CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026 (geconsolideerde versie)

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 2 juli 2026, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Technisch wijzigingsbesluit verordening en financieel besluit sociaal domein 2026 naar aanleiding van maatregelen voor recidive en de motie Demp een verdere val in armoede (13386826)20.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026 De raad van de gemeente Haarlemmermeer; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2026, kenmerk 13025221; Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; Gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet; Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Gelet op de artikelen 8, 8a, eerste lid, sub a, b, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet; Gelet op artikel 4a lid 3 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; besluit vast te stellen de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026. HOOFDSTUK 1 GEZAMENLIJKE BEPALINGEN VOOR JEUGDWET, WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2015 EN PARTICIPATIEWET Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanvraag: • een verzoek om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet, dit betreft een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb; • een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet. b.

algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. c. Inkomen op minimumniveau: onder een inkomen op minimumniveau wordt verstaan een inkomen op bijstandsniveau; d. algemene voorziening: een voorziening waarvoor geen toekenningsbeschikking van het college nodig is. e. Awb: Algemene wet bestuursrecht f. cliënt: • een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, voor zover de jeugdige (conform de Jeugdwet) woonplaats heeft in de gemeente Haarlemmermeer; • een cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

•

g.

een persoon of een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet.

cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning, als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. h. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer; i. financiële tegemoetkoming: een forfaitair bedrag waarmee de cliënt geacht wordt zelf de individuele voorziening te bekostigen. j. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. k. gemandateerde professional: professionals van verschillende instellingen die door het college gemandateerd zijn om toekenningsbeschikkingen af te geven voor individuele voorzieningen. l.

individuele voorziening: een op de cliënt toegesneden voorziening waarvoor een toekenningsbeschikking van het college nodig is, dit betreft: • een voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet; • een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en • ondersteuning bij arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie en het verlenen van bijstand als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. m. jeugdige: jeugdige als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. n. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. o. melding: • een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • een melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet. p. nadere regels: een nadere uitwerking van deze Verordening. De nadere uitwerking kan plaats vinden in nadere regels of in de vorm van beleidsregels. q.

onderzoek: • een onderzoek naar aanleiding van een aanvraag in het kader van de Jeugdwet; • een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; • een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet. r. OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen de Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs en de gemeenten binnen de samenwerkingsverbanden passend onderwijs als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs. s. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. t. vertrouwenspersoon: de vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo 2015. u. voorliggende voorziening: een (andere) overheidsregeling of uitkering waarop eerst een beroep moet worden gedaan.

v.

waakvlamcontact: persoon die langdurig, maar laag intensief betrokken blijft bij een cliënt en als het ware naast de cliënt gaat staan en helpt om de cliënt te steunen en met de cliënt te bepalen wat nodig is. Dit kan zowel iemand uit het formele als het informele circuit zijn. w. Wlz: Wet langdurige zorg. x. Wmo 2015: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. Woonplaatsbeginsel: Woonplaats van de jeugdige zoals bepaald op grond van artikel 1.1. van de Jeugdwet. Artikel 2. Zorgplicht college voor integrale toegang en intake 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat cliënten die daar om verzoeken: a. Kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. Kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: i. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en ii. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. Worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning. 2. Het college wijst degene die de melding, aanvraag of verzoek indient op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 3. Op verzoek van de cliënt kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.

4. Het college verwerkt persoonsgegevens van inwoners die een melding, aanvraag of verzoek indienen volgens de Privacyverklaring van gemeente Haarlemmermeer, waarin staat hoe de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG worden toegepast. Artikel 3. Beschikbare voorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet: activiteiten zoals trainingen, webinars, cursussen en themabijeenkomsten; informatie, advies en (inIoop)spreekuren voor kinderen, jongeren en (pIeeg)ouders/verzorgers; informatie en advies voor professionals (bijvoorbeeld aan medewerkers in de kinderopvang en ten behoeve van casuïstiek en gemeentelijke routes); jongerenwerk; opvoedondersteuning; praktijk ondersteuning huisartsen ggz jeugd (POH ggz jeugd); schooljeugdhulp: op de jeugdige gerichte ambulante hulp, inclusief schoolmaatschappelijk werk; in het kader van de uitvoering van de Wmo 2015: vrij toegankelijke dagbesteding; Deelscootmobiel voorziening kortdurende opvang dak- en thuislozen onafhankelijke clientondersteuning sociaal breed (voor Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet). deelscootmobiel voorziening 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: in het kader van de uitvoering van de Jeugdwet: Ambulante hulpverlening:

