Bijlage 3 Beantwoording zienswijzen
Tekst van het document
Beantwoording zienswijzen grondreinigingsinstallatie TTOP5 Samenvatting van de beantwoording Naar aanleiding van de aanvraag van Schiphol voor de grondreinigingsinstallatie TTOP5 zijn 2 ontwerpbesluiten opgesteld: een ontwerpbesluit voor de vergunning een ontwerpbesluit voor het stellen van maatwerkvoorschriften voor activiteiten die niet vergunningplichtig zijn. Naar aanleiding van de ontwerpbesluiten zijn zienswijzen ingediend door Schiphol en door omwonenden. De zienswijzen hebben in het bijzonder betrekking op de te treffen maatregelen. Schiphol verzet zich bijvoorbeeld tegen het afdekken van gereinigde grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg, omdat die wel mag worden toegepast op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen, Industrie, maar niet op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. Schiphol vindt deze maatregel te streng. Daarnaast uiten omwonenden bezorgdheid over de mogelijke verspreiding van PFOS ten gevolge van de activiteiten. Schiphol verzet zich met name tegen het afdekken van gereinigde grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg omdat die wel mag worden toegepast op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen, Industrie, en niet op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur.
Wij zijn van mening dat deze grond wel moet worden afgedekt onder meer vanwege de minimalisatieplicht voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) en omdat voor de omliggende percelen en de locatie zelf een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur geldt. Verspreiding van PFOS-houdende grond (naar deze percelen) moet worden voorkomen. De meeste van de zienswijzen zijn niet gegrond verklaard. Voor zover ze wel (deels) gegrond zijn, worden de definitieve besluiten hierop aangepast. Deze aanpassingen hebben met name betrekking op: het toevoegen van een verplichting aan Schiphol om periodiek grondwater te bemonsteren. Het versoepelen van restricties om activiteiten uit te voeren bij extreme weersomstandigheden (wind/regen). Bijgaand treft u de zienswijzen en de reactie daarop in concept. De reacties zullen nog worden gefinetuned, afhankelijk van het besluit waarop ze betrekking hebben (zoals het specificeren van verwijzingen naar voorschriften).
D ZIENSWIJZEN 1
ZIENSWIJZEN
Naar aanleiding van het ontwerpbesluit, welke ter inzage heeft gelegen tot 9 oktober 2024, hebben wij binnen de daarvoor geldende termijn zienswijzen ontvangen van: a. Schiphol Nederland B.V. b. De bewoner van een adres aan Zwaluwstraat te Badhoevedorp
Naar aanleiding van de 2 ontwerpbesluiten hebben wij buiten de daarvoor geldende termijn zienswijzen ontvangen van: c. De bewoner van een adres aan de Paulihof te Badhoevedorp d. De bewoner van een adres in Badhoevedorp e. De bewoner van een adres aan de Prins Florislaan te Badhoevedorp f. De bewoner van een adres aan de Prinsenhof te Badhoevedorp g. De bewoner van een adres aan de Prins Constantijnlaan te Badhoevedorp h. De bewoner van een adres aan de Plesmanlaan te Badhoevedorp i. Vereniging Dorpsraad Badhoevedorp p/a Burgemeester Amersfoordtlaan te Badhoevedorp j. De bewoner van een adres aan de Prins Clauslaan te Badhoevedorp k. De bewoner van een adres aan de Curiestraat te Badhoevedorp l. De bewoner van een adres in Badhoevedorp Ten overvloede gaan wij hieronder ook in op de buiten de daarvoor geldende termijn ingediende zienswijzen. In essentie houden deze zienswijzen het volgende in (per zienswijze is daarbij onze reactie aangegeven):
1.
In het Luchtkwaliteitsonderzoek (bijlage 7 bij de aanvraag van 6 juli 2023) is voor de berekening van stofemissies ‘worst-case’ uitgegaan van stuifklasse S4/S5. Met deze worst-case benadering wordt aangetoond dat aan de gestelde grenswaarde wordt voldaan. Dit betekent niet dat stuifklasse S4 of S5 van toepassing is op zowel de gereinigde als verontreinigde grond die wordt opgeslagen op locatie TTOP5. Ook is conform het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geen stuifklasse van toepassing op zowel de gereinigde als verontreinigde grond die wordt opgeslagen op locatie TTOP5. De grond die wordt opgeslagen valt namelijk niet onder de specificaties van de grond- of zandtypen die zijn vermeld in Bijlage IV van het Bal. Op basis van de korrelgrootte tussen de 63 en 2.000 micrometer valt de gereinigde grond conform de RAW-systematiek onder het zandtype ‘zand voor zandbed’ of ‘zand voor ophoging’. Dit type zand/grond is niet genoemd dan wel bedoeld in Bijlage IV van het Bal en daarom is ook geen stuifklasse van toepassing op deze grond. Schiphol is van mening dat het ontwerpbesluit onduidelijk is over de stuifklasse en stelt voor dat in het ontwerpbesluit expliciet wordt aangegeven dat geen stuifklasse van toepassing is op de grond die wordt opgeslagen op locatie TTOP5.
Wij zijn van mening dat het in het ontwerpbesluit concreet is aangegeven welke stuifklasse wordt gehanteerd bij de beoordeling van de aanvraag/het opstellen van de maatwerkvoorschriften. Onder ‘3.3.7 Het opslaan van gereinigde grond in depots’ (=vergunning) / ‘3.2.3 Onderbouwing maatwerkvoorschriften ZZS en gezondheid’ (= maatwerkbesluit) is namelijk aangegeven dat de stuifklasse S4/S5, zoals genoemd in het door Schiphol aangeleverde onderzoek luchtkwaliteit, aannemelijk is. Verder stelt Schiphol dat er geen stuifklasse van toepassing is op de opgeslagen (on)gereinigde grond, omdat het type grond dat wordt opgeslagen, niet is genoemd in Bijlage IV van het Bal. De gereinigde grond zou conform de RAW-systematiek vallen onder ‘zand voor zandbed’ of ‘zand voor ophoging’ (korrelgrootte 63 – 2.000 micrometer) en dit type zand/grond is niet genoemd of bedoeld in Bijlage IV van het Bal. De in de zienswijze genoemde korrelgrootte van het opgeslagen product biedt geen aanleiding om de beoordeling gehanteerde stuifklasse te herzien. Zo behoort zand met een korrelgrootte van 63- 210 micrometer
tot ‘fijn zand’. Fijn zand is conform bijlage IV van het Bal, ingedeeld in de stuifklasse S2. Zand met een korrelgrootte 210 – 2.000 micrometer behoort tot ‘grof zand’ en grof zand is conform bijlage IV van het Bal, ingedeeld in de stuifklasse S4. Ook wordt opgemerkt dat de gereinigde grond stuifgevoeliger is dan het oorspronkelijke kleiige zand.
Het feit dat een product niet voorkomt in bijlage IV van het Bal betekent overigens niet zondermeer dat er geen stuifklasse op een product van toepassing is. In de zienswijze is niet middels algemeen gehanteerde methoden aangetoond dat er geen stuifklasse van toepassing is op de opgeslagen (on)gereinigde grond (dit zou aangetoond moeten worden middels een methode om de stuifklasse te bepalen zoals de Lundgren-testmethode (Vertical Flow Dust Chamber) of de EPA-microwindtunnel methode). Daarbij wordt nog opgemerkt dat de vochtigheidsgraad van een product dat in de open lucht wordt opgeslagen, afhankelijk is van de weersomstandigheden. Het aangevoerde punt leidt niet tot het innemen van een ander standpunt ten opzichte van de stuifklasse die gehanteerd is ontwerpbesluit bij de beoordeling van de aanvraag/het opstellen van de maatwerkvoorschriften. Deze zienswijze is niet gegrond. 2.
