CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ruimtelijke onderbouwing Aarbergerweg 22 te Rijsenhout (inclusief bijlagen I - XIII)

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 21 december 2023, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpweigering verklaring van geen bedenkingen voor bedrijfsgebouw Aarbergerweg 22 Rijsenhout (10178882) - GEAMENDEERD14.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Aarbergerweg 22, Rijsenhout

Ruimtelijke onderbouwing Aarbergerweg 22, Rijsenhout

Datum Kenmerk Eerste auteur Tweede auteur

: : : :

29 september 2023 A4534-07/LVL/rap1 L.S. van der Vliet MSc Dhr. ing. B. Szarszewski

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4 Ligging plangebied ......................................................................................................... 4 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 5 Strijdigheid met het bestemmingsplan ........................................................................... 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 7

2. 2.1 2.2

Planbeschrijving .......................................................................................................... 8 Huidige situatie .............................................................................................................. 8 Planvoornemen .............................................................................................................. 8

3. 3.1 3.2 3.3

Beleidskader ............................................................................................................... 12 Rijksbeleid .................................................................................................................... 12 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 14 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 16

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Omgevingsonderzoeken ........................................................................................... 20 Verkeer en parkeren .................................................................................................... 20 Bodemkwaliteit ............................................................................................................. 23 Archeologie en cultuurhistorie...................................................................................... 25 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................... 26 Ecologie ....................................................................................................................... 28 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 29 Geluidhinder ................................................................................................................. 31 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 33 Externe veiligheid ......................................................................................................... 37 Watertoets .................................................................................................................... 42 M.e.r.

beoordeling ........................................................................................................ 45

5. 5.1 5.2 5.3

Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 47 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 47 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 47 Eindconclusie ............................................................................................................... 47

6.

Bijlagen ....................................................................................................................... 48

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Kirto-Tech B.V. is van plan een nieuw bedrijfspand voor lichte industrie met kantoor te bouwen aan de Aarbergerweg 22 te Rijsenhout. Het beoogde pand zal gebruikt worden om Eurotrapliften B.V. te huisvesten. In overleg met het Ondernemersplein Haarlemmermeer en na onderzoek van de Omgevingsdienst, is als conclusie naar voren gekomen dat het getoetste bedrijf Eurotrapliften B.V., dochteronderneming van Kirto-Tech B.V., in aanmerking komt voor vestiging aan de Aarbergerweg 22 te Rijsenhout mits wordt voldaan aan de maximale te bebouwen oppervlakte van 1.000 m2 en minimaal 30 m vanaf de dichtstbijzijnde bestaande woningen. Om het nieuwe pand goed bereikbaar te maken, zullen er aanpassingen aan de bestaande bebouwing, gelegen aan de Aarbergerweg 22, kavels AL1051 en AL1052 worden verricht.

1.2

Ligging plangebied

Onderstaand is het plangebied weergeven op de geografische kaart in relatie tot de directe omgeving. Het plangebied betreft het volledig perceel AL1051 en gedeeltelijk het perceel AL1052 van de gemeente Haarlemmermeer.

Tabel 1: Gegevens locatie Plaats

Rijsenhout

Locatie

Aarbergerweg 22

Perceel

HLM03-AL-1051 en HLM03-AL-1052

Oppervlakte plangebied

Circa 2.840 m2

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het huidige bestemmingsplan is ‘Rijsenhout en omgeving’, onherroepelijk vastgelegd op 26 augustus 2015 door de gemeente Haarlemmermeer. Op onderstaande bestemmingsplanuitsnede zijn de bestemmingen binnen en rondom het plangebied weergegeven. Binnen het perceel met de aanduiding HLM03-AL-1052 gelden drie enkelbestemmingen: ‘Tuin’, ‘Wonen’ en ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Binnen het perceel HLM03-AL-1051, waar het nieuwe bedrijfspand wordt gerealiseerd, geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) glastuinbouwbedrijven; b) gemeenschappelijke glastuinbouwvoorzieningen; c) ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ tevens voor een bedrijfswoning; met daaraan ondergeschikt:

d) aan huis verbonden beroepsuitoefening en kleinschalige bedrijfsactiviteiten; e) kleinschalig kamperen; met daarbij behorend(e): f) g) h) i) j) k)

ondersteunende detailhandel; parkeren; groen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen; en verhardingen.

Binnen het plangebied is ook de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – lib’ van kracht. Daarnaast geldt het Parapluplan Parkeren, vastgesteld op 4 oktober 2023. Op het plangebied geldt ook het parapluplan Wonen, Hillegom, vastgesteld 10 maart 2023. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van het geldende bestemmingsplan.

1.4

Strijdigheid met het bestemmingsplan

Deze ontwikkeling is strijdig met in het bestemmingsplan geldende gebruiksregels. De strijdigheid ligt in de gestelde eis voor de gebruiksregels onder artikel 4.1. De gronden zijn namelijk enkel bedoeld voor glastuinbouwbedrijven, gemeenschappelijke glastuinbouwvoorziening en eventueel een bedrijfswoning. Omdat het beoogde bedrijfspand

niet bedoeld is voor bedrijvigheid gerelateerd aan glastuinbouw, is er sprake van een strijdigheid. De strijdigheid met het bestemmingsplan kan overeenkomstig artikel 2.12 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden opgeheven met behulp van: 1. Binnenplanse vergunning; 2. Kruimelvergunning; 3. Uitgebreide omgevingsvergunning. Gelet op het bouwplan in relatie tot het bestemmingsplan, zijn er geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden en valt het planvoornemen ook niet onder de zogenaamde kruimelgevallenregeling, zoals opgenomen in bijlage II van het Bor. Er dient daarom een zogenaamde uitgebreide omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor het planologisch mogelijk maken van de gewenste ontwikkeling. Deze ruimtelijke onderbouwing biedt het toetsingskader om de planologische aanvaarbaarheid te onderbouwen. 1.5