-

• Ambulante begeleiding; • Ambulante behandeling; • Dyslexiezorg; • Jeugd-GGZ behandeling; • Forensische behandeling; • Multisysteem therapie (MST); • Persoonlijke verzorging. Crisis: • Crisis ambulante behandeling; • Crisis jeugd-GGZ behandeling; • • Crisis verblijf. - Dagverblijf:

Crisis pleegzorg;

• Dagbehandeling; • Dagbesteding; • Vervoer. Jeugdbescherming en jeugdreclassering; Kindergeneeskundige Jeugd-GGZ uitgevoerd in ziekenhuizen; Advies, ondersteuning en het melden van kindermishandeling (zoals geleverd door Veilig Thuis); Wonen en verblijf: • Gezinshuizen / 24-uurs verblijf op een zorgboerderij; • Pleegzorg; • Specialistisch wonen. in het kader van de uitvoering van de Wmo 2015: Advies, ondersteuning en het melden van relationeel geweld (zoals geleverd door Veilig Thuis);: Begeleiding • Begeleiding in groepsverband; • Begeleiding individueel. - Beschermd wonen: • Beschermd Thuis; • Beschermd wonen zonder huisvestingskosten; • Beschermd wonen met huisvestingskosten. Dagbesteding; Hulp bij het huishouden; Hulpmiddelen; Kortdurend verblijf; Maatschappelijke opvang; Schoonmaakhulp (middels een financiële tegemoetkoming); Trapliften; Vervoersvoorzieningen; Woningaanpassingen. in het kader van de uitvoering van de Participatiewet: • Re-integratie naar werk; • Inkomensvoorzieningen. 3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze het cliënten informeert over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op een individuele voorziening te doen. Artikel 4.

Toegang algemene voorzieningen 1. Inwoners kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. Ook de huisarts, medisch specialist, jeugdarts en andere betrokken professionals kunnen de inwoner rechtstreeks toeleiden naar een algemene voorziening. 2. Bij een algemene voorziening kan een eenvoudige toegangstoets toegepast worden. Onder andere om vast te stellen of:

• •

de inwoner tot de doelgroep behoort; en de algemene voorziening voldoende compensatie biedt en passend is voor de hulpvraag.

Artikel 5. Proces melding en aanvraag 1. Een melding als bedoeld in artikel 1 van deze verordening kan schriftelijk (via post of digitaal) of mondeling (telefonisch of tijdens een afspraak) bij het college worden ingediend. 2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 1 onder a van deze verordening kan schriftelijk (via post of digitaal) bij het college worden ingediend. Een recht op grond van de Participatiewet kan ambtshalve (zonder aanvraag indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is) worden vastgesteld. 3. Het college kan een ondertekend verslag (plan van aanpak) van het gesprek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening aanmerken als aanvraag als bedoeld onder artikel 1 onder a van deze verordening, als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. 4. Het college beoordeelt de aanvraag op basis van het in artikel 6 omschreven onderzoek. 5. Het college bevestigt de ontvangst van een melding en aanvraag schriftelijk per post of per e-mail. 6. De procedure na een melding in de zin van artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015 is als volgt vormgegeven: a. Het college onderzoekt (als bedoeld in artikel 6) de melding in samenspraak met de cliënt, eventueel diens vertegenwoordiger en/of diens mantelzorger. Dit onderzoek vindt binnen zes weken na de melding plaats; b.

Indien na de melding en het onderzoek een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend geeft het college binnen twee weken na die aanvraag een beschikking af, danwel een mededeling tot verlengen van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:14 eerste lid Awb. 7. Na een aanvraag voor een individuele voorziening in de zin van de Jeugdwet, onderzoekt (als bedoeld in artikel 6) het college de aanvraag in samenspraak met de client en diens ouder(s) (of vertegenwoordiger). Binnen acht weken na de aanvraag wordt een beschikking op de aanvraag afgegeven, danwel wordt een mededeling gedaan tot verlengen van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:14 eerste lid Awb. 8. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden aan een melding of aanvraag, voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en het afwegingskader bij een individuele voorziening. Artikel 6. Brede intake en onderzoek 1. Het onderzoek als bedoeld in artikel 1 onder o van deze verordening start voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet met het voeren van een gesprek met inwoner (brede intake). 2.

