Bijlage toelichting 2.9 - Quickscan natuur A4 station.pdf
Tekst van het document
Netuitbreiding A4-zone Quickscan natuur A4 station
Reddyn B.V. 7 december 2020
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Netuitbreiding A4-zone Reddyn B.V.
Quickscan natuur A4 station Definitief 7 december 2020 121813/20-018.633
121813 ing. B.J.G. Hendrickx ing. M. Kraneveld
J. Aernouts ir. W.B. Roosen ing. B.J.G. Hendrickx
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN
6
2.1
Plangebied
6
2.2
Geplande werkzaamheden
7
3
TOETSINGSKADER
8
3.1
Wet natuurbescherming
8
3.1.1 3.1.2 3.1.3
8 8 10
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Natuurnetwerk Noord-Holland
4
GEBIEDSBESCHERMING
12
4.1
Natura 2000 (Wnb)
12
4.1.1 4.1.2
12 13
Gegevens Effecten en conclusies
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
13
4.3
Weidevogelleefgebied
14
5
SOORTENBESCHERMING
16
5.1
Methode
16
5.2
Resultaten per soortgroep
16
5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.7
16 17 18 21 23 25 25
Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen
5.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
25
6
CONCLUSIE
27
6.1
Effecten op beschermde gebieden
27
6.1.1 6.1.2
27 27
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelleefgebied
6.2
Effecten op beschermde soorten
27
6.3
Nodige vervolgstappen
31
7
LITERATUUR
32
Laatste pagina
32
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Kennemerland-zuid
4
II
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied polder Westzaan
3
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Als gevolg van economische ontwikkelingen in de Haarlemmermeer kent het gebied een sterk groeiende energievraag. De vraag is voornamelijk afkomstig van datacenters, grote glastuinbouwbedrijven en woningbouw, die zich in het gebied willen vestigen of die hun huidige bedrijfsvoering willen uitbreiden. Ook Schiphol vraagt om meer elektriciteit. De beschikbare capaciteit in het elektriciteitsnetwerk is niet meer voldoende om aan de vraag te voldoen. Vanwege de groeiende energievraag hebben TenneT en Liander besloten om een nieuw 150/20 kV-transformatorstation te vestigen in het gebied ‘A4-zone’. In het kader van dit uitbreidingsproject, zijn verschillende conditionerende onderzoeken nodig om inzicht te hebben in de effecten van de aanleg- en gebruiksfase. Eén van deze onderzoeken betreft een ecologische quickscan. Onderliggende rapportage betreft deze ecologische quickscan van het A4 station.
1.2
Doel
Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden hebben op: - beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); - beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen).
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 beschrijft het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 en 5 betreffen de effectenbeoordeling voor gebiedsbescherming (hoofdstuk 4) en soortenbescherming (hoofdstuk 5). Hierin wordt nagegaan welke beschermde natuurwaarden in en nabij het plangebied aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen hierop zijn. Hoofdstuk 6 geeft een overzichtelijke samenvatting. In hoofdstuk 7 is ten slotte de geraadpleegde literatuur weergegeven.
5 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
2 PLANGEBIED & GEPLANDE WERKZAAMHEDEN 2.1
Plangebied
De locatie voor het 150/20 kV-transformatorstation is gelegen in het gebied ’A4-zone’, ten noordwesten van het glastuinbouwgebied PrimA4a en zuidoosten van de snelweg A4. Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van Hoofddorp en ten zuiden van Amsterdam Airport Schiphol (afbeelding 2.1). Het plangebied bestaat uit een grasland. De noordrand van het plangebied grenst aan een watergang welke parallel loopt aan de Incheonweg. Ten zuiden van het plangebied loopt het Voor- en Achterkanaal. Tussen deze kanalen loopt de Geniedijk en een (onderbroken) bomenrij met struikgewas. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich de Westeinderplassen.
Afbeelding 2.1 Ligging van het plangebied
Hoofddorp
Amsterdam Airport Schiphol
Westeinderplassen
6 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
2.2
Geplande werkzaamheden
Het nieuwe station aan de Incheonweg betreft een TenneT 150kV GIS-station (Gas Insulated Switchgear) met hierop aangesloten een Liander 20kV-station. Het benodigde ruimtebeslag voor het station bedraagt circa 4 hectare (circa 220 m x 183 m). Voor de werkzaamheden wordt zwaar materieel in vorm van rupskranen en dumpers ingezet. Bij de aanleg van het station kunnen de graafwerkzaamheden en het mogelijk lozen van grote hoeveelheden weggepompt grondwater (bronbemaling) ten behoeve van de graafwerkzaamheden in de watergangen negatieve effecten veroorzaken op beschermde plant- en diersoorten (Wnb).