Schiphol stelt dat het afdekken van (gereinigde) grond met kwaliteitsklasse wonen of industrie met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg een ondoelmatige maatregel is, aangezien deze grond overal in Nederland gebruikt mag worden voor woon- of industriële doeleinden. Verder gelden conform de toelichting in bijlage 4 ‘Lijst intrinsiek niet-bodembedreigende stoffen’ van het BBT-document ‘BB-cvm’ (Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen) voor het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie geen specifieke bodembeschermende voorzieningen of maatregelen. De opslag van grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg vindt wel plaats boven een onderafdichting van folie om een eventuele vermenging met grond met een andere kwaliteitsklasse te voorkomen.
Allereerst wordt opgemerkt dat voor grond met PFAS/PFOS geen kwaliteitsklasses bestaan, maar dat bij het hergebruik van PFAS-houdende grond het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie versie december 2023 (Hierna: Handelingskader PFAS 2023) wordt gehanteerd. In dit Handelingskader PFAS 2023 zijn onder meer voorlopige (vooruitlopend op wetgeving) toepassingswaarden opgenomen voor het toepassen van PFAS-houdende grond op landbodem. Zo geldt voor locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen of Industrie een toepassingsnorm van maximaal 3,0 µg/kg voor PFOS, en geldt voor locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur een toepassingsnorm van maximaal 1,4 µg/kg voor PFOS. Het is dus niet zo dat PFOShoudende grond een bodemkwaliteitsklasse Wonen, Industrie of Landbouw/Natuur heeft, maar afhankelijk van het PFOS-gehalte mag grond worden toegepast op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen, Industrie dan wel Landbouw/Natuur. Dit is niet goed in de considerans van het ontwerpbesluit verwoord en is hersteld in de considerans van dit besluit. Bij de beoordeling van de aanvraag is grond met een PFOS-gehalte van meer dan 3,0 µg/kg beschouwd als zijnde grond die matig dan wel sterk is verontreinigd.
In bijlage 4 van het BBT-document ‘BB-cvm’ is als toelichting opgenomen dat voor het opslaan van grond van de kwaliteitsklasse Wonen of Industrie geen specifieke bodembeschermende voorzieningen of maatregelen gelden. Zoals hierboven is uitgelegd is op PFOS-houdende grond geen kwaliteitsklasse van toepassing maar
wordt een toepassingswaarde gehanteerd voor het toepassen van PFOS-houdende grond op locaties. In dit geval gaat het om de opslag van gereinigde grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg, die conform het Handelingskader PFAS 2023 mag worden toegepast op locaties met een toepassingseis voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen of Industrie. De bodem moet worden beschermd tegen stoffen die de kwaliteit van de bodem kunnen bedreigen. Emissies van bodembedreigende stoffen zoals PFOS, naar de bodem door activiteiten moeten dus worden voorkomen. Wij zijn van oordeel dat het afdekken van deze grond in dit geval een doelmatige maatregel is. Daarnaast moet worden voldaan aan de minimalisatieplicht voor ZZS. Lid 1 in artikel 2.11 van het Bal geeft aan dat iedereen die een milieubelastende activiteit uitvoert die het milieu kan schaden alle maatregelen moet nemen om nadelige gevolgen te voorkomen voor ZZS. Als dat niet mogelijk is, dan moet het bedrijf de nadelige gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken (of verwijzen naar deel considerans waarin die wordt aangegeven) Verspreiding van ZZS bij het exploiteren van de mba’s moet worden voorkomen en als dat niet mogelijk is, worden beperkt dan wel ongedaan worden gemaakt.
Hierbij wordt nog opgemerkt dat het perceel waarop de grond wordt opgeslagen en de percelen gelegen naast de locatie waar de opslag plaatsvindt, zijn gelegen in een zone met de functie landbouw/natuur volgens de vigerende bodemfunctiekaart (beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2024 Haarlemmermeer) en dat grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg niet mag worden toegepast op deze locaties. De vergunning voor de activiteiten op de locatie is aangevraagd voor een periode van 7 jaar. De vergunninghouder zal in het besluit op de aanvraag omgevingsvergunning voor de locatie (d.d. 6 juli 2023), verplicht worden gesteld om na deze periode, de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand, te herstellen. Gezien bovenstaande is het afdekken van de grond met het oog op het waarborgen van de bescherming van de gezondheid en het milieu een passende preventieve maatregel. Overigens is bij de keuze voor deze maatregel ook de verplichting om te voldoen aan de minimalisatieverplichting meegewogen. Dit is toegelicht onder Onderdeel ‘3.3 ZZS en gezondheid’ (maatwerkbesluit)/’3.3.7 Het opslaan van gereinigde grond in depots’(vergunning) en onder zienswijze 3. Deze zienswijze is niet gegrond. 3.
Er is geen risico op de verspreiding van PFOS via de bodem, lucht en water uit grond met een PFOSgehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg. Daarom stelt Schiphol voor dat de passages in het ontwerpbesluit waarin wordt gesproken over het afdekken van partijen grond met de kwaliteitsklasse wonen of industrie worden aangepast.
PFOS is een zeer zorgwekkende stof (ZZS). De minimalisatieplicht voor ZZS volgt uit artikel 2.11 van het Bal. In lid 2 van artikel 2.11 van het Bal is aangegeven dat de specifieke zorgplicht in ieder geval inhoudt dat een bedrijf: de beste beschikbare technieken (BBT) toepast; alle passende preventieve maatregelen neemt tegen milieuverontreiniging; alle passende preventieve maatregelen neemt ter bescherming van de gezondheid; geen significante verontreiniging veroorzaakt. De specifieke zorgplicht is daarmee breder dan het toepassen van BBT.
Uit de minimalisatieplicht volgt dat de verspreiding van PFOS ten gevolge van de opslag van PFOS-houdende grond, zoveel als mogelijk moet worden voorkomen en als voorkomen niet mogelijk is, moet worden beperkt. Verspreiding van PFOS bij de opslag van gereinigde grond kan plaatsvinden door weersomstandigheden zoals warme en/of droge periodes, harde wind en/of regen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat opgeslagen grond met PFOS wegspoelt met hemelwater richting het grondwater of oppervlaktewater of verwaait door de wind. Van belang is verder dat het perceel waarop de grond wordt opgeslagen en de percelen gelegen naast de locatie waar de opslag plaatsvindt zijn gelegen in een zone met de functie landbouw/natuur volgens de vigerende bodemfunctiekaart (beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2024 Haarlemmermeer). Ook is de activiteit tijdelijk. De vergunning voor de activiteiten op de locatie is namelijk voor een periode van 7 jaar aangevraagd. De vergunninghouder zal in het besluit op de aanvraag omgevingsvergunning voor de locatie (aanvraag d.d. 6 juli 2023), verplicht worden gesteld om na deze periode, de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand, te herstellen.