Indien van toepassing brengt het college de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015 of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de inwoner daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. Als de inwoner een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet heeft opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid. 3. Het college onderzoekt in samenspraak met de inwoner of, in het geval de inwoner een jeugdige is ook met zijn (pIeeg)ouders, danwel zijn wettelijk vertegenwoordiger: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden van de inwoner(en zo nodig zijn (pIeeg)ouders) met het oog op het in kaart brengen van de beperkingen of problematiek van de cliënt en het vaststellen van de hulpvraag van de inwoner;

b.

4.

5. 6.

In het geval de inwoner een jeugdige is in de zin van de Jeugdwet onderzoekt het college ook of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de (pIeeg)ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: i. welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en iii. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn (pIeeg)ouders. c. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen d. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; e.

of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) van de inwoner en van het sociale netwerk, waaronder ook mantelzorg en gebruikelijke hulp, toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; f. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; g. de mogelijkheden om door middel van algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of algemene voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken; h. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen (voorzieningen op basis van andere wetten of regelgeving die voorliggend zijn) of door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, leerplicht, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan ondersteuning; i. de mogelijkheid om een individuele voorziening te verstrekken, op basis van welke wet dit dan zou kunnen en of het college, als sprake is van jeugdhulp, verantwoordelijk is voor de cliënt gelet op toepassing van het woonplaatsbeginsel; j. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 verschuldigd zal zijn; k.

de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; en l. indien aan het college overhandigd: het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 of het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. Het college informeert de inwoner over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en verwerkt de persoonsgegevens op basis van de toepasselijke wettelijke grondslag(en). Het college wint een (extern) deskundigenadvies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit naar het oordeel van het college vereist. Het in het lid 5 bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; of b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIGregister.

Artikel 6a. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in artikel 6, het derde lid, onder e, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de (pleeg)ouder(s)/verzorger(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. 2. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in artikel 6, het derde lid, onder e, houdt het college rekening met gebruikelijke hulp. 3. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen tekortschiet, omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 4.

Bij de beoordeling van het derde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de echtgenoot, (pleeg)ouder(s)/verzorger(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de deze personen maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: a. de behoefte en mogelijkheden van de cliënt / jeugdige, of diens (pleeg)ouder(s)/verzorger(s); b. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; c. de planbaarheid van de hulp; d. de benodigde ondersteuningsintensiteit; e. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en f. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien; 5. Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de cliënt. 6. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 7. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot: a.

wie tot het sociale netwerk behoort, de voorwaarden voor en de eisen aan de inzet van het sociale netwerk; b. gebruikelijke hulp; en c. de beoordeling van de criteria zoals genoemde in lid 3 en 4. Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en verstrekt de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek (plan van aanpak). 2. De cliënt kan opmerkingen op zijn getekende exemplaar erbij schrijven. 3. In dat verslag wordt standaard vermeld, dat aan cliënt is medegedeeld, dat geen eigen bijdrage Wmo is verschuldigd, indien cliënt en of partner een eigen bijdrage Wlz verschuldigd is. Artikel 8. Inhoud beschikking 1. Het college legt de toe te kennen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

2.

3.

4.

5.

In de beschikking tot het toekennen van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura, als pgb, of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. door welke partij(en) de ondersteuning wordt geboden; en -indien van toepassingd. welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn; en -indien van toepassinge. of er een te betalen eigen bijdrage geldt. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en de berekening van de hoogte van het pgb; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. dat de cliënt de voorziening of het pgb binnen drie maanden na dagtekening van de toekenningsbeschikking gebruikt en niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd; f. de wijze waarop de cliënt verantwoording over de besteding van het pgb aflegt; en indien van toepassingg. of er een te betalen eigen bijdrage geldt.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de toekenningsbeschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat de tegemoetkoming kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de tegemoetkoming; c. wat de hoogte van de tegemoetkoming is en de berekening van de hoogte; d. wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor de tegemoetkoming is bedoeld; e. de wijze waarop de cliënt verantwoording over de besteding van de tegemoetkoming aflegt; en -indien van toepassingf. of er een te betalen eigen bijdrage geldt.