7 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
3 TOETSINGSKADER 3.1
Wet natuurbescherming
3.1.1
Gebiedsbescherming
In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wnb vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt.
Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.
3.1.2
Soortenbescherming
Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.
8 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: ‑ het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; ‑ het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; ‑ het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; ‑ het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.
Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wnb zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.
Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld: steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.
Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: ‑ het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; ‑ het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; ‑ het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; ‑ het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; ‑ het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd.
9 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wnb. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: ‑ het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; ‑ het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; ‑ het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wnb is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van Economische Zaken als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wnb nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving.
Een ieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.
3.1.3
Natuurnetwerk Noord-Holland
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur; EHS, genoemd) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Begrenzing en wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied zijn van belang bij het bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. In het beginsel geldt de regel dat geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied (per saldo) significant worden aangetast. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken heeft de provincie de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per gebied gespecificeerd in het Natuurbeheerplan. Weidevogelleefgebieden In artikel 25 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is de bescherming van leefgebieden van weidevogels geregeld.
Uit een aantal onderzoeken blijkt dat behalve het beheer, de afwezigheid van opgaande begroeiing en gunstige omgevingscondities, de afwezigheid van bebouwing in hoge mate bepalend is voor het succes van weidevogelpopulaties. Zodoende is het onwenselijk dat in nieuwe bestemmingsplannen nieuwe bouwblokken worden toegekend in open gebieden. Uitbreiding op bestaande of uitbreiding van bestaande bouwblokken is minder schadelijk voor weidevogels. Indien het toch noodzakelijk blijkt dat een deel van het leefgebied moet wijken voor een andere functie, dan dient het leefgebied te worden gecompenseerd. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de oppervlakte vernietigd, verstoord of versnipperd leefgebied. Hiervoor dient een nieuw geschikt leefgebied te worden gerealiseerd. Met de term ‘netto geen verstoring’ wordt het volgende bedoeld. Weidevogels houden van een rustig en open landschap. Hoge elementen of infrastructuur, zoals wegen, fietspaden, wandelpaden, bebouwing,
10 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
bosschages of bomenrijen zorgen voor verstoring voor weidevogels. In de directe omgeving van dergelijke elementen zullen weinig tot geen weidevogels gaan broeden. Met ‘netto verstoring’ wordt de extra verstoring bedoeld, die een ingreep heeft op een weidevogelleefgebied, boven op de al bestaande verstoring in het gebied door gebouwen, wegen en dergelijke. Als een ingreep geen netto verstorend effect heeft op het weidevogelleefgebied dan kan de ingreep doorgaan. Geeft een ingreep netto wel extra verstoring, dan zal de afweging gemaakt moeten worden of de ingreep van groot maatschappelijk belang is. Indien de afweging het doorgaan van de ingreep als gevolg heeft, moet het verstorende effect gecompenseerd worden. Nee -tenzij principe Het NNN wordt beschermd op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Deze verordening kent geen bepalingen ten aanzien van externe werking (buiten de begrenzing van het NNN-gebied). De regels ter bescherming van het NNN staan in artikel 19 van het provinciaal blad. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden aangeduid als NNN (voorheen EHS) wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
Bij nieuwe ontwikkelingen in het NNN moet getoetst worden of er sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Of een activiteit een significante invloed heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende gebied is afhankelijk van de soort bedrijvigheid, de plek in het NNN-gebied en de natuurwaarden ter plaatse. Wordt significante aantasting aangetoond, dan is de ontwikkeling niet mogelijk, tenzij er sprake is van: - een groot openbaar belang; - er geen reële andere mogelijkheden zijn en - de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij: · de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; · en de compensatie plaatsvindt.
11 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1
Natura 2000 (Wnb)
4.1.1
Gegevens
Op korte afstand van het plangebied (< 3 km), de zone waarbinnen als gevolg van de werkzaamheden eventuele fysieke effecten (verstoring door geluid, licht, trillingen) kunnen optreden, bevinden zich geen gebieden behorende tot het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (KennemerlandZuid) bevindt zich op een afstand van 11 km ten westen van het plangebied. Dit gebied werd in mei 2013 definitief aangewezen als Habitatrichtlijngebied (HR) van het Natura 2000-netwerk [lit. 1]. Gezien de grote afstand wordt dit gebied hier niet verder beschreven.