Bij het beoordelen van BBT voor de opslag van gereinigde grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg3µg/kg is voor wat betreft bodembescherming uitgegaan van is het informatiedocument “Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen” (bb-cvm) (conform het gestelde in artikel 8.10 BKL). Zie hiervoor ook onderdeel ‘2.2 Beoordelingsregels voor het stellen van maatwerkvoorschriften’ en onderdeel ‘3.1 Bodem’ van dit besluit (andere verwijzing opnemen voor vergunning). Aanvullend hierop en op en het gestelde onder zienswijze 2 merken wij over het toepassen van BBT met betrekking tot bodembescherming nog het volgende op: In de aan de aanvraag toegevoegde BRA (bijlage 10 bij de aanvraag d.d. 6 juli 2023) wordt voor wat betreft de opslag van grond uitgegaan van de activiteit genoemd onder 3.1.1 ‘opslag droog stortgoed’ van bijlage 1: Bodemrisico checklist (BRCL) van de NRB 2012. De NRB was een BBT-document en is onder de Omgevingswet vervangen door een nieuwe BBT-document genaamd "Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen’ (bb-cvm). In bb-cvm wordt (net als in bijlage 1 van de NRB) onder 3.1.1 ‘opslag droog stortgoed’ als bodemrisicofactor genoemd: -
‘verspreiding van de stof door hemelwater of anti-stuifwater’.
Als voorzieningen en maatregelen worden genoemd in bb-cvm:
Als aspecten van specifieke zorgplicht zijn genoemd in bb-cvm:
-
Aandacht voor verstuiving en verwaaiing van stoffen buiten de daarvoor bestemde gebieden.
Uitgaande van het BBT-document bb-cvm houdt dit dus in dat er voor wat betreft de opslag van grond aandacht moet zijn voor: -
Verspreiding van de stof via water, in de vorm van overdekking of overkapping; Verspreiding van de stof via de lucht.
Gezien bovenstaande is het afdekken van de opgeslagen gereinigde grond met het oog op bodembescherming een passende maatregel. Het afdekken voorkomt dat de stof, in dit geval met PFOS verontreinigde grond, zich via het water of via de lucht kan verspreiden. Daarbij blijkt uit de aanvraag van 6 juli 2023, zoals hiervoor al is opgemerkt, dat het afdekken met folie op zich een maatregel is die in de praktijk wordt toegepast door Schiphol. Verder is voor wat betreft het bepalen van BBT om verspreiding van PFOS te voorkomen, gekeken naar de volgende bronnen: -
de BREF ‘op- en overslag bulkgoederen’ ; de factsheets voor maatregelen bij stofemissie bij ‘op- en overslag en bewerken van stuifgevoelige goederen’ (IPLO); de algemene regels in het Bal voor de opslag van goederen in § 4.104 ‘Opslaan van goederen’;
In paragraaf 4.104 ‘Opslaan van goederen’ van het Bal is in artikel 4.1065 gesteld dat met het oog op het beperken van emissies in de lucht: -
goederen met een stuifklasse S4 moeten worden opgeslagen in een gesloten ruimte.
In de BREF worden als maatregel genoemd: -
het afdekken van het oppervlak het bevochtigen van het oppervlak solidificatie van het oppervlak gras laten groeien op het oppervlak.
In de factsheet ‘T3.1 opslag’ worden als optimalisatietechnieken genoemd: het afdekken van het oppervlak, het toepassen van een korstvormer (creëren van een bovenlaag middels een korstvormer, bindmiddel of vastleggend middel, dat vermengd met water, op het opgeslagen materiaal wordt gesproeid), het compacteren van de bovenlaag (middels aandrukken of aantrillen), een zelfsteunende afdekking (het materiaal wordt onder een zeil gestapeld, zodat de opslaghoop groeit onder de bedekking. Het zeil wordt op onderdruk gehouden), de lay-out van de opslag (om de impact van de wind te reduceren), met vervanging door ‘gesloten opslag’. -
Om te kunnen voldoen aan de minimalisatieplicht voor ZZS moeten maatregelen worden getroffen om verspreiding van PFOS via de bodem, lucht en via water, ten gevolge van de opslag van gereinigde grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4µg/kg-3µg/kg, te voorkomen. Het afdekken van de opgeslagen gereinigde grond is de meest passende maatregel. De andere hierboven genoemde maatregelen bieden (m.u.v. een gesloten opslag) onvoldoende zekerheid dat de verspreiding van PFOS wordt voorkomen. Daarbij blijkt uit de aanvraag van 6 juli 2023, zoals hiervoor al is opgemerkt, dat het afdekken met folie op zich een maatregel is die in de praktijk uitvoerbaar is.
Bij het bepalen van de meest passende maatregel om te voldoen aan de minimalisatieplicht om verspreiding van PFOS ten gevolge van de opslag van grond met een tussen 1,4 µg/kg - 3 µg/kg, is naast de bovenstaande informatie over BBT is meegewogen dat: de locatie waar de opslag plaatsvindt een agrarische bestemming heeft en de vergunninghouder verplicht zal worden gesteld om na de 7 jaar dat de opslag plaats zal vinden, de voor de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand te herstellen; de locatie zelf en de naastgelegen percelen zijn gelegen in een zone met de functie landbouw/natuur volgens de vigerende bodemfunctiekaart (beleidskader bodem onder de Omgevingswet 2024 Haarlemmermeer); grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3 µg/kg niet mag worden toegepast op gronden met de bodemfunctie landbouw/natuur; de mogelijkheden om de emissie van ZZS te vermijden beginnen met aanpak bij de bron en dat in dit geval de opslag van de betreffende opgeslagen grond de bron is; dat het afdekken van de betreffende opgeslagen grond met folie een effectieve maatregel is die zich in de praktijk heeft bewezen; het afdekken van de betreffende opgeslagen grond met folie een maatregel is die geen afwentelingseffect heeft.
De maatregel voorkomt namelijk zowel verspreiding van PFOS via de lucht, als via de bodem en het (hemel)water; uit de aanvraag van 6 juli 2023 blijkt dat grond met een PFOS-gehalte van meer dan 3 µg/kg ook met folie wordt afgedekt, dus het afdekken van folie op zich een maatregel is die in de praktijk uitvoerbaar is; de opslag tijdelijk plaatsvindt, waardoor een ‘gesloten opslag’ als een te vergaande en te kostbare maatregel wordt beschouwd. Ook zorgt een ‘gesloten opslag’ voor extra materiaal- en energieverbruik. Het realiseren van een bouwkundige ‘gesloten opslag’ vereist naast het gebouw zelf, diverse technische voorzieningen (waaronder koeling en ventilatie). Het afdekken met folie wordt beschouwd als een gelijkwaardige maatregel aangezien het verspreiding van PFOS via lucht, bodem en (hemel)water voorkomt. Deze zienswijze is niet gegrond. 4.
Het afdekken van de grond met kwaliteitsklasse wonen of industrie is volgens het ontwerpbesluit (ook) bedoeld om verspreiding via de lucht te voorkomen. Dit is (ook) ondoelmatig, aangezien er geen risico op verwaaiing bestaat omdat het vochtgehalte van de grond die wordt opgeslagen van 10% of hoger is. Daarnaast is de gereinigde grond ontdaan van de fijne fractie < 63 µm, wat een mogelijk risico op verwaaiing verder beperkt.
Uit de aanvraag (d.d. 6 juli 2023) blijkt niet dat er geen risico op verwaaiing van de grond is. Het feit dat alleen grond met een minimaal vochtgehalte van 10% in depot wordt genomen waarborgt niet dat de grond op den duur niet zal kunnen verwaaien. Het vochtgehalte van de opgeslagen grond wordt immers beïnvloed door de weersomstandigheden en kan minder worden dan 10%. Bij de beoordeling van de activiteit is uitgegaan van stuifklasse S4/S5. Onder zienswijze 1 is aangegeven waarom deze stuifklasse is gehanteerd. Uitgaande van deze stuifklasse is bepaald welke maatregelen nodig zijn om verspreiding van PFOS via de lucht te voorkomen. Ook hier is de conclusie dat het afdekken van de grond met folie een passende preventieve maatregel is met het oog op het waarborgen van de bescherming van de gezondheid en het milieu en om te voldoen aan de minimalisatieplicht. Dit is verder toegelicht onder zienswijze
Deze zienswijze is niet gegrond. 5.