Artikel 9. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet (Toezicht) 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet, artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 en artikel 17 van de Participatiewet doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet, artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 en artikel 54 lid 3 van de Participatiewet kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijk herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de individuele voorziening of op het pgb is aangewezen; c.

de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

d.

de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb; e. de cliënt de voorziening of het pgb niet binnen drie maanden na dagtekening van de toekenningsbeschikking gebruikt of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 4. Onverminderd artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 en artikel 58 van de Participatiewet kan, indien een beslissing aangaande een voorziening is ingetrokken, het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 6. Het college onderzoekt, al dan niet periodiek, steekproefsgewijs, preventief, risicogestuurd en/of signaalgericht, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 7. Het college wijst een persoon of personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 en Jeugdwet. Dit betreft voor de Wmo 2015 het toezicht zoals genoemd in artikel 6.1 en artikel 2.1.3 lid 4 Wmo 2015 en voor de Jeugdwet het toezicht zoals genoemd in artikel 2.9 sub d Jeugdwet. 8.

De toezichthoudende ambtenaren als bedoeld in het zevende lid van dit artikel zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5.20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers. 9. Voor zover de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in het zevende lid van dit artikel door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding als bedoeld in artikel 4.1.8 van de Jeugdwet gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar, onverminderd het bepaalde in artikel 7.1.4.1 van de Jeugdwet. 10. Het college kan nadere regels stellen omtrent de in lid 7 van dit artikel benoemde toezichthouder en de invulling van het Toezicht. Artikel 10. Klachtenregeling 1. Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op gedragingen van het college of de voor haar werkzame personen jegens cliënt bij de afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Awb. 2.

Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning van alle voorzieningen genoemd onder artikel 3, lid 2 sub b van deze verordening stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders van individuele voorzieningen op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 11. Medezeggenschap 1. Aanbieders met wie het college een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn voor zover het diensten in het kader van voorzieningen betreft, niet zijnde hulpmiddelen of (woning)aanpassingen.

2.

Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 12. Verduidelijking verhouding Jeugdwet en Wet passend onderwijs De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld: 1. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op (ondersteuning bij) het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Ook niet wanneer ondersteuning nodig is op het gebied van opgroei- en opvoedondersteuning om onderwijsdoelen op school te behalen en er: a. Geen voorliggende voorziening beschikbaar is waar de ondersteuning onder te brengen is (bv een Zvw of Wlz-beschikking); b. Wanneer deze ondersteuning niet door de onderwijsinstelling zelf geleverd kan worden. 2. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet. 3. Als de ondersteuning zoals beschreven in lid 1 en 2 van dit artikel mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, is het college niet verantwoordelijk voor die ondersteuning. 4.

In aanvulling op het aanbod zoals bedoeld in artikel 2 van deze verordening, is er een laagdrempelig aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen voor leerlingen die speciale onderwijsondersteuning nodig hebben en hun (pIeeg)ouders, bestaande uit algemeen vrij toegankelijk ondersteuningsaanbod op school. Het college kan nadere regels stellen over de omvang en toegang van het in dit lid bedoelde aanbod. 5. Voorzieningen die op grond van de Jeugdwet op en rond school beschikbaar zijn, zijn in beginsel niet toegankelijk voor jeugdigen (en hun (pIeeg)ouders) die wel ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling in de Haarlemmermeer, maar niet woonachtig zijn in Haarlemmermeer. Dit kan anders zijn indien de gemeente Haarlemmermeer met de gemeente waar de jeugdige woonachtig is afspraken heeft gemaakt over vergoeding van die zorg. 6. Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een verplichting om met behulp van het Plan van aanpak (één gezin, één plan, één regisseur) tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. Deze oplossing dient tot stand te komen in samenspraak met het onderwijsveld, bij voorkeur met gebruikmaking van het voor het kind opgestelde onderwijsontwikkelperspectiefplan. 7.