Afbeelding 4.1 Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied [lit. 2]
12 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
4.1.2
Effecten en conclusies
Fysieke effecten Het plangebied ligt op grote afstand (>3 km) van omliggende Natura 2000-gebieden. Tussen het onderzoeksgebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied strekken zich tevens verschillende dorpskernen en uitgestrekte agrarische gebieden uit. Als gevolg van deze afstand en tussenliggende barrières kan worden uitgesloten dat fysieke effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie De werkzaamheden voor de realisatie van het geluidsscherm resulteren in emissies van met name stikstofoxiden (NO2). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van vrachtverkeer en mobiele werktuigen. Deze emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen beschermde Natura 2000-gebieden (stikstofdeposities kunnen ver reiken; >3 km en soms zelfs >10 km). Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (11 km) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Kennemerland-Zuid) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden voor de realisatie van het geluidsscherm dienen daarom met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden.
Afhankelijk van de uitkomst zijn geen vervolgstappen (geen deposities) of is een Voortoets en/of Passende beoordeling nodig. Overige (indirecte) effecten Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege de afstand (>10 km). Conclusie Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van 11 km van Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand en de aard van de werkzaamheden zijn effecten op de IHD van de beschermde natuurgebieden, met uitzondering van effecten als gevolg van stikstofdepositie, op voorhand uit te sluiten. Ten aanzien van stikstof wordt, in het kader van de Wnb, aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een depositieberekening- en beoordeling voor de uitvoeringsfase van het voornemen (m.b.v. AERIUS).
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gegevens In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNN-netwerk van de provincie Noord-Holland (afbeelding 4.2). Het plangebied valt buiten de contouren van het NNN ‘Natuur’. Het dichtstbijzijnde perceel betreft het natuurbeheertype N04.02 - Zoete Plas. Ten zuiden van het plangebied loopt een NNN Natuurverbinding [lit. 3].
13 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Afbeelding 4.2 Ligging van NNN-zones en verbindingen in de nabijheid van het plangebied [lit. 3]
Het Effecten en conclusies De Natuurverbinding ten zuiden van het plangebied betreft de watergang Achterkanaal. De werkzaamheden laten deze watergang ongemoeid. De watergang van de natuurverbinding wordt zodoende niet aangetast waardoor verstoring van de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden uitgesloten. Geadviseerd wordt bij een eventuele bemaling het opgepompte water niet te lozen op de watergang van de natuurverbinding, zodat de Natuurverbinding geen negatieve effecten ondervindt van het voornemen. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN Natuur en Natuurverbindingen zijn zodoende uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.
4.3
Weidevogelleefgebied
Gegevens Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied bevindt zich op een afstand van 5,3 km ten zuidoosten van het plangebied (afbeelding 4.3).
14 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Afbeelding 4.3 Ligging van weidevogelleefgebied in de omgeving van het plangebied [lit. 3]
Effecten en conclusie Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op een afstand van meer dan 5 km van het plangebied. Op deze afstand treden geen effecten op van het eventueel tijdelijk wegpompen van grondwater of waterlozingen tijdens de graafwerkzaamheden. Ook verstoringen door geluid en trillingen van graafmachines zullen over deze afstand niet meer merkbaar zijn. De wezenlijke kenmerken en waarden van de belangrijk weidevogelleefgebieden worden zodoende niet aangetast. Negatieve effecten van de werkzaamheden op de belangrijk weidevogelleefgebieden kunnen zodoende worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig.
15 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
5 SOORTENBESCHERMING 5.1
Methode
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestond uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4]. Hierbij werd een zoekgebied van 2,5 km rondom het plangebied gehanteerd, waarbij de waarnemingen van de afgelopen vijf jaar werden gebruikt. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor was, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.
5.2
Resultaten per soortgroep
5.2.1
Flora
Gegevens Op basis van de NDFF-database [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van het plangebied geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde flora. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 4, 5]. Effecten en conclusies Gezien het ontbreken van bekende waarnemingen en het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied is het voorkomen van onder de Wnb beschermde flora uit te sluiten. Hierdoor zijn negatieve effecten op deze soort uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
16 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
5.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Gegevens Op basis van de NDFF-database [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft soorten als egel, haas, konijn, ree, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Voor het verstoren van deze ‘Andere soorten’ van de Wnb geldt binnen de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling bij ruimtelijk ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten zijn in en in de nabijheid van het plangebied waarnemingen bekend van bunzing en steenmarter (afbeelding 5.1). De waarnemingen betreffen grotendeels verkeersslachtoffers langs de A4. Er zijn geen waarnemingen bekend van Habitatrichtlijnsoorten.
