gebieden die gevoelig zijn voor brand en daarbij waken voor voldoende bluswater in de omgeving.
Geïnterviewde staat open om samen met de GGD, als veiligheidsregio, nog eens te spreken over de klimaatatlas.
Centrale vragen en subvragen 1. Algemeen
Topics: - Organisati e - Functie geïntervie wde - Assets organisati e
2. Klimaat
Topics: - Beleving klimaat - Indruk klimaatatl as
LTO is de Land- en Tuinbouworganisatie en behartigt de belangen van de boeren en tuinders. LTO is een landelijk orgaan en heeft aanvullend regionale besturen. Het regionale bestuur Haarlemmermeer heeft dezelfde gebiedsgrenzen als de gebiedsgrenzen van de Gemeente Haarlemmermeer. Het bestuur van LTO regio Haarlemmermeer is met acht man sterk een actief bestuur. Er speelt veel en een groot gebied van de Haarlemmermeer is land- en tuinbouw (ca. 1/3 deel). Er zijn ca. 200 land- en tuinbouwbedrijven, met name akkerbouw (aardappels, uien e.d.). Met de uitbreiding van de gemeentegrenzen zijn er ook enkele veehouderijen (Spaarnwoude en Haarlemmerliede) bijgekomen. Ernst Bus is akkerbouwer en bezit al bijna vier jaar de portefeuille ‘water’ in het LTO bestuur Haarlemmermeer. Luuk v.d. Heuvel is akkerbouwer en volgt Ernst als bestuurder op in maart 2020. Het klimaat is een onderwerp wat altijd van belang is geweest bij de LTO. Het is niet nieuw en behoeft (en krijgt) binnen de organisatie niet direct extra aandacht door de huidige bestuurlijke aandacht in Nederland. Het veranderende klimaat is een thema van alledag waar de boer zich altijd al aan heeft aangepast. LTO merkt wel de druk op het open (landbouw)landschap toenemen door de woningbouwopgave, wat leidt tot meer verharding.
Indien dit niet op de percelen zelf wordt opgevangen en gebufferd, bestaat het risico dat regenwater van de stad afgewenteld gaat worden op de landbouw. Sloten kunnen hierdoor eerder vol raken, zodat de boeren zelf eerder in de problemen komen en minder water kunnen afvoeren. Het open gebied heeft door haar bufferende werking een heel waardevolle bijdrage aan klimaatadaptatie.
Wat LTO doet op het thema klimaat: - Er wordt kennis gedeeld over hoe boeren zelf hun akkers slim kunnen inrichten gericht op wateroverlast, zowel qua type gewas als qua indeling en drainage van het terrein. - Er worden ‘plattelandsdagen’ georganiseerd waarbij de burger kennismaakt met het boerengebied voor meer bewustwording - Ze leveren een bijdrage in het Stadslandbouwproject Park21 De thema’s wateroverlast, gevolgd door droogte en hitte zijn de belangrijkste klimaatthema’s voor LTO in de gemeente Haarlemmermeer. Uiteraard was de droogte van vorig jaar wel actueel geweest. Het heeft geleid tot significant kleinere oogsten.
3. Risico’s
Topics: - Welke risico’s - Bewustzij n
Wateroverlast De risico’s voor LTO t.g.v. wateroverlast zijn lagere oogstopbrengsten. Teveel regen doet de gewassen verdrinken. Intense en korte buien beschadigen de gewassen. Gewasschade leidt tot een lagere oogst en minder opbrengsten. Het watersysteem wordt beheerd door het waterschap, maar in samenwerking met de agrariërs die hun eigen sloten beheren. Wateroverlast kan ontstaan als het water in de sloten hoog komt te staan, de drainagebuizen vol liggen én de berging in de grond vol zit. Ook lager gelegen gebieden zijn kwetsbaarder omdat het water niet wordt afgevoerd naar de sloten. Als het (langdurig) veel regent, dan hopen de boeren dat het waterschap zoveel mogelijk kan blijven malen. Er is geen stresstest voor het landelijk gebied beschikbaar, zodat de kaarten in de klimaatatlas niet kunnen worden geverifieerd. In het algemeen zijn lager gelegen gebieden kwetsbaar. Deze gebieden zijn daar ook al op ingericht, zoals het grasgebied in Vijfhuizen (dit gebied is altijd nat drassig). Kansen zijn gericht op aanpassen. De bloementeelt heeft bijvoorbeeld door intense en korte buien die veelal in september plaatsvinden, al gekozen voor het telen van soorten die in augustus al geoogst kunnen worden. Een andere kans is het inrichten van natte natuur op natte delen van het land voor vogels en andere dieren. Hier is al subsidie voor beschikbaar. (Echter – dit kan niet