Bijlage 3.2 Rapport inpassing beheer
Tekst van het document
Instandhoudingsbeheer (vanaf 4 jaar): Het struweel wordt aan elke drie tot vijf jaar plaats (het onderhoudsinterval is afhankelijk van hoe snel de planten groeien) waarmee, de hoogte van de haag onder controle gehouden, onderhouden. Deze hoogte bedraagt minimaal 2 meter en maximaal varierend tussen de 2 en 4 meter. Mocht beplanting uitvallen, dan zal gekeken worden wat de reden is en welke soort en maat terug geplant dient worden om het gewenste eindbeeld te bereiken of te behouden. De struweelgroepen worden volledig afgezet tijdens de snoei. Planning van het beheer Voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden wordt rekening gehouden met diverse factoren. Zo wordt er geen beheer uitgevoerd in het broedseizoen en wordt er voor gezorgd dat planten altijd kunnen bloeien.
34
5.2. Kruidenrijk grasland Kruidenrijk grasland wordt gekenmerkt door variatie in structuur en een begroeiing die rijk is aan bloeiende kruiden, insecten zoals vlinders en (wilde) bijen en kleine fauna. Gradiënten zoals in voedselrijkdom, licht - schaduw en nat - droog en diversiteit in beheer zorgen voor diverse vegetatietypen. Het doel is dat het aandeel kruiden tenminste 20% is. Doel Draagt bij aan verbetering van de leefomgeving voor kleine marterachtigen. Beheermaatregelen Ontwikkelingsbeheer (0-3 jaar) De afgelopen jaren zijn de percelen gebruikt als akkerbouwgrond. Dit betekent dat er na bewerking van de grond waarschijnlijk veel snelgroeiende onkruiden ontwikkelen. Door in de eerste jaren het grasland vaker te maaien en het maaisel af te voeren, wordt de bodem actief verschraald. Dit verlaagt de concurrentie die het kruidenrijk grasland heeft met onkruiden en helpt het zich permanent te vestigen. Er wordt rekening gehouden met voldoende tijd tussen de maaibeurten om de vegetatie te kunnen ontwikkelen. Instandhoudingsbeheer (vanaf 3 jaar): Door het beheer extensief uit te voeren kan een divers kruidenrijk grasland ontstaan. Het grasland zal tenminste 2x jaarlijks worden gemaaid, rond 15 juni en bij voorkeur eind september. Door laat in de zomer te maaien krijgen meerdere soorten meer ruimte om hun zaden te verspreiden, waardoor de diversiteit in de vegetatie verbetert.
Het maaisel wordt afgevoerd. Naar alle waarschijnlijkheid zal tenminste een deel van het zonneveld beheerd worden middels schapen. Het terrein wordt niet in zijn geheel gemaaid of begraasd. Zo is er altijd een deel van de ondergrond waar kruiden in bloei staan en een deel waar begraasd wordt en de verschillende fases er tussenin. Drukbegrazing wordt toegepast van maximaal 2 à 3 weken achtereen en met tussenpozen van minimaal 8 weken. Zo krijgen kruiden de kans te bloeien en zaad te zetten wat een meerwaarde heeft voor de biodiversiteit. Planning van het beheer Voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden wordt rekening gehouden met diverse factoren. Zo wordt er geen beheer uitgevoerd in het broedseizoen en wordt er voor gezorgd dat planten altijd kunnen bloeien.
35
5.3. Watervegetatie Rietkragen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietkragen kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen, en in de laatste vorm soms vele kilometers lengte beslaan. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën, ringslang, libellen en moerasvegetaties. Deze functie heeft ook de weidevogelpoel. Daarbij is het van belang dat er zandplekjes gecreeerd gaan worden voor ontvlooien en opwarmen van reptielen/amfibieën. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor amfibieën en ongewervelden. Tevens dienen ze als vitrage in het landschap. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer (vanaf 3jaar): De rietkragen wordt periodiek gemaaid in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar en al het maaisel wordt afgevoerd. Het maaisel en/of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Het meest gunstige tijdstip om het natte profiel te schonen is de periode september, oktober. In deze periode hebben de planten hun zaad gezet en is de winterrust van vissen en amfibieën nog niet begonnen. Zolang de watertemperatuur groter is dan 10 graden Celsius, is ook schonen in november en december nog verantwoord.
