CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 2021.0003168 Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 10 februari 2022, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar (2021.0003168)14.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

gemeente Haarlemmermeer

raadsvoorstel

Onderwerp

Portefeuillehouder Steller Collegevergadering

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar mr. Mariëtte Sedee-Schuitemaker Clarissa Mornout 11 januari 2022

Raadsvergadering Raadsvoorstelnummer

2021.0003168 1. Voorstel Het college besluit de raad voor te stellen om: 1. een verklaring van geen bedenkingen te weigeren voor het realiseren van een parkeerter­ rein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar. 2. Samenvatting Wij willen een omgevingsvergunning weigeren voor het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar. Wij kun­ nen deze omgevingsvergunning alleen weigeren nadat de raad heeft verklaard geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) te geven voor dit plan. Het project kan namelijk niet worden ge­ schaard onder één van de categorieën waarvoor geen vvgb vereist is volgens het raadsbesluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560). 3. Uitwerking 3.1 Wat willen we bereiken? Wij willen een omgevingsvergunning weigeren voor het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van 10 jaar. 3.2 Wat gaan we daarvoor doen? Aanvraafi De aanvraag betreft het realiseren van een parkeerterrein voor vrachtwagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar.

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een parkeerterrein voor vracht­ pagina 2

wagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar

Bestemmingsplantoets Het perceel is gesitueerd in het bestemmingsplan 'Buitengebied Zuid' en heeft daarin de be­ stemming 'Agrarisch', de gebiedsaanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - Lib' en deels de dubbelbestemmingen 'Leiding - Brandstof' en 'Leiding - Gas'. Deze bestemming laat het realiseren van een parkeerplaats voor vrachtwagens en trailers met een servicegebouw niet toe. Overweging Omgevingsverordening NH 2020 Het perceel valt in de Omgevingsverordening NH 2020 in het landelijk gebied en in het werkingsgebied Agrarische bedrijven. Op grond van artikel 6.33 zijn niet-agrarische bedrijfsfuncties alleen toegestaan als onderdeel van een agrarisch bedrijf. Daarvan is hier geen sprake. Het is dan ook in strijd met provinciaal beleid. Deze ontwikkeling is niet wenselijk aan een polderlint dat al onder druk staat. Bovendien leent het wegprofiel van de Kaagweg zich niet voor een komen en gaan van vrachtwagens. Uit het oogpunt van stedenbouw, landschap, verkeer en milieu is dit geen gewenste ontwikke­ ling op deze locatie. Om deze de redenen wordt een negatief ruimtelijk advies is afgegeven. De aanvraag wordt daarom geweigerd. Wij kunnen deze omgevingsvergunning alleen weigeren nadat de raad heeft verklaard geen ver­ klaring van geen bedenkingen (vvgb) te geven voor dit plan.

Het project kan namelijk niet wor­ den geschaard onder één van de categorieën waarvoor geen vvgb vereist is volgens het raads­ besluit van 3 oktober 2019 (2019.0040560). Procedure De ontwerp-weigering vvgb heeft samen met het ontwerp-weigeringsbesluit omgevingsvergun­ ning ter inzage gelegen. Tegen deze ontwerpbesluiten zijn geen zienswijzen ingediend. Nu wordt voorgesteld om geen vvgb af te geven voor dit plan. Tegen die weigering staat de moge­ lijkheid van bezwaar en beroep open. 3.3 Wat mag het kosten? Aan de uitvoering van dit voorstel zijn, naast de beschikbare ambtelijke capaciteit, geen kosten verbonden. Wat zijn de financiële risico's Onze gemeente loopt geen vermeldenswaardige financiële risico's bij de uitvoering van dit voorstel.

3.4 Wie is daarvoor verantwoordelijk? Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de raad bevoegd te besluiten over een vvgb. De bevoegdheid te besluiten over een aanvraag omgevingsvergunning ligt bij ons college. De portefeuillehouder Ruimtelijke Ordening is het eerste aanspreekpunt binnen het col­ lege.

Weigeren verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een parkeerterrein voor vracht­ wagens en trailers nabij Kaagweg 16 in Abbenes voor een periode van tien jaar

3.5 Wanneer en hoe zal de raad/het college over de voortgang worden geïnformeerd? De raad zal in kennis worden gesteld van een eventuele beroepsprocedure.

4. Ondertekening Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, de loco-secretaris, f* de burgemeester,

'icTV* Michiel Ruis

ucv>

lYeuwu^

Bijlage(n): • ruimtelijke onderbouwing nabij KaagweglB Abbene • ruimtelijk advies nabij Kaagweg 16 Abbenes

uurmans-Wijdeven

pagina 3

Ruimtelijke onderbouwing Nabij Kaagweg 16 Abbenes

Opsteller : Richard Bosman Datum : 19 september 2020

Inhoudsopgave 1. Inleiding ............................................................................................................................................. 3 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 3 1.2 Ligging en begrenzing .................................................................................................................. 3 1.3 Bestemmingsplaninformatie en afwijking van het bestemmingsplan .................................... 4 1.4 Leeswijzer....................................................................................................................................... 4 2. Projectomschrijving ......................................................................................................................... 5 2.1 Bestaande situatie ......................................................................................................................... 5 2.2 Omschrijving nieuw project en toekomstige situatie ............................................................... 5 2.3 Participatie ..................................................................................................................................... 5 2.4 Planologische en stedenbouwkundige onderbouwing project ...............................................