Afbeelding 5.1 Waarnemingen van niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1
De biotoopeisen van de niet-vrijgestelde soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 6]. Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
17 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’ ). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. In de bergen komt de steenmarter tot een hoogte van 2.400 meter voor. Effecten en conclusies Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (‘Andere soorten’ Wnb) binnen het plangebied, zoals egel, haas, konijn, ree, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.
Nabij het plangebied zijn verschillende waarnemingen van bunzing en steenmarter bekend. Deze marterachtigen zoeken graag de beschutting van opgaande groenelementen op (bosschages, houtwallen, heggen, enzovoorts) en stenige elementen (gebouwen of schuurtjes). Het plangebied zelf bestaat echter uit een open grasland zonder dekking. Ten zuiden van het plangebied (Geniedijk) bevinden zich enkele bomenrijen en struikgewas, elementen die als schuilplaats kunnen dienen voor deze soorten. Het incidenteel voorkomen van een passerend (overstekend) individu binnen de grenzen van het plangebied kan, gezien het voorkomen van bomenrijen en struikgewas in de (wijde) omgeving van het plangebied, echter niet geheel worden uitgesloten. Verstoring van ‘Andere soorten’ is echter geen overtreding volgens de Wnb. Bovendien zijn er in het geval van verstoring voldoende uitwijkmogelijkheden. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet nodig. Wel is steeds de zorgplicht van kracht.
5.2.3
Vleermuizen
Gegevens Op basis van de NDFF-database zijn in de afgelopen vijf jaar in de nabijheid van het plangebied waarnemingen bekend van vier vleermuissoorten [lit. 4]. Het gaat om gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (afbeelding 5.2). De waarnemingen volgen duidelijk een rechtlijnig element in het landschap, met name het Voor- en Achterkanaal en de tussenliggende bomenrij.
18 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Afbeelding 5.2 Waarnemingen van de afgelopen vijf jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1
De biotoopeisen van deze soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 7]. Gewone dwergvleermuis Gedurende het hele jaar worden vooral gebouwen als verblijfplaats gebruikt. Uit het buitenland zijn ook paarverblijven uit nest- en vleermuiskasten en boomholtes bekend. Kraamkolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. De groepsgroottes lopen uiteen van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. De soort is met betrekking tot vliegroutes sterk gebonden aan (lijnvormige) landschapsstructuren (opgaande begroeiing en oevers). In stedelijk gebied zijn vliegroutes niet zo duidelijk. De soort jaagt in gesloten tot halfopen landschap. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. In vleermuiskasten worden laatvliegers zelden aangetroffen. Solitaire mannetjes worden soms achter vensterluiken gevonden. In de paartijd (september-oktober) worden vergelijkbare verblijven gebruikt.
De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 kilometer (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. De laatvlieger vliegt meestal op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) graslanden en weilanden, langs kanalen en vaarten, in tuinen en in parken met vijvers. Bij windstil weer wordt het open gebied belangrijker.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
19 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In MiddenEuropa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. Ruige dwergvleermuis Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral half open bosrijk landschap. Vaak jagen ruige dwergvleermuizen langs bosranden, door lanen, boven open plekken in bos en langs houtwallen. Waterpartijen en beschutte oevers in voedselrijke gebieden vormen een belangrijk aspect van het biotoop. Ze jagen ook graag bij straatlantaarns, maar bebouwing en open gebied zijn minder in trek. Effecten en conclusies In de omgeving van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van vleermuizen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis.
Vlieg- en foerageergebied Het plangebied biedt een geschikt foerageergebied aan verschillende vleermuissoorten. Het plangebied maakt echter deel uit van een groter complex van open akkers afgewisseld met bosschages en water. In de (wijdere) omgeving van het plangebied zijn dan ook voldoende uitwijkingsmogelijkheden aanwezig voor foeragerende vleermuizen. Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieve foerageergebieden, is hier geen sprake van een essentieel foerageergebied. Daarnaast kunnen de verschillende bomenrijen en sloten deel uitmaken van een (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. Het Voor- en Achterkanaal aan de zuidelijke rand van het plangebied verbindt de stedelijke omgeving van Hoofddorp met de Westeinderplassen. Wellicht betreft het hier een essentiële vliegroute voor vleermuizen. De werkzaamheden laten deze elementen (watergang en bomenrij) echter ongemoeid. Vernietiging van deze mogelijke vliegroute als gevolg van de werkzaamheden is zodoende uitgesloten. Van een aantasting van essentieel vlieg- en foerageergebied voor vleermuizen als gevolg van het voornemen is, gezien het bovenstaande, geen sprake. In het kader van de zorgplicht dient tevens onderstaand advies gevolgd te worden.
