CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VI. Quickscan WNB - IDDS

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 21 december 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpweigering verklaring van geen bedenkingen voor bedrijfsgebouw Aarbergerweg 22 Rijsenhout (10178882) - GEAMENDEERD11.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Aarbergerweg 22, Rijsenhout

Rapport

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Kenmerk Datum

: : :

Aarbergerweg 22, Rijsenhout A4534-03/SKA/qs1 20 september 2023

Auteur Vrijgave Email Telefoon

: : : :

Dhr. S.W. Kamer Dhr. D. van der Meer dvdmeer@idds.nl 06 8276 3301

Opdrachtgever

:

Mevr. K. van Tol Dhr. E.J. van Tol

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Samenvatting In opdracht van de familie Van Tol is op 6 september 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Aarbergerweg 22 te Rijsenhout. Deze samenvatting beschrijft de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Voor de volledigheid verwijzen wij u ook naar Hoofdstuk 8 Conclusie en advies. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, zijn niet waarschijnlijk. Daardoor adviseren wij navraag te doen bij het bevoegd gezag of een stikstofberekening noodzakelijk is. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden mogelijk vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden.

Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie uitgevoerd te worden door een deskundig ecoloog. Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. De omliggende vegetatie en waterlichamen kun door vleermuizen gebruikt worden als foerageergebied. Ook vormen de bomenrijen en waterlichamen langs de Aarbergerweg mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast kunnen in omliggende woningen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten lichtbronnen zo zijn afgesteld dat deze niet op omliggende gebouwen en vegetatie schijnen. Ook in de definitieve fase kan verstoring van vleermuizen worden voorkomen door geen verlichting te laten schijnen op de omliggende vegetatie en woningen. Tabel 1: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Broedvogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is

Diverse algemene vogelsoorten

Mitigerende maatregelen

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Vleermuizen

Inhoudsopgave 1.1 1.2 1.3

Inleiding ........................................................................................................................ 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ................................................................................................. 5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 5

2.1 2.2 2.3

Opzet van het onderzoek ............................................................................................ 6 Bureauonderzoek ........................................................................................................... 6 Veldonderzoek ............................................................................................................... 6 Effectenbeoordeling ....................................................................................................... 6

3.1 3.2

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen .............................................. 8 Ligging en algemene beschrijving van het plangebied .................................................. 8 Planvoornemen ............................................................................................................ 10

4.1 4.2

Gebiedsbescherming ................................................................................................ 11 Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden ............................ 11 Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming ........................................... 12

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

Soortbescherming ..................................................................................................... 13 Amfibieën ..................................................................................................................... 13 Broedvogels ................................................................................................................. 13 Flora ............................................................................................................................. 15 Reptielen ...................................................................................................................... 15 Vleermuizen ................................................................................................................. 16 Zoogdieren ................................................................................................................... 17 Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied ......... 17 Vrijgestelde soorten ..................................................................................................... 18

6.1 6.2

Effectbeoordeling ...................................................................................................... 19 Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt ............................................ 19 Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt .......................................... 19

7.1 7.2

Advies en vervolg soortbescherming ...................................................................... 23 Nader onderzoek ......................................................................................................... 23 Mitigerende maatregelen ............................................................................................. 23

8.1 8.2

Conclusie en advies .................................................................................................. 25 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 25 Soortbescherming ........................................................................................................ 25 Literatuur en bronvermelding ................................................................................... 27

Bijlage I Wet natuurbescherming ............................................................................................ 28 Bijlage II Aanbevelingen natuurvriendelijk bouwen ............................................................... 33

Inleiding Hoofdstuk 1 bestaat uit een korte uitleg waarom dit onderzoek noodzakelijk is. Tevens wordt het doel van het onderzoek toegelicht en als laatste volgt de leeswijzer van deze rapportage. 1.1

Aanleiding

De familie Van Tol (hierna: opdrachtgever) is voornemens het perceel achter de Aarbergerweg 22 te Rijssenhout te ontwikkelen tot een kassencomplex. Voorafgaand aan deze ruimtelijke ingreep dient onderzocht te worden of de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en/of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). De opdrachtgever heeft IDDS gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen. Dit rapport presenteert de bevindingen van dat onderzoek. 1.2

Doel van het onderzoek

Het doel van de quickscan is te onderzoeken of: • In het plangebied beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen; • Het plangebied een belangrijke functie voor beschermde plant- en diersoorten kan vervullen (bijvoorbeeld als essentieel foerageergebied, vliegroute, nest- of verblijfplaats); • De ingreep mogelijk een effect heeft op deze beschermde soorten; • De ingreep mogelijk een effect heeft op beschermde natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden en NNN); • Door het treffen van mitigerende maatregelen negatieve effecten op beschermde planten diersoorten kunnen worden voorkomen; • Op basis van bovenstaande bevindingen nader onderzoek nodig is; en • Op basis van bovenstaande bevindingen mogelijk een ontheffing en/of vergunning nodig is. 1.3

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 wordt de opzet van het onderzoek toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft de kenmerken van het plangebied en het planvoornemen. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb. De resultaten van het bureau- en veldonderzoek in het kader van de soortbescherming worden in Hoofdstuk 5 beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de effectbeoordeling van de soortberscherming uiteen gezet en in Hoofdstuk 7 volgt het advies en mogelijke vervolgstappen in het kader van de soortbescherming. Ten slotte worden in Hoofdstuk 8 conclusies getrokken. Een overzicht van de gebruikte literatuur is terug te vinden in Hoofdstuk 9. De belangrijkste (verbods)bepalingen uit de Wnb staan in Bijlage I. Bijlage II geeft een aantal aanbevelingen weer voor natuurinclusief bouwen.

