Bijlage 6.19 Quickscan flora en fauna N201
Tekst van het document
Quickscan Wnb Plan Noord Hoofddorp
Quickscan Wnb Plan Noord Hoofddorp
Titel
Quick Scan Wnb Plan Noord Hoofddorp
Uitvoering
Bureau Bleijerveld
Opdrachtgever
Buro Boot Plesmanstraat 5 3900 AM Veenendaal
Datum
06 december 2021
Status
2e versie
8451 KB Oudeschoot Tel 06-40559568 mobleijerveld@gmail.com
www.ruimtevooradvies.nl
Schoterlandseweg 53
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding & doel 1.2 Methoden 1.3 Plangebied 1.4 Ingreep
1 1 2 2 5
2
Beschermde gebieden 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden 2.2 Effecten beschermde gebieden
6 6 6
3
NDFF-gegevens
7
4
Beschermde soorten 4.1 Planten 4.2 Zoogdieren 4.3 Vleermuizen 4.4 Vogels 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Ongewervelden 4.9 Samenvatting
9 9 9 9 10 11 11 11 11 12
5
Conclusies 5.1 Beschermde gebieden 5.2 Beschermde soorten
13 13 13
Bronnen Bijlage I. Wettelijk kader en beleidsbeleid
15
1 1.1 Aanleiding & doel
Inleiding
In Hoofddorp-Noord wordt een deel van het bedrijventerrein herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. In dit verband heeft gemeente Haarlemmermeer het voornemen om de toegang tot het gebied te wijzigen en de strook langs de N201 her in te richten. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb, 2017) en de provinciale structuurvisie/ verordening (EHS/NNN).
Figuur 1. Hoofddorp met globale ligging plangebied (rood).
Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet Natuurbescherming of omgevingsverordening. Een quickscan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied. Bronnenonderzoek, een terreinbezoek en ecologische kennis vormen de basis van de beoordeling. De quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
1
1.2 Methoden
Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van beschermde gebieden in de regio. Daarvoor zijn Waarneming.nl en de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Voor de ligging van beschermde gebieden is gebruik gemaakt van Synbiosys.alterra.nl en de digitale atlas van provincie Noord-Holland. Op 22 november 2021 is het plangebied bezocht. Daarbij is gelet op de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten en indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).
1.3 Plangebied
Het plangebied wordt gevormd door een strook van circa 750 meter langs de N201 tussen de Hoofdweg in het oosten en Broekermeerstraat 135 in het westen. In de westelijke helft is de strook beperkt tot de berm van de weg exclusief de bermsloot. Het betreft een grasberm die beplant is met populieren van gemiddelde leeftijd (Ø ± 60 cm). Op het sloottalud ontbreekt een moerasgordel. In de oostelijke helft is geen bermsloot aanwezig en ontbreken de populieren langs de weg. Wel staat een aantal populieren in het bermvak tussen de weg en de afrit. Verder behoort de groenstrook van het bedrijventerrein hier tot het plangebied. De groenstrook is fragmentarisch en grotendeels smal. Het gaat om soorten als populier, hazelaar, eenstijlige meidoorn, iep, beuk en zomereik. Een aantal bomen – met name de populieren - heeft een grotere diameter (Ø > 60 cm). Alleen ter hoogte van Debbestraat 25 is de groenstrook breder over een lengte van circa vijftig meter. Dit is de uitloper van een brede groenstrook die in westelijke richting langs het bedrijventerrein loopt. De uitloper bestaat uit gemengd bosplantsoen van soorten als zomereik, es, hazelaar, wilde liguster, kardinaalsmuts, eenstijlige meidoorn, inlandse vogelkers, rode kornoelje en spaanse aak. De meeste bomen zijn jong en hebben een diameter die kleiner is dan 40 cm.
In het stuk staat één oudere populier met een grote diameter (Ø > 60 cm). Het gedeelte van het bedrijventerrein dat tot het plangebied behoort is grotendeels verhard. Plaatselijk is enige begroeiing aanwezig in de vorm van laag sierplantsoen en jonge bomen.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
2
Figuur 2. Plangebied (rood).
Figuur 3. Luchtfoto plangebied met projectgrens (rood).