De Samenwerkingsverbanden passend onderwijs en het college voeren samen Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO), elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar over de afstemming tussen het passend onderwijs en: a. de jeugdzorg; b. het leerlingenvervoer; c. de leerplicht; d. de onderwijshuisvesting. In overleg kunnen de Samenwerkingsverbanden passend onderwijs en het college besluiten aan bovenstaande opsomming andere gemeenschappelijke thema's toe te voegen. 8. Het college spant zich in om door middel van OOGO met de Samenwerkingsverbanden passend onderwijs afspraken te maken over:

de totstandkoming van combinatiearrangementen waarin het college en het samenwerkingsverband vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid gezamenlijk optrekken met het oog op de belangen van de jeugdigen; b. ondersteuning bij de manier waarop scholen hun (pIeeg)ouders en leerlingen informeren over de samenloop van voorzieningen op basis van de Jeugdwet, en die op basis van de Wet passend onderwijs; c. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het tiende lid; 9. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid Jeugdwet en het samenwerkingsverband; 10. Het college kan nadere regels stellen omtrent de verhouding tussen Jeugdwet en passend onderwijs én eventuele in de toekomst tot stand komende combinatiearrangementen waarin gezamenlijk -vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid - door het college en de samenwerkingsverbanden onderwijs wordt opgetrokken. Artikel 13. Verduidelijking verhouding Wmo 2015 en Jeugdwet met de Wlz 1. De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Wmo 2015 en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld: a.

Ondersteuning valt niet onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 als een cliënt vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan: i. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de cliënt; of ii. 24 uur per dag zorg in de nabijheid omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen: a. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of; b. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. b. Als een cliënt recht heeft op ondersteuning vanuit de Wlz is deze wet voorliggend op de Wmo 2015 en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Wmo 2015. c. In afwijking van het gestelde onder b. kunnen voorzieningen door het college worden aangewezen die op grond van de Wmo 2015 verstrekt worden in combinatie met aanspraak op voorzieningen op basis van de Wlz. 2. De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wlz is als volgt geregeld: a.

Ondersteuning valt niet onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 als een cliënt vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan: i. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de cliënt; of ii. 24 uur per dag zorg in de nabijheid omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hemzelf te voorkomen:

a.

3.

door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of; b. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. Ondersteuning die in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft: i. logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wlz; ii. verblijf in een instelling voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wlz; iii. vervoer van en naar een locatie voor zorg op basis van de Wlz; c. Behandeling van psychische stoornissen voor jeugdigen met een indicatiebesluit WLZ valt in beginsel niet onder de jeugdhulpplicht maar onder de Wlz. Het college verleent echter wel een individuele voorziening jeugdhulp als de jeugdige met een besluit op basis van de Wlz een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis en die behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wlz. d. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wlz is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet uitgezonderd het geval van psychische stoornis zoals opgenomen in lid 2 onder c van dit artikel. e.

Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg op grond van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Als een cliënt weigert mee te werken aan het (op juiste wijze) aanvragen of verkrijgen van het (voor die situatie juiste) besluit op basis van de Wlz terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de cliënt recht heeft op een dergelijk besluit, dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet of de Wmo 2015.

Artikel 14. Verduidelijking verhouding Wmo 2015 en Jeugdwet met de Zorgverzekeringswet 1. De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: a. Indien de cliënt medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 en is er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de Wmo 2015. b. Het college maakt onderscheid tussen op maatschappelijk herstel gerichte interventies en op medisch herstel gerichte interventies. Er bestaat geen compensatieplicht vanuit de Wmo 2015 in het geval er sprake is van een individuele voorziening (zoals begeleiding en/of behandeling) waarbij het hoofddoel medisch herstel van de cliënt betreft. c. Persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de Wmo 2015. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de compensatieplicht van de Wmo 2015. 2. De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld: a.

Indien de cliënt medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en bestaat er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet, tenzij het een jeugdige betreft die is

3.

aangewezen op hulp en zorg bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen. b. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van een jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg op grond van een zorgverzekering, als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet tenzij deze verzorging onder de Wet passend onderwijs valt. Het college verleent alleen een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet als de jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. d. Verblijf valt - tenzij verblijf nodig is voor de behandeling van psychische stoornis bij jeugdigen - niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg, of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie.