Leeswijzer

Dit rapport voorziet in een ruimtelijke onderbouwing van de ruimtelijke en milieutechnische inpasbaarheid van het planvoornemen. Het biedt de onderbouwing op verschillende ruimtelijke, beleids- en milieuaspecten, om de ontwikkeling juridisch en planologische mogelijk te maken. In Hoofdstuk (1) is ingegaan op de aanleiding van het planvoornemen met daarbij uitleg voor de te doorlopen procedure. Hoofdstuk 2 beschrijft het planvoornemen. Hierin staat de uitleg en welke ontwikkelingen binnen het plangebied gepland zijn. Ook is een beeld geschetst van de bestaande situatie zodat de ontwikkelingen duidelijk zijn ten opzichte van de huidige. In Hoofdstuk 3 gaat in op de relevante beleidsstukken die er vanuit het rijk, provincie, de regio en de gemeente Haarlemmermeer zijn. Het plan is aan deze stukken getoetst. Vervolgens in Hoofdstuk 4 zijn alle omgevingsaspecten beoordeeld voor het plan. Ook staan in dit hoofdstuk de resultaten voor de onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 staat op welke manier het planvoornemen zowel maatschappelijke als financieel te realiseren is. In Hoofdstuk 6 staan de bijlagen die relevant zijn voor deze ruimtelijke onderbouwing.

2.

Planbeschrijving

2.1

Huidige situatie

In de huidige situatie betreft het een perceel met een woonhuis gelegen aan de Aarbergerweg 22, waarachter zich een loods met een oppervlakte van 980 m2 bevindt. Aan de loods grenzen tevens kassen met een gezamenlijke oppervlakte van 2.000 m2. De kassen waren tussen 1991 en 2020 in gebruik door het veredelingsbedrijf Hortapharm BV. Circa 1999/2000 zijn de kassen gerenoveerd en in 2005 is de loods heropgebouwd. Bij de renovatie van de kassen zijn de originele houten roeden en gordingen vervangen door een aluminium dakbedekking en gevels. Op de luchtfoto gemaakt in 2019 zijn de kassen nog zichtbaar, deze zijn inmiddels gesloopt om plaats te maken voor de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie is het volledige perceel AL1051 en gedeeltelijk het perceel AL1052 braakliggend.

2.2

Planvoornemen

In de toekomstige situatie is de bebouwing op de kavel AL1051 gesloopt om plaats te maken

voor de nieuwbouw. Op het terrein wordt een bedrijfsgebouw met een oppervlak van 966 m 2 en 6799 m3 bruto inhoud gerealiseerd. Het pand bestaat uit de volgende eigenschappen en voorzieningen: • • • • • • • • • •

Twee bouwlagen, 50 meter lang, 19 meter breed en 7,5 meter hoog; 108 zonnepanelen op het dak, ruimte voor 54 extra; Kantoorgedeelte op de eerste verdieping (noordoostzijde); Apart brandcompartiment: kantine, kleedruimte, technische ruimte, gereedschapsmagazijn, elektronica afdeling; Montageafdeling voor liften, werkplaats, lasserij, knipbank, boor-, slijp- en zaagmachine, magazijn voor halffabricaten; Opslag en magazijn voor afgemonteerde producten en inkoopdelen; Gevels: 100mm dikke PIR sandwichbeplating (RAL 9007), dubbel glas ZHR++ in aluminium kozijnen (Antracietgrijs); Dak: 160/132mm PIR panelen, lichtgrijze PVC dakbedekking, 108 zonnepanelen; Geïsoleerde betonvloer met 120mm EPS schuim en vloerverwarming (uitgezonderd verdiepingsvloeren); en Het pand wordt door middel van een gesloten bronsysteem verwarmd, waarbij bodemcollectoren energie onttrekken aan de bodem.

Daarnaast wordt de huidige loods, gevestigd op kavel AL1052, constructief smaller gemaakt waarbij 150 m2 oppervlak aan de noordwestelijke zijde van de loods verdwijnt om ruimte te maken voor verbreding van de inrit naar 7 meter breed. Hiervoor komt aan de achterzijde van de loods circa 60 m2 plantenkas voor terug, deze is reed gerealiseerd. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: •

•

• • •

De ruimte die ontstaat na het slopen van de kassen zal een gezamenlijk terrein worden met ruimte voor parkeren, groen, een elektrisch laadpunt voor auto’s en een fietsenstalling. Alternatieve energiebronnen (zonneboilers, grondwarmte, PV-panelen) worden onderzocht en toegepast in afwachting van restwarmte van De Meerlanden en MeerWarmte; Doel: Geen gasgebruik, stikstofneutraal energiebron; Vrijgekomen materialen bij sloop van kassen en deel loods worden hergebruikt voor plantenkas; en Groene afscherming voor terreinafscherming ter bevordering van de ecologie in de omgeving.

In de onderstaande figuren zijn respectievelijk de toekomstige situatie met op de achtergrond een luchtfoto (2023), 3D-impressies van het planvoornemen en de plattegronden van de twee bouwlagen van de nieuwbouw weergegeven.

3.

Beleidskader

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 3.1

Rijksbeleid

Nationale omgevingsvisie In het kader van de implementatie van de Omgevingswet, die momenteel gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld (2020). Inhoudelijk gezien omvat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het doel van de Rijksoverheid is om met de NOVI een perspectief te bieden om belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Deze uitdagingen omvatten onder andere omvangrijke en complexe vraagstukken met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een essentieel element van de NOVI is de nadruk op een vernieuwende benadering van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Het kernprincipe van integraal werken, waarbij verschillende vraagstukken gezamenlijk worden aangepakt in plaats van afzonderlijke sectorale benaderingen voor individuele vraagstukken, staat centraal in deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, zijnde: • • • •

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: • • •

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen.