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
3
Figuur 4. Oostzijde plangebied in noordelijke richting gezien met op de achtergrond het viaduct van de N201.
Figuur 5. Oostzijde plangebied met afrit N201 in westelijke richting gezien.
Figuur 6. Groenstrook langs de oostelijke helft van het plangebied.
Figuur 7. Brede uitloper van de groenstrook t.h.v. Debbemeerstraat 25.
Figuur 8. Westelijke deel van het plangebied met bermsloot.
Figuur 9. Westelijke deel van het plangebied met situatie t.p.v. het bedrijventerrein.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
4
1.4 Ingreep
Het voornemen bestaat om de huidige afrit circa 350 meter naar het westen te verplaatsen en het gebied rond de huidige afrit te gebruiken voor de realisatie van een uitvalsweg met rotonde voor de toekomstige wijk. Aangenomen is dat een belangrijk deel van de huidige opgaande begroeiing hierdoor komt te vervallen. De bermsloot wordt ter hoogte van het plangebied vermoedelijk geheel of gedeeltelijk gedempt.
Figuur 9. Inrichtingsschets toekomstige situatie met nieuwe toegang in lichtgroen.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
5
2 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden
Beschermde gebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Ten westen van Hoofddorp bevinden zich enkele gebieden die tot het NNN behoren. De afstand van het plangebied tot het NNN bedraagt minimaal twee kilometer. De afstand tot Natura 2000-gebieden (Kennemerland-Zuid) bedraagt minimaal zeven kilometer.
Figuur 12. Locatie plangebied (cirkel) t.o.v. beschermde gebieden. 2.2 Effecten beschermde gebieden
Het project is relatief klein terwijl het toekomstige gebruik van het plangebied ecologisch gezien nauwelijks verschilt met het huidige gebruik. Mede op grond van de grote afstand tot beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten natuurgebieden op voorhand uit te sluiten. Een toetsing van externe werking als gevolg van stikstofdepositie valt buiten het kader van dit onderzoek.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
6
3
NDFF-gegevens
In de NDFF zijn de afgelopen tien jaar (tot 23 november 2021) geen waarnemingen van beschermde soorten uit het plangebied of de directe omgeving bekend. In de wijdere omgeving is wel een aantal beschermde soorten waargenomen. Hieronder zijn de soorten per groep besproken. Planten In Hoofddorp is een klein aantal beschermde soorten planten waargenomen, met name in de bebouwde kom. Het gaat om incidentele waarnemingen van soorten die veel in zaadmengsels voorkomen en kortlevende soorten van pioniersmilieus. Vleermuizen In en rond Hoofddorp zijn vijf soorten waargenomen. Gewone en in mindere mate ruige dwergvleermuis zijn het meest waargenomen, zowel in als buiten de bebouwde kom. Beide soorten komen wijd verspreid in de gemeente voor. Ook laatvlieger en rosse vleermuis worden verspreid over de gemeente waargenomen maar het aantal waarnemingen is relatief laag. Van watervleermuis is slechts één waarneming gedaan in het zuiden van Hoofddorp. Zoogdieren Van de soortgroep zoogdieren zijn vijf soorten gemeld. Van bunzing zijn de meeste waarnemingen gedaan. De soort is verspreid over de gemeente waargenomen, onder meer ook regelmatig in de bebouwde kom. In de omgeving van het plangebied is de soort waargenomen in de groenstrook langs Pad om de Noord, ten noorden van de N201. Van wezel en hermelijn zijn relatief weinig waarnemingen gedaan.
Beide soorten worden in buitengebied waargenomen, met name in natuurgebieden. In de omgeving van het plangebied is wezel waargenomen in de groenstrook langs Pad om de Noord, ten noorden van de N201. Van steenmarter en boommarter is slechts één waarneming bekend. Voor de overige soorten zoogdieren die in en rond Hoofddorp zijn waargenomen geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. Vogels Van de soortgroep vogels zijn enige tientallen soorten gemeld. Veruit de meeste waarnemingen zijn gedaan in de groenstrook langs Pad om het Noord, ten noorden van de N201. Van de soorten met vaste nestplaats is alleen de huismus waargenomen. Reptielen Rond Hoofddorp zijn geen populaties van reptielen bekend. Amfibieën De enige strikter beschermde amfibieënsoort in de gemeente betreft de rugstreeppad. In de NDFF zijn alleen waarnemingen tegen de binnenduinrand bekend maar de soort komt vermoedelijk wijder verspreid voor (pers. meded. dhr. D. Tijm, ODNZKG).