Opzet van het onderzoek In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe het onderzoek is opgezet. Hierbij wordt het bureauonderzoek, het veldbezoek en de effectbeoordeling toegelicht. 2.1

Bureauonderzoek

Door middel van bronnen- en literatuuronderzoek wordt onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recent zijn waargenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (hierna NDFF) van de afgelopen vijf jaar. Daarnaast wordt (vrij beschikbare) informatie geraadpleegd, zoals relevante verspreidingsatlassen en actuele websites (zie Hoofdstuk 9 voor de literatuurlijst). Hierbij wordt in een straal van drie kilometer rond het plangebied gekeken welke beschermde soorten voorkomen. Ook wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden in kaart gebracht. Indien nodig worden gebiedsspecifieke documenten geraadpleegd om beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied in kaart te brengen. 2.2

Veldonderzoek

Tevens wordt een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnen- en literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied, wordt een indicatie gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt globaal geïnventariseerd welke biotopen en welke (beschermde) soorten (mogelijk) in en in de directe omgeving van het gebied aanwezig zijn. Het kan zijn dat op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, niet alle soorten zichtbaar zijn. Soorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aanwezig. Daarom worden de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratieroutes vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier wordt het belang van het plangebied beoordeeld voor (beschermde) flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied en de invloedsfeer van de werkzaamheden. 2.3

Effectenbeoordeling

Gebiedsbescherming Op basis van de voorgenomen werkzaamheden en de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en NNN, wordt bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op beschermde gebieden. Indien negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals aanvullende toetsing en/of vergunningsaanvraag) noodzakelijk zijn. Een stikstofberekening is geen onderdeel van dit rapport. Indien stikstofeffecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, kan wel geadviseerd worden om een stikstofberekening op te (laten) stellen. Soortbescherming Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten, wordt beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Vervolgens wordt getoetst of de voorgenomen werkzaamheden kunnen

leiden tot (negatieve) effecten op de potentieel aanwezige soorten. Bij deze toetsing wordt gekeken naar de beschermde soorten uit de Wnb. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming. Indien (negatieve) effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, wordt in kaart gebracht welke verbodsbepalingen worden overtreden. Indien mogelijk worden mitigerende maatregelen benoemd om de effecten te voorkomen of te verzachten om te voldoen aan de Wnb. Indien mitigerende maatregelen niet mogelijk zijn, wordt aangegeven welke vervolgstappen (zoals nader onderzoek en/of ontheffingstraject) noodzakelijk zijn. Soorten die geen strikte bescherming genieten, worden dus niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten, bij een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikel 3.10 van de Wnb. Wel geldt ten alle tijden de Zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wnb.

Beschrijving van het plangebied en planvoornemen Hoofdstuk 3 bestaat uit een gedetailleerde beschrijving van het plangebied, evenals een omschrijving in wat voor omgeving het plangebied ligt. Tevens wordt een beschrijving van de voorgenomen plannen weergegeven. 3.1

Ligging en algemene beschrijving van het plangebied

In onderstaand figuur is een luchtfoto te zien van de ligging van het plangebied. Hierop is te zien dat het plangebied in het agrarisch gebied ten noorden van Rijsenhout ligt. De omgeving van het plangebied bestaat agrarische bedrijven, graspercelen, kassen en bedrijventerreinen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder waarde Westeinderplassen achter liggen. Ten oosten en noorden van het plangebied bevinden zich de bedrijventerreinen van Schiphol-Rijk en de start en landingsbanen van vliegveld Schiphol. Ten westen bevindt zich agrarisch gebied. In dit gebied lopen enkele sloten tussen de weilanden door.

Figuur 1: Onderzoeksgebied quickscan binnen het blauwe kader.

Het plangebied bestaat uit een woonhuis en een bedrijfshal met daarachter een leeg grasveld. Aan de zuidoostelijke en zuidwestelijke grens van het perceel bevindt zich een smalle, ondiepe greppel. Een toegangsweg loopt langs de noordwestelijke grens van het perceel en verbindt het grasveld met de openbare weg. Het woonhuis heeft een dakpannen dak en een gepleisterde gevel. De bedrijfshal beschikt over een metalen golfplaten dak en gladde metalen wanden. De bodem rond het woonhuis en de bedrijfshal is geheel versteend op een kleine voortuin met gazon en enkele bomen na. Aan de achterzijde van de bedrijfshal is een klein versteend terras met zithoek aanwezig welke uitkijkt op het grasveld. Het grasveld is een kort onderhouden

weiland met bloemrijke randen en enkele jonge opgeschoten bomen. Tegen de noordoostelijke grens van het plangebied liggen lage loodsen met golfplatenwanden en daken van het naastgelegen bedrijf met golfplatenwanden en daken. Figuren 2, 3 en 4 schetsen een beeld van de situatie ter plaatse.