Jeugdhulp met verblijf valt wel onder de jeugdhulplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf of ander geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie (kort- of langdurend). Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: a. hulpmiddelenzorg; b. ziekenvervoer; c. zintuiglijke gehandicaptenzorg; d. persoonlijke verzorging.

Artikel 15. Verduidelijking verhouding Jeugdwet en Wmo 2015 De verhouding tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wmo 2015 is als volgt geregeld: 1. Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wmo 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet. 2. Voorbeelden van voorzieningen die onder de Wmo 2015 vallen — waardoor er op grond van het vorige lid géén aanspraak op een voorziening op grond van de Jeugdwet bestaat — zijn in ieder geval: a. voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen en een gebarentolk; b. een vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportvereniging en recreatieplekken; c. een individuele voorziening voor opvang, indien jeugdige met ouder(s) meekomt als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld relationeel geweld, mishandeling of een huisuitzetting. Artikel 16. Afstemming voorzieningen Jeugdwet met voorzieningen werk en inkomen De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en aanspraken op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld: 1.

Het college ziet erop toe dat gemeentelijke toegang, gemandateerde professionals, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor

2.

het slagen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren. Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen krijgen — zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re- integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen — om de financiële belemmeringen weg te nemen.

Artikel 17. Nadere regels omtrent verduidelijken verhoudingen Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot (verdere) onderscheidende criteria waar het gaat om verduidelijking van de verhouding tussen de wetten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 16. HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE BEPALINGEN JEUGDWET Artikel 18. Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b. Jeugdhulpaanbieder: door het college gecontracteerde aanbieder van jeugdhulp; c. Jeugdhulpvraag: hulpvraag passend binnen de definitie van jeugdhulp van artikel 1.1 Jeugdwet; d. wet: Jeugdwet. Artikel 19. Toegang jeugdhulp via de gemeente en de gemandateerde professionals 1. Jeugdigen en (pIeeg)ouders kunnen via de gemeente of via de gemandateerde professionals een jeugdhulpvraag doen bij het college in de vorm van een melding of een aanvraag zoals bedoeld in artikel 5 van deze verordening. Als de jeugdige of zijn (pIeeg)ouders daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de jeugdhulpvraag. 2.

De daartoe gemandateerde professionals nemen namens het college besluiten met betrekking tot individuele voorzieningen, met in achtneming van de gestelde bepalingen in deze verordening en eventuele nadere regels daartoe gemandateerde professionals nemen namens het college — met inachtneming van het in deze verordening en eventuele nadere regels bepaalde - besluiten met betrekking tot individuele voorzieningen. 3. In spoedeisende gevallen beslist het college na een jeugdhulpvraag onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige of zijn (pIeeg)ouders. Artikel 20. Toegang jeugdhulp via medisch verwijzers 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag na een verwijzing te houden aan de afspraken die hij daarover met het college heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in de verordening en/of nadere regels. 3.

Ook als een verwijzing zoals genoemd in het eerste lid aanwezig is, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee het college geen contract- of subsidierelatie heeft, tenzij naar het oordeel van het college de gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders niet in staat zijn de bij de verwijzing passende jeugdhulp te leveren. In het geval verwezen is naar een jeugdhulpaanbieder waar het college geen contract- of subsidierelatie mee heeft, beoordeelt het college zo nodig in overleg met de verwijzer en/of jeugdhuIpaanbieder of gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders in staat zijn de bij de verwijzing passende jeugdhulp te leveren. 4. Als de jeugdige of zijn (pIeeg)ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

5.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de toegang tot jeugdhulp via de medische verwijsroute.

Artikel 21. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1. Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een door het college toegekende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, ontoereikend zijn en gebruikmaking van een algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. Jeugdhulp wordt alleen vergoed als de voorziening(en) noodzakelijk is/zijn voor het bereiken van de geformuleerde doelen van een jeugdhulpverleningstraject. 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd en daarmee gebruikelijke hulp is. 3. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopste, passende, tijdig beschikbare voorziening.

