Bijlage 4-6 Methodiek Stikstofemissiemonitoring PARK21.pdf
Tekst van het document
Methodiek Stikstofemissiemonitoring PARK21 1 Opzet Stikstofemissiemonitoring PARK21 De ontwikkeling van nieuwe functies in PARK21 is uitsluitend mogelijk als de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden niet toeneemt ten opzichte van de stikstofdepositie in de referentiesituatie. De stikstofdepositie in de referentiesituatie is de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de stikstofemissie vanwege het ten tijde van de vaststelling van het plan aanwezige planologisch legale gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Om te garanderen dat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie is in de planregels bepaald dat een omgevingsvergunning voor een nieuwe functie in de Leisurelaag uitsluitend kan worden verleend als er voldoende stikstofsaldo beschikbaar is in het Stikstofemissiemonitoring PARK21. Stikstofsaldo komt beschikbaar als het gebruik van gronden en/of bouwwerken wijzigt ten opzichte van het gebruik in de referentiesituatie. Als agrarische gronden die nu onderdeel zijn van de Polderlaag worden ontwikkeld als onderdeel van de Parklaag is sprake van een afname van de stikstofemissie afkomstig van deze gronden. De bemesting die plaatsvindt in de referentiesituatie wordt in dat geval immers beëindigd waardoor minder stikstof wordt uitgestoten.
Dit kan ook het geval zijn als andere (niet-agrarische) functies in de Polderlaag worden beëindigd of als het gebruik van (agrarisch)e percelen binnen de Polderlaag wijzigt, bijvoorbeeld als het huidige intensieve gebruik van de gronden - met de daarmee gepaard gaande intensieve bemesting - wijzigt in een minder intensief landbouwkundig gebruik waarvoor ook minder bemesting nodig is. Het gebruik van de gronden blijft in dat laatste geval agrarisch – en de gronden blijven onderdeel van de Polderlaag – maar er is wél sprake van een afname van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie. De emissieafname die het gevolg is van deze gebruikswijzigingen wordt met toepassing van de Methodiek Stikstofemissiemonitoring PARK21 geregistreerd in het Stikstofemissiemonitoring PARK21 en kan vervolgens worden ingezet om ontwikkelingen mogelijk te maken in de Leisurelaag. In deze notitie wordt beschreven op welke wijze de afname van stikstofemissies wordt geregistreerd en hoe deze afname vervolgens kan worden ingezet voor nieuwe functies. De Stikstofemissiemonitoring PARK21 kan en mag alleen worden toegepast volgens de uitgangspunten zoals in de volgende paragrafen is voorgeschreven.
2 Indeling PARK21 in zes zones en omrekenfactoren De ontwikkelingen in de Leisurelaag vinden plaats in zes zones die zijn begrensd in de beleidsregel beeldkwaliteitsplan Leisurelaag. Deze zones zijn ook de basis voor de Stikstofemissiemonitoring PARK21. In de volgende afbeelding is een begrenzing van de zones opgenomen, zoals die geldt voor toepassing van de Stikstofemissiemonitoring PARK21.
Figuur 1: Zone-indeling PARK21 voor Stikstofemissiebudgetmonitoring PARK21
Zowel het type emissie (NH3 of NOx) als de locatie ervan (zone 1 tot en met 6) heeft gevolgen voor de depositie van stikstof. Om emissieruimte tussen zones te kunnen uitwisselen zijn omrekenfactoren bepaald. Met behulp van deze omrekenfactoren wordt bepaald wat een afname van stikstofemissie in één van de zones betekent voor het stikstofsaldo dat in een andere zone kan worden ingezet. In het Onderzoek stikstofdepositie PARK21 (bijlage bij het bestemmingsplan) is toegelicht hoe deze omrekenfactoren zijn bepaald.
Reservering Er wordt vrijkomende stikstofruimte gereserveerd voor de emissies van bezoekende motorvoertuigen en het verkrijgen van een positief effect voor de natuur. Bij het uit productie nemen van agrarische grond geldt daarom een generieke reductie van 2 kg NH3/ha/jaar. De resterende vrijkomende emissieruimte kan benut worden om met de emissie op de kavel van nieuwe ontwikkelingen te salderen. In de praktijk zal voor veel ontwikkelingen met een AERIUS-berekening worden aangetoond hoeveel vervallen emissieruimte (minus de reductie voor verkeer) benodigd is om te salderen en blijft daarnaast een gedeelte over als stikstofsaldo. Omrekenfactoren Het stikstofsaldo is beschikbaar voor ontwikkelingen elders. Met behulp van de onderstaande tabel is te bepalen hoe (vervallen) emissie in de ene zone kan worden teruggerekend naar emissie-eenheden. Hierbij staat één kg/jaar emissie in zone 1 gelijk aan één emissie-eenheid. Na de tabel volgt een rekenvoorbeeld.