Daarnaast resulteert de maatregel om de grond af te dekken, door het gebruik van folie, in een aanzienlijke milieubelasting vanwege het onnodig gebruik van niet-herbruikbaar plastic, terwijl het geen enkele bijdrage levert aan het beschermen van het milieu. Schiphol stelt daarom voor om de voorschriften die betrekking hebben op het afdekken van partijen grond met de kwaliteitsklasse wonen of industrie met een PFOSgehalte tussen 1,4 μg/kg -3 μg/kg te laten vervallen en in het ontwerpbesluit de passages, waarin wordt gesproken over het afdekken van partijen grond met de kwaliteitsklasse wonen of industrie aan te passen.
Wij herhalen onze reactie op de zienswijze genummerd 2 tot en met 4. Verder merken wij op dat het afdekken van de grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg - 3,0 µg/kg een passende maatregel is met het oog op het waarborgen van de bescherming van de gezondheid en het milieu en wordt als BBT beschouwd. Dit is eveneens toegelicht onder zienswijzen 2 tot en met 4. Het feit dat daar folie voor wordt gebruikt doet daar niets aan af. Opgemerkt wordt verder dat uit de aanvraag van 6 juli 2023 blijkt dat grond met een PFOSgehalte van meer dan µg/kg ook met folie wordt afgedekt, dus het afdekken van folie is op zich een maatregel die in de praktijk uitvoerbaar is. De voorschriften en passages in dit besluit met betrekking tot het afdekken van grond worden daarom niet aangepast. Deze zienswijze is niet gegrond. 6.
Schiphol is van mening dat voorschrift 2.6 in de ontwerp omgevingsvergunning onnodig beperkend is voor de reinigingszone. Zoals reeds in de voorgaande zienswijzen van Schiphol aangegeven is er geen risico op verwaaiing vanwege het vochtgehalte van 10% of hoger van de grond. Zeker bij hevige regenval is dat risico er niet. Daarnaast wordt in de reinigingszone in een gesloten systeem gewerkt. Er is geen enkele risico voor verspreiding vanuit de reinigingszone. Zodra de wind/regenval de veiligheid van de werknemers in de reinigingszone bedreigd, wordt er gestopt met werken in de reinigingszone. Schiphol stelt voor dat voorschrift 2.6 wordt aangepast naar uitsluitend het deel dat is bestemd voor de grondopslag in het depot en niet van toepassing is op de reinigingszone.
Voorschrift 2.6 is opgenomen om zorg te dragen dat sterk verontreinigde grond niet wordt aangevoerd of wordt overgeslagen bij sterke wind/hevige regenval om emissie naar de omliggende grond te voorkomen. In de reinigingszone zal de vervuilde grond welke afkomstig is uit het depot (tijdelijk) worden opgeslagen in afwachting op de verwerking in de reinigingsinstallatie. Deze grond is aanwezig op een vloeistofdichte vloer met afvoer van het (vervuilde) hemelwater naar het vuilwaterbassin. Gezien de tijdelijke opslag van vervuilde grond en de reinigingsinstallatie in de reinigingszone plaatsvindt op een vloeistofdichte vloer waarbij het hemelwater wordt afgevoerd naar het vuilwaterbassin zal voor een situatie met hevige regenval het voorschrift inderdaad onnodig beperkend zijn en kunnen er wel activiteiten met de grond plaatsvinden in de reinigingszone tijdens hevige regenval. Verder zijn wij van mening dat de verontreinigde grond die in de reinigingszone aanwezig is een vochtgehalte van in ieder geval 10% zal zijn. Alleen bij droog weer en/of harde wind kan dat een rol spelen en in het V&G-plan/ beheerplan is vastgelegd dat in dergelijk gevallen de grond vochtig gehouden moet worden. Dit is ook opgenomen in de CROW 400 (richtlijn voor werken met verontreinigde grond).
We zullen aan de vergunning een voorschrift toevoegen waarmee het voldoende vochtig houden van aanwezige grond in de reinigingszone wordt geborgd. Daarbij vindt de opslag in de reinigingszone plaats in afgeschermde vakken met wanden waarmee de wind minder invloed heeft. De grond die nog niet gereinigd is heeft ook een andere structuur dan de gereinigde grond. De te reinigen grond betreft kleiig zand/siltige klei/siltig zand met tussen 15-20% fractie <63 µm. Deze grond is niet stuifgevoelig wanneer de grond voldoende vochtig is. Wanneer de
grond voldoende vochtig is zit de PFAS vooral in het poriewater en niet aan de gronddeeltjes zelf. Bij verstuiving zijn het de losse droge gronddeeltjes. Wij hebben het betreffende voorschrift 2.6 in de vergunning aangepast en voorschrift 2.15 wordt toegevoegd. Deze zienswijze is deels gegrond. Voorschrift 2.6 zal als volgt worden aangepast:
Verspreiding PFOS en stofhinder: verbod werkzaamheden i.v.m. weersomstandigheden 2.6 Ter voorkoming van stofhinder en de verspreiding van grond met PFOS vindt er in de vuile zone geen overslag en/of depotvorming plaats van grondstromen bij een sterke wind, vanaf windkracht 7 (14-17 m/sec.). Tijdens hevige regenval vindt er geen depotvorming plaats van grondstromen in de vuile zone. Onder hevige regenval wordt verstaan: hoosbuien >25 mm per uur en/of langdurige aaneengesloten buien waarbij er meer dan 25 mm binnen 24 uur valt waardoor de grond dusdanig verzadigd raakt waardoor deze niet meer in depot opzetbaar is.
Verspreiding PFOS en stofhinder: vochtgehalte grond reinigingszone 2.15 Ter voorkoming van stofhinder en de verspreiding van grond met PFOS dient grond in de reinigingszone voldoende vochtig (bodemvocht in ieder geval 10%) te worden gehouden. Bij droog weer bij een sterke wind, vanaf windkracht 7 (14-17 m/sec.) controleert de depotbeheerder zo nodig, middels een bodemvochtmeter, of de aanwezige grond voldoende vochtig is. 7.
In voorschrift 4.4 in de ontwerp omgevingsvergunning wordt verwezen naar ‘hevige regenval’. De definitie van hevige regenval in dit voorschrift dient volgens Schiphol te verschillen van de eerdere begripsomschrijving van ‘hevige regenval’ in voorschrift 2.6. De capaciteit van het vuilwaterbassin is geschikt om meer dan 167 mm regen in 8 achtereenvolgende dagen op te vangen. Dit komt overeen met een ‘superbui’ die statistisch gezien eens in de 100 jaar voorkomt met een duurtijd van 8 dagen. Bij reguliere ‘hevige regenval’ kan het bassin nooit overstromen. Schiphol stelt voor dat ‘hevige regenval’ in voorschrift 4.4 wordt aangepast naar ‘superbui’ met bijbehorende kenmerken.
