Bijlage 2C - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora- en fauna Hoofdweg, Lijnden
Nijverdal, 4 oktober 2021 Projectnummer 20.164
Colofon Door:
Telefoonnummer: E-mail: Internet: Project: Auteur/ veldinventarisatie: Gecontroleerd door: Datum: Status:
Otte Groenadvies BV Brilsweg 1a 7441 BV Nijverdal 06 - 18 95 19 55 tjitske@ottegroenadvies.nl www.ottegroenadvies.nl 20.164 T.M. Stam – Propedeuse Hoger Beroepsonderwijs Bos en Natuurbeheer Ing. P. Otte 4 oktober 2021 Definitief (versie 5, 21-12-2022)
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
1.1. Aanleiding en doelstelling .................................................................................................... 4 1.2. Methodiek ........................................................................................................................... 4 2. Wetgeving................................................................................................................................................... 6 3. Gebiedsomschrijving ................................................................................................................................... 7
3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving ............................................................................... 7 3.2. Projectvoornemen ............................................................................................................... 7 3.3. Foto impressie planlocatie ................................................................................................... 8 4. Gebiedsbescherming ................................................................................................................................... 9
4.1. Natura 2000 ......................................................................................................................... 9 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) ....................................................................................... 9 4.3. Weidevogelgebied ............................................................................................................. 11 5. Beschermde flora en fauna ....................................................................................................................... 12
5.1. Flora................................................................................................................................... 12 5.2. Zoogdieren ......................................................................................................................... 12 5.3. Vleermuizen ....................................................................................................................... 13 5.4. Vogels ................................................................................................................................ 15 5.5. Amfibieën .......................................................................................................................... 15 5.6. Overige soorten ................................................................................................................. 15 6. Conclusies ................................................................................................................................................. 16
6.1. Overzicht van de bevindingen ............................................................................................ 16 6.2. Aanbevelingen ................................................................................................................... 17 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid ............................................................................................................... 19 8. Bibliografie ............................................................................................................................................... 20 Bijlage........................................................................................................................................................... 22
BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 22
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, het plaatsen van zonnepanelen op agrarisch percelen, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie grenzend aan de Schipholweg te Lijnden. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft de initiatiefnemer besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Weten regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming.
In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkend. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
4
1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 16 november 2020 en 29 september 2021 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. De weersomstandigheden waren op 16 november 2020 bewolkt, droog, 13°C. op 29 september 2021 waren de weersomstandigheden bewolkt, regen, 12°C Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.
5
2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders.
De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: • Er geen bevredigend alternatief is; • Er sprake is van een wettelijk belang; • Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten (Overheid, 2015).
6
3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in de Haarlemmermeerpolder, in een droogmakerijenlandschap. Dit landschap is ontstaan door het droogmalen van ondiepe meren, deze werden door compagnieën drooggelegd. De verkaveling kenmerkt zich door een rationele opzet, rechte lijnen en een open landschap. De eerste droogmakingsprojecten richtten zich op kleine, ondiepe meren. Naarmate de techniek zich ontwikkelde was het mogelijk om grotere droogmakerijen tot stand te brengen. Hierdoor is de Haarlemmermeer pas in de 19e eeuw drooggemalen (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, z.d.). De planlocatie ligt bij knooppunt Raasdorp met aan de noordoostzijde de A9 en aan de westzijde de A5. Het plangebied wordt omgeven door agrarische percelen met aan de noordoostzijde, achter de A9 het dorp Lijnden en de stad Amsterdam. De onderzoekslocatie ten bestaat uit een agrarisch perceel, langs en door de percelen lopen waterafvoersloten. Er zijn geen bomen en struiken aanwezig.
Afbeelding 1. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.) 3.2. Projectvoornemen Voor de voorgenomen ontwikkelingen worden de agrarische percelen opnieuw ingericht met zonnepanelen, om het terrein wordt een hekwerk geplaatst bij de ingangen komen lage lichtmasten te staan.
7
3.3. Foto impressie planlocatie
Afbeelding 2. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.)
