CConstaterende datHaarlemmermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Nader onderzoek marterachtigen

Raadsplein: Agenda en raadsstukken 8 mei 2025, gemeente HaarlemmermeerBij agendapunt: RV Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de gebruikswijziging van het Uniform platform (fase 3) te Schiphol (11971017) - AANGENOMEN5.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

G&G-rapport 2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Schiphol U-platform fase 3 Inventarisatie kleine marterachtigen in het kader van de natuurwetgeving

M. van Straaten

2023

Opdrachtgever Schiphol Projects

G&G-rapport 2023-232

Datum Versie

15 oktober 2023 v1

Gecontroleerd door: R. de Beer

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.

De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Schiphol U-platform fase 3

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding 1.1

Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 4

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 5

1.4

Geplande werkzaamheden en plannen ................................................................... 5

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 5

Methode 2.1

3

4

4

7

Marterachtigen ........................................................................................................ 7

Resultaten kleine marterachtigen

11

3.1

Sporenbuizen ......................................................................................................... 11

3.2

Struikrovers............................................................................................................ 11

Conclusie en aanbevelingen

12

4.1

Beschermde soorten Wnb ..................................................................................... 12

4.2

Zorgplicht ............................................................................................................... 12

5

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

13

6

Bijlagen

14

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

4

1

Inleiding 1.1

Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen een locatie te Schiphol her in te richten. Op de locatie zal fase 3 van het U-platform gerealiseerd worden. In het plangebied is eerder een quickscan uitgevoerd door Van der Goes en Groot (ZIMMERMAN, 2023). Het is mogelijk dat (kleine) marterachtigen verblijven in het plangebied ofwel dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van deze soortgroep. Om dit nader te onderzoeken heeft Schiphol Projects opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar kleine marterachtigen. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode augustus 2023. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Dit rapport doet verslag van het onderzoek.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

1.2

5

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van beschermde (kleine) marterachtigen binnen het plangebied. Het onderzoek is noodzakelijk om uitsluitsel te verkrijgen of een ontheffing nodig is van de Wet natuurbescherming en voor welke soorten of soortgroepen een dergelijke ontheffing eventueel zou moeten worden aangevraagd.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied betreft een braakliggend terrein gelegen tussen de Kaagbaan, A4 en A5. Aansluitend ten westen van het plangebied bevindt zich het U-platform. Ten oosten bevindt zich het Justitieel Complex Schiphol en een opleidingscentrum van de brandweer. Direct ten oosten en ten zuiden loopt een brede watergang. Op meer dan 10 kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid.

1.4

Geplande werkzaamheden en plannen Op de locatie zal fase 3 van het U-platform gerealiseerd worden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem en/of oevers, het opbrengen van grond. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen, licht, verstoring optreden van (beschermde) soorten.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 bevat de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 5 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

6

In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.

Eén van de struikrovers (nr.1) geplaatst in de oever van het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

2

7

Methode 2.1

Marterachtigen De nadruk van de inventarisatie heeft gelegen op het aantonen van aanwezigheid van marterachtigen die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd en die geen (provinciale) vrijstelling hebben. Het betreft in dit geval de Boommarter, Bunzing, Wezel en Hermelijn. Tijdens de inventarisatie is ook gelet op eventueel andere beschermde soorten. Alle waarnemingen en de locaties van geplaatste onderzoeksmaterialen zijn op locatie gekarteerd met behulp van een veldtablet. Ook zijn alle waarnemingen van andere (zoog)dieren op de camera’s genoteerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform het document WEZEL, HERMELIJN EN BUNZING BESCHERMD IN NOORD-HOLLAND. Dit document is opgesteld door de provincie Noord-Holland, is een handreiking voor het uitvoeren van onderzoek naar kleine marterachtigen. Om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de verspreiding van de kleine marterachtigen binnen het plangebied is bij de inventarisatie gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. In totaal is zes cameravallen, negen struikrovers en zijn dertig sporenbuizen gebruikt bij dit onderzoek. In totaal zijn er drie bezoeken afgelegd aan het plangebied. De bezoekrondes zijn uitgevoerd op 1-, 14- en 29 augustus 2023, zie Tabel 1. Tijdens het eerste bezoek worden de onderzoeksmaterialen uitgezet.

Op basis van de inrichting van het plangebied wordt in het veld bepaald welke locaties de hoogste trefkans hebben voor het vaststellen van de betreffende soorten. Hierbij wordt gelet op de aanwezige geschikte biotopen, foerageergebieden, lijnvormige structuren als watergangen, takkenrillen en randen van bosschages, passagepunten (wissels) en plaatsen met veel dekking. Bij het uitzetten van het materiaal wordt daarnaast ook altijd lokvoer geplaatst, zoals sardientjes uit blik.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

8

Overzicht bezoekrondes inventarisatie marterachtigen.