Figuur 2: De noordoostzijde van het plangebied, gezien vanaf de openbare weg, met het woonhuis, de bedrijfshal en de toegangsweg.

Figuur 3: Het grasveld aan de achterzijde van het perceel met bloemrijke rand (rechts), gezien vanuit de zuidelijke hoek van het plangebied richting het noordoosten.

Figuur 4: De toegangsweg welke verbreed zal worden tussen de bedrijfsruimte en naastgelegen loodsen.

3.2

Planvoornemen

De opdrachtgever is voornemens het grasveld aan de achterzijde van het perceel te ontwikkelen tot een kassencomplex dat onderdeel is van het gevestigde bedrijf. Het gehele grasveld wordt hiervoor gebruikt. De toegangsweg, welke het grasveld met de openbare weg verbindt, zal verbreed moeten worden. Hiervoor wordt de bestaande bedrijfshal versmald. Werkzaamheden in waterlichamen maken geen deel uit van het planvoornemen. Wel wordt alle vegetatie op het perceel verwijderd.

Gebiedsbescherming In dit hoofdstuk wordt weergegeven welke beschermde natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op basis van de bureaustudie wordt bepaald of (negatieve) effecten op deze beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden of vervolgonderzoek noodzakelijk is. 4.1

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebieden, NNN, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur, afhankelijk van de provincie aanvullen. In onderstaande tabel zijn de afstanden tot de dichtstbijzijnde beschermde gebieden vermeld, dit wordt tevens weergegeven in Figuur 5. In Figuur 6 is een overzicht weergegeven van stikstof gevoelige habitattypen ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Afstanden tussen plangebied en beschermde gebieden. Beschermd gebied

Natura-2000 gebied

Afstand tot het plangebied in meters 11.120 – Kennemerland - Zuid (zeer gevoelig voor stikstof) 12.600 – Botshol (nauwelijks tot zeer gevoelig voor stikstof) 13.180 – Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (nauwelijks tot zeer gevoelig voor stikstof)

Natuur Netwerk Nederland (NNN)

620

Bijzonder Provinciaal Landschap

3.070

Weidevogelleefgebied

7.370

Figuur 5: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde natuurgebieden.

Figuur 6: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

4.2

Effectbeoordeling en deelconclusie gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn door de ligging op meer dan 10 kilometer niet waarschijnlijk. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-112022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanlegen sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).

Zodoende adviseren wij navraag te doen bij het bevoegd gezag of een stikstofberekening hier noodzakelijk is.

Soortbescherming In dit hoofdstuk wordt per soortgroep weergegeven of en zo, ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek. Het veldonderzoek is op 6 september 2023 uitgevoerd door een deskundig ecoloog van IDDS. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de weersomstandigheden tijdens het veldbezoek. Tabel 3: Weersomstandigheden tijdens veldbezoek (bron: Weeronline). Datum

Temperatuur (℃)

Overheersende windrichting (Bft)

Bewolking

Neerslag (mm)

06-09-2023

24

NW 1

Helder

Geen

5.1 Amfibieën Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat de Alpenwatersalamander in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Daarnaast is verzocht om aandacht te besteden aan het mogelijk voorkomen van de rugstreeppad binnen het plangebied. Tabel 4: Waargenomen amfibieënsoort in de omgeving van het plangebied en amfibieënsoort waarvoor gevraagd is speciale aandacht te besteden (Bron: NDFF). Soort (wetenschappelijke soortnaam) Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris) Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gebleken dat de aanwezigheid van de alpenwatersalamander is uitgesloten door het ontbreken van niet snel stromend, visvrij water in de direct omgeving van loofbos of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De omgeving van het plangebied bestaat uit grootschalig agrarisch gebied met Engels raaigras en weinig tot geen bomen of andere structuurelementen buiten de verkeersaders. Binnen het plangebied is eveneens geen vergraafbaar zand aanwezig. De naastgelegen greppel staat permanent gevuld met water en is in open verbinding met de omliggende watergangen waardoor ze ongeschikt zijn om als voortplantingswater te dienen voor de rugstreeppad. Hierdoor kan de aanwezigheid van de rugstreeppad binnen het plangebied worden uitgesloten. Gezien de rugstreeppad niet binnen drie kilometer van het plangebied is waargenomen, wordt tevens uitgesloten dat rugstreeppadden gebruik maken van de sporadisch aangetroffen muizenholen. Daarnaast liggen intensieve landbouwgrond, snelwegen (A4), diverse provinciale wegen, sloten, vaarten en de Westeinderplassen tussen het plangebied en bekende waarnemingen, waardoor de soort ook niet wordt verwacht. 5.2 Broedvogels Bureauonderzoek Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van verschillende vogels met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4).