Schipholweg, zie nr. 1
Zuidoostzijde planlocatie, zie nr. 2
Zuidoostzijde planlocatie, zie nr. 3
Westzijde, vanaf Schipholweg, zie nr. 4
8
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Onderstaande informatie in paragraaf 4.1 is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.) (BIJ12, z.d.) & (Kadviewer, z.d.). De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming Een project mag pas worden uitgevoerd als: • De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast; • In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen; • Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Er liggen geen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dichtbij zijnde gebied is Kennemerland-Zuid (gebiedsnummer 88), ongeveer 10 kilometer ten westen van de planlocatie.
Effectenbeoordeling Per 1 juli 2021 heeft er een wetswijziging plaatsgevonden, de wetgeving heeft betrekking op de partiële vrijstelling bouwen, slopen en aanleggen. De aanlegfase bij het bouwen en slopen van diverse bouwwerken is vrijgesteld van vergunningplicht voor wat betreft stikstof. Het opstellen van AERIUS-berekeningen voor de aanlegfase is niet meer nodig (Rijksoverheid, 2021). 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.). De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde gebieden betreft een groengebied Regio Zuid/West Rijnland op circa 1200 meter ten noorden van de planlocatie (Provincie Noord-Holland, z.d.). De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig.
9
Afbeelding 3. Locatie plangebied (rood) NNN (groen) (Provincie Noord-Holland, z.d.) In de omgevingsverordening provincie Noord-Holland worden de ecologische verbindingszones weergegeven. Na contact te hebben gehad met een medewerker van de provincie Noord-Holland is duidelijk geworden dat de verbindingszones ingetekend op deze kaart indicatieve lijnen zijn, definitieve locaties zijn niet vastgesteld (Ruimtelijke plannen, z.d.).
Afbeelding 4. Locatie plangebied (rood) NNN + ecologische verbindingszones (groen) (Ruimtelijke plannen, z.d.).
10
4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied, dichtstbijzijnde gebieden liggen op circa 4,5 kilometer ten noordwesten van de planlocatie (Provincie Noord-Holland, z.d.). Negatieve effecten zijn niet te verwachten naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling.
11
5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora De planlocatie bestaat uit een agrarisch perceel, deze is tijdens het veldbezoek recentelijk omgeploegd. Er zijn geen bomen en struiken aanwezig. In de kruidlaag staan resten van klavers en zuring. Monumentale- en waardevolle bomen Gemeente Haarlemmermeer heeft een lijst opgesteld waarop gemeentelijke- en particuliere beschermde- en monumentale bomen staan vernoemd (Gemeente Haarlemmermeer, z.d.). Uit de gemeentelijke- en particuliere bomenlijst is gebleken dat er geen beschermingswaardige bomen op de planlocatie aanwezig zijn (Gemeente Haarlemmermeer, z.d.). Aan de Schipholweg op circa 400-900 meter van de planlocatie staan enkele beschermingswaardige zomerlindes (Tilia platyphyllos). Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. Monumentale- en waardevolle bomen Uit de gemeentelijke- en particuliere bomenlijst is gebleken dat er geen beschermingswaardige bomen op de planlocatie aanwezig zijn (Gemeente Haarlemmermeer, z.d.).
Negatieve effecten zijn met de ruimtelijke ontwikkelingen niet te verwachten. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn, wezel De bunzing en hermelijn komen voor in allerlei verschillende landschapstypen, de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komen deze soorten voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen (Zoogdiervereniging, z.d.) (Zoogdiervereniging, z.d.) Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren.
Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt (Zoogdiervereniging, z.d.). Uit marteronderzoek rondom de start- en landingsbanen van Schiphol is gebleken dat de wezel in de omgeving van de planlocatie voor komt (Natuurlijke Zaken, z.d.). De oevers van de planlocatie zijn matig geschikt maar worden mogelijk wel door wezels gebruikt. Verblijfplaatsen zijn niet aanwezig. Voor de aanleg van het zonnepark worden sloten, oevers en groenstroken geheel ontzien. Tevens wordt verwacht dat met de nieuwe inrichting een interessanter leefgebied voor deze kleine marterachtigen ontstaat. 12
In en rondom de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van beschermde soorten. Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis en huisspitsmuis komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Noord-Holland. Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde. 5.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan.
Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2021) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2020) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011). Verblijfplaatsen Op de planlocatie zijn geen bomen of bebouwing aanwezig. De ruimtelijke ontwikkeling heeft geen negatief effect op mogelijke verblijfplaatsen van deze soort. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig.
Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en
13
maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen geen gebruik maken van het agrarische perceel. Nader onderzoek en/of ontheffing aanvragen is niet nodig (Netwerk Groene Bureaus, 2020).
14
5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. De bomen grenzend aan het plangebied bieden mogelijkheden voor nestlocaties. Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten aangetroffen. Effectenbeoordeling De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van vogels. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5.
Amfibieën Rugstreeppad De habitat van de rugstreeppad bestaat uit beschaduwde, laag begroeide tot volledig onbegroeide, vaak min of meer geaccidenteerde terreinen met daarin plekken waarin een extreem microklimaat zowel qua temperatuur als vochtigheid en ondiepe wateren die snel kunnen opwarmen (Ravon, z.d.). Op de planlocatie zijn enkele waterafvoersloten aanwezig. Door de diepte van de sloten en het ontbreken van vegetatie is de planlocatie tijdens de veldinventarisatie niet geschikt. Effectenbeoordeling Voorkom vestiging tijdens de werkzaamheden. In de aanbevelingen is een set van maatregelen opgenomen. 5.6. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen kleine soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige waterafvoersloten. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Noord-Holland. Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt.
Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
15
6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming
Aanwezigheid
Effecten
Aanbeveling
Natura 2000 - zuurgevoeligheid
op 10km
mogelijk
geen
Overige onderdelen NNN
op 750/800m
geen
geen
Soortgroepen
Aanwezigheid
Effecten
Aanbevelingen
Flora – beschermde soorten
niet
geen
geen
Zoogdieren – gebouwbewonend
niet
geen
geen
Zoogdieren – grond-/boombewonend
mogelijk
mogelijk
zorgplicht
Zoogdieren – vrijgestelde soorten
aanwezig
mogelijk
zorgplicht
Vleermuizen – verblijfplaatsen
niet
geen
geen
Vleermuizen – vlieg/foerageerroute
mogelijk
geen
geen, mits..1
Vogels – jaarrond beschermde nesten
niet
geen
geen
Vogels – algemene broedvogels
mogelijk
beperkt
zorgplicht
Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten
niet
geen
geen
Amfibieën/vissen – beschermde soorten
niet
geen
geen
Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk
beperkt
zorgplicht
Reptielen/ongewervelden – besch. soort
geen
geen
1
niet
= mits beperkt met lichtbelasting wordt omgegaan
16
6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • De ingrepen behorend tot het project leiden niet tot effecten op beschermde natuurgebieden, zoals aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van het Natuurnetwerk Nederland of externe effecten op Natura 2000-gebieden; Fauna •
Rugstreeppad: De planlocatie is ten tijde van het onderzoek niet geschikt als potentiële voortplantingen verblijfplaats voor de Europees beschermde soort rugstreeppad, wel wordt geadviseerd om maatregelen te nemen dat om te voorkomen dat tijdens het werk vestiging van de rugstreeppad wordt voorkomen. Na uitvoer van de aanlegwerkzaamheden worden natuurvriendelijke oevers aangelegd waarna de rugstreeppad zich kan vestigen.