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
7
Ongewervelden Rond Hoofddorp zijn geen populaties van beschermde soorten ongewervelden bekend.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
8
4 4.1 Planten
Beschermde soorten
De vegetatie in de bermen langs de N201 komt het meest overeen met het Glanshaververbond met soorten als glanshaver, kropaar, scherpe boterbloem, smalle weegbree, gewone berenklauw, jakobskruiskruid, veldzuring en duizendblad. Op het talud langs het bedrijventerrein wordt de vegetatie plaatselijk vermoedelijk geklepeld zonder afvoer. De begroeiing is hier uitgesproken ruig met stikstofminnende soorten zoals fluitenkruid, grote brandnetel, haagwinde en reuzenberenklauw. De laatstgenoemde soort geldt als invasieve exoot. Langs de bermsloot groeit met name liesgras. De vegetatie van de groenstrook langs het bedrijventerrein bestaat uit een mengsel van ruderale, stikstofminnende en graslandsoorten zoals zevenblad, klimop, fluitenkruid, geel nagelkruid, braam, late guldenroede, gewoon biggenkruid, zachte ooievaarsbek, bijvoet en haagwinde. Er zijn geen bedreigde of beschermde soorten in het plangebied aangetroffen. De quickscan is uitgevoerd in het late najaar waardoor een adequate beoordeling van de vegetatiesamenstelling niet mogelijk is. Op grond van de regio, de aanwezige soorten, het beheer/gebruik en eerdere bezoeken aan het gebied zijn beschermde soorten echter redelijkerwijs uit te sluiten.
4.2 Zoogdieren
Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van mol zijn in meer of mindere mate beschermd. In het plangebied zijn geen zoogdieren waargenomen. Wel zijn sporen van kleine zoogdieren gevonden in de vorm van holen. Het terrein is geschikt voor algemene kleine zoogdieren zoals rosse woelmuis, huisspitsmuis en gewone bosmuis. De genoemde zoogdieren zijn algemene, nationaal beschermde soorten waarvoor een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. Gelet op het voorkomen van de kleinere soorten marterachtigen in de omgeving is het aannemelijk dat de groenstrook en ruigte langs het bedrijventerrein tot de habitat behoren van deze soorten. Ook de oevers van de bermsloot kunnen onderdeel zijn van het leefgebied. Mogelijk heeft de reconstructie een negatief effect op de habitat met name wat de verbinding betreft in oostelijke richting. Het effect op de beschikbaarheid van habitat is beperkt omdat de groenstrook die verdwijnt aan de oostkant smal en slecht ontwikkeld is terwijl de goed ontwikkelde groenstrook in het westelijke deel vrijwel geheel intact blijft. Ook de sloot is slecht ontwikkeld door de sterke beschaduwing en waterkwaliteit. Het effect op het leefgebied en met name de verbinding is afhankelijk van de inrichting van de groene ruimte.
In de conclusies worden aanbevelingen gedaan om de situatie voor marterachtigen te verbeteren en negatieve effecten te voorkomen.
4.3 Vleermuizen
Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. In het plangebied komen geen gebouwen of andere kunstwerken voor die zouden kunnen dienen als verblijfplaats. De begroeiing is overwegend te jong om over geschikte holten te Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
9
beschikken. Een aantal bomen heeft een voldoende grote diameter voor geschikte holten maar alle oudere bomen verkeerden in gave staat. Er zijn hoogstens holtebeginselen gevonden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebied Veel soorten vleermuizen foerageren met name langs opgaande begroeiing en boven water. Wateren met dichte, opgaande begroeiing erlangs zijn vaak populaire foerageerplaatsen. Dit geldt vooral voor de kleinere soorten (m.n. dwergvleermuizen). Laatvlieger en rosse vleermuis zijn veel minder gebonden aan randen en foerageren vaak hoger. In en rond het plangebied lijkt vooral de dichte groenstrook langs de bermsloot in het westelijke deel van het plangebied interessant als foerageergebied. Deze groenstrook blijft vrijwel geheel intact. In de oostelijke helft is weinig opgaande begroeiing aanwezig die bovendien niet aaneengesloten is. Verder ontbreekt oppervlaktewater. Als foerageergebied is dit deel te verwaarlozen. Een negatief effect op het foerageergebied van vleermuizen is uit te sluiten. Vliegroutes Met name de kleinere soorten vleermuizen maken afhankelijk van de soort in meer of mindere mate gebruik van geleidende structuren om zich over grotere afstanden te verplaatsen in het landschap. Dit kunnen bijvoorbeeld ook gebouwen zijn.