Als een jeugdige toch een duurdere voorziening wil die eveneens passend is, komen de meerkosten voor rekening van de jeugdige en/of zijn (pIeeg)ouders/verzorgers. In dergelijke situaties zal -mits aan de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb wordt voldaan -de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de vastgestelde pgb-tarieven van de passende voorziening. 4. Jeugdhulpverlening vindt zoveel als mogelijk plaats in de buurt van de woonplaats c.q. het netwerk van de jeugdige. Uitgangspunt voor het college is dat de jeugdhulp plaatsvindt binnen de landsgrenzen. Jeugdhulp in het buitenland kan alleen in uitzonderingsgevallen toegekend worden, indien er geen (ander) passend aanbod is en het belang van de jeugdige hulpverlening in het buitenland noodzakelijk maakt. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent onder meer de aanvraag, nadere voorwaarden, en wijze en hoogte van de vergoeding voor hulpverlening in het buitenland. 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is verwijst het college naar een jeugdhulpaanbieder waarmee het college een contract- of subsidierelatie heeft, tenzij naar het oordeel van het college de gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders niet in staat zijn de bij de verwijzing passende jeugdhulp te leveren. 6.

Voor het bepalen van het soort individuele voorziening dat het college inzet, sluit het aan bij hetgeen in deze verordening en in de beschrijving van de voorzieningen (zie bijlage 1 Beschrijving voorzieningen Jeugdwet) en in de door of namens het college gesloten overeenkomsten met of verleende subsidiebesluiten aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van voorzieningen is bepaald. 7. Een algemene voorziening die passend en toereikend is, is voorliggend op een individuele voorziening. In elke individuele situatie moet eerst worden beoordeeld of een algemene voorziening passend en toereikend is voor de gestelde jeugdhulpvraag. Als dit zo is, komen jeugdigen en zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een individuele voorziening. Dit geldt als de algemene voorziening: a. daadwerkelijk beschikbaar is voor de jeugdige en/of de ouder(s); b. passend en toereikend is voor de jeugdige en/of de ouder(s). 8. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot (verdere) criteria voor toekenning van een individuele voorziening en toegang via het college en gemandateerde professionals.

Artikel 22 Dyslexiezorg 1. Dyslexiezorg is beschikbaar voor de doelgroep jeugdigen vanaf 7 jaar, die basisonderwijs volgen waarbij er sprake is van ernstige dyslexie. Dit betreft een stoornis in het verwerken van taal specifieke informatie, wat leidt tot een ernstige beperking bij het lezen en spellen zoals omschreven in de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'. 2. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit: a. diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. behandeling van ernstige dyslexie. 3. De toegang tot dyslexiezorg bij ernstige dyslexie is als volgt geregeld: a. Het college kent een individuele voorziening voor diagnostisch onderzoek toe om vast te stellen of sprake is van ernstige dyslexie; b. Indien uit de uitgevoerde diagnostiek blijkt dat sprake is van ernstige dyslexie kent het college een individuele voorziening voor behandeling toe; c. Het college neemt het besluit als bedoeld in lid 2 sub a van dit artikel op grond van het verzoek tot een zorgtoewijzing van de gecontracteerde dyslexieaanbieder na een controle door de dyslexieaanbieder op basis van de meest recente versie van het landelijk protocol 'Dyslexie Diagnostiek & Behandeling'. 4.

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot ernstige dyslexiezorg aangaande de inhoud van de individuele voorziening, de toegang daartoe, de doelgroep en de eisen waaraan het leerlingendossier dan wel de schoolanamnese moet voldoen. Artikel 23. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en e. kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel 24. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. 2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopste, passende, tijdig beschikbare voorziening.

Als een jeugdige of ouder/verzorger toch een duurdere voorziening wil die eveneens passend is, komen de meerkosten voor rekening van de jeugdige en/of zijn (pIeeg)ouders/verzorgers. In dergelijke situaties zal -mits aan de voorwaarden voor het verstrekken van pgb wordt voldaan -de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst passende voorziening. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de berekeningswijze van pgb's. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid, het vereiste opleidingsniveau en of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. 4. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van de door het college vastgesteld omvang en duur van de zorg;

b.

5. 6.