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk delen de verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en uitdagingen overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vereisen nationale aandacht, ook wel bekend als 'nationale belangen'. De NOVI legt de focus op 21 van deze nationale belangen, die geografisch worden weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het omgevingsbeleid is grotendeels de verantwoordelijkheid van provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes vaak het beste op regionaal niveau gemaakt kunnen worden. Het huidige plan omvat geen ontwikkelingen die indruisen tegen de nationale belangen en waarop de NOVI van invloed is. Het onderhavige plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het betreft de realisatie van een bedrijfspand voor lichte industrie met een werkplaats kleiner dan 1.000 m2. Een nadere toetsing aan de NOVI kan daarom achterwege blijven.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Belangrijk onderdeel van de Barro, bij ruimtelijke ontwikkelingen als woningbouw, is de ladder voor duurzame ontwikkeling. Deze staat hieronder beschreven. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden.

Beoordeling nationaal beleid De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een nieuw bedrijfspand voor lichte industrie met kantoor te bouwen aan de Aarbergerweg 22 te Rijsenhout. Om plaats te maken voor dit bedrijfspand zijn de kassen gesloopt die eerder op de locatie stonden. Met deze ontwikkeling wordt aangesloten bij de Nationale Omgevingsvisie, en met name bij de ambitie om een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat te waarborgen en versterken. De nieuwe bebouwing is een stuk moderner en duurzamer dan de eerdere kassen. Ook sluit de nieuwe bebouwing beter aan bij de lokale behoefte aan meer panden voor lichte industrie. Op deze manier sluit het plan aan bij de ambitie om ‘passende toekomstbestendige voorzieningen te realiseren’, zoals is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7.

In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale

infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de bovenstaande onderwerpen van nationaal belang. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet daarnaast geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Conclusie nationaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. 3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 'Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie NoordHolland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving: a. Klimaatverandering: een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. b. Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. c. Biodiversiteit en natuur: vergroten van de biodiversiteit in Noord-Holland, ook omdat dit andere ambities en doelen kan bevorderen. Gebruik van de leefomgeving: a. Economische transitie: streven naar een duurzame economie met innovatie als belangrijke drijfveer.

De provincie biedt ruimte voor de ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. b. Wonen en werken: betere afstemming tussen woongebieden en werklocaties. Woningbouw wordt voornamelijk gepland in en rond bestaande stedelijke gebieden, in overeenstemming met kwalitatieve behoeften en trends. c. Mobiliteit: effectieve, veilige en efficiënte verplaatsing van inwoners en bedrijven binnen Noord-Holland.

d. Landschap: behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van diverse landschappen en cultuurhistorie. Energietransitie: De ambitie van de provincie is dat Noord-Holland in 2050 als samenleving volledig klimaatneutraal is. Daarnaast wordt met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd een koers uit te stippelen als richting voor een onzekere toekomst. Hiervoor worden een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: • • • • • •

Noord-Holland in beweging: op weg naar een economisch duurzame toekomst. Dynamisch schiereiland: benutten van de unieke ligging. Metropool in ontwikkeling: vergroten van de agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem. Sterke kernen, sterke regio's: sterke kernen houden regio's vitaal. Nieuwe energie: benutten van economische kansen van de energietransitie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector.

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Relevantie plangebied Het planvoornemen kent geen strijdigheden met de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050. In de Omgevingsvisie wordt niet expliciet ingegaan op ambities op specifiek lichte industrie. Wel is in de Omgevingsvisie op pagina 42 opgenomen dat Noord-Holland te maken heeft met bedrijfsbeëindigingen in de agrarische sector. Leegstand is niet goed voor de ruimtelijke kwaliteit, vitaliteit en leefbaarheid va het landelijk gebied. Daarom dient gezocht te worden naar alternatieve functies, om economische kansen te benutten en ook de energietransitie vorm te geven. Dit plan sluit goed aan bij deze ambitie. Door een nieuw, hypermodern bedrijfspand te realiseren ter vervanging van verouderde kassen, draagt het plan weliswaar op kleine schaal bij aan de energietransitie en zorgt deze voor het benutten van economische kansen. Structuurvisie Noord-Holland 2040 In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 beschrijft de provincie hoe en op welke manier met ontwikkelingen wordt omgegaan die een grote ruimtelijke impact hebben zoals globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp.

Daarnaast geeft de provincie aan welke keuzes gemaakt worden en wordt geschetst hoe de provincie er in 2040 uit moet komen te zien. Van belang is om bestaande kwaliteiten van het provinciale landschap te behouden of verder te ontwikkelen. Op basis hiervan richt de structuurvisie zich op drie hoofdbelangen: • • •

Klimaatbestendigheid: de provincie zorgt voor een gezonde en veilige leefomgeving in harmonie met water en gebruik van duurzame energie; Ruimtelijke kwaliteit: de provincie zorgt voor behoud van het Noord-Hollandse landschap door verdere ontwikkeling van de kwaliteit en diversiteit; Duurzaam ruimtegebruik: de provincie zorgt voor een regionale ruimtelijke hoofdstructuur waarin functies slim gecombineerd worden en goed bereikbaar zijn nu, en in de toekomst.

Deze drie hoofdbelangen vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De concrete activiteiten die aan de hand van de visie worden gerealiseerd, zijn beschreven in het bijbehorende uitvoeringsprogramma. De doorwerking voor gemeentelijke plannen is vertaald in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 De Omgevingsverordening NH2022 is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt, dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. De Omgevingsverordening NH2022 vertaalt de ambities, ontwikkelprincipes en de sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie NH2050. Deze sturingsfilosofie luidt als volgt: We gaan uit van het principe ‘Lokaal wat kan, regionaal wat moet’, gelet op de diversiteit aan regio’s, om ruimte te bieden aan maatwerk en om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Hierbij staat de opgave centraal. Dat bepaalt de wijze van sturing en samenwerking. De Omgevingsverordening geeft een verdere invulling van de hoofdambitie van de Omgevingsvisie NH2050, een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid.