In de tabel hieronder wordt weergegeven om welke soorten het gaat.

Tabel 5: Waargenomen vogelsoorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam)

Beschermingscategorie

Boomvalk (Falco subbuteo)

4

Buizerd (Buteo buteo)

4

Gierzwaluw (Apus apus)

2

Havik (Accipiter gentilis)

4

Huismus (Passer domesticus)

2

Ransuil (Asio otus)

4

Slechtvalk (Falco peregrinus)

3

Sperwer (Accipiter nisus)

4

Veldbezoek De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit twee gebouwen. Het woonhuis beschikt over twee bouwlagen met daarop een zadeldak met dakpannen. De gevels zijn gepleisterd, waardoor in de gevel geen openingen aanwezig zijn waar beschermde soorten gebruik van kunnen maken om een verblijfplaats te bereiken. De dakpannen van de opstal liggen allemaal recht en ook de kantpannen rusten strak op de dakrand, waardoor geen mogelijkheid is voor vogels om via scheef liggende dakpannen onder het dak te komen. Wel kunnen huismussen via de dakgoot onder de dakpannen komen om hier een nestplaats te bereiken (Figuur 7). Het bedrijfspand is geheel opgetrokken uit stalen platen welke hermetisch op elkaar aansluiten (Figuur 8) en biedt daarmee geen ruimte aan gebouwbewonende vogelsoorten. Daarnaast kan het grasveld achter de opstal een broedplaats voor algemene broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, zoals de kievit en scholekster, vormen.

Figuur 7: Huismussen kunnen mogelijk een nestplaats onder de dakpannen van het zadeldak van het woonhuis vinden.

Figuur 8: Het bedrijfspand is geheel opgetrokken uit metalen platen en biedt geen openingen voor beschermde soorten.

Boomvalk, buizerd, sperwer en havik worden niet binnen het plangebied verwacht door het ontbreken van horsten en kraaien- en eksternesten en door continue verstoring door menselijke aanwezigheid. Grote gele kwikstaart wordt niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt broedbiotoop, namelijk oevers van snel tot zwak stromende beken en rivieren omzoomd door loofbos. De slechtvalk wordt uitgesloten door het ontbreken van torens, masten of andere hoge plaatsen in (de omgeving van) het plangebied. Ten slotte wordt de ransuil uitgesloten door het ontbreken van zeer dichte coniferen die als winterroestplaats kunnen dienen en het ontbreken van oude kraaien- en eksternesten die de ransuil gebruikt als nest. Tevens zijn geen sporen (braakballen) aangetroffen van uilen. 5.3

Flora

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soort in de directe omgeving van het plangebied voorkomt. Tabel 6: Waargenomen soort beschermde flora in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Dreps (Bromus secalinus)

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is gebleken dat de bodem rondom het woonhuis en het bedrijfspand grotendeels betegeld en bestraat is. Het achterterrein bestaat uit weiland. In het gazon, en met name de bloemrijke randen, zijn soorten aangetroffen als Engels raaigras, groot kaasjeskruid, melganzenvoet, muurganzenvoet, gele ganzenbloem, grote klaproos, haagwinde, harig wilgenroosje, gekroesde melkdistel en heksenmelk (Figuur 9). Deze soorten duiden op een vochtige, voedselrijke, matig kalkrijke bodem.

Figuur 9: Overzicht van vegetatie in het grasveld en de bloemrijke rand, v.l.n.r. groot kaasjeskruid, gele ganzenbloem en heksenmelk. Dit duidt op een voedselrijke, vochtige, matig kalkrijke bodem.

Een dergelijke bodem biedt geen geschikte groeiplaats voor dreps, welke gedijt op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke bodems. Zodoende wordt deze soort niet binnen het plangebied verwacht. 5.4

Reptielen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaand reptiel in de directe omgeving van het plangebied voorkomt.

Tabel 7: Waargenomen beschermde reptielensoort in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Ringslang (Natrix natrix)

Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de ringslang, namelijk waterrijke gebieden op de overgangen van zand- naar klei- of veengronden. Ook ontbreekt het binnen het plangebied aan broei- of takkenhopen en een rijke strooisellaag. Het korte gras en de bestrating rond het woonhuis en bedrijfspand bieden de ringslang tevens onvoldoende beschutting, waardoor de ringslang niet in het plangebied wordt verwacht. 5.5

Vleermuizen

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat in de directe omgeving van het plangebied onderstaande vleermuissoorten voorkomen. Tabel 8: Waargenomen beschermde vleermuissoorten in de omgeving van het plangebied (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Veldbezoek De gepleisterde muren en metalen gevels van de opstallen in het plangebied bieden geen ruimte voor vleermuizen. Het dakpannen zadeldak is in goede conditie en alle dakpannen liggen sluitend en recht. Ook de kantpannen liggen netjes recht en sluiten strak aan op de onderliggende metalen randen. Ook de bedrijfsruimte, opgetrokken uit stalen platen, kent geen kieren of andere openingen (Figuur 10). De loods van golfplaten op het naastgelegen terrein beschikt wel over vele openingen. Het gladde staal van de golfplaten biedt vleermuizen echter geen houvast waardoor ook deze opstal ongeschikt is. De opstallen in het plangebied bieden daarmee geen verblijfplaatsen aan gebouwbewonende vleermuizen als de gewone dwergvleermuis of laatvlieger. Ook zijn binnen het plangebied geen holtebomen aanwezig, waardoor ook de aanwezigheid van boombewonende soorten als de rosse vleermuis of watervleermuis uitgesloten kan worden.