Aangegeven wordt dat het vuilwaterbassin totaal 167 mm regen kan opvangen, echter niet duidelijk is hoe vol het bassin op een moment kan zijn door eerdere (weers)omstandigheden. Hierdoor dient er wel marge te worden betracht, opdat overstroming in geen geval zal plaatsvinden. Wij zijn van mening dat voor het afsluiten van de toevoer, gezien een opvangcapaciteit van 167 mm aanwezig is, dit ook alleen van toepassing hoeft te zijn bij een situatie van extreme neerslag. Volgens het KNMI wordt onder extreme neerslag verstaan: plaatselijke neerslag >50 mm in één uur en/of langdurige aaneengesloten buien waarbij er meer dan 100 mm binnen 24 uur valt. Deze zienswijze is gegrond en voorschrift 4.4 zal als volgt worden aangepast:
Verspreiding PFOS en bodembescherming: opvang verontreinigd hemelwater 4.4 In situaties met extreme regenval waarbij het verhard terrein van de vuile zone is schoongespoeld (first flush) dient de toevoer naar het vuilwater bassin te worden afgesloten. Het overtollige, niet verontreinigde hemelwater zal vervolgens vanaf de schoongespoelde verharding infiltreren in de omliggende grond. Onder extreme regenval wordt verstaan: plaatselijke neerslag >50 mm in één uur en/of langdurige aaneengesloten buien waarbij er meer dan 100 mm binnen 24 uur valt. 8.
Vrees voor het niet ontvankelijk verklaren van de zienswijze in verband met het in een eerdere zaak gehanteerde afstandscriterium van 2000 meter. Het is onduidelijk waar dit afstand criterium op berust.
Daarbij kan het 2000 m criterium geen stand houden aangezien de verspreiding van PFAS/PFOS een mondiaal probleem is gezien onder meer de verspreiding via en cumulatie in de voedselketen. Voor wat betreft deze zienswijze merken wij het volgende op. De omgevingsvergunning wordt voorbereid middels de uitgebreide procedure. De zienswijze procedure staat voor een ieder open. Voor belanghebbenden als niet-belanghebbenden. Het afstandscriterium geldt in dit geval dan niet. Dat houdt in dat alle ingediende zienswijzen in behandeling genomen moeten worden. De vrees voor het niet ontvankelijk verklaren van de zienswijze is hiermee ongegrond. Deze zienswijze is niet gegrond. 9.
Voorafgaand aan dit besluit is er geen MER opgesteld. Omdat het hier een voor Nederland nieuwe manier betreft voor het verminderen van een zeer zorgwekkende stof in het milieu zou dit volgens de indieners wel noodzakelijk zijn. Daarnaast zou hiermee bij uitstek de verschillende opslagen met PFOS houdende grond tezamen met de spoelinstallatie kunnen worden beoordeeld.
De aanvraag ziet toe op eventuele emissies die vrij kunnen komen tijdens het proces tot het verminderen van de PFOS in de partijen grond. Hierbij is gekeken naar alle relevante milieu aspecten zoals geluid, bodem en lucht en of deze voldoen aan de gestelde milieukwaliteitseisen en aan BBT. Daarnaast is conform het Besluit milieueffectrapportage beoordeeld of er een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Uit beide beoordelingen is gebleken dat de activiteiten zullen voldoen aan de geldende milieunormen en er geen aanzienlijke milieueffecten zullen optreden. Hiermee is er geen reden om een MER op te stellen. Deze zienswijze is niet gegrond. 10. De ILT heeft eerder in haar advies van januari 2024 meer voorzorgsmaatregelen geëist dan nu opgenomen in de te verlenen vergunning voor TTOP5. -
-
In het advies van ILT staat dat in het aanvraagformulier wordt aangegeven dat voor de vrijkomende partijen grond die mogelijk in aanmerking komen voor reiniging in de grondreinigingsinstallatie worden gekeurd conform de AP04-keuring. ILT adviseert om het PFAS-gehalte in de grond te bepalen middels NTA 8065:2022.nl te gebruiken. In bijlage 10 wordt in stap 3 aangegeven dat wordt uitgegaan van BRCL activiteit 3.1.1 Opslag van droog stortgoed. ILT vraagt in haar advies waarom hier niet “3.1.3 Overslag en opslag van nat stortgoed” wordt genomen? Er is toch sprake van gronddepots die niet overdekt zijn. En omdat PFAS makkelijk oplossen in water kunnen deze bij neerslag makkelijk in het water terecht komen en vrijkomen. Categorie 3.1.3 heeft daarom ook als eis een vloeistofdichte vloer.
ILT heeft geadviseerd om het PFOS gehalte in de partijen grond te bepalen middels NTA 8065:2022.nl in plaats van met een AP04-keuring. De AP04-keuring schrijft voor dat een lab erkend moet zijn. Erkende labs gebruiken erkende of aantoonbaar vergelijkbare methodes (zoals NTA 8065). Als er meerdere erkende methodes zijn is het voorschrijven van één specifieke methode in de vergunning niet nodig, ze zijn immers allemaal goedgekeurd. Als er slechts één methode is heeft het lab geen keuze dan alleen deze methode te gebruiken. In het ontwerpbesluit hebben wij nu de volgende voorschriften opgenomen:
Omgevingsvergunning
Milieutechnisch beheer ingaande grondstromen 1.5
Voorafgaand aan de aanvoer van een partij grond wordt de voorinformatie van een partij beoordeeld. Afhankelijk van de grootte van de partij is een indicatieve keuring nodig om de kwaliteit van de inkomende partij te bepalen. Hiervan kan worden afgezien als uit de voorinformatie met voldoende betrouwbaarheid de kwaliteit bepaald kan worden.
Maatwerkbesluit
Bodemkwaliteitsklasse partijen grond 2.1.1. In de depots voor gereinigde grond mogen uitsluitend partijen grond worden opgeslagen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie en die aantoonbaar zijn voorzien van een milieuverklaring bodemkwaliteit die is afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit. ILT heeft in haar advies gevraagd waarom niet uit wordt gegaan van BRCL activiteit 3.1.1 Opslag van droog stortgoed. De reden van de vraag is het voorkomen van verspreiding van PFOS via het hemelwater. Bij de beoordeling van de aanvraag is voor wat betreft de opslag van grond uitgegaan van de activiteit genoemd onder 3.1.1 ‘opslag droog stortgoed’ van de BRCL van de Nederlandse richtlijn Bodembescherming (NRB). Onder de Omgevingswet is de NRB vervangen door een nieuwe BBT-document genaamd "Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen’ (bb-cvm). In de BRCL/bb-cvm wordt onder ‘droog stortgoed’ bedoeld ‘stortgoed dat zodanig droog is dat er tijdens de opslagperiode geen vloeistoffen uittreden’. De opslag van (on)gereinigde grond in depots valt in principe onder deze categorie. Onder 3.1.1. BRCL/bb-cvm is wel vermeld dat er aandacht moet zijn voor ‘verspreiding van de stof via water, in de vorm van overdekking of overkapping’.
Om deze reden, en in verband met de minimalisatieplicht (zie ook de reactie op zienswijze 3), is in het voorschrift 2.2.2 gesteld dat de depots waarin grond met een PFOS-gehalte van meer dan 1,4 µg/kg aanwezig is (aanpassen vwb vergunning) moeten worden afgedekt met folie. Hierdoor zal er geen hemelwater bij deze PFOS-houdende grond kunnen komen en zal de grond dus ook niet zodanig nat worden dat er vloeistoffen zullen uittreden. Voorschrift 2.2.2 stelt verder dat onderafdichting met folie aanwezig moet zijn. Dit is conform de voorzieningen genoemd in 3.1.1. BRCL/bb-cvm. (zie ook onder zienswijze 3) De depots waarin grond met een PFOS-gehalte van meer dan 1,4 µg/kg wordt opgeslagen worden dus ingepakt met folie (afdekking en onderafdichting) waardoor er geen verspreiding van PFOS(-houdende grond) vanuit de betreffende depots via het hemelwater zal optreden. Deze zienswijze is niet gegrond. 11. Schiphol heeft diverse vergunningen die een sterke verwevenheid hebben (grondopslagen TTOP 1 t/m 5, grondreinigingsinstallatie en circulaire HUB) los aangevraagd.