De regels geven de kaders waarbinnen deze ruimte voor afweging en maatwerk mogelijk is en zijn in overeenstemming met de ontwikkelprincipes en ambities zoals verwoord in de omgevingsvisie. Deze regels zijn er onder andere op gericht om zoveel mogelijk binnenstedelijk te verdichten en het landschap te behouden en beschermen. Dat wil niet zeggen dat er niets mogelijk is in het landelijk gebied, maar het vraagt wel om een goede onderbouwing en landschappelijke inpassing. Relevantie plangebied Op basis van de omgevingsverordening kan het beoogde plan mogelijk worden gemaakt, maar dient hier dus wel een goede ruimtelijke onderbouwing voor te worden opgesteld. Het plan kent geen duidelijke strijdigheden met de gestelde kaders. Conclusie provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het provinciale beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. 3.3

Gemeentelijk beleid

Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040 De verdichtingsvisie beschrijft hoe Haarlemmermeer op sommige plaatsen meer stads wordt en er op andere plekken ruimte is voor groen, recreatie en het open polderlandschap. Op die manier groeit de gemeente naar de toekomst als aantrekkelijke locatie met verschillende sferen om te wonen, werken en recreëren. Deze verdichtingsvisie geeft hiervoor de kaders. De verdichtingsvisie heeft twee doelen: inspireren en randvoorwaarden meegeven hoe verdichting van meerwaarde kan zijn voor Haarlemmermeer. Met behulp van ontwerpend onderzoek zijn de effecten van verdichting inzichtelijk gemaakt. Verdichting vereist maatwerk. Er zijn acht veelvoorkomende plekken geïdentificeerd die samen Haarlemmermeer typeren. Voor elk type is op een testlocatie gestudeerd hoe verdichting positieve effecten kan opleveren. Om ook kansen op een hoger schaalniveau te kunnen verzilveren, is sturing op de onderlinge samenhang van de typerende locaties noodzakelijk.

Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040 De Omgevingsvisie gaat over de toekomst van Haarlemmermeer. Haarlemmermeer wil doorgroeien van 157.000 inwoners in 2021 richting 200.000 inwoners in 2040. Het moet een prettige gemeente zijn om te wonen en te werken. Het moet goed bereikbaar, schoon en groen zijn met veel plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten of kunnen bewegen in de buitenlucht. We willen dat mensen hier gezond en veilig kunnen leven. We willen ook een welvarende plek zijn met een sterke economie waar bedrijven zich graag vestigen. Bovendien willen we het karakter van Haarlemmermeer koesteren: het boerenlandschap, de polderwegen, de gemalen, de Ringvaart, maar ook de 31 dorpen en kernen met elk hun eigen sfeer en de bedrijven en luchthaven aan de oostkant. In de Omgevingsvisie wordt beschreven hoe al die zaken te maken hebben met elkaar en hoe we de toekomst van Haarlemmermeer zien. Structuurvisie ‘Haarlemmermeer 2030’ De Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is vastgesteld in 2012. Hierin wordt ingegaan op structurerende zaken met ontwerpprincipes voor duurzaamheid, een duurzaam en klimaatbestendig 13 mei 2020 | Ruimtelijke onderbouwing ‘Pannenkoekenpaviljoen Cruquius’ | Buro Stedenbouw 24 watersysteem, energie, netwerk- en ketenmobiliteit, de synergie met Schiphol, ruimte voor attracties, en de cultuurhistorie en diversiteit als drager van de ontwikkelingen.

Ook over de wijze waarop wordt ontwikkeld en het centraal stellen van de mens in dit ontwikkelproces worden belangrijke uitspraken gedaan. Het accent ligt hierbij op Sociale Duurzaamheid en Ruimtelijke Kwaliteit. De Structuurvisie is een ruimtelijk instrument. De keuze is gemaakt om het denken in structuren veel meer dan tot nu toe te laten leiden door de behoeften van mensen. Voor de bewoners van nu maar ook voor de inwoners van de toekomst. Duurzaamheid is hierbij eerder een wijze van denken en een ontwerpprincipe voor ontwikkelingen dan een programmatisch thema. Het doel van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 is het bieden van een kader, waarmee Haarlemmermeer: 1. de ruimtelijk bestaande situatie, de huidige ontwikkelingen en de gewenste toekomstige ontwikkelingen in hun onderlinge samenhang (voor de periode tot 2030) borgt; 2. het toetsingskader voor het ruimtelijk beleid voor de periode 2010-2020 geeft; 3. de kaders voor het maken van financiële afspraken met overheden en marktpartijen voor bovenplanse verevening biedt. Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout Het doel van de Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout is om een nieuw perspectief en planologische duidelijkheid te bieden voor de glastuinbouwclusters 1, 2, 3, 6 en 7 in Rijsenhout (zie bovenstaande afbeelding). Dit project valt in cluster 1CD.

De leefbaarheid in deze gebieden staat onder druk doordat het gebied verpauperd, er niet meer geïnvesteerd wordt, een eenduidig perspectief voor een nieuwe invulling van deze gebieden ontbreekt, met ingestorte kassen als resultaat. De ambitie die vanuit de participatie over de visie naar voren is gekomen is kernachtig samen te vatten: Bij het ontwikkelen van nieuwe economische dragers voor de transformatiegebieden zijn de thema's recreatie en duurzaamheid leidend. Cluster 1 en 2 In de clusters 1AB, 1CD en 2 (maatwerkgebied) liggen vooral kansen op het gebied van duurzaamheid en innovatie zoals het toepassen van bijzondere teelten en teelttechnieken, biologische landbouw, moestuinen, stadslandbouw en lokale duurzame energieopwekking. In cluster 1CD is bovendien ruimte voor lichte bedrijvigheid met een innovatief karakter en een lage verkeer aantrekkende werking (maximaal milieucategorie 2). Daarnaast liggen op enkele locaties kansen voor wonen in het lint.’