Om verstoring te voorkomen, met name rond het Voor- en Achterkanaal, dienen werkzaamheden buiten de actieve periode, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkost tot een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december - februari) plaats te vinden. Indien toch gewerkt wordt tijdens de actieve periode voor vleermuizen dient men gebruik te maken van vleermuisvriendelijke lichtbeheer waarbij de hoeveelheid licht beperkt wordt tot waar het strikt noodzakelijk is. Dit kan door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige verlichting); - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied of vliegroute schijnt. Dit kan door gebruik te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bunder één bepaalde kant op richten en hiermee verstrooiing van het licht minimaliseert, of van LED-verlichting; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties.
Verblijfplaatsen Binnen het plangebied ontbreekt het aan gebouwen (gebouwbewonende soorten) en bomen met geschikte holten (boombewonende soorten). De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het plangebied is
20 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
zodoende uit te sluiten. Van een vernietiging van verblijfplaatsen is geen sprake. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.4
Vogels
Gegevens In de afgelopen vijf jaar werden in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende algemeen voorkomende vogelsoorten waargenomen zoals blauwborst, bosrietzanger, fitis, grasmus, kleine karekiet, rietzanger, tjiftjaf, veldleeuwerik en winterkoning [lit. 4]. In de omgeving van het plangebied komen ook verschillende weidevogels voor waaronder kievit, scholekster en kuifeend. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, slechtvalk, sperwer en torenvalk. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Er zijn enkele waarnemingen bekend die wijzen op de aanwezigheid van een nest (afbeelding 5.3). Het gaat dan om nest- of territorium indicerend gedrag van gierzwaluw, huismus, slechtvalk en sperwer.
Afbeelding 5.3 Nest-indicerende waarnemingen van de voorbije 5 jaar met jaarrond beschermde nesten in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1
De biotoopeisen van deze soorten zijn in onderstaand kader beschreven [lit. 8]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
21 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. Slechtvalk Broedt op kliffen en op bergwanden, in nissen en op richels; ook in oude nesten van roofvogels en kraaien. In Nederland bijna uitzonderlijk in nestkasten op hoge gebouwen. In Nederland in steden (kantoorgebouwen, torens) en in open boerenland in hoogspanningsmasten. Soms op de grond (Waddeneilanden). Jaagt vaak ver van het nest, in open landschappen met veel vogels. Buiten de broedtijd meestal in open landschappen, in boerenland, uiterwaarden op kwelders e.d. Zit vaak op de grond of op een paaltje, maar ook op een hoog uitkijkpunt (masten). Groot aanbod aan prooien cruciaal. Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in halfopen landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit. 9].
Effecten en conclusies Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheid aan slechtvalk en sperwer. Het ontbreekt immers aan nestkasten in hoge gebouwen (slechtvalk) en jonge, dichte naaldbossen (sperwer). Het voorkomen van deze soorten tot in het plangebied is uitgesloten. Geschikte leefgebieden voor deze soorten bevinden zich op een dermate grote afstand dat er van een indirecte aantasting van het jaarrond beschermd nest geen sprake is. De nabije dorpskernen van en Hoofddorp en Aalsmeer bieden geschikt leefgebied voor gierzwaluw en huismus. Deze stedelijke gebieden liggen echter op voldoende afstand van het plangebied waardoor er van verstoring geen sprake is. Ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen (Aalsmeerderdijk,op 250 m afstand van het plangebied) kan er echter wel sprake zijn van een indirecte aantasting van het jaarrond beschermd nest wanneer huismus of gierzwaluw op het nest als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord. Dit alleen het geval wanneer de werkzaamheden veel trillingen en geluid veroorzaken, zoals heiwerkzaamheden. Gierzwaluwen gebruiken hun nest enkel in de broedperiode. Huismussen kunnen jaarrond gebruik maken van hun nest.