De vraag is of deze vergunningen niet als één integrale vergunning hadden moeten worden aangevraagd, aangezien deze vergunning onder de Wet milieubeheer is aangevraagd en conform de Wet milieubeheer als één inrichting moet worden beschouwd ‘de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheidzijn gelegen' . De systematiek van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer is zo dat een aanvrager zelf kan bepalen welke activiteiten hij of zij aanvraagt. Wanneer activiteiten onderling voldoende functionele, technische en organisatorische bindingen hebben en in een onmiddellijke nabijheid van elkaar plaatsvinden dienen zij te worden verondersteld te behoren tot eenzelfde inrichting. Wanneer de activiteiten tot
eenzelfde inrichting behoren dienen de effecten van de milieubelastende activiteiten op de leefomgeving voor een milieu aspect in samenhang van elkaar te worden beoordeeld. Echter, dit betekent niet dat de drijver van de inrichting ook verplicht is alle activiteiten binnen een inrichting in één keer aan te vragen. Wanneer de activiteiten een zodanige invloed kunnen hebben op het milieu dan zijn deze activiteiten aangewezen in het Besluit milieueffectrapportage. De aangewezen activiteiten dienen bij de mer beoordeling wel in samenhang te worden beoordeeld. Het in samenhang beoordelen van de verschillende opslagplaatsen samen met de grondreinigingsinstallatie is gebeurd in het voor dit project genomen mer beoordelingsbesluit. Ook zijn waar nodig in de uitgevoerde rapportages (zoals lucht en geluid) de activiteiten bij de andere opslagplaatsen (TTOP1 t/m TTOP4) meegenomen in de boordeling van de aanvraag voor de activiteiten op TTOP5. Deze zienswijze is niet gegrond. 12. Verder is vraag of de gemeente Haarlemmermeer wel het bevoegde gezag is voor het geheel. Wanneer de aangevraagde activiteiten zijn aangewezen als IPPC installatie dan zou de Provincie Noord-Holland het bevoegd gezag zijn voor alle activiteiten van de inrichting SNBV. Op de aangevraagde activiteiten kunnen de onderstaande RIE-categorieën van toepassing zijn.
We geven hierbij kort een motivatie waarom de aangegeven RIE categorie niet van toepassing is op de aangevraagde activiteiten. • RIE categorie 5.1 a drempel verwijdering gevaarlijk afval: 10 ton/dag De partijen grond betreft geen gevaarlijk afval – De partijen grond bevatten max. 0,75 mg/kg PFOS. Het betreft pas gevaarlijk afval bij een gehalte van 50 mg/kg PFOS. • RIE categorie 5.3 a drempel verwijdering ongevaarlijk afval: 50 ton/dag De activiteit is niet gericht op verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen, maar op nuttige toepassing. Hiermee is de categorie niet van toepassing. • RIE categorie 5.3 b drempel nuttige toepassing ongevaarlijk afval: 75 ton/dag Er wordt max. 250 – 300 ton verontreinigde grond per dag gereinigd, echter de behandelingsmethode betreft een ‘fysisch chemische behandeling’. Deze behandelingsmethode is niet van toepassing op de betreffende RIEcategorie. Er is geen sprake van een IPPC installatie en de gemeente Haarlemmermeer is en blijft het bevoegd gezag voor de inrichting. Deze zienswijze is niet gegrond. 13. De grondreinigingsinstallatie valt onder de RIE en de IPPC-richtlijn. Hiervoor is de provincie Noord-Holland het bevoegd gezag. Onduidelijk is op welke gronden de Haarlemmermeer de vergunning heeft verleend in plaats van de provincie. Aangezien de procedure nu bij de gemeente Haarlemmermeer is doorlopen (i.p.v.
PNH) dient het besluit te worden vernietigd/als nietig te worden beschouwd. Zie onze reactie op zienswijze 12. Deze zienswijze is niet gegrond.
14. Gezien het genoemde in zienswijze 12 en 13 kan het besluit om de grondreinigingsinstallatie te vergunnen op TTOP5 geen stand houden. Zie onze reactie op zienswijze 12 en 13. Deze zienswijze is niet gegrond. 15. Ten onrechte wordt aangenomen dat de te reinigen grond maximaal van klasse industrie is. Uit diverse stukken blijkt namelijk dat sprake is van sterker verontreinigde grond. Dit speelt ook een rol bij de bepaling of de RIE van toepassing is. In de aanvraag is het volgende opgenomen m.b.t. het gehalte PFOS in de partijen grond:
Partijen grond met een PFAS gehalte tot 250 µg/kg droge stof (d.s.) zijn geschikt om te reinigen mits de chemische en fysieke samenstelling niet sterk afwijkend is. Bij partijen grond met een PFAS gehalte tussen de 250 en 750 µg/kg zal worden gekeken naar de chemische en fysieke samenstelling om te bepalen of het geschikt is om te reinigen. Partijen grond met een PFAS gehalte boven de 750 µg/kg zijn vooralsnog niet geschikt om te reinigen. Voor deze partijen wordt een niet reinigbaarheidsverklaring aangevraagd en vervolgens worden deze afgevoerd naar een erkend verwerker. Dit gaat conform de ‘Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006’ en valt buiten de scope van de aanvraag van de grondreinigingsinstallatie. Er zullen geen partijen grond met een PFOS gehalte van boven de 750 µg/kg (0,75 mg/kg) op TTOP5 aanwezig zijn. Partijen grond met een gehalte vanaf 50.000 µg/kg (50 mg/kg) PFOS geldt als gevaarlijk afval waarop de RIE van toepassing zou zijn. De RIE is hiermee dus niet van toepassing op de aangevraagde activiteiten. Deze zienswijze is niet gegrond. 16. Ook minieme verliezen van PFOS in de omgeving leiden tot blijvende omgevingseffecten. Dit hangt samen met de aard van de stof: Onafbreekbaarheid in mens en dier en daardoor cumulatie in de voedselketen. Dit is van belang voor wat betreft het aspect Ruimtelijk ordening.
PFOS is een zeer zorgwekkende stof (ZZS) waarvoor de minimalisatieplicht geldt. Uit deze minimalisatieplicht volgt dat de verspreiding van PFOS ten gevolge van de activiteiten op TTOP5, zoveel als mogelijk moet worden voorkomen en als voorkomen niet mogelijk is, moet worden beperkt. Om invulling te geven aan deze minimalisatieplicht, zijn voorschriften aan de vergunning en aan het maatwerkbesluit verbonden. In de onderdelen 3.3.4, 3.3.7 en 3.6.6. van de vergunning en onderdeel 3.2 van het maatwerkbesluit en ook in de beantwoording van zienswijze 3 van dit besluit komt de minimalisatieplicht verder aan bod en is beschreven hoe tot de voorgeschreven maatregelen zijn gekomen. Hiermee wordt aan de minimalisatieplicht voldaan en wordt verspreiding van PFOS zoveel als mogelijk voorkomen. Deze zienswijze is niet gegrond. 17. De vraag is of het residu (verontreinigd slib) via erkende inzamelaars en verwerkers niet elders in het milieu komt. In de vergunning worden zand en slib als geheel bekeken. Het slib moet afzonderlijk van het zand worden beoordeeld. Onduidelijk is wat met het slib gebeurt. De vraag of het residu (verontreinigd slib) via erkende inzamelaars en verwerkers niet elders in het milieu komt kan niet meegenomen worden in de beoordeling van de aanvraag. De aanvrager is verplicht conform wetgeving
het residu af te geven aan een erkende inzamelaar. Voor de erkende inzamelaar geldt specifieke regelgeving inzake de inname en verwerking van afval. Deze aanvraag ziet daar niet op. Uit art. 10.14 Wet milieubeheer volgt niet dat het bevoegd gezag ook het doelmatig beheer van ZZS-houdende afvalstoffen afkomstig van de PFAS-grondreinigingsinstallatie, die elders worden verwerkt, zou moeten worden meegenomen in de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning. Deze zienswijze is niet gegrond. 18. De vraag wie verantwoordelijk is voor het regenereren dan wel vernietigen van de gebruikte koolstoffilter. De vraag is of dit veilig gebeurt. Een gebruikte koolstoffilter wordt beschouwd als afval en deze dient afgegeven te worden aan een daartoe erkende afvalinzamelaar. Uit art. 10.14 Wet milieubeheer volgt niet dat het bevoegd gezag ook het doelmatig beheer van ZZS-houdende afvalstoffen afkomstig van de PFAS-grondreinigingsinstallatie, die elders worden verwerkt, zou moeten worden meegenomen in de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning. Deze zienswijze is niet gegrond. 19. De stukken bevatten geen bewijs dat de reinigingsinstallatie en de methode veilig zijn en effectief de PFAS weten te vernietigen. Ook de procesbeschrijving in de bijlage DEME Hybrid Soilwashing Process’, waarnaar wordt verwezen, voorziet hier niet in. Desondanks wordt de vergunning afgegeven.