7.

wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorzieningen behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in het college beschikbare individuele voorziening in natura. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb-budget worden betaald. Wanneer de cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt de diensten betrekt van een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een andere informele zorgverlener, wordt de hoogte van het tarief voor een pgb per uur voor de inzet van de informele hulpverlening gebaseerd op minimaal het wettelijk minimum bruto uurloon inclusief vakantietoeslag. Het college kan nadere regels stellen over: a. onder welke voorwaarden een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt; b. verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en effectiviteit van zorg.

HOOFDSTUK 3 BIJZONDERE BEPALINGEN WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2015 Artikel 25 Begripsbepaling In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: aanvullend op de definitie als gegeven in artikel 1 onder c van deze verordening, een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; b. individuele voorziening: een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; c. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Artikel 26. Criteria voor een individuele voorziening 1. Een individuele voorziening kan toegekend worden indien voldaan wordt aan de voorwaarden als gesteld in artikel 6 lid 3 van deze verordening en bijdraagt aan het bereiken van de volgende resultaten: a. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, en/of b. het voeren van een gestructureerd huishouden, en/of c. het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, en/of d. beschermd wonen, en/of e. opvang. 2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of c.

als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 3. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe. 4. Een individuele voorziening wordt afgewezen indien de voorziening reeds is ingezet of aangeschaft voor een melding bij het college is gedaan, tenzij: a. de voorziening nodig was voor een acute situatie; b. het college daarvoor ten tijde van de melding (dus nog voor aanvraag of tussen aanvraag en besluit) schriftelijk toestemming heeft gegeven of

c. 5.

de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot (verdere) criteria voor toekenning van een individuele voorziening.

Artikel 27. Beschermd wonen en Opvang 1. In aanvulling op artikel 26 kan een client in aanmerking komen voor de individuele voorziening maatschappelijke opvang als: a. de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie in de samenleving; en b. de cliënt de thuissituatie heeft verlaten; en c. de cliënt deze problemen niet kan wegnemen door gebruik te maken van oplossingen zoals beschreven in artikel 6 lid 3, en d. de cliënt te maken heeft met ernstige somatiek, recidiverende dakloosheid of een complexe combinatie van ernstige verslaving en psychiatrie of van psychiatrie en een lichtverstandelijke beperking of van ernstige verslaving en een lichtverstandelijke beperking; en e. wordt voldaan aan de regels voor landelijke toegankelijkheid volgens het Convenant Landelijke Toegankelijkheid van de VNG. 2. In aanvulling op artikel 26 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd thuis als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en de cliënt als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c.

de cliënt een hulpvraag kan stellen en deze hulpvraag met een dagdeel kan uitstellen; en d. zelfstandig kan wonen met begeleiding die 24 uur bereikbaar is; en e. de cliënt deze begeleiding accepteert. 3. In aanvulling op artikel 26 kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en hij als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c. de cliënt geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en d. niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24 uurs ondersteuning. Artikel 27a Aanvullende voorwaarden Beschermd wonen en opvang 1. Het college stelt voorwaarden aan cliënten aan wie opvang of beschermd wonen wordt geboden, verband houdende met het bereiken van een als noodzakelijk vastgesteld ondersteuningsdoel. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: a. de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsplan; c.

het door de cliënt naleven van de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen; d. het betalen van de eigen bijdrage; e. volledige medewerking van de cliënt bij het toewerken naar uitstroommogelijkheden. 2. De individuele voorziening maatschappelijke opvang, bestaande uit onderdak en begeleiding, wordt in beginsel verstrekt voor zes maanden.

3. 4.

De verstrekking van de individuele voorziening maatschappelijke opvang kan worden verlengd met in beginsel drie maanden. Het college weigert een aanvraag voor verlenging van de individuele voorziening indien de cliënt niet meer voldoet aan de omschrijving van het eerste lid

Artikel 28. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Voor collectieve vervoersvoorzieningen en maatschappelijke opvang wordt geen pgb verstrekt. 3. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van de door het college vastgestelde omvang en duur van de zorg; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de individuele voorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare individuele voorziening in natura. 4. Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb worden betaald. 5. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de berekeningswijze van pgb's. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de te bieden deskundigheid, het vereiste opleidingsniveau en of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=4d4f71cd-f2e3-493b-9ce7-89878c87e946