Bezoek/ Datum

Opzet

1 1 augustus

uitzet materialen

2 14 augustus

controle

3 29 augustus

ophalen materialen

De cameravallen, struikrovers en sporenbuizen worden over het hele gebied verspreid geplaatst. Een kaart met de exacte locaties van de uitgezette onderzoeksmaterialen in het plangebied is opgenomen in Bijlage 1. Tijdens een tweede bezoek worden de onderzoeksmaterialen gecontroleerd op functionaliteit. Hierbij worden (indien nodig) sporenbuizen voorzien worden van nieuw sporenpapier en worden batterijen en geheugenkaartjes van de camera vervangen. Eventueel kan er bij dit bezoek ingegrepen worden als de camera scheef hangt of de sensor te vaak loos geactiveerd wordt door bijvoorbeeld zonlicht, schaduwen of bewegende vegetatie. Bij de derde ronde wordt het onderzoeksmateriaal opgehaald, waarna het beeldmateriaal en de prentenplaten tijdens een bureaustudie geanalyseerd worden Het materiaal heeft in totaal 28 dagen uitgestaan in het veld. Tijdens alle veldbezoeken in het plangebied is daarnaast gericht gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van marterachtigen zoals prenten, prooiresten, uitwerpselen en latrines. Met deze aanvullende waarnemingen kan mogelijk een beter beeld worden verkregen van de aanwezigheid en het terreingebruik door marterachtigen. Bij het onderzoek is geen gebruik gemaakt van mostela’s of cameravallen omdat struikrovers in de open situatie van het plangebied een beter beeld kunnen geven van eventueel aanwezige marterachtigen.

Mostela’s zijn vooral geschikt voor het vaststellen van Hermelijn en Wezel, door deze selectiviteit wordt de trefkans op soorten als Boommarter en Bunzing lager. Op de volgende pagina wordt kort de werking van de verschillende vangtechnieken toegelicht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

9

Cameraval De cameravallen zijn voorzien van een sensor die reageert op een combinatie van warmte en beweging. Als er een endotherm dier, (zoogdier of vogel) voor de camera beweegt, begint deze met opnemen. Bij weinig licht schakelen de cameravallen automatisch over op een infraroodfunctie. De cameravallen maken geen geluid bij het opnemen en de infrarode lampjes zijn niet waarneembaar voor dieren, waardoor deze niet afgeschrikt kunnen worden. De dieren blijven zich daarom natuurlijk gedragen. Na minimaal vier weken worden de camera’s verwijderd en worden de geheugenkaartjes uitgelezen. Het is ook mogelijk dat hiermee andere (zoog)dieren worden opgemerkt. Mostela De mostela is een houten kast, specifiek bedoeld voor marters en bestaat uit een combinatie is een sporenbuis en een cameraval. De camera detecteert een kleine marterachtige wanneer deze door de buis van de mostela loopt en legt dit vast op beeld.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

10

Bij een mostela wordt een kleine marterachtige altijd van de zijkant in beeld gebracht. Op deze manier kan in vrijwel alle gevallen met zekerheid worden vastgesteld of de marter een Wezel of een Hermelijn betreft. Door enkel het verzamelen van prenten is dit in de meeste gevallen niet mogelijk. Struikrover De struikrover is een korte PVC buis waarin een cameraval bevestigd is. In de buis wordt lokvoer geplaatst. Struikrovers kunnen beter verstopt worden dan reguliere cameravallen. Daarnaast neemt de camera van een struikrover minder verstoring waar en wordt het dier gedwongen om de buis in te gaan om bij het lokvoer te komen, waardoor het dier duidelijker op de camera wordt vastgelegd. Sporenbuizen De sporenbuizen zijn gemaakt van PVC buizen en beschikken over een diameter van 8 tot 10 centimeter. In de sporenbuis ligt een plankje. Aan weerzijden van het plankje wordt wit sporenpapier bevestigd. In het midden bevindt zich een stempelkussen met inkt. Als de dieren door de buis lopen is dit vervolgens zichtbaar op het papier. De sporenbuizen zijn vooral bedoeld voor het vaststellen van Wezel of Hermelijn.

Een Bruine rat, de enige zoogdiersoort die met de Struikrovers werd vastgelegd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

3

11

Resultaten kleine marterachtigen In het plangebied zijn geen marterachtigen of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten vastgesteld. Een kaart met de locaties van de uitgezette sporenbuizen en camera’s is weergegeven in de verspreidingskaart Kleine marterachtigen in Bijlage 1. De inventarisatie leverde erg weinig waarnemingen op, slechts twee soorten werden vastgelegd namelijk Bruine rat en Waterhoen. Beide soorten werden vastgelegd met Struikrover 1, in de andere Struikrover werden in het geheel geen waarnemingen gedaan. Het geheel ontbreken van waarnemingen van zoogdieren en/of vogels is overigens erg ongebruikelijk. De camera in deze struikrover functioneerde naar behoren gezien de opnames van bewegende planten in de wind en vliegen die aangelokt werden door de ontbindende sardines.