Figuur 10: Het woonhuis (links) en de bedrijfsruimte (rechts) beschikken beide niet over openingen voor vleermuizen.

Naast het plangebied zijn diverse woningen te vinden. In tegenstelling tot de opstallen binnen plangebied hebben de omliggende woningen onder andere open stootvoegen, waardoor vleermuisverblijfplaatsen in de directe omgeving van het plangebied niet uitgesloten kunnen worden. Vleermuissoorten als baardvleermuis, bosvleermuis, Brandt’s vleermuis en gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosrijke omgeving. De tweekleurige vleermuis wordt niet verwacht, aangezien binnen het plangebied geen hoge gebouwen aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn geen uitgesproken lijnvormige landschapselementen aanwezig welke als vliegroute voor vleermuizen kunnen fungeren. Wel kunnen de watergangen en bomenrijen langs de Aarbergerweg een functie van vliegroute vervullen. Tevens kan de vegetatie in het plangebied een functie als foerageergebied voor vleermuizen vervullen. Echter wordt dit niet als essentieel gezien vanwege de geringe omvang en hoeveelheid alternatief in de directe omgeving. 5.6

Zoogdieren

Bureaustudie Uit de bureaustudie is gebleken dat onderstaande soorten de directe omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast is gevraagd speciale aandacht aan het mogelijke voorkomen van kleine marters in het plangebied te besteden. Daarom zijn ook de hermelijn en wezel in dit overzicht opgenomen. Tabel 9: Waargenomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in de omgeving van het plangebied en kleine marters waarvoor gevraagd is speciale aandacht te besteden (Bron: NDFF). Soort (Wetenschappelijke soortnaam) Bunzing (Mustela putorius) Hermelijn (Mustela erminea) Noordse woelmuis (Microtus oeconomus arenicola) Steenmarter (Martes foina) Wezel (Mustela nivalis)

Veldbezoek In het plangebied is grootschalig ingericht met een leeg grasveld, massale bedrijfshal en opgeruimd, grotendeels versteend erf. De enige mate van verruiging die binnen het plangebied aanwezig is, is de smalle met bloemen ingezaaide strook in het zuidoosten. Deze strook alleen biedt onvoldoende dekking voor kleine roofdieren of steenmarter welke gedijen in kleinschalige, verruigde cultuur en natuurlandschappen met natte, waterrijke gebieden met voldoende houtwallen, struwelen en verruiging welke dekking en beschutting bieden. De noordse woelmuis gedijt in natte terreinen met een brede, verruigde oeverzone. Bekende waarnemingen van de soort bevinden zich in de moerasgebieden rond de Westeinderplassen. Zodoende kan de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter en woelmuis binnen het plangebied uitgesloten worden. 5.7

Geen beschermde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied

Bureaustudie en veldbezoek Uit de bureaustudie is gebleken dat van de soortgroepen libellen, vlinders, vissen, weekdieren en overige insecten, binnen een straal van 3 kilometer, geen beschermde soorten zijn waargenomen. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt ook binnen het plangebied.

Beschermde soorten van deze soortgroepen worden daarom binnen het plangebied niet verwacht. 5.8

Vrijgestelde soorten

In de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. Het gaat hier om de volgende zoogdieren en amfibieën; bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, veldmuis, vos, woelrat, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht in het kader van de Wnb.

Effectbeoordeling In dit hoofdstuk wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden een (negatief) effect kunnen hebben op de beschermde soorten die volgens het (bureau- en veld)onderzoek in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen. Allereerst komen de soorten aan bod waarop een negatief effect niet uitgesloten kan worden. Vervolgens komen de soorten aan bod waar geen effect op verwacht wordt. 6.1

Beschermde soorten waar een effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer of naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden een effect te verwachten is. Tevens wordt weergegeven welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Tabel 10: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten een negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden en welk artikel en lid uit de Wnb potentieel overtreden wordt. Soort(groep)

Reden optreden mogelijke effecten

Artikel en lid Wnb

Vogels als de kievit en scholeksterkunnen broeden in het weiland binnen het plangebied. Dit weiland zal verdwijnen, waardoor nesten vernietigd kunnen worden en individuen gedood indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen aanvangen. Tevens worden broedende vogels in dat geval verstoord. Negatieve effecten op broedende vogels kunnen daarom niet uitgesloten worden.