5 3. Beleid ................................................................................................................................................. 7 3.1 Rijksbeleid ...................................................................................................................................... 7 3.2. Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 10 4. Resultaten onderzoeken milieu en omgevingsaspecten........................................................... 18 4.1 Archeologie & Cultuurhistorie ................................................................................................... 18 4.2 Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................................... 19 4.3 Bodem ........................................................................................................................................... 20 4.4 Explosieven .................................................................................................................................. 20 4.5 Externe veiligheid ........................................................................................................................

20 4.6 Wet Natuurbescherming ............................................................................................................. 23 4.7 Geluid ............................................................................................................................................ 28 4.8 Geur- en luchthinder ................................................................................................................... 28 4.9 Kabels en leidingen ..................................................................................................................... 29 4.10 Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) ............................................................................. 29 4.11 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 30 4.12 Milieueffectrapportage (beoordeling) ....................................................................................... 33 4.13 Monument .................................................................................................................................... 34 4.14 Privaatrechtelijke belemmeringen ............................................................................................

34 4.15 Verkeer, Parkeren en ontsluiting ............................................................................................... 34 4.16 Wateraspecten ............................................................................................................................. 34 5. Conclusie ........................................................................................................................................ 37

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Kaagweg 16 te Abbenes heeft een bestemming ‘bedrijf’. Naast het perceel zijn de kadastrale percelen Haarlemmermeer, sectie AO, nummers 951 en 978 te Haarlemmermeer gelegen met een oppervlakte van ca. 90.000 m2. De initiatiefnemer wil de agrarische grond tijdelijk gaan gebruiken voor het stallen van vrachtwagens. In het geldende bestemmingsplan heeft het perceel een gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone lib’ en een bestemming ‘agrarisch’ dat bestemd is voor volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden bedrijfsvoering, met uitzondering van glastuinbouw, bollenteelt, intensieve veehouderij, paardenfokkerij en paardenhouderij. Omdat het gebruik van de gronden voor het stallen van vrachtwagens niet in overeenstemming is met de agrarische bestemming is de aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd met de voorschriften uit het bestemmingsplan. Verzocht is om middels een ruimtelijke onderbouwing aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening zodat alsnog medewerking aan het bouwplan kan worden verleend. Onderstaande onderbouwing toont aan dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1.2 Ligging en begrenzing Het plangebied ligt in het landelijk gebied van Nieuw Vennep nabij de A44.

Afbeelding 1 : Globale ligging plangebied

Afbeelding 2 : Luchtfoto plangebied (bron: ruimtelijke plannen)

3

1.3 Bestemmingsplaninformatie en afwijking van het bestemmingsplan Ter plaatse van het perceel naast Kaagweg 16 te Abbenes, kadastraal bekend sectie AO, nummers 951 en 978 geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer vastgesteld op 4 juli 2013. Ter plaatse van de projectlocatie gelden ingevolge het bestemmingsplan voor deze gronden de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 6) en de gebiedsaanduiding ‘Luchtvaartverkeerzone –LIB’ (artikel 42). Een gebruik voor het stallen van vrachtwagens is in strijd met de gebruiksvoorschriften van de bestemming ‘Agrarisch’. De volgende afbeelding toont een fragment van de plankaart uit het bestemmingsplan:

Afbeelding 3 : fragment plankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid’.

Omdat het belangrijk is dat de agrarische functie van de omliggende gronden behouden blijft is het bouwplan een gewenste ontwikkeling en is verzocht om een goede ruimtelijke onderbouwing in te dienen waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgesteld. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een gebiedsbeschrijving en een beschrijving van de huidige situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 volgt het beleid. Naast rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid en gemeentelijk beleid wordt tevens het aspect bezonning getoetst. In hoofdstuk 4 worden de resultaten milieu en omgevingsaspecten opgenomen over de uitvoerbaarheid van het project waaronder milieu, water, ecologie, archeologie en verkeer en parkeren uitvoerbaar te zijn. Het vijfde hoofdstuk is gewijd aan de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

4

2. Projectomschrijving 2.1 Bestaande situatie In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied beschreven. Het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische gronden in het buitengebied van Abbenes dat omgeven is door weilanden en nabij de snelweg A44. De locatie betreft in de huidige situatie een agrarisch perceel. 2.2 Omschrijving nieuw project en toekomstige situatie Het project betreft een tijdelijk gebruik van de gronden ten behoeve van het stallen van vrachtwagens. 2.3 Participatie Het betreft in dit geval een tijdelijk gebruik. De bestemming is en blijft de bestemming ‘Agrarisch’. Het perceel ligt op grote afstand van de nabij gelegen percelen. 2.4

Planologische en stedenbouwkundige onderbouwing project Het betreft in dit geval een perceel met de bestemming ‘Agrarisch’

Afbeelding 4 : ligging van het plangebied op de luchtfoto

Het plangebied naast Kaagweg 16 te Abbens betreft een locatie gelegen in het buitengebied van Abbenes. Het plangebied wordt omgeven door weilanden en in de nabijheid is de snelweg A44 gelegen. De locatie bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch perceel.