Dwergvleermuizen zijn relatief ongevoelig voor de landschapsstructuur en kunnen ook grote gaten in een geleidende structuur overbruggen. De geleidende structuren worden ook gebruikt om uit de wind te vliegen of foerageren. De groenstrook in de westelijke helft van het plangebied is uitstekend geschikt als geleiding in vliegroutes vanwege de dichte en aaneengesloten structuur die aan beide zijden gebruikt kan worden. Deze strook blijft vrijwel geheel intact. De groenstrook in de oostelijke helft van het plangebied is smal en fragmentarisch ontwikkeld. De waarde van dit deel in vliegroutes is beperkt. Omdat langs het plangebied woningen met tuinen worden gerealiseerd (structuurrijk) en de westelijke groenstrook vrijwel geheel intact blijft is een negatief effect op vliegroutes uit te sluiten. 4.4 Vogels
Alle inheemse broedvogels zijn beschermd. De Wnb maakt onderscheid tussen vogels zonder en met vaste broedplaatsen. Van vogels zonder vaste broedplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met een vaste broedplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd. Opgaande begroeiing in het plangebied is beperkt tot rijen populieren en een matig ontwikkelde groenstrook. Er zijn algemene soorten broedvogels van bos en struweel te verwachten zoals kraai, braamsluiper, vink, zwartkop en tjiftjaf. In de bomen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vaste nestplaatsen. De enige twee grotere nesten bevonden zich in de populieren in het bermvak tussen de N201 en de afrit. Deze nesten zijn toe te schrijven aan zwarte kraai. In theorie kunnen deze nesten worden gebruikt door sommige soorten met vaste nestplaatsen, in dit geval zijn de nesten met name geschikt voor boomvalk.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
10
4.5 Amfibieën
Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. In het plangebied zijn soorten te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen zoals bruine kikker en kleine watersalamander. De enige strikter beschermde soort die in de regio voorkomt is rugstreeppad. Deze soort is gebonden aan specifieke wateren zijnde zonnige, ondiepe wateren die snel opwarmen zoals ondiepe plasjes of poldersloten. In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor en de wateren in de omgeving worden gevormd door de bermsloot langs de N201 en vaart langs de Hoofdweg. De bermsloot heeft een sterk beschaduwde ligging en wordt sterk belast door bladafval van de groenstrook en de populieren. De waterkwaliteit is hierdoor slecht. De vaart is een diep en breed water met beschoeide oevers. Beide wateren zijn ongeschikt als voortplantingsgebied voor rugstreeppad. Tijdens de uitvoering kan het plangebied wel geschikt worden als leefgebied. Deze soort maakt gebruik van kale, braakliggende grond – met name zand – om in te overwinteren. Wanneer in het zomerhalfjaar plassen blijven staan kan ook voortplanting optreden. Vanwege het grote kolonisatievermogen van rugstreeppad is kolonisatie van het plangebied een reële mogelijkheid wanneer er enige tijd open grond beschikbaar is, bijvoorbeeld na sloop, het opspuiten van zand of het aanbrengen van zandcunetten.
4.6 Reptielen
Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. In en rond Hoofddorp zijn geen populaties reptielen bekend. Een negatief effect op deze soortgroep is uitgesloten.
4.7 Vissen
In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor en de bermsloot is ongeschikt voor beschermde soorten vissen vanwege de slechte waterkwaliteit. Een negatief effect op deze soortgroep is uit te sluiten.
4.8 Ongewervelden
De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Het plangebied komt voor geen van de beschermde soorten overeen met hun habitat. Deze soortgroep is daarom in zijn geheel uit te sluiten.