De meest kwetsbare periode hierbinnen is echter ook de broedperiode (globaal maart tot augustus). Door de meest verstorende werkzaamheden (zoals heiwerkzaamheden) uit te voeren buiten de kwetsbare periode (zie ook advies ten aanzien van broedvogels in het algemeen hieronder) kan ook worden uitgesloten dat eventueel aanwezige broedgevallen van huismus en gierzwaluw in het plangebied worden verstoord. Indien wel binnen deze periode trillingsveroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd, is een nader onderzoek noodzakelijk om de functie van de aanwezige bebouwing voor huismus en gierzwaluw te bepalen. Wanneer op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat in de bebouwing een nestplek van één of beide van deze gebouwbewonende soorten aanwezig is en deze als gevolgen van de werkzaamheden wordt aangetast, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig. Het grasland binnen het plangebied alsook de aanwezige bomen en struiken in de (wijdere) omgeving van het plangebied bieden een geschikt broedbiotoop voor verschillende algemeen voorkomende broedvogelsoorten. Werkzaamheden in het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels nabij het plangebied. Verstoring treedt op door aanwezigheid van mensen en materiaal, trillingen of geluid.
Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing hiervoor is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden;
22 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
-
-
de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels.
Als werkzaamheden in het broedseizoen aanvangen, moet een deskundige vaststellen of er broedende vogels aanwezig zijn in of rondom het plangebied. Wanneer wordt geconstateerd dat in of in de directe omgeving van het plangebied geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. In het geval dat er wel broedende vogels aanwezig zijn, dient te worden bepaald of er significante verstoring plaatsvindt. Wanneer verstoring van wezenlijke invloed aan de orde is, zijn in sommige gevallen maatregelen mogelijk waardoor werkzaamheden (deels-) kunnen door gaan. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld door binnen een ruime zone rondom het betreffende broedgeval (buiten de verstoringscontour) geen werkzaamheden te laten plaatsvinden. De grootte van de verstoringscontour is afhankelijk van de vogelsoort. Wanneer verstoring van het broedgeval onvermijdelijk is, dan mag er pas worden gestart met de verstorende werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden.
5.2.5
Amfibieën
Gegevens In de NDFF-database [lit. 4] zijn waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten namelijk bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor het verstoren van deze soorten van beschermingsregime ‘Andere soorten’ (artikel 3.10 Wnb) geldt binnen de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort vroedmeesterpad (afbeelding 5.4).
23 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Afbeelding 5.4 Waarnemingen in de afgelopen 5 jaar van niet-vrijgestelde amfibiesoorten in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]1
De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven [lit. 9] Vroedmeesterpad De vroedmeesterpad komt van nature slechts voor in Zuid-Limburg. In stedelijk gebied zijn er enkele uitgezette populaties. De vroedmeesterpad komt voor op ruderale terreinen, halfnatuurlijke graslanden en steden en dorpen. Zomer- en winterbiotoop zijn stenige, open hellingen en hellingbossen en graften met stenige ondergrond. Overwinteren kunnen ze ook in kalksteengroeven, kalkovens en andere bebouwing. Het voortplantingsbiotoop van de vroedmeesterpad bestaat voornamelijk uit typische pionierswateren in groeven, betonnen drinkbakken en in diepe koude bronpoelen langs hellingbossen. Effecten en conclusies Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ (Wnb) zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. Vervolgstappen in kader van het Wnb zijn aldus niet nodig. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor niet-algemeen voorkomende amfibiesoorten, kan worden uitgesloten dat vroedmeesterpad, alsook andere amfibiesoorten, binnen de grenzen van het plangebied of in de nabije omgeving aanwezig zijn.
Het ontbreekt er immers aan ruderale terreinen, halfnatuurlijke graslanden en steden en dorpen en de vroedmeesterpad komt slechts van nature in Zuid-Limburg voor. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
24 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
5.2.6
Reptielen
Gegevens Op basis van de NDFF-databank [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van de reptielsoorten. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor reptielsoorten. Zo komen deze soorten bijvoorbeeld voor in zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken (zandhagedis, adder), waterrijke gebieden op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (ringslang), heide (gladde slang) en weg- of spoorwegbermen (hazelworm). Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en bekende waarnemingen, kan worden uitgesloten dat reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig is. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
5.2.7
Vissen
Gegevens Volgens de NDFF-database [lit. 4] zijn in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vissoorten in of nabij het plangebied. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten houting en steur beschermd. Dit zijn beiden trekvissen van grote wateren (zee, rivieren). Deze soorten migreren doorgaans door diep en open water. Binnen het soortenbeschermingsregime ‘Andere soorten’ zijn alleen de vissoorten beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal en grote modderkruiper beschermd. Dit zijn soorten van zuurstofrijke, schone en stromende wateren (beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal) of verlandende wateren (grote modderkruiper) [lit. 4, 9]. Effecten en conclusies Bij gebrek aan geschikt biotoop is het voorkomen van onder de Wnb beschermde vissoorten binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op deze soortgroep als gevolg van het voornemen zijn daarmee uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