5

Afbeelding 5 : foto’s van de locatie

Voor het perceel is een tijdelijk gebruik voor vrachtwagens gewenst. Het perceel is zeer goed bereikbaar omdat het op korte afstand van een afslag van de A44 is gelegen en tevens op korte afstand van de A4 is gelegen. Het plan is alleen vanwege gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

Afbeelding 6 : situatietekening nieuwe situatie

6

3

Beleid Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een bouwplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Noord-Holland, de regio, de gemeente Haarlemmermeer en de bezonningaspecten. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. In dit hoofdstuk is aangegeven wat hiervan de resultaten zijn. Om een ruimtelijke onderbouwing te kunnen opstellen is het noodzakelijk te bekijken welke beleidslijnen zowel de gemeente als ook andere overheden en bestuursorganen hebben.

3.1

Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld op 13 maart 2012, is het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het Rijk opgenomen. De SVIR schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, leefbaar en veilig. De SVIR vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Agenda Vitaal Platteland. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijks betrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven. Het roer om Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’) en de gebruiker komt centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen.

Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken (‘je gaat er over of niet’). Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Daartoe schaft het Rijk het landschapsbeleid af en beperkt het rijksregimes in het natuurdomein. Rijksdoelen en nationale belangen Het Rijk heeft in de SVIR drie doelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Luchthavenindelingbesluit Het rijksbeleid ten aanzien van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de wet Luchtvaart (verder Wijzigingswet genoemd). De wijzigingswet vormt de wettelijke grondslag voor het regime voor de luchthaven Schiphol.

Deze wet is grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeersbesluit en het Luchthavenindelingsbesluit (LIB).

7

Het LIB omvat de ruimtelijke consequenties van de Wijzigingswet. In het LIB wordt een beperkingengebied genoemd waarin beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidbelasting. Tevens zijn er hoogtebeperkingen en regels met beperkingen ten aanzien van grondgebruik of bestemmingen met een vogel aantrekkende werking. Op 1 januari 2018 is het wijzigingsbesluit van het LIB in werking getreden. De wijzigingen zijn als volgt : • ten eerste is er een afwegingsgebied voor externe veiligheid en geluid in het LIB opgenomen (nu bekend als het '20Ke-gebied'). In dit gebied mogen gemeenten op basis van een eigen integrale afweging omgevingsvergunningen afgegeven voor de bouw van nieuwe woningen binnen het bestaand stedelijk gebied. Buiten het bestaand stedelijk gebied blijven nieuwe woningbouwlocaties niet toegestaan; • ten tweede zijn de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit mede naar aanleiding van knelpunten bij gemeenten in verband met de lokale leefbaarheid. Niet gewijzigd wordt de ligging van de beperkingengebieden.

Relatie met het plangebied Voor het voorliggende plangebied is slechts één nationaal belang, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten, relevant. Het voorliggende plan is een resultante van een zorgvuldige afweging, waarbij alle betrokken belangen zijn afgewogen. Het plan is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing met belangen afweging. Een zorgvuldige afweging van belangen en een transparante besluitvorming is daarmee geborgd. Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen.

Afbeelding 7 : Ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)

Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen betreffen: • een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke treden; • het vervangen van het begrip “actuele regionale behoefte” door “behoefte”. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven; • het doorschuiven van de toepassing van de ladder naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat

8

nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is een nadrukkelijke motivering nodig, dat wil zeggen in aanvulling op de algemene vereisten van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden een rol spelen. Toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking/ duurzaam ruimtegebruik De eerste vraag die beantwoord moet worden in het kader van deze toets is de volgende: is er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ? Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Handreiking “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure vallen”. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord.

Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de volgende ontwikkelingen in het kader van bedrijfsruimten niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kwalificeren: uitbreiding winkel met circa 400 m² (ABRvS 3 december 2014; ECLI:NL:RVS:2014:4409), uitbreiding bedrijfsgebouw met 400 m² (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442), uitbreiding kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319), als enkel sprake is van een planologische functiewijziging dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien er sprake is van de bouw van een bedrijfsloods waarvan het gebruik niet voor een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, dan wel te beschermen.

Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen: rijksvaarwegen, kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Planspecifiek Met het voorliggende plan zijn de onderwerpen uit het Barro niet in het geding. Het plangebied ligt op 1.800 meter van de NNN en op 13.800 meter van Natura 2000 gebied. De beoogde ontwikkeling voor het tijdelijk gebruik van agrarische grond ten behoeve van hetstallenvan vrachtwagens heeft hierop geen negatief effect (zie artikel 3.3.11). Toetsing van het plan vindt daarom plaats op een lager overheidsniveau. Voor een nadere toetsing aan het aspect cultuurhistorie en archeologie wordt verwezen naar artikel 3.3.10.

9

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1. Structuurvisie Noord-Holland 2040 In de structuurvisie Noord-Holland 2040 beschrijft de provincie hoe en op welke manier ze met ontwikkelingen omgaat die een grote ruimtelijke impact hebben zoals globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp. Daarnaast geeft de provincies aan welke keuzes gemaakt worden en schetst ze hoe de provincie er in 2040 er uit moet komen uit te zien. Door de ruimtelijke ordening aan te passen waar nodig, kan met de veranderingen worden omgegaan. Tegelijkertijd is het van belang bestaande kwaliteiten van het provinciale landschap te behouden of verder te ontwikkelen. Op basis hiervan richt de structuurvisie zich op drie hoofdbelangen: - Klimaatbestendigheid: de provincie zorgt voor een gezonde en veilige leefomgeving in harmonie met water en gebruik van duurzame energie; - Ruimtelijke kwaliteit: de provincie zorgt voor behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit; - Duurzaam ruimtegebruik: de provincie zorgt voor een regionale ruimtelijke hoofdstructuur waarin functies slim gecombineerd worden en goed bereikbaar zijn nu, en in de toekomst. Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit richt de provincie zich op behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurgebieden en groen om de stad.