3.1

Sporenbuizen In de tien sporenbuizen werden geen prenten achtergelaten door kleine marterachtigen zoals Wezel en Hermelijn. Wel zijn prenten verkregen van (spits)muizen en Bruine rat in vrijwel elke sporenbuis. In sporenbuis nummer 3, werden een prent aangetroffen waarover enige onduidelijkheid bestaat. Van deze vage afdruk kon echter niet met zekerheid worden gesteld dat deze afkomstig is van een marterachtige.

Tabel met vastgelegde soorten tijdens het onderzoek. Het getal geeft het aantal geschoten foto’s van de soort aan.

3.2

Locatie Soort

Struikrover 1

Struikrover 2

zoogdieren Bruine rat

95 Vogels

Waterhoen Totaal

142 237

0

Struikrovers Op één van de twee struikrovers zijn twee diersoorten vastgelegd, namelijk Bruine rat en Waterhoen, zie Tabel 2. Per diersoort wordt het aantal vastgestelde waarnemingen genoteerd. Het aantal waarnemingen geeft enkel een indicatie over de activiteit van de soort binnen plangebied. Het aantal waarnemingen geeft geen indicatie over het aantal individuen van de soorten binnen het plangebied omdat de kans bestaat op dubbeltellingen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

12

4

Conclusie en aanbevelingen 4.1

Beschermde soorten Wnb Tijdens de inventarisatie zijn in het plangebied zijn geen marterachtigen of andere beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdiersoorten vastgelegd. Derhalve worden geen negatieve effecten heeft op kleine marterachtigen verwacht in het plangebied. Er dient wel ten alle tijden rekening gehouden te worden met de zorgplicht (zie 4.2).

4.2

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1) Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Voor aanvang van de werkzaamheden dient dekking biedende vegetatie kort gemaaid te worden en minimaal één dag te blijven liggen, zodat mogelijk aanwezige grondgebonden zoogdieren de kans krijgen het gebied te verlaten.  Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering.  Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

5

13

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJ12, 2017. [Kennisdocumenten op www.bij12.nl] BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN, 2015. Besluit houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna. Staatscourant 2015, 36471. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. ZIMMERMAN, R., 2023. U-platform te Schiphol. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-advies QS2023-199. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Kwintsheul. ZOOGDIERVERENIGING VZZ, 2007. Basisrapport voor de Rode Lijst Zoogdieren volgens Nederlandse en IUCN-criteria. VZZ rapport 2006.027. Tweede herziene druk. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

14

6

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2

Vanglocaties Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Bijlage 1 Vanglocaties

±

! ( SB1

! ( " ) SB2

SR1

! ( SB4

! ( SB3

! ( SB5

! ( SB6

! ( " ) SB7

SR2

! (

! (

SB8

SB9

! ( SB10

Verspreidingskaart 2023 Schiphol U-platformen © Kadaster Nederland

0

Kleine marterachtigen

" ) struikrover (SR) zonder kleine marter resultaat ! ( sporenbuis zonder kleine marter resultaat

100 Meters

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Bijlage 2 Huidige natuurwetgeving Bijlage 2.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 2.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

Bijlage 2.2 Soortbescherming Bijlage 2.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en soorten genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 2.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.

Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

+ + + +

Schiphol U-platform fase 3

Bijlage 2.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bijlage 2.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 2.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 2.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 2.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig:  in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig:  ter bescherming van flora en fauna.  in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.

 ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 2.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘jaarrond beschermde broedvogels’, categorie A t/m D, zie kader volgende pagina.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes D Vogelsoorten waarvan de nesten in D principe jaarrond zijn beschermd met B beschermingscategorie: C A = soorten die ook buiten het D broedseizoen het nest gebruiken als vaste B rust- of verblijfplaats, C B = koloniebroeders die elk broedseizoen C op dezelfde plaats broeden en die daarin C zeer honkvast zijn of afhankelijk van D bebouwing of biotoop, B C = soorten die elk jaar op dezelfde plaats C broeden en die daarin zeer honkvast zijn of D afhankelijk van bebouwing, A D = soorten die niet of nauwelijks zelf in D staat zijn een nest te maken. D

De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan, betrokken! Voor jaarrond beschermde soorten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen.

Categorie E-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie E) Deze soorten keren (zoals ook jaarrond beschermde soorten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Bijlage 2.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.

Bijlage 2.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 2.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.

Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000- gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.

Bijlage 2.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 2.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 2.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.

Bijlage 2.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

Zie Bijlage 2.2.1 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 2.2.2 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie Bijlage 2.2.3

ghhghj

Zie Bijlage 2.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj

Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj

kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 2 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing

Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.

Bijlage 2.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Schiphol U-platform fase 3

ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van:  Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven.  Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (Wabo). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft als onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd.

Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes of het stilleggen van werkzaamheden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2023-232

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Haarlemmermeer&id=c9120700-399a-49a4-b67a-174525039315