Als er meer dan een keer moet worden gemaaid moet de eerste keer na half juli plaatsvinden, wanneer het broedseizoen van de vogels en voortplantingsseizoen van de vissen voorbij zijn. Om te zorgen dat amfibieën in het maaisel terug kunnen vluchten naar de watergang en water kan terugstromen, moet het maaisel 48 uur in de buurt van de watergang blijven, maar niet op de oever worden gedeponeerd. Planning van het beheer Snoeien, indien vereist, vindt plaats in de minst kwetsbare periode, te weten in de maanden september en oktober. Indien de watertemperatuur groter is dan 10 graden Celsius, kan men eventueel ook werken in de maanden november en december.
36
5.4. Takkenrillen Takkenrillen zijn stammen, takken, bladeren en ander snoeimateriaal welke over de lengterichting op elkaar zijn gestapeld, meestal tussen een dubbele rij palen. Door de ruimte tussen de palen op te vullen ontstaat er zo een natuurlijke afscheiding met veel dekking voor vogels en kleine zoogdieren. Takkenrillen die als bijzonder waardevol voor kleine marterachtigen kunnen worden beschouwd, hebben een onderlaag van dikkere stammen (10-15 cm. diameter), zijn minimaal 1 m. hoog en minimaal 1 m. breed. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor kleine marterachtigen en biedt dekking voor vogels en kleine zoorgdieren. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer (vanaf 3 jaar): Het hout verteert langzaam en moet minimaal elke 3-5 jaar worden aangevuld met vers snoeimateriaal Planning van het beheer De werkzaamheden dienen buiten de kwetbare kraamperiode plaats te vinden: 1 sep - 15 maart
37
5.5. Grasland Doel Het grasland bestaat uit een overwegend gras, waarvan een relevant deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer: Door het beheer extensief uit te voeren kan een divers bloem- en kruidenrijk grasland ontstaan. Het grasland zal tenminste 2x jaarlijks worden gemaaid, rond 15 juni en bij voorkeur eind september. Door laat in de zomer te maaien krijgen meerdere soorten meer ruimte om hun zaden te verspreiden, waardoor de diversiteit in de vegetatie verbetert. Het maaisel wordt afgevoerd. Naar alle waarschijnlijkheid zal tenminste een deel van het zonneveld beheerd worden middels schapen. Planning van het beheer Voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden wordt rekening gehouden met diverse factoren. Zo wordt er geen beheer uitgevoerd in het broedseizoen en wordt er voor gezorgd dat planten altijd kunnen bloeien.
38
5.6. Waterelementen Rietkragen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan agrarisch gebruikte percelen. Deze rietkragen kunnen zowel individueel als in samenhang met elkaar voorkomen. Vanwege een extensief gebruik van deze rietzomen, zijn ze een belangrijk broedgebied voor rietvogels, en eveneens van belang voor amfibieën en reptielen, libellen en moerasvegetaties. Doel Draagt bij aan het leefgebied voor amfibieën en ongewervelden. Beheermaatregelen Instandhoudingsbeheer: De rietkragen worden periodiek gemaaid in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar en al het maaisel wordt afgevoerd. Het maaisel en/of bagger mag niet verwerkt worden in het element. Bij de waterpoelen dient jaarlijks gecontroleerd te worden of de zandplekken aan de noordelijke rand van het functie blijft behouden. De poel dient in een cyclus van eenmaal per 2-4 jaar worden gemaaid/geschoond en al het maaisel wordt afgevoerd. Drijvende waterplanten dienen te worden verwijderd. Planning van het beheer De werkzaamheden kunnen het beste buiten de kwetsbare periode plaatsvinden, te weten in de periode september/ oktober.
Maaien en schonen 39