• o
o
Het plangebied (voorafgaand aan het uitvoeren van mogelijke grondwerkzaamheden) volledig af te schermen met antiworteldoek. Het antiworteldoek dient een hoogte van 40/50 cm te hebben en dient 5 cm in de grond te worden geplaatst. Dit dient dan niet in het najaar of de winter te gebeuren, maar in het late voorjaar en de zomer, omdat anders de padden al op zoek zijn naar winterverblijfplaatsen in de grond, of; Door de randen van het plangebied zodanig te profileren dat deze aan de binnenzijde loodrecht wordt af- gegraven kunnen de Rugstreeppadden het terrein niet in. De steil rand moet minstens dertig centimeter hoog zijn. Incidenteel aanwezige exemplaren of dieren die toch het gebied zijn binnengedrongen kunnen het plangebied zo gemakkelijk verlaten. De buitenzijde moet bovendien schuin blijven, omdat dieren (Rugstreeppadden, egels, muizen, etc.) er anders niet uit kunnen wanneer ze erin vallen. Omdat het kleigrond betreft is te verwachten dat de steile kant gemakkelijk zal blijven staan. Wel moet het talud aantoonbaar wekelijks worden gecontroleerd op instortingen. Deze zijn vervolgens gemakkelijk met de spade te herstellen. Zie de onderstaande schets:
-
o o
o
Laat het werk zich goed op elkaar aansluiten, zodat exemplaren van de rugstreeppad geen kans krijgen zich te vestigen in het gebied; Zwakke plakken zoals de toegang tot het terrein: Alleen de toegangsweg mag beschikbaar blijven voor bouwverkeer. Eventuele toegangen dienen te worden afgesloten met een plastic paddenscherm. Omdat de dieren klein, sterk en graaflustig zijn, dienen deze ingegraven en/ of verzwaard te worden met zand; Laat de voorzorgsmaatregelen en de controle van de instandhouding hiervan uitvoeren door een inzake deskundige. (Soorten inventarisatie, z.d.)
•
Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen;
•
Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen 17
toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor; Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •
Goedgekeurde gedragscode, Soortenbescherming voor gemeenten van de Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. Deze gedragscode kan worden toegepast tijdens de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden op locaties met wettelijk beschermde soorten. De gedragscode is opgesteld voor de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud en geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Behoud en herstel van biodiversiteit staat hierin centraal (Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland, 2020).
18
7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
19
8. Bibliografie BIJ12. (z.d.). Vergunning aanvragen of niet? Opgeroepen op 29 september 2021, van https://www.bij12.nl/onderwerpen/stikstof-en-natura2000/vergunningen-entoestemmingsbesluiten/vergunning-aanvragen-of-niet/ Gemeente Haarlemmermeer. (z.d.). Particuliere monumentale bomen. Opgeroepen op 17 November - 29 September 2020-2021, van https://haarlemmermeergemeente.nl/particuliere-monumentale-bomen Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Kadviewer. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 29 september 2021, van https://kadviewer.map5.nl Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. (2020, Juli 7). Gedragscode Soortenbescherming voor gemeenten. Opgeroepen op 29 September 2021, van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/08/Gedragscode%20SW%20EIndconcept%2020200709% 20v1.0.pdf Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op 29 September 10, 2021, van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Natuurlijke Zaken. (z.d.). Opgeroepen op 21 december 2022, van https://www.landschapnoordholland.nl Netwerk Groene Bureaus. (2020, Oktober 28). Vleermuisprotocol 2021. Opgeroepen op 25 April - 29 September 11, 2020-2021, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Netwerk Groene Bureaus. (z.d.).
Soorten inventarisatie. Opgeroepen op 18 November - 29 September 20202021, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aankwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/protocollen-vis-amfibie-reptiel-vogel Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 17 November - 29 September 20202021, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op November - September 2020-2021, van https://www.pdok.nl/viewer/ Provincie Noord-Holland. (z.d.). Natuurbeheerplannen. Opgeroepen op 17 November - 29 September 20202021, van https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp Ravon. (z.d.). Rugstreeppad. Opgeroepen op 18 November - 29 September 2020-2021, van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/rugstreeppad Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. (z.d.). Landschap in Nederland. Opgeroepen op 17 November-29 September 24, 2020-2021, van https://www.landschapinnederland.nl/vanaf-1500-droogmakerijen Rijksoverheid. (2021, Juli 01). De Bouwvrijstelling gaat in op 1 juli 2021. Opgeroepen op 29 september 2021, van https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/07/01/de-bouwvrijstelling-gaat-in-op-1-juli2021 Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 17 November - 29 September 2020-2021, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit
20
Ruimtelijke plannen. (z.d.). Omgevingsverodening NH2020. Opgeroepen op 1 December - 29 September 20202021, van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/view Zoogdiervereniging. (z.d.). Bunzing. Opgeroepen op 21 december 2022, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing Zoogdiervereniging. (z.d.). Hermelijn. Opgeroepen op 21 december 2022, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/hermelijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Wezel. Opgeroepen op 21 december 2022, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel
21
Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.
Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.
3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt
22
niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).
Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er
23
geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
24
13. in het algemeen belang. Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)
25