§3.1, lid 1, 2 en 4

Tijdens de werkzaamheden kan gebruik gemaakt worden van bouwverlichting. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijf en in essentiële delen van hun leefgebied. Als de lichtbundels op de aangrenzende bebouwing, vegetatie of de waterlichamen en bomenrijen langs de Aarbergerweg schijnen, kan een negatief effect optreden voor vleermuizen.

§3.5, lid 2

Broedvogels

Algemene broedvogels

Vleermuis Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis

6.2

Beschermde soorten waar geen effect op verwacht wordt

Onderstaande tabel geeft per soort(groep) weer welke soorten niet verwacht worden en/of op welke soorten geen negatief effect verwacht worden. Tabel 11: Onderstaande tabel geeft weer op welke soorten geen negatief effect verwacht wordt naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden. Soort(groep) Reden van uitsluiten negatieve effecten Amfibieën Alpenwatersalamander

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig, namelijk niet te snel stromend visvrij water in de direct omgeving van loofbos of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen.

Rugstreeppad

Binnen het plangebied is geen geschikte combinatie aanwezig van zomerhabitat, winterhabitat en voortplantingswater. Daarnaast is de rugstreeppad niet binnen drie kilometer van het plangebied waargenomen en zijn onoverbrugbare barrières aanwezig tussen de bekende waarnemingen en het plangebied. Deze barrières bestaan onder andere uit de A4, diverse provinciale wegen, de Ringvaart van de Haarlemmermeer en de Westeinderplassen.

Broedvogels Boomvalk, buizerd, sperwer, havik

Horsten ontbreken binnen het plangebied. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten aangetroffen in het plangebied. De directe omgeving is ook te druk bezocht door verkeer

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten en voetgangers, waardoor bij het broeden te veel verstoring zou optreden.

Gierzwaluw

Binnen het plangebied zijn geen geschikte broedlocaties aanwezig, zoals ruimten onder dakgoten, losliggend dakpannen, gaten bij regenpijpen, gaten in muren en neststenen. Nokvorsten en kantpannen liggen strak op de dakrand en bieden geen openingen. Ook bevindt het woonhuis met dakpannen zadeldak zich ruim buiten de verstorende invloedssfeer van de werkzaamheden, welke achter het bedrijfspand plaatsvinden.

Huismus

Binnen het plangebied zijn geschikte broedlocaties onder de onderste pannen van het zadeldak aanwezig. Aan dit pand vinden geen werkzaamheden plaats, waardoor eventuele nesten behouden blijven. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen huismussen waargenomen. Ook vinden de werkzaamheden achter het bedrijfspand plaats en zullen eventueel aanwezige huismussen, die notoir ongevoelig zijn voor menselijke verstoring, geen negatief effect van de werkzaamheden ondervinden.

Ransuil

Binnen het plangebied zijn geen geschikte bomen (zeer dichte coniferen) die als winterroestplaats kunnen dienen. Tevens zijn geen sporen (braakballen) van uilen aangetroffen. Ook zijn geen oude kraai- of eksternesten aangetroffen in het plangebied.

Slechtvalk

Binnen het plangebied is geen geschikt broedbiotoop aanwezig, namelijk hoogspanningsmasten, hoge gebouwen of torens. Ook zijn geen oude kraaien- of eksternesten (op zeer hoge plaatsen) aangetroffen.

Flora

Dreps

Dreps groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel), akkers (wintergraanakkers en speltakkers), langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en stortterreinen. Deze biotoopeisen zijn binnen het plangebied niet aanwezig.

Reptielen

Ringslang

De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Deze biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Ook zijn geen broeihopen aangetroffen binnen het plangebied en ontbreekt het aan een rijke strooisellaag, takkenhopen of andere vormen van beschutting. De ringslang wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.

Vleermuizen

Bosvleermuis

Negatieve effecten op de bosvleermuis worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een bosrijke omgeving in het plangebied. Verder zijn de twee bekende kolonies van de bosvleermuis in Nederland enkel bekend in boomholtes (enkele malen is een solitair mannetje in een gebouw aangetroffen) en in het oosten van het land.

Baardvleermuis, Brandts vleermuis

Negatieve effecten op baardvleermuis kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van een bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholtes, nest- of vleermuiskasten, zolders, de ruimte achtergevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Winterverblijfplaats: voornamelijk ondergrondse ruimten als mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders. Foerageergebied: bossen, bosranden en in kleinschalig gesloten landschappen.

Franjestaart

Negatieve effecten op de franjestaart kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van bosrijkgebied met waterpartijen in de omgeving van het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en gebouwen (spleetvormige ruimte, zolders van kerken en boerderijen. Winterverblijfplaats: ondergrondse ruimten als forten, groeven, ijskelders en bunkers. Foerageergebied: bosrijkgebied met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Langs en boven kleinschalige weilanden en akkers en in open veestallen.

Gewone grootoorvleermuis

Negatieve effecten op gewone grootoorvleermuis worden niet verwacht wegens het ontbreken van bosrijkgebied in de omgeving van het plangebied. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Maakt

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten vooral gebruik van ondergrondse ruimten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden. Foerageergebied: in de directe omgeving van de verblijfplaats op beschutte plekken in bos, langs bosranden, lanen en kleinschalig parkachtig landschap waarbij ze lijnvormige structuren als hagen, rietkragen en houtwallen volgen. Vanwege de beperkte reikwijdte van de echolocatie en gevoeligheid voor wind mogen de onderbrekingen in lijnvormige structuren niet te groot zijn.