Cluster 1CD De gronden in cluster 1CD zijn overwegend in eigendom van zes grondeigenaren waaronder een tuinbouw gerelateerd bedrijf, een agrarisch bedrijf met biologische teelt en enkele niet actieve glastuinbouwers, die andere activiteiten hebben ontwikkeld (opslag, reparatie van klassieke auto’s) en een (illegaal) caravanstallingsbedrijf. Daarnaast zijn enkele percelen in particulier bezit en is een voormalig glastuinbouwbedrijf in het gebied aanwezig die de kassen voor opslag gebruikt. Cluster 1CD is grotendeels vrij van bebouwing (veel oude kassen zijn reeds gesloopt om het gebied geschikt te maken voor glastuinbouw). Langs Heermanszwet, Aarbergerweg, Aalsmeerderweg en Den Adelszwet liggen voornamelijk burgerwoningen (allen voormalige bedrijfswoningen). Aan de noordkant van het gebied ligt afvalverwerker De Meerlanden en de rioolwaterzuivering van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het gebied kent diverse milieubelemmeringen. Rond de rioolwaterzuivering en De Meerlanden ligt een milieucontour. Daarnaast ligt het gehele gebied binnen de bouwbeperkingenzone 4 van het LIB, waardoor woningbouw, zonder een verklaring van geen bezwaar, niet mogelijk is. Begrenzing cluster 1 en 2 In de functiekaart op blz. 12 is zowel het huidige legale gebruik als het strijdige gebruik weergegeven.

Hieruit blijkt dat diverse strijdige functies (particulier en zakelijk) in het maatwerkgebied aanwezig zijn. Hierdoor kunnen de gronden niet worden gebruikt voor het ontwikkelen van glastuinbouw. Vanuit de participatie voor cluster 1CD wordt de nadruk gelegd op het ontwikkelen van nieuwe economische functies in het gebied waaronder duurzame bedrijvigheid (zoals een algenkwekerij) en stille opslag, alsmede het versterken van de woonfunctie langs de Heermanszwet. Er wordt aangegeven dat een combinatie van wonen in het lint met lichte bedrijvigheid op het achterterrein als passend wordt beschouwd. In 2017 is in opdracht van de Greenport Aalsmeer een ondernemersverkenning uitgevoerd om inzicht te krijgen in de behoeften en toekomstplannen van ondernemers in de Greenport. Onderzocht is of onderrnemers willen doorgaan, stoppen of uitbreiden. Uit de ondernemersverkenning van Haarlemmermeer blijkt dat het gehele maatwerkgebied (cluster 1AB, 1CD en 2) niet meer kansrijk is voor herstructurering naar modern en duurzaam glas. Op basis hiervan wordt voorgesteld om het gehele maatwerkgebied als transformatiegebied aan te wijzen. Voor de functionele invulling van het gebied is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de opbrengsten vanuit de participatie voor het maatwerkgebied.

In het maatwerkgebied (de clusters 1AB, 1CD en 2) liggen vooral kansen op het gebied van duurzaamheid en innovatie zoals het toepassen van bijzondere teelten en teelttechnieken, biologische landbouw, moestuinen, stadslandbouw en lokale duurzame energieopwekking. In cluster 1CD is ook ruimte voor lichte bedrijvigheid met een innovatief karakter en een lage verkeer aantrekkende werking (maximaal milieucategorie 2). Relevantie plangebied Op basis van bovenstaande informatie wordt duidelijk dat de beoogde ontwikkeling goed past binnen de ambities zoals beschreven in de Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout. Omdat het plangebied zich bevindt binnen het maatwerkgebied, is er ruimte voor nieuwe bedrijfsinitiatieven zoals het beoogde plan. De cluster 1CD is niet geschikt meer voor glastuinbouw, en is vanwege de vele verschillende functies en milieubeperkingen ook niet geschikt om nieuwe woningen te realiseren. Lichte bedrijvigheid van maximaal categorie 2 is daarentegen wel geschikt binnen dit gebied. Ook wordt er met dit plan voldaan aan de ambitie om lichte bedrijvigheid te realiseren met een lage verkeersaantrekkende werking, omdat de

beoogde functie bezoekersextensief zal zijn. Ook vanuit de participatie is gebleken dat het beoogde plan als gepast wordt beschouwd. Beoordeling gemeentelijk beleid Het planvoornemen vormt geen strijdigheid met de Verdichtingsvisie Haarlemmermeer 2040. Op de verdichtingskaart valt de planlocatie onder het samenhangend gebied ‘Wijken’. Omdat de nieuwbouw eerdere verouderde kassen vervangt, is verdichting niet zo zeer aan de orde. Wel staat in de Verdichtingsvisie dat het wenselijk is om slim om te gaan met de steeds schaarser wordende ruimte. Het past daarom goed om een nieuw modern bedrijfsgebouw te realiseren op deze locatie. Ook is er geen strijdigheid met de Omgevingsvisie Haarlemmermeer 2040. Het planvoornemen sluit aan bij de ambitie om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en de ruimte beter in te delen. In dit geval gebeurt dat door het realiseren van een bedrijfspand op een locatie waar lichte bedrijvigheid passend en gewenst is, en de eerdere kassen te slopen. Tenslotte is het plan niet strijdig met de Structuurvisie ‘Haarlemmermeer 2030’ en de ‘Omgevingsverordening’. Het plan betreft geen impactvolle veranderingen op de structuur van de gemeente, en op basis van de Omgevingsverordening is maatwerk mogelijk. Daarnaast is het plan in lijn met de Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout.

Lichte bedrijvigheid met een bezoekers extensieve functie is passend binnen de maatwerkcluster 1CD. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft inspectie uitgevoerd bij Euroliften, op verzoek van de Gemeente Haarlemmermeer. Hieruit is een advies uitgebracht waarin Euroliften passend bevonden zijn als Categorie 2 bedrijf. De Gemeente Haarlemmermeer heeft dit advies overgenomen en het Activiteitenbesluit goedgekeurd.

4.