Wat het duurzaam ruimtegebruik betreft is voor de provincie een voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting binnen Bestaand Bebouwd Gebied van belang, als ook het investeren in metropolitaanse landschappen. Vooral in het zuidelijke deel van Noord-Holland, binnen het werkingsgebied van de Metropoolregio Amsterdam, kan het landelijk gebied gezien worden als recreatiegebied voor de stedeling. De provincie streeft naar meer samenhang in de totale recreatieve structuur: verbindingen tussen bestaande recreatiegebieden en het recreatief medegebruik van natuur- en landbouwgebieden. Voor de ringvaart en ringdijk geldt dat dit tevens een regionale waterkering en een ecologische verbindingszone is. De ringvaart is als ecologische verbindingszone onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Conclusie Voor dit plangebied spelen in dit kader geen zaken die van belang zijn. 3.2.2. Provinciale ruimtelijke verordening structuurvisie In de structuurvisie Noord-Holland 2040 beschrijft de provincie hoe en op welke manier ze met ontwikkelingen omgaat die een grote ruimtelijke impact hebben zoals globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp. Daarnaast geeft de provincies aan welke keuzes gemaakt worden en schetst ze hoe de provincie er in 2040 er uit moet komen uit te zien.

Door de ruimtelijke ordening aan te passen waar nodig, kan met de veranderingen worden omgegaan. Tegelijkertijd is het van belang bestaande kwaliteiten van het provinciale landschap te behouden of verder te ontwikkelen. Op basis hiervan richt de structuurvisie zich op drie hoofdbelangen: Klimaatbestendigheid: de provincie zorgt voor een gezonde en veilige leefomgeving in harmonie met water en gebruik van duurzame energie; Ruimtelijke kwaliteit: de provincie zorgt voor behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit. Duurzaam ruimtegebruik: de provincie zorgt voor een regionale ruimtelijke hoofdstructuur waarin functies slim gecombineerd worden en goed bereikbaar zijn nu, en in de toekomst. Deze drie hoofdbelangen vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. Raadpleging van de structuurvisie leert dat de volgende aspecten van belang zijn bij het projectgebied:

10

Betekenis structuurvisiekaart voor Abbenes Het buitengebied van Abbenes ligt buiten Bestaand Bebouwd Gebied (BBG, het roze gedeelte op onderstaande kaart). Door te kiezen voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen, houdt de Provincie Noord-Holland het landelijk gebied open en dichtbij. Door voorzichtig om te gaan met uitleg buiten bestaande kernen speelt ze in op de veranderingen in de bevolkingsontwikkeling op langere termijn. Door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van Noord-Hollandse landschappen en de bodemeigenschappen blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om in te wonen, te werken en om te bezoeken. De hierboven gemaakte keuzes leveren het volgende toekomstbeeld op voor 2040. Noord-Holland heeft in 2040 haar eigen positie in de wereld versterkt. Voor de toekomstige vraag naar ruimte, woningen en woonmilieus verwacht de Provincie Noord-Holland dat binnen Bestaand Bebouwd Gebied en de transformatiegebieden voldoende capaciteit beschikbaar is. Het bouwen met identiteit op basis van landschap en cultuurhistorie buiten Bestaand Bebouwd Gebied gaat uit van een samenhangende, integrale ontwikkeling en één sluitende financiële constructie. Dit houdt in dat bijvoorbeeld woningbouw, natuur en recreatie in samenhang worden ontworpen, ontwikkeld en gefinancierd.

Dit betekent dat plangrenzen zorgvuldig moeten worden vastgesteld met alle betrokken partijen. De provincie Noord-Holland biedt het instrument Ruimte voor Ruimte aan en wil hiervoor ook het instrument gebiedsontwikkeling inzetten. Nieuwe ontwikkelingen buiten Bestaand Bebouwd Gebied beoordeelt de Provincie NoordHolland op grond van het aantonen nut en noodzaak, de mogelijkheden of onmogelijkheden voor verdichting of transformatie en de provinciale eisen aan ruimtelijke kwaliteit (onder andere de Beleidsnota Landschap en Cultuurhistorie), en op de (on)mogelijkheden van het faciliteren van de ontwikkeling vanuit het watersysteem. Naast de algemene regels voor bouwen buiten Bestaand Bebouwd Gebied heeft de Provincie een aantal transformatiegebieden aangewezen, waaronder Haarlemmermeer/ Westflank en PARK21.