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
11
4.9 Samenvatting
In het plangebied zijn algemene kleine zoogdieren en amfibieën te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Verder is het aannemelijk dat de groenstrook van belang is in het leefgebied van kleine marterachtigen, met name als verbindende structuur voor bunzing. In de opgaande begroeiing moet rekening worden gehouden met broedvogels zonder vaste nestplaatsen. Het is aannemelijk dat het plangebied onderdeel is van het foerageergebied van vleermuizen maar het belang hiervan is te verwaarlozen. Door de aanwezigheid van braakliggende grond tijdens de aanleg wordt het terrein potentieel geschikt voor rugstreeppad. Van de overige soortgroepen is de aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten. Tabel 2: Beschermde soorten die binnen de planlocatie worden verwacht op basis van bestaande gegevens en het veldbezoek. SOORTGROEP
TOELICHTING
BESCHERMDE SOORTEN GEEN
Planten Zoogdieren
WNB
HR
VR
X Algemene soorten
Alg. ontheffing
Kleine marterachtigen
Waarschijnlijk
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
X
Vleermuizen
Foerageergebied
Verwaarloosbaar
Vleermuizen
Vliegroutes
Verwaarloosbaar
Broedvogels
Zonder vaste nestplaats
Broedvogels
Met vaste nestplaats
Amfibieën
Algemene soorten
Zeker X Alg. ontheffing
Rugstreeppad
Kans op kolonisatie
Reptielen
X
Vissen
X
Ongewervelden
X
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
12
5
Conclusies
5.1 Beschermde gebieden
Het plangebied is geen onderdeel van beschermde gebieden. In de omgeving van het plangebied liggen onderdelen van het NNN en Natura 2000-gebieden. De afstand tot de beschermde natuurgebieden bedraagt minimaal twee kilometer (NNN) en zeven kilometer (Natura 2000). Op grond van de kleine schaal van de ingreep en de toekomstige bestemming is een negatief effect op natuurgebieden uit te sluiten. Een toetsing van externe werking als gevolg van stikstofdepositie valt buiten het kader van dit onderzoek.
5.2 Beschermde soorten
Zoogdieren (nationale soorten Wnb art. 3.10) Door een eventuele reconstructie van het buitenterrein kan verstoring en sterfte optreden van algemene knaagdieren. Voor de te verwachten soorten geldt in provincie Noord-Holland een vrijstelling Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten zijn niet noodzakelijk. Verder is te verwachten dat de strook een zekere rol speelt voor kleinere marterachtigen met name als verbindende functie. Het belang van het plangebied in het totale leefgebied is gering. Het effect van de reconstructie is afhankelijk van de uiteindelijke inrichting van de randzone. Bij een zeer ‘nette’ en open inrichting zonder struweel gaat de verbindende functie achteruit. Daarom wordt aanbevolen om een martervriendelijke inrichting in het ontwerp op te nemen om negatieve effecten en de noodzaak voor een ontheffing te voorkomen. De reconstructie kan ook te baat worden genomen om een faunapassage in zuidoostelijke richting te realiseren onder de afrit zodat een veilige verbinding naar het natuurgebied langs het Pad om de Noord via de onderdoorgang van de N201. Wanneer in het plan geen rekening gehouden wordt met het leefgebied van marterachtigen dan is aanvullend (camera)onderzoek noodzakelijk naar de functie die de strook voor marterachtigen heeft.