5.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Gegevens Op basis van de NDFF-database [lit. 4] zijn in de omgeving van het plangebied in de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vlinders, libellen en andere ongewervelden in of nabij het plangebied. Ongewervelden zoals beschermde dag- of nachtvlinders werden in de directe omgeving van het plangebied niet waargenomen. Deze beschermde soorten worden voornamelijk gevonden in en rondom natuurgebieden in schrale vochtige biotopen, in moerassen, bosranden en bloemrijke graslanden. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten. Ook ongewervelden zoals libellen werden in de directe omgeving van het plangebied niet waargenomen. Als landbiotoop verkiezen libelsoorten gebieden met veel beschutting zoals bosranden, houtwallen, zonnige bospaden, ruige graslanden en open rietlanden. Een belangrijke factor is dat libellen voor het grootste deel van hun levenscyclus afhankelijk zijn van natte elementen. De aanwezigheid van beken en rivieren, vennen en hoogveen, laagveenmoerassen, plassen, poelen, sloten, kanalen of vijvers in bebouwde omgeving is dan ook cruciaal. De onder de Wnb beschermde libelsoorten zijn tevens zeldzaam in Nederland en komen voor in een aantal zeer specifiek biotopen zoals voedselarme vennen op zandgronden of laagveenmoerassen
25 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
(gevlekte witsnuitlibel, oostelijke witsnuitlibel, Noordse winterjuffer), beschutte oevers rond water met een rijke submerse vegetatie (sierlijke witsnuitlibel), traagstromende beken en rivieren (bronslibel) of grote rivieren met een bodemsubstraat van kiezels of grof zand (gaffellibel). Ook zijn er soorten die gebonden zijn aan een specifiek vegetatie zoals een dichte krabbenscheermat (groen glazenmaker) [lit. 10]. Effecten en conclusies Voor beschermde dagvlindersoorten, libellen en overige ongewervelden is geen geschikt leefgebied in het plangebied aanwezig, door het ontbreken van specifieke landschapstypen zoals heide, veen en kalkgraslanden. Door het ontbreken van geschikt habitat voor (waardplanten van) beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden, is het voorkomen van deze soorten in het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten van het voornemen op deze soortgroep zijn zodoende uit te sluiten. Vervolgstappen zijn niet nodig. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.
26 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
6 CONCLUSIE De effecten op beschermde natuurwaarden zijn onder te verdelen in (1) effecten op beschermde gebieden en (2) effecten op beschermde soorten.
6.1
Effecten op beschermde gebieden
6.1.1
Natura 2000
Het plangebied is gelegen op een minimale afstand van 11 km van Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand en de aard van de werkzaamheden zijn effecten op de IHD van de beschermde natuurgebieden, met uitzondering van effecten als gevolg van stikstofdepositie, op voorhand uit te sluiten. Ten aanzien van stikstof wordt, in het kader van de Wnb, aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een depositieberekening- en beoordeling voor de uitvoeringsfase van het voornemen (m.b.v. AERIUS).
6.1.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelleefgebied
De Natuurverbinding ten zuiden van het plangebied betreft de watergang Achterkanaal. De werkzaamheden laten deze watergang ongemoeid. De watergang van de natuurverbinding wordt zodoende niet aangetast waardoor verstoring van de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden uitgesloten. Geadviseerd wordt bij een eventuele bemaling het opgepompte water niet te lozen op de watergang van de natuurverbinding, zodat de Natuurverbinding geen negatieve effecten ondervindt van het voornemen. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN Natuur en Natuurverbindingen zijn zodoende uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet nodig.
6.2
Effecten op beschermde soorten
In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
27 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Tabel 6.1 Overzicht bevindingen en conclusies ten aanzien van beschermde soorten van de Wnb Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig
Kans op overtreding verboden Wnb
Gevolgen
Ontheffing aanvragen Wnb
flora
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
grondgebonden zoogdieren
ja, voorkomen van algemeen voorkomende soorten zoals egel, haas, konijn, vos en algemeen voorkomende muissoorten is niet uit te sluiten
nee, vrijstelling binnen de provincie Noord-Holland
geen, wel zorgplicht
nee
ja, aanwezigheid van niet-vrijgestelde soorten als bunzing en steenmarter
nee, het plangebied vormt geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Bij tijdenlijke verstoring zijn er tevens voldoende uitwijkingsmogelijkheden
geen, wel zorgplicht
nee
ja, aanwezigheid van soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis is in de omgeving van het plangebied niet uit te sluiten
ja, indien door de geplande werkzaamheden overvliegende en/of foeragerende vleermuizen worden verstoord
ja, om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden plaats te vinden buiten de actieve periode, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst tot een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december februari). Indien toch gewerkt wordt tijdens de actieve periode, dient men gebruik te maken van vleermuisvriendelijke lichtbeheer
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
vleermuizen
28 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig
Kans op overtreding verboden Wnb
Gevolgen
Ontheffing aanvragen Wnb
algemene broedvogels
ja, aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied is niet uit te sluiten
ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd
Drie mogelijkheden: ‑ buiten het broedseizoen werken ‑ vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden ‑ het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
jaarrond beschermde nesten
ja, aanwezigheid van huismus en gierzwaluw nabij het plangebied is niet uit te sluiten.