Afbeelding 8: uitsnede kaart Structuurvisie Noord-Holland 2040, met het Bestaand Bebouwd Gebied

Ruimtelijke kwaliteit Met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het behoud en ontwikkeling van NoordHollandse cultuurlandschappen, waarbij de aardkundige waarden, de landschappen en de rijkdom aan cultuurhistorie de kracht zijn van Noord-Holland. De landschappen zijn van groot belang voor de aantrekkelijkheid van Noord-Holland als vestigingsplaats voor internationaal concurrerende bedrijven en hun kenniswerkers. De Provincie Noord-Holland wil deze (cultuur)landschappen optimaal gebruiken door hun kenmerken te koesteren en te benutten bij nieuwe ontwikkelingen.

11

De Provincie zorgt dat ontwikkelingen die buiten bestaand bebouwd gebied tot stand komen, plaatsvinden op basis van de karakteristieke eigenschappen, het zogenaamde LandschapsDNA, van de verschillende landschappen. Nieuwe plannen dienen de ontwikkelingsgeschiedenis, de ordeningsprincipes en bebouwingskarakteristiek van het landschap en de inpassing in de wijdere omgeving als uitgangspunt te hanteren. Mogelijke negatieve effecten dienen te worden gecompenseerd. De Provincie Noord-Holland onderscheidt onder andere het landschapstype droogmakerijen; het plangebied maakt deel uit van dit landschapstype. Elk landschapstype heeft zijn eigen specifieke kernkwaliteiten die gebieden een eigen karakter en identiteit geven. De voornaamste kernkwaliteiten zijn: archeologie en tijdsdiepte (tezamen ‘ondergrond’), aardkundige waarden (het projectgebied maakt geen deel uit van een gebied dat bijzondere aardkundige waarden wordt toegedicht), historische structuurlijnen (het projectgebied wordt aangeduid als structuurlijn van cultuurhistorische waarde), cultuurhistorische objecten en openheid, duisternis en stilte (het projectgebied maakt geen deel uit van een gebied dat specifiek wordt geduid om de openheid, duisternis of stilte)) en dorps DNA. Regionale waterkeringen Noord-Holland heeft ruim tweeduizend kilometer aan regionale waterkeringen.

Deze regionale waterkeringen bieden bescherming tegen overstromingen vanuit kanalen, vaarten en boezemwater. Verder dienen regionale waterkeringen als achtervang bij overstroming vanuit buitenwater. Gebied voor ‘Fijnmazige waterberging’ Het gehele grondgebied van de provincie Noord-Holland is aangewezen als gebied voor ‘Fijnmazige waterberging’. Door klimaatverandering moet in de toekomst anders worden omgegaan met grond- en oppervlaktewater. Het huidige afwateringssysteem zal niet meer voldoen door heviger regenval, daarom is meer bergingscapaciteit nodig. Drogere periodes komen vaker voor waardoor een zoetwatertekort kan ontstaan. De Provincie Noord-Holland heeft op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water de wateroverlastopgave vastgesteld. Provincie Noord-Holland zorgt voor ruimte voor (zoet)waterberging door de hele provincie aan te wijzen als zoekgebied voor fijnmazige waterberging. De waterschappen realiseren deze fijnmazige waterberging en doen dat op integrale wijze. In gebieden waar diverse grote opgaven op gebied van water, natuur, recreatie en woningbouw samenkomen is de provincie trekker van integrale gebiedsprojecten. Gebied voor ‘Kleinschalige oplossingen voor duurzame energie’ Het gehele grondgebied van de provincie Noord-Holland is aangewezen als gebied voor ‘Kleinschalige oplossingen voor duurzame energie’.

Door ondertekening van het Energie- en Klimaatakkoord met het Rijk onderschrijft de provincie Noord-Holland de energie- en klimaatdoelen van het Rijk en ondersteunt ze het Rijk bij realisatie van deze doelen. De provincie Noord-Holland wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. In de structuurvisie is aangegeven dat de toepassing van duurzame energie in de gebouwde omgeving vergroot dient te worden. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het provinciale beleid zoals verwoord in de Structuurvisie Noord-Holland 2040. 3.2.3. Omgevingsvisie NH 2050 De omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. De provincie Noord-Holland wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering.

12

De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuur-inclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. 5 bewegingen In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. Ambities en doelstelling Hoofdambitie Noord-Holland heeft een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie Noord-Holland zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven.

Sturingsfilosofie De provincie Noord-Holland gaat uit van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’, gelet op de diversiteit aan regio’s, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking. Ambities Leefomgeving De provincie Noord-Holland staat voor een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving maar sluiten een verhoging van deze ambitie in de toekomst niet uit. De thema’s zijn: klimaatverandering, gezondheid en veiligheid en biodiversiteit en natuur Gebruik van de leefomgeving De provincie Noord-Holland willen ruimtelijk ontwikkelingen faciliteren, onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Thema’s zijn economische transitie, wonen en werken, mobiliteit en landschap. Energietransactie De provincie Noord-Hollland wil als samenleving in 2050 klimaatneutraal is en gebaseerd is op (een maximale inzet in de opwekking van) hernieuwbare energie. Daarom biedt de provincie de ruimte aan de noodzakelijke energietransactie en de daarvoor benodigde infrastructuur. Rekening houdend met de ambities voor verstedelijking en landschap. Conclusie Voor dit plangebied spelen er voor de thema’s geen aspecten die van belang zijn.