Grijze grootoorvleermuis

De grijze grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor droge, open gebieden en warme valleien. Zuid-Nederland vormt de noordelijke grens van het verspreidingsgebied. Deze biotopen zijn niet binnen het plangebied. Tevens zorgt de aanwezigheid van straatverlichting en andere felle lichtbronnen voor teveel lichtverstoring voor deze zeer lichtgevoelige soort. Zomerverblijfplaats: zolders, achter betimmeringen, daklijsten, vensterluiken, spouwmuren, onder dakpannen, vleermuiskasten, boomholten en spleten. Kraamkolonies voornamelijk op (kerk)zolders. Winterverblijfplaats: overwinterd in de nabijheid van de zomerverblijfplaats. Foerageergebied: kleinschalig parkachtig landschap.

Rosse vleermuis

Negatieve effecten op de rosse vleermuis worden niet verwacht, aangezien holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Zomer- en winterverblijfplaats: boomholten. Foerageergebied: open terrein, boven water en moerassige gebieden.

Tweekleurige vleermuis

Negatieve effecten op de tweekleurige vleermuis worden niet verwacht wegen het ontbreken van hoge gebouwen binnen het plangebied. Winterverblijfplaats: grotten, kelders en spleten in hoge gebouwen. Foerageergebied: half open agrarisch gebied, boven water en open plaatsen in het bos (zowel tussen als boven de boomkruinen).

Vale vleermuis

Negatieve effecten op de vale vleermuis worden niet verwacht, aangezien een warme zolder ontbreekt binnen het plangebied en holtebomen ontbreken binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: Kraamverblijven in warme (kerk)zolders, groeven en grotten. Solitair ook in kasten en boomholten. Winterverblijfplaats: grotten, groeven en kelders. In de winter vaak in grote groepen. Foerageergebied: open landschap met bomen, zoals parken, boven velden en weilanden, ook bij bebouwing. Prooi bestaat ook vooral uit bodemdieren.

Watervleermuis

Negatieve effecten op de watervleermuis worden niet verwacht, aangezien geen holtebomen aanwezig zijn binnen het plangebied. Zomerverblijfplaats: boomholten en spleten, maar ook kerkzolders, vleermuiskasten, bunkers en oude forten. Winterverblijfplaats: grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken en kelders. Foerageergebied: beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kastelen en visvijvers, smalle vaarten, langzaam stromende rivieren en beken.

Zoogdieren

Bunzing

De bunzing komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen, waarbij een sterkte voorkeur is voor natte gebieden. De soort hecht grote waarde aan voldoende dekking in de vorm van houtwallen, struwelen en ruigte. In open gebieden ontbreekt de soort evenals in aaneengesloten bossen. De soort komt vaak voor in de buurt van rommelige bebouwing in het buiten gebied. Deze habitateisen zijn niet aanwezig in het plangebied, aangezien het plangebied in zeer open agrarisch gebied ligt.

Hermelijn

De hermelijn komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen die de volgende kenmerken hebben; natte, open en waterrijke gebieden. Voldoende dekking moet aanwezig zijn waarbij ze vooral gebruik maken van rand-zones zoals struweelranden, ruige ongemaaide bermen, rietvelden en ruige slootkanten. Opengebieden worden enkel betreden mits voldoende dekking aanwezig is in de vorm van grote graspollen of mollengangen. De bloemrijke strook is te geïsoleerd tussen zeer

Soort(groep)

Reden van uitsluiten negatieve effecten intensieve landbouwgronden en open grasveld. Hierdoor is geen geschikt habitat aanwezig voor de hermelijn.

Noordse woelmuis

Binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig; namelijk natte terreinen met een hoge vooral grasachtige vegetatie. De soort leeft in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. In gebieden waar geen andere woelmuizen leven, wordt hij ook aangetroffen in drogere gedeelten, zoals in wegbermen of zelfs in droog naaldbos. De noordse woelmuis is gevoelig voor concurrentie met andere woelmuizen.

Steenmarter

Binnen het plangebied zijn geen schuilplaatsen aanwezig, zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, toegankelijke zolders of kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder dakbedekking met een minimale opening van 5-6 centimeter. Ook zijn geen prooiresten of latrines aangetroffen binnen het plangebied.

Wezel

De wezel komt voor in oude kleinschalige agrarische cultuur- en natuurlandschappen met de volgende kenmerken; open, droge gebieden zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Hierbij heeft de soort een voorkeur voor open gebieden. Voldoende dekking moet aanwezig zijn wat al kan worden bereikt door grote graspollen. Open, aaneengesloten agrarische gebieden worden gemeden. Hierdoor wordt de soort niet verwacht. De grasvelden zijn kort gemaaid en dus ongeschikt voor de wezel.