Hoeveelheid NH3 die gelijkstaat aan 1 kg NH3/jaar in zone 1 (i.e. één emissie-eenheid NH3) Emissie-eenheden NH3 per kg NH3/jaar in betreffende zone Hoeveelheid NOx die gelijkstaat aan 1 kg NOx/jaar in zone 1 (i.e. één emissie-eenheid NOx) Emissie-eenheden NOx per kg NOx /jaar in betreffende zone
Zone 1 1,000
Zone 2 1,475
Zone 3 1,660
Zone 4 1,515
Zone 5 1,375
Zone 6 1,255
1,000
0,678
0,602
0,660
0,727
0,797
1,000
1,327
1,418
1,330
1,207
1,114
1,000
0,754
0,705
0,752
0,829
0,898
Het stikstofsaldo wordt geleidelijk aangevuld met emissie-eenheden. Eerst wordt bepaald hoeveel emissies vervallen door het uit productie nemen van agrarisch gebied. Rekenvoorbeeld: in zone 2 wordt een perceel van 2 hectare omgezet van agrarische grond naar parklaag en een kleine leisurefunctie. Hiervoor wordt 2 hectare agrarische grond uit productie genomen. De bemesting op deze gronden wordt beëindigd, waardoor de stikstofemissie afneemt met 14,52 kg NH3/jaar. Vervolgens wordt een reductie toegepast ten behoeve van emissies van bezoekende motorvoertuigen. Het restant van de vervallen emissies is als emissieruimte beschikbaar voor de emissies op de kavel van nieuwe ontwikkelingen. Rekenvoorbeeld: Per hectare wordt 2 kg NH3/jaar reductie toegepast. Er resteert in totaal 10,52 kg NH3/jaar. Met een AERIUS-berekening wordt aangetoond dat voor de ontwikkeling van een leisurefunctie binnen dit plan, een reductie van 1,52 kg NH3/jaar volstaat om een bijdrage aan stikstofdepositie in Natura 2000-gebied te voorkomen. Wat resteert aan emissieruimte wordt toegevoegd aan het stikstofsaldo. Daarvoor wordt het omgezet in emissie-eenheden. Rekenvoorbeeld: Het restant (9 kg NH3/jaar in zone 2) wordt opgenomen in de stikstofemissiebank met een factor 0,678.
Ten gevolge van deze gebruikswijziging wordt de stikstofemissiebank gevuld met: 9 * 0,678 = 6,102 emissie-eenheden Een vergunning voor een nieuwe functie kan uitsluitend worden verleend als op het moment van vergunningverlening voldoende stikstofsaldo beschikbaar is voor die functie. Om te bepalen of voldoende stikstofsaldo beschikbaar is worden de omrekenfactoren gehanteerd die gelden voor de zone waarin de nieuwe functie is geprojecteerd.
Bijvoorbeeld: in zone 3 wordt een nieuwe functie beoogd met een stikstofemissie van 2 kg NH3/jaar, die niet binnen het deelgebied waar het project plaatsvindt kan worden gesaldeerd. Voor deze functie zijn dan nodig: 2 / 1,66 = 1,205 emissie-eenheden NH3. Dat staat onder andere gelijk aan 1,205 kg NH3/ha/jaar emissiereductie in zone 1 of (1,205 * 1,475 =) 1,777 kg NH3/ha/jaar emissiereductie in zone 2. Bij vergunningverlening worden de emissie-eenheden geregistreerd en wordt het stikstofsaldo geactualiseerd door het aantal beschikbare emissie-eenheden te verminderen met het aantal vergunde emissie-eenheden. In de praktijk zal primair gebruik gemaakt worden van saldering met vervallen stikstofemissies in het deelgebied waar ook sprake is van ontwikkeling. In dat geval is geen stikstofsaldo niet benodigd om ontwikkelingen mogelijk te maken. Wel vraagt dit om het vastleggen van vervallen emissies en toekomstige emissies in de stikstofemissiemonitoring.