Hierdoor wordt in strijd met het voorzorgsbeginsel en artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet gehandeld. Het bevoegd gezag neemt daardoor een enorm risico met de gezondheid van omwonenden in een grote straal rondom de reinigingsinstallatie en de locatie waar Schiphol de koolstoffilters wil vernietigen en het slib wil gaan verwerken. Hierdoor wordt in strijdt met het EVRM en in bijzonder artikel 8, gehandeld. De haalbaarheid van het reinigingsrendement is niet relevant in het kader van de toetsing van een aanvraag en de verlening van een omgevingsvergunning milieu. Dit is een vraag van productregelgeving en niet van milieuwetgeving. Er bestaat daarom ook geen aanleiding of verplichting om de haalbaarheid van het reinigingsrendement te toetsen. Deze zienswijze is niet gegrond. 20. Door deze vergunning te verlenen worden de gemeente Haarlemmermeer en haar inwoners opgezadeld met enorme financiële en aansprakelijkheidsrisico’s. Er wordt op gegokt dat het verantwoord is vergunning te verlenen voor deze installatie, ondanks waarschuwingen van de PFAS expert en zonder onafhankelijk onderzoek, dat anders (dat het niet verantwoord is) zou bewijzen. Financiële en aansprakelijkheidsrisico’s behoren niet tot het toetsingskader voor vergunningverlening. Wij zijn van oordeel dat wij over voldoende informatie beschikken om de vergunning te verlenen.
Voorts wordt aan de vergunning voorschriften verbonden die goed handhaafbaar zijn. Deze zienswijze is niet gegrond. 21. De vergunning voldoet niet aan de verplichting om de best beschikbare technieken in te zetten. Het is niet bewezen dat dat de soil washing techniek BBT is. De werking van de installatie is onzeker en testrapporten
die bewijzen dat de soil washing techniek veilig en effectief is ontbreken. Het is wel bewezen dat destructie (van PFAS) door verhitting werkt. De vraag is waarom de grond niet wordt afgevoerd en elders wordt vernietigd. Dat destructie door verhitting, inclusief afvoer, duurder is, wil nog niet zeggen dat het geen BBT is. Conform jurisprudentie moeten wij op basis van de aanvraag beslissen. Dat wil zeggen dat wij geen alternatieven kunnen voorschrijven. Aan de vergunning worden voorschriften verbonden die goed handhaafbaar zijn. Wij merken verder op niet vereist is dat reeds volledig inzicht bestaat in de van de aangevraagde inrichting te duchten milieugevolgen en de ter beperking van deze gevolgen aan een eventueel te verlenen vergunning te verbinden voorschriften. Deze zienswijze is niet gegrond. 22. Het gestelde dat de opslag van PFAS houdende grond, zoals Schiphol dat doet, veilig is en er geen gevaar is voor weglekken van PFAS is onjuist. Dit blijkt uit informatie van de ODNZKG (welke in de zienswijze is bijgevoegd) over TTOP4. Zo laat een eindsituatiebodemonderzoek uitgevoerd bij het beëindigen van TTOP4 zien dat het grondwater van een waarde tussen 2.8 en 5.7 ng/l PFOA in het grondwater na een jaar een waarde van 92 ng/l PFOA in het grondwater laat zien. Ook staat in het bodemrapport dat er een verslechtering van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden.
Als dat al in een jaar tijd kan gebeuren, dan is het de vraag hoe erg het dan wel niet kan worden indien deze lekkages gedurende 7 jaar (looptijd tijdelijke vergunning TTOP5) kunnen zijn. Om ‘weglekken’ van PFAS oftewel de verspreiding van PFOS(-houdende grond) ten gevolge van de opslag van PFOS-houdende grond te voorkomen is voorschrift 2.2.2 (maatwerkbesluit) gesteld waarin maatregelen zijn opgenomen zoals het afdekken en het aanbrengen van een onderafdichting met folie. Hoewel we verwachten dat de voorgeschreven maatregelen en de gehele procesgang van de grondreiniging zodanig zijn dat verontreiniging van het grondwater voldoende wordt voorkomen, achten we het als extra zekerheid van meerwaarde om enkele maanden na de start van de grondreiniging en elk half jaar daarna de kwaliteit van het grondwater te bemonsteren op PFAS. Dit, om te meten of er onverhoopt significante beïnvloeding is die zich zou kunnen verspreiden naar de watergangen. Hiertoe worden voorschriften aan het besluit verbonden. Deze zienswijze is deels gegrond. 23. Voor een PFAS opslag locatie aan de zuidkant van Schiphol, de zogenaamde DTOP, heeft Rijnland in maart 2021 een formele waarschuwingsbrief (welke in de zienswijze is bijgevoegd) verzonden wegens de geloosde hoeveelheden PFOS. Voor zowel 26 mei als op 25 november 2020 zijn overschrijdingen vastgesteld.
Hieruit blijkt hoe onveilig de opslag van PFAS op Schiphol is. Deze procedure heeft, wat daarvan ook zij, geen betrekking op lozingen van PFOS. De waarschuwingsbrief is verzonden door een ander bevoegd gezag. Wij kunnen die daarom niet betrekken in deze procedure. Tekst voor in besluit nav aanvraag: Zoals verwoord onder ‘3.5.7. Afvalwater’ van dit besluit, wordt vanuit de locatie TTOP5 geen afvalwater of potentieel verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater geloosd. Het afvalwater afkomstig van het wassen van de wielen en het potentieel verontreinigd hemelwater, afkomstig van de ‘vuile zone’ wordt naar het
vuilwaterbassin geleid, gezuiverd en hergebruikt. Het water dat in de reinigingsinstallatie wordt gebruikt wordt zoals beschreven in de aanvraag en onder onderdeel 3.5 van dit besluit niet geloosd op een riolering, op de bodem of in het oppervlaktewater. Dit water wordt opgevangen en hergebruikt. Met betrekking tot de afvoer van hemelwater dat afkomstig is van een vloeistofdichte voorziening dan wel overige gedeelten van het terrein zijn de voorschriften in Hoofdstuk 4 ‘Afvalwater’ gesteld. Door het stellen van deze voorschriften wordt de verspreiding van PFOS via het afvloeiend hemelwater voldoende voorkomen dan wel beperkt. Tekst voor in maatwerkbesluit: Vanuit de niet-vergunningplichtige activiteiten waar dit besluit over gaat, vindt geen lozing van afvalwater op het oppervlaktewater plaats. Op afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is een bodembescherming voorziening zijn, zoals verwoord onder ‘3.4.2 Aanleiding maatwerkvoorschriften afvalwater’, algemene regels en de specifieke zorgplicht van toepassing. Om nadere invulling aan de specifieke zorgplicht te geven, stellen wij het maatwerkvoorschrift 2.3.8. Dit voorschrift is gericht op het voorkomen van verontreinigingen, zoals PFOS, in afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van de wegen en rijplaten.