Advies en vervolg soortbescherming In dit hoofdstuk wordt een advies gegeven betreffende de soortbescherming welke voortvloeit uit de bevindingen van het vorige hoofdstuk. Het gaat hierbij om soortgericht nader onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. 7.1

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is gebleken dat het plangebied geen potentieel leefgebied vormt voor beschermde soorten. Derhalve is het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Direct grenzend aan het plangebied zijn wel potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Door het nemen van mitigerende maatregelen kan nader onderzoek voorkomen worden. Indien niet aan de mitigerende maatregelen gehouden kan worden, wordt nader onderzoek alsnog nodig geacht. 7.2

Mitigerende maatregelen

Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de weilanden binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: in de opstallen grenzend aan het plangebied zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Ook vormen de bomenrijen en watergangen langs de Aarbergerweg mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven en in hun leefgebied. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuisverblijven. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen.

Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende woningen, vegetatie en watergangen te schijnen om verstoring van verblijven van vleermuizen te voorkomen. Verlichting kan ook in de toekomstige situatie voor verstoring zorgen. Dit betekent dat in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden, watergangen en bomenrijen geschenen mag worden. Wanneer dit niet mogelijk is, zal nader onderzoek moeten uitwijzen of vleermuisverblijven aanwezig zijn. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de veldmuis. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de watergang in gejaagd waar ze kunnen verdrinken.

• Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. • Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten.

Conclusie en advies Dit hoofdstuk geeft de conclusie van de uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot gebiedsbescherming en soortbescherming weer. Voor zowel de gebiedsbescherming als de soortbescherming wordt beschreven of vervolgstappen en/of het treffen van maatregelen noodzakelijk zijn. 8.1

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten, zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring, door de ligging tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde gebieden uitgesloten. Gezien de zeer lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste (negatieve) effecten op beschermde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn door de ligging op meer dan 10 kilometer niet waarschijnlijk. Met de uitspraak van de Raad van State van 02-112022 (zaak 202107079/1/R4 Porthos) is de bouwvrijstelling komen te vervallen betreffende de gevolgen van stikstof in de sloop- en aanlegfase. Door deze uitspraak is het noodzakelijk om zowel de gevolgen van stikstofdepositie die mogelijk worden veroorzaakt door bouw-, aanlegen sloopactiviteiten als voor de gebruiksfase inzichtelijk te maken met AERIUS Calculator versie 2022 (release datum 26-1-2023).

Zodoende adviseren wij navraag te doen bij het bevoegd gezag of een stikstofberekening hier noodzakelijk is. 8.2

Soortbescherming

Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat mitigerende maatregelen toegepast dienen te worden. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar Hoofdstuk 7. Tabel 12: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject. Soortgroep

Amfibieën Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris)

Nee

Rugstreeppad (Epidalea calamita)

Nee

Diverse algemene soorten

Mitigerende maatregelen

Boomvalk (Falco subbuteo)

Nee

Buizerd (Buteo buteo)

Nee

Gierzwaluw (Apus apus)

Nee

Havik (Accipiter gentilis)

Nee

Huismus (Passer domesticus)

Nee

Ransuil (Asio otus)

Nee

Slechtvalk (Falco peregrinus)

Nee

Sperwer (Accipiter nisus)

Nee

Soortgroep

Soort (wetenschappelijke soortnaam)

Vervolgtraject

Flora

Dreps (Bromus secalinus)

Nee

Reptielen

Ringslang (Natrix natrix)

Nee

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Nee

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Nee

Brandts vleermuis (Myotis brandtii)

Nee

Franjestaart (Myotis nattereri)

Nee

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Mitigerende maatregelen

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Nee

Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus)

Nee

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Mitigerende maatregelen

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Mitigerende maatregelen

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Mitigerende maatregelen

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Nee

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Mitigerende maatregelen

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Nee

Vale vleermuis (Myotis myotis)

Nee

Watervleermuis (Myotis daubentonii)

Nee

Bunzing (Mustela putorius)

Nee

Hermelijn (Mustela erminea)

Nee

Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola)

Nee

Steenmarter (Martes foina)

Nee

Wezel (Mustela nivalis)

Nee

Vleermuizen

Zoogdieren

Literatuur en bronvermelding Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten - Natuurbescherming, versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12, Utrecht Bijlsma, R.G., 2015. Handleiding veldonderzoek roofvogels. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S. e.a., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Diets, C., Kiefer, A, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Sovon Vogelonderzoek Nederland, december 2012. Notitie deskundigen bericht verstoring vogels Van Uchelen, E., (2021). Bunzing, hermelijn en wezel; kleine roofdieren. KNNV Uitgeverij Zeist Internetbronnen www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.floron.nl www.floravannederland.nl www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten www.ndff-ecogrid.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage I

Wet natuurbescherming

Wet natuurbescherming, Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die zorg moeten dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden.

Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht. Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.

Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De 1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied.

richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden). Wet natuurbescherming, Soorten Voor de soortbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (Bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11).

Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in Bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, Bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=ebab030d-a526-4abf-991a-528b7be8936d