3 Werking Stikstofemissiemonitoring en vergunningverlening a. Registratie van afname van emissies Als voor gronden sprake is van wijziging van gebruik waardoor sprake is van een afname van de stikstofemissie, wordt in de Stikstofemissiemonitoring PARK21: 1. Geometrisch vastgelegd op welke gronden een gebruikswijziging heeft plaatsgevonden en binnen welke zone (1 tot en met 6) deze gronden zich bevinden. 2. Getalsmatig vastgelegd hoe groot de afname van de stikstofemissie voor deze gronden is. Daarbij wordt de afname van stikstofemissie in NOx en de afname van stikstofemissie in NH3 bepaald ten opzichte van de referentiesituatie: de stikstofemissie vanwege het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige, planologisch legale gebruik van de gronden en/of bouwwerken waar de gebruikswijziging heeft plaatsgevonden. 3. Getalsmatig vastgelegd hoe deze afname van stikstofemissie zich vertaalt in emissie-eenheden in de Stikstofemissiemonitoring PARK21. Dit wordt gedaan door 2 kg NH3/ha/jaar van de emissiereductie door het uit productie nemen van agrarische grond af te trekken van de totale emissiereductie. Deze emissiewinst (in kg/jaar) wordt omgerekend naar emissie-eenheden via de bovenstaande omrekenfactoren.
In het stikstofemissiemonitoring wordt op deze manier per zone geregistreerd hoeveel afname van stikstofemissie heeft plaatsgevonden en wordt gelijktijdig vastgelegd welk stikstofsaldo (in emissie-eenheden) beschikbaar is. b. Bepalen van toename en afname van emissies ten gevolge van nieuwe functie Indien een vergunningaanvraag wordt gedaan voor de ontwikkeling van een nieuwe functie in de Leisurelaag, maakt de aanvrager inzichtelijk: 1. Hoe groot de stikstofemissie (in kg/jaar voor NOx en NH3) is die na realisering van de functie afkomstig is van de gronden en bouwwerken die onderdeel zijn van de nieuwe functie. De stikstofemissie afkomstig van motorvoertuigen die zich bevinden op het bouwperceel waar de functie wordt verricht zijn onderdeel van deze stikstofemissie. 2. Hoe groot de afname van stikstofemissie (in kg/jaar voor NOx en NH3) is doordat het gebruik van de gronden ter plaatse van de nieuwe functie wijzigt ten opzichte van de referentiesituatie: de stikstofemissie vanwege het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige, planologisch legale gebruik van de gronden en/of bouwwerken waar de gebruikswijziging plaatsvindt. Beëindiging van het bestaande (agrarische) gebruik van de gronden heeft immers een afname van stikstofemissie tot gevolg.
De afname van stikstofemissie wordt overeenkomstig het bepaalde onder a (Registratie van afname van emissies) vastgelegd in het Stikstofemissiemonitoring PARK21, dus inclusief de reductie met 2 kg NH3/ha/jaar. 3. Indien een vergunningaanvraag wordt gedaan op gronden waarvoor al eerder een vergunning is verleend, wordt stap 2 niet doorlopen. De afname van emissies ten opzichte van de referentiesituatie door beëindiging van het bestaande (agrarische) gebruik van de gronden is dan immers eerder al in het Stikstofemissiemonitoring PARK21 opgenomen. c. Bepalen van emissiesaldo en toekennen aan ontwikkeling Na bepaling van de afname en toename van de emissie ten gevolge van de realisering van de nieuwe functie wordt bepaald of voor deze nieuwe functie voldoende stikstofsaldo beschikbaar is in de Stikstofemissiemonitoring PARK21. Via de omrekenfactoren wordt bepaald hoeveel emissie-eenheden nodig zijn om de ontwikkeling in de beoogde zone mogelijk te maken. Vervolgens wordt bepaald of op het moment van vergunningverlening voldoende stikstofsaldo beschikbaar is in de Stikstofemissiemonitoring PARK21 om de
vergunning te kunnen verlenen. Alleen als voldoende stikstofsaldo beschikbaar is, wordt een omgevingsvergunning voor de nieuwe functie verleend. d. Afschrijven van afname van stikstofemissies Gelijktijdig met de verlening van de omgevingsvergunning voor een nieuwe functie wordt de Stikstofemissiemonitoring PARK21 aangepast door het stikstofsaldo te verminderen met het aantal eenheden dat benodigd is voor de nieuwe functie. Hierdoor is gegarandeerd dat deze stikstofafname niet nogmaals kan worden ingezet voor een andere nieuwe functie.