13

3.2.4 Milieubeleidsplan 2015-2018 De provincie heeft in het Milieubeleidsplan 2015-2018 vastgelegd waarop zij haar milieubeleid in deze periode wil richten. Naast het nakomen van wettelijke regels en normen wordt ingezet op meer duurzame, gezonde en veilige ontwikkelingen en het stimuleren van innovatieve oplossingen voor milieuopgaven. Er worden een vier integrale opgaven geformuleerd, waarbij milieu is gekoppeld aan de andere kerntaken van de provincie. Dit zijn Gezonde stad en mobiliteit, Visie op de ondergrond, Circulaire economie en Transitie duurzame energie. Daarnaast worden thematische opgaven aangegeven: Luchtkwaliteit, Geur, Geluid, Bodem, Externe veiligheid, Afval, Licht en donkerte en Duurzame energie. Conclusie Voor dit plangebied spelen er voor de thema’s geen aspecten die van belang zijn.

3.3.

Gemeentelijk beleid

3.3.1. Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is vastgesteld in 2012. Het stuk gaat over belangrijke structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen. Ook over de wijze waarop wordt ontwikkeld en het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces worden belangrijke uitspraken gedaan. Het accent ligt hierbij op Sociale Duurzaamheid en Ruimtelijke Kwaliteit. De Structuurvisie is een ruimtelijk instrument. De keuze is gemaakt om het denken in structuren veel meer dan tot nu toe te laten leiden door de behoeften van mensen. Voor de bewoners van nu maar ook voor de inwoners van de toekomst. Duurzaamheid is hierbij eerder een wijze van denken en een ontwerpprincipe voor ontwikkelingen dan een programmatisch thema. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een kader, waarmee Haarlemmermeer: 1. de ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) borgt; 2. het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 geeft; 3.

de kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening biedt.

Afbeelding 13 :Structuurvisie Haarlemmermeer 2030

14

In de toekomst wil Haarlemmermeer de bestaande diversiteit aan woon- en werkmilieus - haar zogeheten atypische stedelijkheid - versterken. Haarlemmermeer wil een gemeente zijn die verbonden is en verbindt, een samenleving met samenhang. Dat betekent ook dat er samenhang moet zijn tussen alle ontwikkelingen die plaatsvinden, zowel de ruimtelijke als de sociale ontwikkelingen. Haarlemmermeer positioneert zich ook in de toekomst als een attractieve ontmoetings- en vestigingsplaats. Duurzaamheid en oog voor bestaande structuren zijn leidend bij de toekomstige ruimtelijke, economische en sociale ontwikkelingen. De ambities voor Haarlemmermeer in 2030 zijn daarmee: • sterk gevarieerd en gebruikmakend van de atypische stedelijkheid; • duurzaam en klimaatbestendig; • fysiek en sociaal verbonden met elkaar en met de omgeving, en • blijvend gepositioneerd als attractieve ontmoetingsplaats. Hierbij zijn twee zaken nog van belang. Ten eerste ligt er al veel vast: de programmatische toekomst, tot 2020, is grotendeels al bepaald. En ten tweede: bij alle ontwikkelingen wordt steeds gestreefd naar hoge kwaliteit en grote ruimtelijke en sociale samenhang.

Afbeelding 14 :uitsnede Structuurvisiekaart Haarlemmermeer 2030

3.3.2. Deltaplan bereikbaarheid Het gemeentelijk beleid voor verkeer en vervoer is opgenomen in het Deltaplan Bereikbaarheid (2012). Haarlemmermeer wil de mobiliteitsgroei faciliteren op een zodanig wijze dat de bereikbaarheid wordt vergroot, economische ontwikkeling wordt bevorderd en de kwaliteit van de dorpen en het milieu kan verbeteren. De mobiliteitsontwikkeling in en rond Haarlemmermeer zorgt daarbij voor een grote opgave. Mobiliteitsbeleid staat niet op zichzelf, maar kent een nauwe samenhang met duurzaamheid en leef- baarheid; ruimtelijke ontwikkeling en economie (bereikbaarheid) en maatschappelijke ontwikkeling, gezondheid en veiligheid.

15

Het plangebied kent qua wegcategorisering alleen ontsluitingswegen en erftoegangswegen. Deze worden duurzaam veilig ingericht. De basisscholen in Rijsenhout worden voorzien van een schoolzone. Daarnaast is voor Rijsenhout een aantal andere maatregelen opgenomen in het Uitvoeringsprogramma van het Deltaplan Bereikbaarheid. Onderdeel van het Deltaplan Bereikbaarheid is het beleid voor de ringdijk, dit is onder andere gericht op: • Het terugdringen van de intensiteit van het verkeer; • Het waar mogelijk en wenselijk realiseren van alternatieve routes voor verkeer dat geen herkomst of bestemming op de dijk heeft, dit waar relevant in samenwerking met aanliggende gemeenten; • Het realiseren van vrachtroutes met bijbehorende bewegwijzering om overlast van vrachtwagens op de ringdijk te beperken; • Het vergroten van de verkeersveiligheid, onder meer door een verkeersveilige inrichting, uniforme toepassing van rode fietsstroken en een uniforme voorrangsregeling; • Het in ruimtelijk beleid terughoudend omgaan met het bieden van ruimte voor groei van bestaande functies aan de ringdijk die geen alternatieve ontsluitingswijze hebben.