Omgevingsonderzoeken

4.1

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkeling dienen verkeersaspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kunnen de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gegarandeerd en vermeden van onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Ontsluiting Het plangebied wordt toegankelijk gemaakt door de loods op perceel AL1052 te versmallen en een constructieve aanpassing uit te voeren. Hierdoor zal de bestaande in- en uitrit verbreed worden naar een breedte van 7 meter. Een alternatief scenario is besproken met de gemeente Haarlemmermeer, waarbij overwogen is om in de toekomst een nieuwe centrale toegangsweg in het gebied aan te leggen, waardoor het plangebied bereikbaar zou worden vanaf de zuidelijke zijde van perceel AL1051. Op dit moment wordt echter in dit planvoornemen uitgegaan van de ontsluiting via de noordzijde richting de Aarbergerweg, via de bestaande inen uitrit. Verkeer De ontwikkeling bestaat uit het toevoegen van 966 m2 bedrijfsbebouwing in de vorm lichte industrie. De voorgenomen transformatie resulteert in een verandering van het aantal vervoersbewegingen van en naar het plangebied. Om deze vervoersbewegingen in kaart te brengen is een worstcase berekening uitgevoerd naar de te verwachten vervoersbewegingen.

Voor de route is uitgegaan van 100% van en naar de Aarbergerweg. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van het planvoornemen wordt bepaald aan de hand van CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ d.d. december 2018. Het plangebied bevindt zich in de buurt Rijsenhout Omgeving in de gemeente Haarlemmermeer. Met een omgevingsadressendichtheid van 289 adressen is het plangebied aan te merken als niet stedelijk. Uit de Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout blijkt dat het gebied in cluster 1CD als rest bebouwde kom wordt beschouwd. Op basis van deze gegevens volgen de onderstaande berekeningen. In berekening is worstcase uitgegaan van het vrachtverkeer volgens de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen’ (december 2018). Het werkmilieutype van het bedrijventerrein is vastgesteld als ‘I – Gemengd terrein’. Met dit gegeven is de gemiddelde verdeling van de motorvoertuigbewegingen tussen personen- en vrachtauto’s bepaald. De verdeling is afgerond op gehele percentages: 81% personenauto’s – 19% vrachtauto’s (zie tabel A8 uit de publicatie). Uit tabel A9 van de publicatie volgt een verdeling van de vrachtautobewegingen tussen lichte vrachtauto’s (< 7,5 ton GVW) en zware vrachtauto’s (>7,5 ton GVW). De verdeling van de vrachtauto’s: 41% middelzwaar vrachtverkeer – 59% zwaar vrachtverkeer.

Het aandeel van 19% van het vrachtverkeer, voor de levering van goederen, wordt door middel van een berekening verdeeld in deze twee type vrachtauto’s. Uit de berekening volgt dat de vrachtautobewegingen verdeeld zijn over 7,8% middelzwaar vrachtverkeer en 11,2% zwaar

vrachtverkeer. Beginsituatie In de huidige situatie was een agrarisch glastuinbouwbedrijf/kwekerij actief. Het brutovloeroppervlak van de kassen bedraagt circa 2.200 m2. Als uitgangspunt is genomen: de CROW-normering ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. In de berekening is worstcase uitgegaan van de gemiddelde norm voor het aantal verkeersbewegingen. Uit de berekening in onderstaand tabel wordt geconcludeerd dat de beginsituatie circa 106 verkeersbewegingen per dag veroorzaakt. Tabel 2: Vervoersbewegingen (huidige situatie) Onderdeel Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief

Aantal 2.200 m bvo

2

Norm per 100 m2 bvo

Totaal

4,8 verkeersbewegingen per dag

105,6 verkeersbewegingen per dag

Worstcase is rekening gehouden Verdeling categorie

-

met 19% vrachtverkeer, waarvan 7,8% middelzwaar en 11,2% zwaar

Totaal

-

Verdeling categoriebewegingen per dag: 81% = 85 personenauto 7,8% = 9 middelzwaar vrachtverkeer

vrachtverkeer

11,2% = 12 zwaar vrachtverkeer.

-

106 verkeersbewegingen per dag

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie gaat Eurotrapliften BV zich daar vestigen. Het bruto-vloeroppervlak van het beoogde pand bedraagt circa 966 m2. Als uitgangspunt is genomen: de CROWnormering ‘Bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief’. In de berekening is worstcase uitgegaan van de gemiddelde norm voor het aantal verkeersbewegingen. Uit de berekening in onderstaand tabel wordt geconcludeerd dat de toekomstige situatie circa 96 verkeersbewegingen per dag veroorzaakt. Tabel 3: Vervoersbewegingen (toekomstige situatie) Onderdeel

Aantal

Norm per 100 m2 bvo

Totaal

Bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersextensief

966 m2 bvo

10,0 verkeersbewegingen per dag

96,0 verkeersbewegingen per dag

Worstcase is rekening gehouden met 19% vrachtverkeer, waarvan Verdeling categorie

-

7,8% middelzwaar en 11,2% zwaar vrachtverkeer (zie onderstaande

Verdeling categoriebewegingen per dag: 81% = 77 personenauto 7,8% = 8 middelzwaar vrachtverkeer 11,2% = 11 zwaar vrachtverkeer.

toelichting voor verdeling). Totaal

-

-

96 verkeersbewegingen per dag

Conclusie verkeer Op basis van de bovenstaande berekeningen kan worden geconcludeerd dat het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie zal afnemen in vergelijking met de huidige situatie. Dit impliceert dat de verkeerssituatie minder belastend en minder veeleisend zal zijn voor de toegangsweg.

Parkeren Op grond van de op 29 november 2014 in werking getreden 'Reparatiewet BZK 2014' (hierna: Reparatiewet) vervallen uiterlijk op 1 juli 2018 de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening. Een van die voorschriften betreft het realiseren van voldoende parkeergelegenheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om dat te kunnen blijven borgen, moeten voortaan ruimtelijke plannen daarvoor een regeling bevatten. Dit geldt per direct voor ruimtelijke plannen die zijn vastgesteld na de datum van inwerkingtreding van de Reparatiewet. De ‘Parapluplan parkeerregels’ is onherroepelijk vastgesteld op 4 oktober 2018. Daarnaast is een partiële herziening onherroepelijk vastgesteld op 9 maart 2023. Een parapluplan biedt de mogelijkheid alle of een (groot) aantal bestemmingsplannen binnen de gemeente in één keer te herzien voor een bepaald aspect. In het voorliggende plan betreft dit het aspect parkeren. Met dit parapluplan worden het huidige Handboek en diens rechtsopvolgers in de geldende bestemmingsplannen ingepast. Met het parapluplan krijgt bestaand beleid een actuele juridische vertaling. Hiermee wordt geen nieuw beleid geïntroduceerd. Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018 Met het parkeerbeleid wil de gemeente Haarlemmermeer de parkeerbehoefte faciliteren, maar wel binnen bepaalde grenzen.