Daarnaast wordt in het maatvoorschrift 2.2.2 verplicht gesteld dat depots met grond met een PFOS-gehalte tussen 1,4 µg/kg – 3 µg/kg moet worden opgeslagen en afgedekt met folie, waardoor deze grond niet in aanraking kan komen met hemelwater waardoor verontreiniging van het afvloeiend hemelwater wordt voorkomen. Door het stellen van deze maatvoorschriften wordt de verspreiding van PFOS via het afvloeiend hemelwater voldoende voorkomen dan wel beperkt. Deze zienswijze is niet gegrond. 24. Het oppervlaktewater rond de grondreinigingsinstallatie loost deels op de Hoofdvaart en uiteindelijk op de Ringvaart. In de vergunning is alleen opgenomen dat er vooraf een bodemonderzoek plaats dient te vinden. Het eindsituatie bodemonderzoek van TTOP4 liet vervulling zien van het grondwater. In tussentijdse metingen in de bodem dan wel metingen in het omringende oppervlaktewater is niet voorzien. Dit is wel nodig, omdat zoals iedereen weet een menselijke fout tot rampen kan leiden. De afhandeling, onder andere verplaatsen, afdekken, controleren van de opslag is mensenwerk. Duidelijke afspraken over hoe vaak, waar en wie de metingen van oppervlaktewater en slib in sloten verricht en welke normen uit het tijdelijk handelingskader gebruikt gaan worden is noodzakelijk. Welke maatregelen en door wie getroffen worden bij overschrijding, is niet beschreven.
Als niet gemeten wordt en niemand verantwoordelijk is blijft de kans op ongelukken groot. Tekst voor in besluit nav aanvraag: Zoals verwoord onder ‘3.5.7. Afvalwater’ van dit besluit, wordt vanuit de locatie TTOP5 geen afvalwater of potentieel verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater geloosd. Dergelijke lozingen zijn geen onderdeel van de ingediende aanvraag en daarbij zijn wij niet het bevoegd gezag om te beslissen op een aanvraag voor dergelijke lozingen op het oppervlaktewater. Zie ook onze reactie op zienswijze nr. 23. Daarnaast verbinden we als extra zekerheid, hoewel we verwachten dat de voorgeschreven maatregelen en de gehele procesgang van de grondreiniging zodanig zijn dat verontreiniging van het grondwater voldoende wordt voorkomen, zoals ook verwoord onder zienswijze nummer 22, voorschriften aan het besluit om periodiek grondwater te bemonsteren. Tekst voor in maatwerkbesluit:
Vanuit de niet-vergunningplichtige activiteiten waar dit besluit over gaat, vindt geen lozing van afvalwater op het oppervlaktewater plaats. Dergelijke lozingen zijn geen onderdeel van de activiteiten op TTOP5 en daarbij zijn wij niet het bevoegd gezag om te beslissen op een aanvraag voor dergelijke lozingen op het oppervlaktewater. Zie ook onze reactie op zienswijze nr. 23. Daarnaast verbinden we als extra zekerheid, hoewel we verwachten dat de voorgeschreven maatregelen en de gehele procesgang van de grondreiniging zodanig zijn dat verontreiniging van het grondwater voldoende wordt voorkomen, zoals ook verwoord onder zienswijze nummer 22, voorschriften aan het besluit om periodiek grondwater te bemonsteren. Deze zienswijze is deels gegrond. 25. Er is grote zorg dat via de verspreiding van stof, PFAS houdend materiaal kan worden verspreid. Om deze zorg te ondervangen zou monitoring van fijnstof en ultra fijnstof op grote afstand gewenst zijn om de ernst van deze aannemelijkheid te ontkrachten dan wel indien aanwezig gepaste maatregelen te nemen. Monitoring is simpel te verrichten via bestaande fijnstof en ultrafijnstofmonitoring en analyse van dit materiaal. Tekst voor in besluit nav aanvraag: Zoals verwoord in de onderdelen ‘3.3.7.
Het opslaan van gereinigde grond in depots’ en ‘3.6.2 Lucht’ van dit besluit hebben wij het noodzakelijk gevonden om voorschriften te stellen om de verspreiding van PFOS via de lucht te voorkomen dan wel te bepreken. Hiertoe zijn de voorschriften 2.2, 2.4 tot en met 2.14 aan dit besluit verbonden. In deze voorschriften is onder meer verplicht gesteld dat de depots met grond met een PFOS gehalte van meer 3,0 µg/kg moeten zijn afgedekt met folie en dat er diverse maatregelen moeten worden getroffen om verspreiding van PFOS via de lucht, tijdens de werkzaamheden, zoals transport, te voorkomen. Door de voorgeschreven maatregelen te treffen, wordt verspreiding van PFOS via de lucht voldoende voorkomen dan wel beperkt en is aanvullende monitoring van fijnstof PFOS en ultra fijnstof op grote afstand niet nodig. Tekst voor in maatbesluit: Zoals verwoord in de onderdelen ‘3.2. ZZS en gezondheid’ en ‘3.3. Stofhinder’ van dit besluit hebben wij het noodzakelijk gevonden om voorschriften te stellen om de verspreiding van PFOS via de lucht te voorkomen dan wel te bepreken. Hiertoe zijn de voorschriften 2.2.2 tot en met 2.2.8 en 2.3.1 tot en met 2.3.8 aan dit besluit verbonden.
In deze voorschriften is onder meer verplicht gesteld dat de depots met grond met een PFOS gehalte 1,4 µg/kg – 3 µg/kg moeten zijn afgedekt met folie en dat er diverse maatregelen moeten worden getroffen om verspreiding van PFOS via de lucht, tijdens de werkzaamheden, zoals transport, te voorkomen. Door de voorgeschreven maatregelen te treffen, wordt verspreiding van PFOS via de lucht voldoende voorkomen dan wel beperkt en is aanvullende monitoring van fijnstof en ultra fijnstof op grote afstand niet nodig. Deze zienswijze is niet gegrond. 26. De huidige interactieve PFAS TTOP kaart is bijgewerkt tot 2019. Is dat actueel genoeg om 5 jaar later te vergunnen? Onze eigen metingen van oppervlaktewater en slib rond TTOP geven aanzienlijke hogere waarden aan dan door Rijnland gemeten in 2019.
Een ‘PFAS TTOP kaart’ bestaat niet. Waarschijnlijk wordt de PFAS-achtergrondwaardenkaart bedoeld. Die is inderdaad 5 jaar oud en wordt om die reden nu door ons geactualiseerd. Deze kaart is echter niet relevant voor deze vergunningprocedure. Voor de bepaling van de bodemkwaliteit op de projectlocatie zijn de documenten ‘Eindsituatiebodemonderzoek ‘evaluatieverslag’ opgesteld door Terrascan B.V. (kenmerk T.22.11848, 7 juli 2022) door ons beoordeeld en akkoord bevonden. De in het evaluatieverslag van Terrascan B.V. (kenmerk T.22.11848, 7 juli 2022) vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Hiermee is de kwaliteit van de bodem en het grondwater ter plaatse voldoende vastgelegd. Deze zienswijze is niet gegrond.