Aan de ringdijk gelegen bedrijven zullen restrictief bestemd worden; • Het verder versterken van de ringdijk als regionale (recreatieve) fietsroute, onder meer door rode fietsstroken, terugdringen intensiteit snelverkeer, meer (fiets)brugverbindingen, betere bewegwijzering en recreatieve voorzieningen als picknickplaatsen. 3.3.3. Op weg naar een duurzaam evenwicht in 2030 (2004) De centrale doelstelling van het gemeentelijk milieubeleid is in deze nota als volgt geformuleerd: "In 2030 hebben we de voorwaarden bereikt voor een duurzame en leefbare groei en ontwikkeling”. In deze gemeentelijke visie concentreren de milieu-inspanningen zich op drie hoofdonderwerpen: Ontwikkeling: maatregelen bij ruimtelijke ontwikkelingen die vooral de milieudruk beogen te verminderen (bijvoorbeeld grondstoffen besparing, beperken wateroverlast, gezond bouwen); Beheer: milieu-inspanningen die de leefomgeving beogen te verbeteren (bijvoorbeeld Vermindering afval, garanderen veiligheid en luchtkwaliteit); Klimaat: alle activiteiten die ervoor zorgen dat er minder CO2 de lucht in gaat teneinde het broeikaseffect te verminderen (realiseren van windmolens, energiebesparing, enzovoorts). Eén van de speerpunten is dat ruimtelijke ontwikkelingsprojecten duurzaam worden ontwikkeld volgens het ambitieniveau uit de daarvoor ontwikkelde beleidskaders. 3.3.4.

Kaders klimaatbeleid 2008-2020 In deze nota zijn de kaders voor toekomstig klimaatbeleid vastgelegd. Algemene doelstelling van het klimaatbeleid is (1) een reductie van de CO2 uitstoot in 2020 van 30 procent ten opzichte van 1990 en (2) de realisatie van 20 procent duurzame energie in 2020. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het klimaatbeleid/energiebeleid wordt de trias energetica aangehouden als leidend principe: 1. Beperking van de energievraag; 2. Opwekking noodzakelijke energie door gebruikmaking van duurzame energiebronnen; 3. Indien nodig dient de opwekking van de resterende noodzakelijke energie door middel van gebruikmaking van fossiele brandstoffen, zo efficiënt en zo schoon mogelijk te geschieden.

16

Het klimaatbeleid is uitgewerkt in tien thema's. Per thema is aangegeven wat de beoogde CO2 reductie of beoogde realisatie van duurzame energie binnen dat thema is. De thema's zijn: ● Gemeentelijke gebouwen, bestaand en nieuwbouw; • Bestaande woningen; • Nieuwbouw woningen; • Bestaande bedrijven; • Agrarische bedrijven / Glastuinbouw; • Nieuwe bedrijven; • Verkeer en vervoer; • Windenergie; • Overige duurzame energie; • Interne milieuzorg. Daarnaast zijn twee randvoorwaarden benoemd voor het realiseren van de doelstellingen binnen de thema's. Zo zal de cultuur en de kennis binnen de gemeentelijke organisatie moeten zorg dragen voor voldoende draagvlak. Verder zal het op te richten Natuur- en milieucentrum Haarlemmermeer als expertisecentrum fungeren en bijdragen aan klimaatbewustwording en actiebereidheid tot energie zuinig en op duurzaamheid gericht gedrag bij zowel burgers als bedrijven. De uitwerking van thema's en randvoorwaarden zal resulteren in een nog te schrijven gemeentelijk plan van aanpak.

3.4. Bezonning Er is geen bezonningsstudie opgesteld omdat het initiatief geen bouwplan betreft.

17

4

Resultaten onderzoeken milieu en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de W et geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving kwaliteit door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.

4.1 Archeologie & Cultuurhistorie Archeologie De gemeente Haarlemmermeer heeft haar archeologisch beleid verwerkt in de "Erfgoedverordening Haarlemmermeer 2016". De omgeving van het plangebied heeft een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische overblijfselen uit alle perioden. Bij eventuele bodemingrepen worden vermoedelijk geen archeologische waarden verstoord. Alleen bij zeer grote ingrepen (> 10.000 m²) bestaat de noodzaak tot het verrichten van nader archeologisch onderzoek. Er hoeft in dit bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming te worden opgenomen. Eventuele archeologische vondsten moeten – conform artikel 53 van de Wet op de archeologische monumentenzorg – verplicht gemeld worden bij de gemeente Haarlemmermeer. Planspecifiek Voor de gronden die tijdelijk gebruikt gaan worden voor het stallen van vrachtwagens worden er geen graafwerkzaamheden uitgevoerd. De gronden worden alleen verhard. Vanwege de oppervlakte aan verharding is het noodzakelijk dat er ter compensatie extra water wordt aangelegd. Er is gezien voorgaande geen archeologisch onderzoek noodzakelijk omdat de totale oppervlakte van de nieuwe bebouwing ruimschoots onder de 10.000 m2 blijft. Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen gold blijft gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen:

18

Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Onderzoek cultuurhistorie Een aantal historisch geografische waarden is deels nog herkenbaar in en om het gebied: het wegenpatroon van de droogmakerij en het afwateringspatroon, de ringvaart en de ringdijk. De geplande ontwikkeling vindt plaats buiten bestaand bebouwde gebied maar in een bestaand bouwvlak. Dit heeft geen invloed op de genoemde historische waarden.