Parkeren voor een voorziening of functie moet bij die voorziening worden opgelost, zoveel mogelijk op eigen terrein of binnen de plangrenzen van een ontwikkeling. Om de reguliere parkeervraag te kunnen faciliteren moet voldoende parkeeraanbod gerealiseerd worden. Beoordeling parkeerbeleid De onderstaande stappen zijn uitgevoerd volgens de methodiek van het ‘Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018’. •

Stap 1 – Bepalen van de stedelijkheidsgraad o Het plangebied wordt als ‘niet stedelijk’ gekenmerkt.

•

Stap 2 – Bepalen van de ligging ten opzichte van centrum (stedelijke zone) o Het plangebied, gelegen in cluster 1CD van Rijsenhout, valt onder ‘rest bebouwde kom’.

•

Stap 3 + 4 – Bepalen van de bandbreedte en de parkeernorm o De dichtstbijzijnde HOV-halte is op een afstand groter dan 700 meter, hieruit volgt een maximum van de bandbreedte

In de bijlage van het ‘Handboek parkeernormen gemeente Haarlemmermeer 2018’ zijn de kengetallen opgenomen voor ‘bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief’. Hiervoor geldt een maximale norm van 2,6 per 100 m2 bvo en een percentage bezoekers van 20%. In totaal wordt 966 m2 bvo gerealiseerd. Voor het gehele plan geldt daarmee een parkeernorm van 25,1 parkeerplaatsen. Met dit plan worden in totaal 26 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan één invalide plek van 3 bij 5,5 meter en twee parkeerplekken voorzien van een elektrische laadpaal. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.

Tabel 4: Autoparkeernormen Wonen (toekomstige situatie) Onderdeel Bedrijf arbeidsintensief /bezoekersextensief

Aantal

Norm per 100 m2 bvo

Totaal

966 m2 bvo

2,6 parkeerplekken

25,1 parkeerplekken

Op de onderstaande figuur is een illustratie weergegeven van de parkeerplekken en de in- en uitrit in de toekomstige situatie. Als bijlage is ook de nieuwe situatie toegevoegd, waarin de maatvoering is duidelijk zichtbaar is (zie Bijlage II).

4.2

Bodemkwaliteit

Wetgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Beoordeling planvoornemen In juni en juli 2019 heeft het onderzoeksbureau Terrascan BV in opdracht van Kirto-Tech B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Aarbergerweg 22 te Rijsenhout. Het

onderzoek was gericht op het verkrijgen van inzicht in mogelijke bodemverontreinigingen in verband met de voorgestelde nieuwbouw van een loods op het voormalige kassencomplex. De belangrijkste bevindingen van dit onderzoek zijn in onderstaand overzicht beschreven. • • • • •

De bovengrond bestaat hoofdzakelijk uit zandige klei, gevolgd door siltig zand in diepere lagen. In de bovengrond zijn maximaal lichte verontreinigingen met OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen) aangetroffen. In de ondergrond werden geen significante verontreinigingen vastgesteld. Het grondwater vertoonde lichte verontreinigingen met molybdeen, nikkel, zink, xylenen en naftaleen. Tijdens het veldwerk is geen specifiek asbestonderzoek uitgevoerd, dit onderzoek heeft wel plaatsgevonden tijdens het vervolgonderzoek.

De conclusie was dat, op basis van milieukundig oogpunt, de geplande bouwactiviteiten op deze locatie geen belemmeringen zouden moeten ondervinden. Na het verkennende bodemonderzoek volgde een vervolgonderzoek waarin de bodemverontreiniging met PFAS (in het bijzonder PFOS) nader werd onderzocht en geëvalueerd. De resultaten en conclusies van dit tweede onderzoek zijn onderstaand beschreven. • • • •

De analyseresultaten werden getoetst aan diverse richtlijnen en beleidsdocumenten, waaronder lokale en provinciale normen voor PFAS-verontreiniging. Ernstige verontreiniging met PFOS is aangetoond in de bovengrond-mengmonsters MMO6 en MMO8, evenals lichte verontreinigingen met andere PFAS-verbindingen. In mengmonster MMO7 werd een lichte verontreiniging met PFOS en andere PFASverbindingen vastgesteld. Asbest werd noch analytisch noch visueel aangetoond in de bovengrond.

De conclusie van het tweede onderzoek is dat de bovengrond als sterk verontreinigd met PFOS beschouwd moest worden, wat leidde tot de classificatie van de bodemkwaliteitsklassen 'niet toepasbaar' (MMO6 en MMO8) en 'industrie' (MM07) volgens het lokale beleid. Tijdens het onderzoek werden echter geen significante humane, ecologische of verspreidingsrisico's geïdentificeerd vanwege het voorgenomen gebruik van het terrein en de aangetoonde concentraties PFAS. Op basis van de resultaten van beide onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de bodem op de locatie Aarbergerweg 22 te Rijsenhout lichte verontreinigingen vertoont, met name in de vorm van PFAS-verontreiniging in de bovengrond. Hoewel er PFOS-verontreiniging is geconstateerd die de normen overschrijdt, worden geen significante risico's verwacht voor mens, ecologie of verspreiding van verontreinigingen. Echter worden specifieke veiligheidsmaatregelen aanbevolen voor werkzaamheden in de verontreinigde bovengrond, daarnaast wordt aangeraden de resultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag als onderdeel van de bouwaanvraagprocedure. Wat betreft asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie, kan worden geconcludeerd dat dit niet aan de orde is. Geconcludeerd wordt dat de onderzoeksresultaten geen belemmering vormen voor de afgifte van een omgevingsvergunning.