ja, indien nesten van huismus en gierzwaluw worden verstoord door trillingveroorzakende werkzaamheden
‑
‑
‑ ‑
buiten de broedperiode werken trillingsvrij werken Indien niet trillingsvrij gewerkt kan worden is nader soortenonderzoek nodig voor huismus en gierzwaluw
jaarrond beschermde nesten
nee, (potentiële) aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van slechtvalk en sperwer liggen op voldoende afstand van het plangebied
nee, het plangebied vormt geen geschikt leefgebied. Wel geschikte leefgebieden liggen op voldoende afstand van het plangebied
nee
nee
amfibieën
ja, voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker is niet uit te sluiten
nee, vrijstelling binnen de provincie Noord-Holland
geen, wel zorgplicht
nee
ja, voorkomen van vroedmeesterpad in de directe omgeving van het plangebied
nee, binnen het plangebied is geen geschikt biotoop aanwezig
geen, wel zorgplicht
nee
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
reptielen
29 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
ja, enkel indien trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode maart - augustus en uit soortgericht onderzoek volgt dat hierdoor nesten (indirect) worden aangetast
Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig
Kans op overtreding verboden Wnb
Gevolgen
Ontheffing aanvragen Wnb
vissen
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
dagvlinders, libellen en overige ongewervelden
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
30 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
6.3
Nodige vervolgstappen
Nader soortenonderzoek Op basis van de quickscan zijn negatieve effecten als gevolg van de trillingsveroorzakende werkzaamheden zoals heiwerkzaamheden op jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw niet uit te sluiten. Indien deze sterk verstorende werkzaamheden niet buiten de broedperiode kunnen worden uitgevoerd is een nader onderzoek noodzakelijk. Mitigerende maatregelen Verder zijn negatieve effecten als gevolg van de geplande werkzaamheden op onder de Wnb beschermde soorten uit te sluiten, mits enkele mitigerende maatregelen in acht worden genomen ten aanzien van vleermuizen, vogels en amfibieën: 1 om verstoring van vleermuizen te voorkomen dienen werkzaamheden daarom buiten de actieve periode, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst tot een uur na zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december - februari) plaats te vinden.
Indien toch gewerkt wordt tijdens de actieve periode voor vleermuizen dient meng gebruik te maken van vleermuisvriendelijke lichtbeheer waarbij de hoeveelheid licht beperkt wordt tot waar het strikt noodzakelijk is; 2 om verstoring van huismus, gierzwaluw en broedende vogels te voorkomen dient er buiten het broedseizoen te worden gewerkt, of indien dit niet mogelijk is: 1 de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (algemene broedvogels); 2 het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels (algemene broedvogels); 3 nader soortgericht onderzoek uitvoeren naar de functie van de aanwezige bebouwing (huismus en gierzwaluw); Indien deze maatregelen worden genomen zijn verdere vervolgstappen of ontheffingsaanvragen in het kader van Wnb niet nodig.
31 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
7 LITERATUUR 1 2
www.natura2000.nl, geraadpleegd op 7 augustus 2020. European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-9/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 3 Provincie Noord-Holland Wegwijzer Natuurnetwerk Nederland, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 4 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 4 augustus 2020. 5 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 6 www.Zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 7 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 8 www.vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 7 augustus 2020. 9 www.ravon.nl, geraadpleegd op 7 augustus 2020. 10 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 7 augustus 2020.
32 | 32
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Definitief
Bijlage(n) -
I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIED KENNEMERLAND-ZUID
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage I | Definitief
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage I | Definitief
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage I | Definitief
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage I | Definitief
II BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIED POLDER WESTZAAN
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage II | Definitief
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage II | Definitief
Witteveen+Bos | 121813/20-018.633 | Bijlage II | Definitief
www.witteveenbos.com