Figuur 13. Optionele inrichting ten behoeve van marterachtigen. Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
13
Broedvogels zonder vaste nestplaatsen (Wnb-VR art. 3.1) In opgaande begroeiing zijn broedvogels te verwachten. Bij het rooien van opgaande begroeiing in het broedseizoen is verstoring van broedsels en sterfte te verwachten. Daarom dient het rooien ervan buiten het broedseizoen plaats te vinden, tenzij een inspectie uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. Bij uitvoering in de periode 1 september – 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Rugstreeppad (Wnb-HR art. 3.5) Er bestaat een reële kans op kolonisatie van het terrein door rugstreeppad. Om te voldoen aan de zorgplicht dient voor aanvang van de werkzaamheden en uiterlijk 31 maart een amfibieënscherm rond het plangebied te worden geplaatst. Verder moet worden voorkomen dat in de periode april – augustus langdurig plassen op het terrein blijven staan. Het eventuele dempen van de bermsloot is niet van invloed op rugstreeppad omdat het water ongeschikt is als voortplantingsgebied. Tabel 3. Maatregelen en vervolgacties n.a.v. quick scan Soortgroep
Soort
Maatregel/vervolgactie
Planten
Alle
¾
Vleermuizen
Alle
¾
Zoogdieren
Alle
Martervriendelijk ontwerp van de groene ruimte opstellen
Vogels zonder vaste
Alle
Rooien opgaande begroeiing buiten de periode (1 mrt) 15 maart –
verblijfplaats
15 juli (1 sept).
Vogels met vaste verblijfplaats
Alle
¾
Amfibieën
Rugstreeppad
Amfibieënscherm plaatsen voor 1 april Waterplassen voorkomen in de periode april - augustus
Reptielen
Alle
¾
Vissen
Alle
¾
Ongewervelden
Alle
¾
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
14
Bronnen www.ndff.nl www.noord-holland.nl www.synbiosis.alterra.nl
Quick scan flora en fauna Plan Noord Hoofddorp
15
Bijlage I
Wettelijk kader en beleidskader
De toets is gericht op de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden. De bescherming is in de wet geregeld middels de Wet natuurbescherming. De gebiedsbescherming die voortkomt uit het beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de provinciale structuurvisies en verordeningen (NNN/EHS) neemt een aparte positie in. Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (Wnb) verenigt of vervangt verschillende wetten en verdragen op het gebied van bos- en natuurbescherming, te weten: • • • •
Voormalige Flora- en Faunawet Europese Vogelrichtlijn Europese Habitatrichtlijn, Verdrag van Bonn en Verdrag van Bern Voormalige Boswet
Activiteiten mogen niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: • •
•
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geen voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
De Wnb kent verschillende beschermingsregimes voor nationaal beschermde soorten, Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten. Elk van deze drie beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten en belangen voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de verbodsbepalingen die relevant zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en dergelijke. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.1 lid 2 Art 3.5 lid 4 Het is verboden opzettelijk nesten, Het is verboden de rustplaatsen en eieren van vogels voortplantingsplaat- sen of te vernielen of te beschadigen, of rustplaatsen van dieren te nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen. Art 3.1 lid 3 Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en Het is verboden eieren van
Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Niet van toepassing
deze onder zich te hebben.
dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing. Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Niet van toepassing.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Vrijstelling In sommige gevallen geldt voor een handeling die gevolgen heeft voor een soort een vrijstelling. Vormen van vrijstellingen zijn het toepassen van een gedragscode, een programmatische aanpak, een provinciale verordening en een ministeriele regeling. Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leef- omgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. Bevoegd gezag De provincie waarin een handeling plaatsvindt is in principe verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wnb. In een aantal gevallen is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland namens het Rijk verantwoordelijk. Het gaat om zaken van nationaal of provincie-overschrijdend belang, zoals Rijkswegen, -wateren en militaire activiteiten. Rode lijst
Een Rode Lijst bevat een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de minister van EZ. Rode lijsten hebben geen juridische status. Als een soort op de lijst komt, is deze niet automatisch beschermd. Daarvoor moet de soort worden aangewezen onder de Wnb. De Rode lijsten helpen daarbij. Deze lijsten worden ook gebruikt om te toetsen of de beleidsdoelen over biodiversiteit worden gehaald (www.rijksoverheid.nl).
NNN/EHS
Het Nationale Natuurnetwerk (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) is een netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De EHS is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De juridische borging van de nationale ruimtelijke belangen die in de SVIR worden aangewezen vindt plaats via het
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij EHS geen sprake is van externe werking. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Zij wijzen in hun structuurvisie of verordening de gebieden aan die onder het NNN vallen. In of in de nabijheid van een NNN-gebied geldt het 'nee, tenzij'-principe: nieuwe plannen of projecten zijn niet toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële)waarden en kenmerken van het NNN-gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De planologische bescherming van het NNN vindt plaats in op basis van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen bestemmingsplannen.