Beide onderzoeksrapporten zijn als bijlage toegevoegd (zie Bijlage III en IV).

Conclusie bodemgeschiktheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

Wetgeving Archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •

Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; en De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Beoordeling planvoornemen Het plangebied kent geen dubbelbestemming archeologie in het bestemmingplan. Echter, geldt volgens de digitale beleidskaart archeologie van de gemeente Haarlemmermeer de zone: “Waarde – archeologie 6”. Hieruit volgt de verplichting tot onderzoek in gevallen waarin bodemingrepen worden verricht met een oppervlakte groter dan 10.000 vierkante meter en een diepte van meer dan 40 centimeter. Voor plannen met deze omvang is geen verplicht onderzoek vereist. Indien desondanks tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen, dient conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet onverwijld melding te worden gemaakt bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoonnummer 033-4217456). Een melding aan de gemeentelijke of provinciale archeoloog is eveneens toegestaan. In dergelijke situaties dienen de werkzaamheden te worden opgeschort, waarna nader onderzoek dient te worden uitgevoerd door een archeoloog conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Wetgeving Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is er één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea monumenten en archeologie op het land en onder water.

Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd

Cultuurhistorie De provincie Noord-Holland hanteert het beleidsinstrument “Leidraad Landschap & Cultuurhistorie 2018”. In deze handreiking heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. In de Barro en de provinciale omgevingsverordening is de beschermingszone van het werelderfgoed voor de Stelling van Amsterdam vastgelegd. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt in een beschermingszone van het werelderfgoed voor de Stelling van Amsterdam. In de nabijheid van het plangebied ligt het Fort bij Aalsmeer, zoals in onderstaand figuur is weergegeven.

Aangezien de kassen niet als monument zijn geclassificeerd en het behoud van de essentiële zichtrelatie van het Fort bij Aalsmeer en de toegankelijkheid van het fort worden gewaarborgd, vormt de cultuurhistorie geen belemmering voor het voorgenomen plan.

Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is er geen belemmering voor het planvoornemen. In overleg met het bevoegd gezag wordt bepaald in hoeverre archeologie verder onderzocht moet worden.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Wetgeving Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot

milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd.

De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen Op 17 augustus 2023 heeft het bureau AWG Geluidadvies BV een memo bedrijven en milieuzonering opgesteld, onderstaand zijn de conclusies beschreven. De memo is als bijlage toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (zie Bijlage V). Het planvoornemen bestaat om een nieuwe bedrijfshal met kantoor, opslagruimte en werkplaats te realiseren op het terrein Aarbergerweg 22 in Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer. Hierdoor verandert de bestemming van agrarisch naar een industriefunctie. De Omgevingsdienst heeft na een bezoek aan het bestaande bedrijf bepaald dat het bedrijf valt onder milieucategorie 2, met een maximale geluidafstand van 30 meter. Dit is een verbetering ten opzichte van de bestaande agrarische bestemming, die ook categorie 2 is met dezelfde geluids- en geurafstand. De woning op Aarbergerweg 22 wordt gezien als een woning van derden, hoewel deze altijd als bedrijfswoning is gebruikt door de eigenaar van het bedrijf.

In het gemengde gebied geldt een lagere geluidsafstand van 10 meter, wat alle woningen van derden respecteren. Echter gelden beperkingen vanwege de maximale bouwmogelijkheden op het perceel en de gedeelde oprit. Het bedrijf assembleert (trap)liften voor mensen met een lichamelijke beperking en voert lichte constructiewerkzaamheden uit. Binnen het bedrijf zijn geen grote machines aanwezig en de hal wordt gasloos verwarmd. Het bedrijf zorgt voor geluid van transportbewegingen, maar is alleen overdag actief (07.0019.00 uur) en heeft 3 eigen bestelbussen en maximaal 2 bakwagens per week. Het rekenmodel houdt ook rekening met 8 bewegingen van bestelbussen en 40 van personenauto's op een representatieve dag. Hoewel de CROW-publicatie hogere verkeersintensiteiten aangeeft, is dit niet van toepassing op dit bedrijf, wat resulteert in milieucategorie 2 zoals vastgesteld door de Omgevingsdienst. Het bedrijf heeft geen bezwaar tegen maatwerkvoorschriften en een maximum aantal

transportbewegingen per dag. Een rekenmodel is opgesteld en het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet bijna aan de richtwaarden in beide situaties, behalve voor maximale geluidsniveaus (L A;max = 70 dB(A)) overdag. Voor de eigen woning kan dit worden opgelost door een 2 meter hoog scherm langs de oprit te plaatsen, maar voor Aarbergerweg 24 is dat niet mogelijk. Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering kan het bevoegd gezag toch akkoord gaan met een maximale waarde van LA;max = 70 dB(A) zonder rekening te houden met het aan- en afrijdend verkeer. Dit is gerechtvaardigd vanwege verschillende redenen, waaronder het voldoen aan de richtwaarden, de dagactiviteit van het bedrijf, het beperkte aantal bakwagens en de goede isolatie van de woningen tegen vliegtuiggeluid. Hierdoor is aangetoond dat het plan met de voorgestelde bedrijfsvoering geen nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat met betrekking tot geluid, en dat bestaande rechten niet onevenredig worden aangetast.

Conclusie bedrijven- en milieuzonering Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.5

Ecologie

Wet natuurbescherming Bij het ruimtelijke plan toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde (Natura 2000) gebieden. Beoordeling planvoornemen In opdracht van de initiatiefnemer is op 6 september 2023 een ecologische quickscan uitgevoerd aan de Aarbergerweg 22 te Rijsenhout. Onderstaand zijn de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek beschreven. Voor de volledigheid is de quickscan als bijlage toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (zie Bijlage VI). Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, zijn niet waarschijnlijk. Soortbescherming Uit de bureaustudie en biotooptoets komt naar voren dat binnen het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden mogelijk vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=e2a51dc2-8335-4d08-8207-7f50e41ce588