Op 8.000 meter van het plangebied is de Stelling van Amsterdam gelegen. De Geniedijk en het fort Aalsmeer zijn onderdeel van het Nationaal Landschap ‘Stelling van Amsterdam’. Het is tevens aangewezen als provinciaal monument en staat op de Wereld Erfgoed Lijst van UNESCO. Planspecifiek Binnen het plangebied is geen gebouw of object aanwezig met grote cultuurhistorische waarden. Het plangebied is niet gelegen in een molenbiotoop. Het plangebied is ook niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. 4.2

Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

19

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. Planspecifiek De omliggende woningen en bedrijven worden niet belemmerd door het plan. 4.3

Bodem In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt te maken is voor de nieuwe bestemming. Planspecifiek Voor het tijdelijk verharden van de grond ten behoeve van het stallen van vrachtwagens is geen bodemonderzoek benodigd. 4.4 Explosieven Er worden geen graafwerkzaamheden voor de gronden uitgevoerd die tijdelijk worden verhard. Alleen voor de aanleg van de noodzakelijke waterpartij ter compensatie van de verharding worden er graafwerkzaamheden uitgevoerd. Omdat de voormalige locatie van schijnvliegveld Aalsmeer nabij rijksweg A4 en Schiphol op grote afstand is gelegen van het plangebied is het niet aannemelijk dat er op het perceel vliegtuigbommen aanwezig zijn. 4.5 Externe veiligheid Extern veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object.

Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij een bepaalde groep slachtoffers valt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in onderstaand figuur.

20

Afbeelding 17 : plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg -6

van een calamiteit. Binnen de PR 10 -contour gelden harde bouwrestricties: kwetsbare objecten zijn niet toegestaan en (beperkt) kwetsbare objecten alleen onder zwaarwegende belangen. De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedgebied daarvan (zie afbeelding 29). Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Wanneer verantwoorden ? In de wet is geregeld wanneer het groepsrisico verantwoord moet worden. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer bij het nemen van een bepaald ruimtelijk besluit sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Voor inrichtingen vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en hogedruk aardgastransportleidingen geldt dat verantwoording van het groepsrisico altijd verplicht is wanneer binnen het invloedgebied van een risicobron een bepaald ruimtelijk besluit genomen.

Wat is de verantwoordingsplicht? Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook dient de veiligheidsregio om advies te worden gevraagd. In de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (Oranjewoud/Save in opdracht van de Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, november 2007) zijn de onderdelen die aan bod moeten komen bij groepsrisicoverantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is of vereist vanuit het principe van een goede ruimtelijke ordening, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Risicobronnen Voor deze quickscan is geïnventariseerd welke risicobronnen zich in de nabijheid van het

21

plangebied bevinden. Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van: Bevi-inrichtingen; hogedruk aardgastransportleidingen en transportleidingen voor brandbare vloeistoffen; transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In onderstaande afbeelding zijn de relevante risicobronnen, zoals deze op de risicokaart zijn weergegeven, inzichtelijk gemaakt.

Afbeelding 18 : overzicht risicobronnen (Bron: Risicokaart)

Bevi-inrichtingen Er zijn twee Bevi-inrichtingen in de omgeving aanwezig op respectievelijk 3.400 meter en 5.100 meter. Het gaat hier om het Esso Westeinde LPG-tankstation aan de Provincialeweg 20 te Leimuiden en het tankstation Den Ruygen Hoek langs Rijksweg A4. Voor deze inrichtingen is -6

de grootte van de PR 10 -contour en het invloedsgebied weergegeven in tabel 3.1. -6 Invloedsgebied [m], Type inrichting Grootte PR 10 Afstand tot grens vanaf het vulpunt en contour plangebied [m] de ondergrondse tank. [m] LPG station 45 150 3.400 m. Provincialeweg 20 LPG station Den 45 150 5.100 m. Ruygen Hoek tabel 3.1: PR afstanden en invloedsgebied Bevi-inrichting

Plaatsgebonden risico -6

De PR 10 -risicocontour van de twee LPG-tankstations reiken niet tot het plangebied. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op voor de ontwikkelingen van het plan. Groepsrisico Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de LPG-tankstations. Voor deze locatie hoeft het groepsrisico daarom niet nader beschouwd te worden. Hogedruk aardgastransportleidingen en transportleidingen voor brandbare vloeistoffen In het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie. Er worden ter plaatse geen bouwwerken gerealiseerd en geen graafwerkzaamheden uitgevoerd. Transport gevaarlijke stoffen

22

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het plangebied is rijksweg 44 een weg die is aangewezen voor de transport van gevaarlijk stoffen. Transport van gevaarlijke stoffen over water en spoorwegen In de nabijheid van het plangebied vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over water of spoorlijn plaats. Het Amsterdam Rijnkanaal is gelegen op 26.000 meter. De spoorlijn Amsterdam – Utrecht is gelegen op 25.900 meter. Bereikbaarheid Het plangebied is vanaf de Kaagweg goed te bereiken. Het vluchten kan via de weg naar twee kanten te weten richting de A44 en naar Abbenes. Conclusie De conclusie is dat gezien voorgaande het aspect externe veiligheid, zowel voor het onderdeel plaatsgebonden risico als voor het onderdeel groepsrisico de uitvoering van het plan niet in de weg staat. 4.6 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=8b02d779-ea47-4d24-9ec1-e0493fc0f82a